Limburg

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 14:22 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Het ontstaan van de provincie

Na de ineenstorting van het Karolingische rijk in de 9de eeuw kwam in de streek van het huidige Limburg het graafschap Loon tot stand. Dit vorstendom bleef bestaan tot 1366, toen het door het prinsbisdom Luik werd ingepalmd. Die toestand bleef ongewijzigd tot aan de Franse Revolutie.

In de periode 1792-1795 kregen Franse legers het huidige België in hun greep. Het prinsbisdom Luik en de Oostenrijkse Nederlanden hielden op te bestaan. Zoals dat ook elders gebeurde, werden de ingepalmde gebieden in departementen verdeeld. Op 1 oktober 1795 kwam het Département de la Meuse Inférieure, met Maastricht als hoofdstad, tot stand. Dit departement viel grosso modo samen met het grondgebied van het huidige Belgisch en Nederlands Limburg.

In 1814-1815 werden de Fransen uit onze streken verdreven. De huidige staten België, Nederland en Luxemburg vormden voortaan het Verenigd Koninkrijk, onder koning Willem I van het huis van Oranje-Nassau. Deze behield de departementale indeling en gaf het departement van de Nedermaas de naam Limburg, naar het gelijknamige vroegere hertogdom, gelegen tussen Verviers en Eupen.

Vijftien jaar later, in 1830, kwam het Zuiden van het Verenigd Koninkrijk in opstand tegen Willem I en scheurde zich af. De nieuwe staat België was geboren.

De grenzen tussen Noord en Zuid lagen evenwel niet meteen vast. Vooral in het gebied van de beide Limburgen waren er problemen. Nederlands Limburg, behalve Maastricht, bleef nog geruime tijd in Belgische handen. Pas op 19 april 1839 kwam het definitief bij Nederland, als een late uitloper van het Verdrag van de XXIV Artikelen van 14 oktober 1831.

Het grondgebied van Belgisch Limburg is sedertdien onveranderd gebleven. Alleen de wet van 8 november 1962 bracht een lichte wijziging. De zes Nederlandstalige gemeenten van de Voerstreek (Moelingen, 's Gravenvoeren, Sint-Pieters-Voeren, Sint-Martens-Voeren, Remersdaal en Teuven) werden van de provincie Luik losgemaakt en kwamen bij Limburg (Voeren, taalgrens). De Franstalige gemeenten van de Jekervallei (Bitsingen, Eben-Emaal, Rukkelingen aan de Jeker, Ternaaien en Wonck) en de gemeenten Korswarem en Wouteringen gingen van Limburg naar Luik.

Enkele historische, economische, sociale en culturele kenmerken

Vóór 1830

Het vroegere Loon vormde gedurende méér dan vier eeuwen een aanhangsel van Luik. De prins-bisschop was er maar matig in geïnteresseerd. Gedurende al die tijd werden steden en gemeenten in het Diets bestuurd. Ook de rechtsbedeling gebeurde in de volkstaal. De betrekkingen met Luik daarentegen verliepen doorgaans in het Frans. Lange tijd vergaderden de Dietse steden binnen de Staten van Luik afzonderlijk en ontvingen zij een vertaling van de besprekingen van de andere Staten. Vanaf 1600 kwam hieraan een einde. Voortaan konden Dietse afgevaardigden alleen nog aan de besprekingen in de Statenvergaderingen deelnemen zo zij het Frans beheersten.

Periode 1830-1918

Limburg bleef na het uitroepen van de Belgische onafhankelijkheid sterk van Luik afhankelijk. Het maakte deel uit van het rechtsgebied van het hof van beroep aldaar (zie infra) en bleef onderworpen aan de bisschop van Luik. Hier komt bij dat de stad bij de Maas een sterke culturele en economische aantrekkingskracht uitoefende op Limburg, voornamelijk op het zuiden. Luik was een centrum dat, bij wijze van spreken, vlakbij lag. De universiteit en de vele andere Luikse scholen trokken Limburgse jongeren aan, althans voor zover deze voortgezet onderwijs volgden. Ook was de cité ardente een belangrijk winkelcentrum en boden haar mijnbouw en metaalindustrie heel wat werkgelegenheid.

