Tweetaligheid: verschil tussen versies

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken
import>ADVN
(Intitiële import)
 
k (1 versie geïmporteerd)
 
(geen verschil)

Huidige versie van 10 jan 2019 om 18:03

Aspecten van tweetaligheid

Een tweetalige of meertalige mens is iemand die twee of meer talen in mindere of meerdere mate beheerst. Deze definitie houdt in dat, ten eerste, alles wat over tweetaligheid wordt gezegd ook geldig is voor meertaligheid en dat, ten tweede, het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat iemand twee of meer talen 'perfect' beheerst om als twee- of meertalige te worden beschouwd. Algemeen wordt aangenomen dat naarmate de tweetaligheid op een natuurlijke manier tot stand is gekomen, dit wil zeggen naarmate er een spontaan leerproces – in tegenstelling tot een schools – heeft plaatsgegrepen, de beheersing van de talen beter is. Nochtans verdient het aanbeveling om het spontane leerproces vroeg of laat te laten vergezellen door een of andere vorm van formele of schoolse instructie. Op deze manier komt tweetaligheid het best tot haar recht.

Tweetaligheid en de geschiedenis van Vlaanderen

Doorheen de geschiedenis van Vlaanderen, Brabant en Limburg speelde tweetaligheid een belangrijke rol. Tot Vlaanderen en Brabant samen deel uitmaakten van het Bourgondische Rijk, was het Frans als ambtelijke taal in Vlaanderen belangrijker dan in Brabant. Pas toen Brussel de noordelijke hoofdstad werd van het Bourgondische Rijk, nam ook de invloed van het Frans op het ambtelijke vlak toe. De toenemende positie van het Frans als lingua franca van Europa vanaf de 17de eeuw, de toenemende kloof met het Nederlandssprekende noorden vanaf dezelfde periode, twee annexaties van Vlaanderen bij Frankrijk, de taalpolitiek van Willem I ten tijde van de Hollandse periode en de verburgerlijking van Brussel in de 19de eeuw, die op Franse leest was geschoeid, gekoppeld aan het prestige van het Frans in Vlaanderen – zowel in kerkelijke als in intellectuele, wereldlijke kringen – zorgden ervoor dat in Vlaanderen en Brabant en in Limburg er een sociale kloof ontstond langs taalkundige lijnen: de bovenlaag gebruikte het Frans als cultuurtaal en de onderlaag deed dit niet. Het verzet van de V.B. tegen de verfransing was dan ook niet alleen verzet tegen het gebruik van het Frans maar ook en vooral een sociale beweging waarbij taal als hefboom werd gebruikt.

Als een taalvariant een specifieke functie heeft en een andere variant een andere functie, dan heet dit diglossie. Vanaf de 19de eeuw tot de Tweede Wereldoorlog, gold voor velen het Frans in Vlaanderen als cultuurtaal en het dialect als omgangstaal en dat is een een prima voorbeeld van een diglossische situatie. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde de situatie. De standaardisering van het Nederlands gekoppeld aan de economische welvaart van Vlaanderen samen met de taalwetten van 1962-1963, die het territorialiteitsbeginsel definitief erkenden, drongen de functies van het Frans in Vlaanderen terug. Aan het einde van de 20ste eeuw lijkt het Frans een veel gestudeerde – maar door jongeren vrij slecht gesproken – vreemde taal. In steden zoals Antwerpen, Gent, Kortrijk en Hasselt bestaat nog een minderheid voor wie de voertaal thuis het Frans is. Deze laatste opmerking geldt niet voor Brussel en haar omgeving waar het grote aantal Franstaligen het gebruik van het Frans bij jongeren aanmoedigt. Vlamingen die goed tweetalig zijn wonen en/of werken dan ook meestal in Brussel.

