Raad van Vlaanderen (1917-1918)

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 14:24 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

(4 februari 1917 – begin november 1918).

Op de Vlaamsch Nationale Landdag te Brussel op 4 februari 1917 vond na moeizame onderhandelingen tussen verschillende activistische organisaties de oprichting van de Raad van Vlaanderen plaats.

De Raad had als taak een centraal orgaan te vormen dat leiding kon geven aan de activistische politiek en de daarbij noodzakelijke politieke samenwerking met de Duitse bezettingsautoriteiten. Tevens was de opzet dat de Raad als een vertegenwoordigend lichaam met wetgevende bevoegdheden zou gaan fungeren. Van een zelfstandig optreden van de Raad en de verschillende commissies (soort schaduwministeries) was geen sprake. De Duitsers lieten daarvoor geen enkele speelruimte (activisme).

De eerste Raad van Vlaanderen

De radicale Gentse groep van Jan D. Domela Nieuwenhuis Nyegaard, die tot de Nationale Jong-Vlaamsche Beweging uitgroeide, beoogde een vertegenwoordigend lichaam dat de kern van het parlement en de regering van de toekomstige soevereine staat Vlaanderen zou vormen. Het gelukte echter niet het merendeel van de activisten te winnen voor het Jong-Vlaamse streven. De gematigde activisten wilden niet verder gaan dan een opportunistische samenwerking met de bezettende macht om bepaalde doeleinden van de V.B. te verwezenlijken. In een op 7 januari 1917 te Brussel gehouden vergadering, waar vertegenwoordigers van verschillende activistische organisaties uit het Vlaamse land bijeen waren, werd ten slotte een vergelijk bereikt op grondslag van de motie-Arthur Claus-Antoon Jacob, die voor Vlaanderen zelfstandigheid vroeg. Op 4 februari werd vervolgens te Brussel een Vlaamsch Nationale Landdag gehouden, waar de eerste 50 leden van de Raad werden aangewezen, met Pieter Tack als voorzitter. Dit alles gebeurde zonder openheid naar buiten. Aan het einde van 1917 was het ledental aangevuld tot 81.

Het eerste optreden van de Raad naar buiten was het zenden van een afvaardiging, bestaande uit Tack, August Borms, Jozef van den Broeck, Emile Dumon, Jacob Lambrichts, Emiel ver Hees en Telesphorus Vernieuwe, naar Berlijn, waar zij op 3 maart 1917 door de rijkskanselier Theobald von Bethmann-Hollweg werd ontvangen. Deze bevestigde, dat nog tijdens de bezetting de volledige bestuurlijke afscheiding van Vlaanderen moest worden verwezenlijkt, maar deed geen verdere toezeggingen.

De raadsleden werden ingedeeld in commissies met bepaalde taken. De Uitvoerende Commissie overlapte grotendeels het bestuur dat in de loop van 1917 werd uitgebreid; zij vertegenwoordigden de Raad bij de Oberkommission (in 1918 Hauptkommission), waarin de Duitsers zitting hadden, die waren belast met de uitvoering van de Flamenpolitik. De Uitvoerende Commissie had geen enkele bevoegdheid.

De werkzaamheden van de Raad kwamen moeizaam op dreef. Eind april 1917 kreeg de Raad beschikking over een huis in de Belliardstraat in Brussel, dat geen voldoende vergaderruimte bood. Van 20 oktober 1917 af werden de zittingen, veelal 's avonds, gehouden in de vergaderzaal van de Provinciale Raad van Brabant. De te Brussel wonende leden waren meestal ambtenaren die bij de bestuurlijke scheiding betrokken waren; voor de buiten Brussel wonenden was het lidmaatschap weinig aantrekkelijk en velen onder hen waren doorlopend afwezig.