Afgezien van de ambachtslui en kleinhandelaren die in de plaatselijke behoeften voorzagen, was haast iedereen in Limburg in de landbouw werkzaam. In 1850 vormden de landbouwers 69 % van de beroepsbevolking – het hoogste percentage van België. Alleen Zuid-Limburg en vanaf het einde van de 19de eeuw ook het noorden van de provincie telden industriearbeiders.

De Limburgse boeren waren erg arm. Een vierde van hen bezat geen eigen bedrijf. Behalve in Haspengouw en het Maasland waren er geen grote boerderijen. Bovendien werden de vruchtbare gronden, die haast volledig in handen waren van de adel en andere grootgrondbezitters, door al te veel kleine pachters bezet.

De armoede en de daaruit voortspruitende fysieke ellende waren ongemeen groot in het 19de-eeuwse Limburg. Zo was in 1890 42% van de dienstplichtigen in het arrondissement Maaseik ongeschikt voor de dienstplicht, terwijl het Belgisch gemiddelde slechts 14% bedroeg.

Limburg kende vóór de Tweede Wereldoorlog geen steden van enige betekenis. Hasselt, Sint-Truiden, Tongeren en Maaseik waren slechts provinciestadjes. Zij telden in 1910 respectievelijk 17.095, 15.647, 10.382, 4631 en 3344 inwoners. Ook waren de dorpen en gehuchten erg dunbevolkt, vooral in de Kempen.

De Limburgse maatschappij van de 19de eeuw was een patriarchaal-hiërarchische. Zoals in alle agrarische streken in die tijd leefde iedereen binnen de grenzen van het eigen gezin onder het absolute gezag van de huisvader, die op zijn beurt onderdanig was aan de plaatselijke notabelen en aan de dorpsgeestelijkheid.

Limburg was homogeen katholiek. Andere godsdiensten waren onbestaande. Alleen in Zuid-Limburg trof men vrijzinnigen aan. Zij speelden evenwel geen rol bij het bepalen van het maatschappelijk klimaat.

Vanaf 1918

Tijdens het interbellum nam het aandeel van de industrie in de totale beroepsactiviteit in Limburg toe. Dit was in eerste instantie het gevolg van de steenkoolontginning in de Kempen. Na de Tweede Wereldoorlog, voornamelijk vanaf de jaren 1960, kwamen hier tal van nieuwe industrieën bij. Ook de handel en de dienstensector kregen na 1918 een steeds grotere betekenis, terwijl die van de landbouw verminderde. Limburg was niet langer een uitgestrekt platteland. Dorpen en steden werden groter en het bevolkingsaantal nam sterk toe: in 1890 waren er 222.814 inwoners en in 1947, 460.446, een toename met meer dan 100%.

Het einde van het agrarisch tijdperk, de toename van de welvaart, de groei van steden en industriecentra, en de bevolkingsexplosie hadden tot gevolg dat de Limburgers mobieler werden. Ook nam de participatie aan het onderwijs in sterke mate toe. Hier kwam nog bij dat de wijziging van de beroepsstructuur gepaard ging met een verandering van het bevolkingspatroon. Tot aan de Eerste Wereldoorlog vertoonde dit patroon een praktisch homogeen karakter. De niet-allochtonen vormden maar een kleine groep. Het waren in hoofdzaak militairen (Leopoldsburg en omgeving), rijkswachters, ambtenaren van het centraal bestuur, leraren in het officieel onderwijs enzovoort. De exploitatie van het Kempens steenkoolbekken bracht tal van 'vreemdelingen' naar Midden-Limburg. Uit Wallonië kwamen kaderpersoneel en gespecialiseerde arbeiders, uit het Hageland en de Antwerpse Kempen, uit Midden-Europa (Duitsland, Tsjecho-Slowakije en vooral Slovenië) en uit Oost-Europa (Hongarije en vooral Polen) arriveerden kompels en andere handarbeiders. Ook de jarenlange werkzaamheden voor de bouw van het Albertkanaal leidden ertoe dat heel wat niet-Limburgers, niet het minst Oost- en West-Vlamingen, naar de provincie kwamen. De Limburgers kwamen nu in contact met andere culturen en levensopvattingen.