Tweetalige opvoeding

Op de vraag hoe kinderen het best worden opgevoed, eentalig of tweetalig, kan geen eenduidig antwoord worden gegeven. Alles hangt af van de individuele en/of maatschappelijke omgeving waarin het kind opgroeit. Is de ene ouder Nederlandstalig en de andere Franstalig dan ligt het voor de hand dat beide ouders hun taal spreken. Gebrekkig Nederlands of Frans – en bijgevolg een slecht taalaanbod – dient te worden vermeden. Het succes van een tweetalige opvoeding hangt verder ook af van de omgeving waarin het kind opgroeit. Van een tweetalige opvoeding met een taal die alleen maar thuis wordt gesproken en daarbuiten nooit of zelden door het kind wordt gehoord, mag worden verondersteld dat het succes geringer is dan in een situatie waarin beide talen evenveel aan bod komen zowel binnen als buiten het gezin. Talen waarin onderwijs wordt verstrekt, ontwikkelen bij de sprekers cognitieve vaardigheden die het best ook in de andere taal of talen worden ondersteund. Verder mogen kinderen die tweetalig worden opgevoed tijdens hun ontwikkeling niet voortdurend met eentalige kinderen worden vergeleken. Het verwerven van twee talen duurt net iets langer dan het verwerven van één taal. Het kind dient tijd te worden gegund. Bij de meesten is dit ontwikkelingsverschil echter verdwenen bij de adolescentie. Op dat ogenblik blijkt ook ten volle de meerwaarde van een goede tweetalige opvoeding.

Tweetaligheid in het onderwijs

Doorheen de geschiedenis van Vlaanderen heeft tweetaligheid een belangrijke rol gespeeld in het onderwijs. Ten tijde van de Franse bezetting op het einde van de 18de eeuw en tijdens het verfransingsproces van Brussel in de 19de en 20ste eeuw verliep dit niet altijd ten goede. De gedachte dat kinderen de andere taal wel zullen leren als ze er maar lang genoeg aan worden blootgesteld, de zogenaamde submersie-methode, leidde aan het einde van de 19de eeuw tot grote problemen voor Nederlandssprekende lagere schoolleerlingen in het Brusselse. Vandaar dat aparte maatregelen werden voorzien om de overgang naar een volledig Frans curriculum te vergemakkelijken. Deze zogenaamde transmutatieklassen poogden de leerlingen eerst in hun moedertaal, dit is het Nederlands, kennis te laten maken met de leerstof om ze daarna geleidelijk onderwijs in het Frans te kunnen verschaffen. De afschaffing van deze 'methode' voor Nederlandstalige leerlingen in Brussel heeft niet belet dat dezelfde 'methode' werd gehanteerd toen migrantenleerlingen in Vlaanderen vanaf de jaren 1950 en 1960 hun opwachting maakten.

Goed tweetalig onderwijs houdt rekening met beide talen van de leerling. De stof wordt dan ook bij voorkeur verspreid over beide talen. Is de leerlingenpopulatie van huize uit eentalig maar wil ze via het onderwijs tweetalig worden, de zogenaamde immersie-methode, dan verdient het aanbeveling een deel van de leerstof in de andere taal te onderwijzen. Belangrijk is ook dat het taalaanbod perfect is, dat voortdurende controle op de vorderingen wordt uitgeoefend en dat de leerlingen zich gelukkig voelen met de situatie. Opnieuw is het echter niet aan te bevelen het leerresultaat van tweetalige leerlingen voortdurend te vergelijken met dat van eentaligen. Verder dient er te worden op toegezien dat de tweetaligheid in het onderwijs niet wordt onderbroken. De inspanningen dienen tot de adolescentie worden volgehouden.

Besluit

Vlaanderen heeft in de loop van haar geschiedenis vaak contact gehad met anderstaligen. De afgelopen duizend jaar stond het Frans prominent vooraan. De onmiskenbare individuele en sociale voordelen die tweetaligheid oplevert, raakten echter verwezen in economische, sociale en politieke verwikkelingen die een objectief beeld vertroebelden. Vandaag neigt Vlaanderen naar eentaligheid en wordt er driftig Frans en Engels en in mindere mate Duits gestudeerd. Dit vereist inspanningen van het onderwijs ook al omdat met het oog op een verenigd Europa, waar kennis van drie talen, de moedertaal inbegrepen, wordt aangemoedigd.

Literatuur

C. Ferguson, 'Diglossia', in Word 15, 1959, p. 325-340; 
H. Baetens Beardsmore, Bilingualism: Basic Principles, 19862; 
H. van Velthoven, 'Taal- en onderwijspolitiek te Brussel 1878-1914', in Taal en Sociale Integratie, nr. 4 (1987), p. 261-387; 
S. de Vriendt en P. van de Craen, Bilingualism in Belgium. A History and an Appraisal (Centre for Language and Communication Studies, Occasional Paper, nr. 23, 1989).

Verwijzingen

zie: taalminderheden (Franstaligen in Vlaanderen).

Auteur(s)

Piet van de Craen