Het verloop van de debatten in de vergaderingen was dikwijls teleurstellend, doordat het gros van de raadsleden meestal niet vooraf wist welke onderwerpen ter tafel zouden komen en niet over de nodige gegevens beschikte om met kennis van zaken te beraadslagen. Dit was de bron van onbehagen en onrust. Dit ondermijnde het vertrouwen tussen de leden onderling en tegenover de leiding van de Raad. Ook drong zeer weinig door van wat zich in de hogere regionen van de Duitse rijkspolitiek afspeelde. Tijdens het gouverneurschap van Moritz von Bissing behoorde de uitvoering van de Flamenpolitik tot de taak van de Politische Abteilung onder leiding van Oskar von der Lancken-Wakenitz. Na de dood van von Bissing op 18 april 1917 werd deze opgevolgd door Ludwig von Falkenhausen, die nauwe betrekkingen onderhield met de annexionistische top van de legerleiding (Ludendorff, Hindenburg, von Tirpitz). De val van von Bethmann-Hollweg op 12 juli 1917 versterkte de invloed van de militaire top op de keizer. De invoering van de bestuurlijke scheiding, waarmee Alexander Schaible, de nieuwbenoemde Verwaltungschef voor Vlaanderen was belast, verschafte aan von Falkenhausen een welkome gelegenheid om von der Lancken buitenspel te zetten in november 1917.

In het najaar van 1917 ontwikkelde zich in de Raad een crisisstemming. In de avondzitting van 22 december 1917 gaf Josué de Decker een lange uiteenzetting over de moeilijkheden in het bestuur en de bij Schaible gedane stappen; hij stelde voor het bestuur te vervangen door een bureau en een Commissie van Gevolmachtigden. Er volgde een discussie die de zaak vertroebelde. Daarop overviel Borms, gesteund door René de Clercq en Ver Hees, de Raad met het voorstel op staande voet de politieke zelfstandigheid van de staat Vlaanderen uit te roepen. Door deze eigenmachtige zet van Borms, waaraan geen gemeenschappelijk overleg was voorafgegaan, werd de Raad volkomen overrompeld. Beide voorstellen werden in grote verwarring aangenomen. Dit impliceerde ontbinding van de Raad en aanstelling van een nieuwe Raad, die zou worden bekrachtigd door volksraadplegingen. Voordat de oude Raad uiteenging, vergaderde hij nog eenmaal op 5 januari 1918: het bureau werd gekozen met Willem de Vreese als voorzitter en de Commissie van Gevolmachtigden werd samengesteld met Tack als voorzitter. De Commissie had slechts een adviserende functie tegenover de Duitse bezetter.

De bedoeling bij de uitroeping van de politieke zelfstandigheid (op 20 januari 1918 te Brussel en op 3 februari te Antwerpen) was geweest naar het voorbeeld van Polen de Duitse regering tot erkenning te bewegen, maar deze opzet mislukte volkomen. Het onbevredigende verloop van de in februari 1918 gehouden volksraadplegingen had een ongunstige invloed op de verdere samenwerking met de Duitsers. De ontwikkeling in Duitsland zelf, met de wens om tot vredesonderhandelingen te komen, noopte de Duitse regering haar Flamenpolitik ondergeschikt te maken aan het herstel van België.

De tweede Raad van Vlaanderen

De nieuwe Raad telde 93 leden; 11 leden van de oude Raad hadden zich teruggetrokken en 1 lid (Johan Eggen) werd van de lijst afgevoerd; er kwamen 24 nieuwe leden bij. Men vindt bij verschillende schrijvers opgaven over de getalsterkte van de partijen of groepen in de Raad, die grotendeels onjuist en misleidend zijn. Er was een meerderheid van radicalen, meestal georganiseerd in de extremistische groep Jong-Vlaanderen, met daarnaast de kleinere katholieke groep Vrij Vlaanderen; daartegenover stond een ongeveer gelijk aantal ongeorganiseerden, meestal gematigden. In de eerste Raad was wel eens sprake van een 'zelfstandige' groep, later heeft de benaming unionisten ingang gevonden; de gematigden traden echter niet in groepsverband op. In 1918 bestond de Commissie van Gevolmachtigden zowel als het Bureau overwegend uit Jong-Vlamingen en andere extremisten, terwijl de Raad zelf geen rol van betekenis meer heeft gespeeld.