Het gevolg van dit alles was dat een aantal onder hen, vooral jongeren, niet langer bereid was zich zonder enig voorbehoud te onderwerpen aan de traditionele denkwijzen en gezagsstructuren. De enige machthebber die hieraan, althans tot in de jaren 1960, grotendeels ontsnapte, was de rooms-katholieke Kerk.

Van een Franstalig naar een Nederlandstalig openbaar leven

Limburg was rond 1875, afgezien van Brabant, de meest verfranste provincie van Vlaanderen. Vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw kwam daar geleidelijk een einde aan. Pas in de jaren 1960 beleefde het vernederlandsingsproces zijn voltooiing.

Het gerecht

Vóór de wet van 17 augustus 1873 was het taalgebruik in hoven en rechtbanken volledig vrij, zoals bepaald in artikel 23 van de grondwet. In de praktijk betekende dit een diepgaande verfransing van hoven en rechtbanken. Uit de beschikbare archieven kan worden opgemaakt dat de verfransing in Limburg op het niveau van de arrondissementen (correctionele en burgerlijke rechtbank van eerste aanleg) diep doordrong. Ze was er vrijwel totaal.

Door de wet van 17 augustus 1873 stond het de magistraten in Vlaanderen niet langer vrij de taal te gebruiken die zij wensten. Voortaan kreeg ook het Nederlands een plaats bij de rechtsbedeling, meer bepaald in strafzaken. De wet van 5 mei 1889 trok deze lijn door, evenals de wet van 15 juni 1935, die bepaalde dat de gehele rechtspraak, penale en civiele zaken, voortaan in het Nederlands diende te gebeuren.

Tot 1970-1974 hingen de gerechtelijke arrondissementen Hasselt en Tongeren van het Luikse hof van beroep af. Inmiddels werden wel wijzigingen inzake taalgebruik doorgevoerd. De wet van 4 september 1891 bepaalde dat het Nederlands bij de behandeling van Limburgse strafzaken gebruikt mocht worden. Ook hier was een onstuitbare ontwikkeling ingezet. De wet van 15 juni 1935 betekende de algehele vernederlandsing van alle Limburgse beroepszaken in Luik.

Vanaf het midden van 1965 kwam het Luikse hof van beroep herhaaldelijk in de Limburgse provincieraad aan bod. Aanvankelijk werd er gewezen op het tekort aan magistraten in de Vlaamse Kamers. Later werd aangedrongen op de overheveling ervan naar Hasselt.

In 1970 werd artikel 104 (thans artikel 156) van de grondwet gewijzigd. Het bestaande aantal hoven van beroep werd vermeerderd. Er kwam een nieuw hof in Antwerpen, en Limburg werd van Luik losgemaakt en bij Antwerpen gevoegd. De wet van 25 juni 1974 maakte deze grondwetsherziening operationeel (gerecht).

De administratie

Tot 1918 bleef het provinciebestuur in Hasselt in hoofdzaak Franstalig. Pas in 1888 werd de eerste Nederlandstalige rede in de provincieraad gehouden, legden enkele leden van de raad de eed in het Nederlands af en werd een voorstel gedaan dat ertoe strekte het Nederlands aan zijn trekken te laten komen.

Bij de besturen van de belangrijkste gemeenten (Hasselt, Sint-Truiden, Tongeren en Maaseik) was de toestand gelijkaardig. In de kleinere lokaliteiten werd Nederlands gebruikt, omdat (vrijwel) niemand er Frans sprak of begreep.