In de raadszitting van 28 maart 1918 vroeg Pieter Tack bevestiging van de op 22 december 1917 uitgeroepen politieke zelfstandigheid, omschreven in de vorm van 3 negatieve en 3 positieve punten. Deze hernieuwde poging om invloed op de Duitse regering uit te oefenen viel bij deze niet in goede aarde. Toen echter in het begin van het zomeroffensief het Duitse leger enige terreinwinst boekte, mocht de Raad op 20 juni 1918 een Oproep aan het Duitse Volk richten. Er kwam geen officieel antwoord op dit stuk, alleen een in algemene bewoordingen gesteld artikel "van bevoegde zijde" in de Kölnische Zeitung van 25 juni 1918. Twee weken daarna, op 11 juli, verklaarde rijkskanselier Georg von Hertling in de Hauptkommission van de Reichstag echter, dat België bij de verwachte vredesonderhandelingen zou worden opgegeven. Langzamerhand drong het door dat het Duitse offensief was mislukt.

Er werd in juni en juli een aantal bewogen raadsvergaderingen gehouden, waarin onder andere door Arthur Claus ernstige verwijten werden gericht tot de extremistische leiders, ook namen verschillende leden ontslag uit de Raad. In de zitting van 16 augustus werd de motie- Jules Spincemaille aangenomen, die de gevolmachtigden dwong hun mandaat neer te leggen. Dit ontslag ging gepaard met de feitelijke uitschakeling van de Raad van Vlaanderen. Het bureau bleef nog in functie, maar een paar vergaderingen van een beperkt aantal leden in september waren niet officieel. Op 26 september 1918 werd de Raad bijeengeroepen om van consul Rudolf Asmis, die in de Politische Abteilung was belast met de afwikkeling van de Flamenpolitik, de voorlezing te horen van een besluit tot instelling van een Commissie van Zaakgelastigden, in het Duits Beirat genoemd, die ook niet-leden van de Raad bevatte. Ook deze Commissie had slechts een adviserende functie.

Toen de nieuwe commissie, die Josué de Decker tot voorzitter koos, haar werkzaamheden aanving, was de ontruiming reeds aan de gang. Zij bleef echter tot het einde op haar post. Begin november 1918 richtte het Bureau van de Raad een Verklaring tot het Vlaamse Volk, inhoudend dat de Raad zich verdaagde en aan de Commissie van Zaakgelastigden opdroeg zijn ideaal hoog te houden en er gedurende de aanstaande vredesonderhandelingen de verwezenlijking van te bevorderen. Ook dit was een misrekening, want met het ineengestorte Duitsland werd niet meer onderhandeld over de vrede. Toch heeft het te 's-Gravenhage gevormde Vlaamsch Comité voor zover dit onder de gewijzigde omstandigheden nog mogelijk was, uitvoering gegeven aan het te Brussel genomen besluit.

Samenstelling van de eerste Raad

Bij de stichting op 4 februari 1917 telde de Raad van Vlaanderen de volgende 46 leden (4 van de aangewezen 50 leden vielen af of traden pas later toe): Emiel van Bergen (ambtenaar, Brussel); Ferdinand Bogaerts (advocaat, Brussel); August Borms (bestuurder Vlaams ministerie van wetenschappen en kunsten, Brussel); J. Borremans (tuinbouwer, Zuun); Albert van den Brande (docent economie, Gent); Jozef van den Broeck (bestuurder Vlaams ministerie van justitie, Brussel); Achiel Brijs (handelaar, Brussel); Ferdinand Brulez (hoogleraar wiskunde, Gent); Arthur Claus (hoogleraar psychiatrie, Antwerpen); Richard de Cneudt (ambtenaar ministerie van wetenschappen en kunsten, Brussel); Josué de Decker (hoogleraar filologie, Gent); Gustaaf Doussy (docent geneeskunde, Gent); Emile Dumon (arts, Brugge); Johan Eggen (hoogleraar rechten, Gent); Arthur Faingnaert (sociaal werker, Brussel); Alfons Fornier (hoogleraar techniek, Gent); Polidoor Goossens (handelaar, Gent); Jozef Haller von Ziegesar (algemeen bestuurder afdeling kunsten van het Vlaams ministerie van wetenschappen en kunsten, Brussel); Hector Halsband (ambtenaar ministerie PTT, Brussel); Florimond Heuvelmans (secretaris-generaal van het Vlaams ministerie van justitie, Brussel); Antoon Jacob (docent letterkunde, Gent); Emiel Jacques (kunstschilder, Brussel); Alfons Jonckx (hoogleraar rechten, Gent); Maurits Josson (bestuurder Vlaams ministerie van wetenschappen en kunsten, Brussel); Jozef de Keersmaecker (hoogleraar urologie, Antwerpen); Reimond Kimpe (docent techniek, Gent); Jacob Lambrichts (handelaar, Brussel); Julius Libbrecht (algemeen bestuurder afdeling lager onderwijs van het Vlaams ministerie van wetenschappen en kunsten, Brussel); F. Locquet (handelaar, Antwerpen); Adriaan Martens (hoogleraar geneeskunde, Gent); Lodewijk Masfranckx (verzekeraar, Brussel); Hippoliet Meert (algemeen bestuurder afdeling middelbaar onderwijs van het Vlaams ministerie van wetenschappen en kunsten, Brussel); Max Oboussier (docent economie, Gent); Emiel Peeren (ambtenaar spoorwegen, Brussel); Lodewijk Peerenboom (industrieel, Brussel); Flor Peeters (accountant, Antwerpen); Lodewijk Severeijns (wisselagent, Antwerpen); Jules Spincemaille (algemeen bestuurder Vlaams ministerie van binnenlandse zaken, Brussel); Evarist Stocké (oogarts, Gent); Pieter Tack (algemeen bestuurder afdeling hoger onderwijs van het Vlaams ministerie van wetenschappen en kunsten, Brussel); P. Trachet (financier, Brussel); Emiel ver Hees (algemeen secretaris Vlaams ministerie van nijverheid en arbeid, Brussel); Telesphorus Vernieuwe (algemeen secretaris Vlaams ministerie van landbouw, Brussel); Willem de Vreese (hoogleraar filologie, Gent); Robert de Waele (docent landbouwkunde, Gent); Karel Waternaux (beambte, Antwerpen).

Het eerste bestuur van de Raad bestond uit: Tack en De Keersmaecker (voorzitters); Ver Hees (ondervoorzitter); Van den Broeck en Brys (secretarissen); Jacob (archivaris); Faingnaert en Severeijns (leden).

Dit eerste bestuur werd in de loop van 1917 gewijzigd en uitgebreid met de Uitvoerende Commissie. In de loop van 1917 steeg het aantal leden van de Raad tot 81 door assumeren van de volgende leden: 25 februari: Jan Quintens (arts, Sint-Truiden); 25 maart: Raf Verhulst (journalist, Antwerpen); Herman Vos (socioloog, Antwerpen); 22 april: Leo Meert (leider Kolenverdeeling voor Vlaanderen, Brussel); 6 mei: Emiel van Bockstaele (hoogleraar geneeskunde, Gent); Hendrik Schönfeld (hoogleraar geneeskunde, Gent); Antoon Picard (hoogleraar geneeskunde, Gent); Alfons van Roy (hoogleraar rechten, Gent); Fernand Quintens (zoon, plaatsvervanger, Sint-Truiden); 20 mei: Karel Borms (hoogleraar geneeskunde, Gent); Everhardus Godée-Molsbergen (hoogleraar geschiedenis, Gent); Johan Labberton (hoogleraar rechten, Gent); Albert Vlamynck (docent geschiedenis, Gent); 3 juni: Jan Baptist Bellefroid (sociaal werker, Herentals); Jef van den Eynde (ambtenaar, Brussel); Hendrik Mommaerts (industrieel, Broechem); Jan Vogels (arts, Turnhout); 8 juli: Karel de Vriese (ambtenaar Vlaams ministerie van nijverheid en arbeid, Gent); 15 juli: Karel Angermille (graanmakelaar, Antwerpen); Alfons Depla (arts, Kortrijk); L. Goyens (arts, Antwerpen); Simon Lindekens (arts, Schoten); Marten Rudelsheim (bibliothecaris, Antwerpen); Walter Tamm (arts, Antwerpen); 29 juli: René de Clercq (conservator museum Wiertz, Brussel); 13 augustus: Triphon Tanghe (veearts, Harelbeke); 11 september: Steven Prenau (ambtenaar Vlaams ministerie van wetenschappen en kunsten, Brussel); 24 september: N. de Poortere (vlashandelaar, Kuurne); 2 oktober: A. Pacilly (wisselagent, Brussel); 28 oktober: H. van de Velde (landmeter, Brussel); 24 november: Antoon-Alfons Plevoets (ambtenaar Vlaams ministerie van justitie, Brussel); 22 december: Karel Heynderickx (algemeen secretaris Vlaams ministerie van binnenlandse zaken, Brussel); Victor Lambrecht (algemeen bestuurder Vlaams ministerie van justitie, Brussel); Jozef Vrijdaghs (advocaat, Sint- Truiden); J. Rasschaert (handelaar, Wetteren).