Vóór de wet van 31 juli 1921 beslisten provincies en gemeenten autonoom over de keuze van hun taalgebruik. De wet van 31 juli 1921 maakte het Nederlands verplicht in de buitendiensten. De wet van 28 juni 1932 breidde deze regeling uit tot de binnendiensten.

De vernederlandsing van het Limburgse provinciebestuur was niet alleen het gevolg van de bovengenoemde wetten. Ook de provinciale autoriteiten namen initiatieven in deze zin. Zo moesten, volgens de wet van 28 juni 1932, de debatten in de provincieraad in het Nederlands plaatshebben. Maar steeds meer provincieraadsleden waren reeds onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog begonnen Nederlands te spreken. De Limburgse provincieraad gaf na 1918 vrijwel onmiddellijk tekenen van een groeiend flamingantisme. Niet alleen werd er steeds minder Frans gesproken, maar de francofiele leden werden ook geïsoleerd. Vanaf 1921 verdwenen zij zelfs volledig uit de raad. Inmiddels liet de raad zich in met het flamingantisch contentieux, ook wanneer dit niet tot zijn bevoegdheid behoorde. Twee voorbeelden hiervan: op 11 december 1925 nam de raad een motie aan waarin volledige amnestie voor de activisten werd geëist, in de eerste plaats voor August Borms. En eind juli 1932 werd een motie goedgekeurd die zich weliswaar tegen de scheiding van België uitsprak doch anderzijds "de onmiddellijke en algehele oplossing van de Vlaamse Kwestie, langs een door scherpe sancties gewaarborgde wetgeving en, bij gebreke daarvan, door een federaal stelsel" eiste.

Deze moties werden niet bij eenparigheid aangenomen. Een vrij groot aantal leden wilde er niet van weten, in de eerste plaats de Franssprekende Belgisch-nationalisten en de meeste liberalen. Ook de socialisten, behalve de oud-daensist en latere senator Jules Demarrez, voelden weinig voor deze flamingantische initiatieven.

In het begin van de jaren 1930 waren er maar weinigen die nog van het Frans gebruikmaakten. Vermeld dient nog dat de wet 1932 aan de verkozenen van het zuiden van het kanton Zichen-Zussen-Bolder, de zogenaamde Jekervallei, toeliet Frans te blijven spreken. Dat deden zij ook, tot de wet van 11 oktober 1962, die deze streek bij Luik voegde, daar een einde aan maakte. De laatste Franstalige toespraak in de Limburgse provincieraad werd gehouden op 11 oktober 1962.

Niet alleen het provinciaal bestuur vernederlandste na de Eerste Wereldoorlog. Hetzelfde gebeurde met de enkele gemeentebesturen die in de loop van de 19de eeuw waren verfranst. Vanaf 1932 kreeg een aantal Franssprekende, doorgaans conservatieve, burgemeesters oppositiegroepen tegenover zich, die Vlaamsgezind en democratisch waren. Zo onder meer in Beringen, Eigenbilzen, Herk-de-Stad, Guigoven, Kortessem, Kwaadmechelen, Lommel, Lummen, Maaseik, Neeroeteren, Opglabbeek, Rotem en Tessenderlo. Deze groepen, die hier en daar zelfs het bestuur in handen kregen, hadden geen formele banden met het partijpolitiek Vlaams-nationalisme. De meeste leden hadden er wel minstens sterke sympathie voor.

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog was het aantal francofiele gemeenteraadsleden erg geslonken. Wel waren er vooral in Zuid-Limburg nog kleine dorpjes waar de Franssprekende kasteelheer de burgemeesterssjerp stevig in handen hield.