Samenstelling van de tweede Raad

Door de ontbinding van de eerste Raad, waartoe ter zitting van 22 december 1917 werd besloten, vielen 12 leden van de eerste Raad af. Een daarvan was Johan Eggen, wiens lidmaatschap van de nieuwe Raad niet op prijs werd gesteld, terwijl 11 leden ontslag namen of geen mandaat meer wensten te aanvaarden. Dezen waren: Ferdinand Bogaerts; L. Goyens; Antoon Jacob; Johan Labberton; Simon Lindekens; N. de Poortere; Fernand Quintens; Marten Rudelsheim; P. Trachet; H. van de Velde; Herman Vos.

In de tweede Raad (1918) kwamen 24 nieuwe leden, waardoor het ledental op 93 kwam. Deze 24 waren: A. Bogaerts (onderwijzer, Lier); J. de Bondt (schoolhoofd, Leefdaal); A. Bracke (leraar, Lokeren); Albert van den Bruele (drukker, Denderleeuw); Lucien Brulez (docent wijsbegeerte, Gent); Aloïs Bruwier (arts, Ichtegem); Jan Callens (vlashandelaar, Kortrijk); Juliaan de Croos (prefect atheneum, Oostende); H. Deckers (bouwkundige, Mechelen); Hendrik Dhooge (leraar, Kortrijk); Eugène Everaerts (stadsbibliothecaris, Oostende); Lambert Jageneau (kunsthandelaar, Hoogstraten); Camiel Libbrecht (oud-atheneumprefect, Op- Glabbeek); Albert Maene (handelaar, Brugge); J. de Meester (handelaar, Brugge); Hector Plancquaert (advocaat, Gent); Frans Primo (journalist, Gent); E. de Ruyter (notaris, Sint-Joris-Winge); Constant H. Vansteenkiste (vlashandelaar, Wevelgem); Antoon Thiry (leraar, Gent); Pieter Ursi (industrieel, Leuven); Jozef Verhelst (handelaar, Roeselare); Paul Vrijdaghs (opziener middelbaar onderwijs, Brussel); Jan Wannyn (bestuurder handelsleergangen, Gent).

In verband met de aanstelling van de Commissie van Gevolmachtigden, verviel het bestuur van de Raad. In de plaats daarvan kwam het bureau bestaande uit: Willem de Vreese (voorzitter); René de Clercq en Plancquaert (ondervoorzitters); Jozef van den Broeck en Albert Vlamynck (secretarissen); Lodewijk Masfranckx (questor).

Literatuur

Les Archives du Conseil de Flandre, 1928; 
A.L. Faingnaert, Verraad of zelfverdediging?, 1933; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, I, 1969; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
L. Wils, Flamenpolitik en Aktivisme, 1974; 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991.

Auteur(s)

Hendrik D. Mommaerts; Pieter van Hees