In de zes Voergemeenten kreeg de vernederlandsing geen voet aan de grond. Oorzaak daarvan was het feit dat deze streek, zowel door de nationale als door de Luikse overheden op tal van terreinen als Franstalig werd beschouwd en dienovereenkomstig werd behandeld. Vanaf 1962 hield de verfransing op, in deze zin dat de bewoners die de overheveling naar Limburg hadden toegejuicht, zich meer en meer als Vlamingen gingen manifesteren en intens gebruikmaakten van de Vlaamse overheidsintellingen die voor hen waren opgericht: provinciale middelbare school, provinciale muziekschool, cultureel centrum Veltmanshuis. De Voerense bevolking die de overheveling naar Limburg niet genegen was, schaarde zich aan de kant van Wallonië en zond haar kinderen naar Franstalige scholen in de nabije Waalse gemeenten en later in hun eigen dorpen. Dit bracht met zich mee dat een aantal jonge Voerenaars die van huis uit Nederlands – of beter: een Limburgs dialect – spraken, stilaan Franstaligen werden (bestuurszaken).

Het onderwijs

Het bisdom Luik, waartoe Limburg hoorde, was eentalig Frans. Het Nederlands werd enkel op de lagere niveaus van de bisschoppelijke administratie gebruikt, althans in contacten met en tussen Limburgers. De verfransing van het katholieke middelbaar onderwijs na 1830 – er werd wel een leergang Nederlands, meestal in het Frans, gegeven – ging ongemeen snel. Van een overgangsregime met een dubbel taalstelsel, zoals in het aartsbisdom Mechelen, was hier helemaal geen sprake. Wel dient onderstreept dat Luik vanaf het begin van de 20ste eeuw het voortouw nam bij de vernederlandsing (zie infra). En de positie van het Nederlands was in het officieel onderwijs beter dan in de vrije onderwijsinstellingen. Dit geldt zeker voor de athenea en rijksmiddelbare scholen te Hasselt en Tongeren. Maar deze betere positie mag niet worden overschat.

Een zeer specifieke groep die de verfransing van het onderwijs in de hand werkte, was het meestal Franstalige personeel van de mijnen dat van elders kwam. Zoals reeds gezegd betrof het hier meestal kaderpersoneel, technici en gekwalificeerde arbeiders. De directies van de mijnen richtten ten behoeve van deze mensen Franstalige lagere scholen op of subsidieerden plaatselijke scholen die gedeeltelijk Franstalig wilden worden. Ook zette men naschoolse vorming en diverse culturele activiteiten op het getouw, onder meer in de sector van de muziek. Bovendien hadden de mijndirecties belangstelling voor de plaatselijke jeugd. Zij kreeg niet alleen toegang tot de Franstalige scholen maar werd er ook toe aangezet Franse taallessen te volgen en aan het Franstalig cultureel leven deel te nemen.

Pas kort voor de wet van 22 april 1910 kwam de vernederlandsing van het vrij middelbaar onderwijs op gang. Ze was uitsluitend het gevolg van initiatieven die de kerkelijke overheid terzake nam en verschilde bijgevolg van diocees tot diocees.

Zo schakelde het Heilig Kruiscollege in Maaseik bij de aanvang van het schooljaar 1909-1910 als eerste in Vlaanderen volledig op het Nederlands over. Het Sint-Hubertuscollege in Neerpelt deed in 1910-1911 als eerste bisschoppelijke instelling hetzelfde. In andere katholieke instellingen, zeker in de colleges van Hasselt en Tongeren, verliep de vernederlandsing niet zo snel. Het verzet van bepaalde Franssprekende ouders was hieraan niet vreemd.

Ook in de mijnstreek werd de verfransing ernstig afgeremd. De wet van 14 juli 1932 bepaalde dat de streektaal ook de onderwijstaal moest zijn. Alleen kinderen van ouders die niet Nederlandstalig waren, mochten in Franstalige scholen worden ingeschreven. Toch zouden het Franstalig onderwijs en cultureel leven in de mijnstreek de Tweede Wereldoorlog overleven. De laatste Franstalige school verdween pas in 1954 (onderwijs).

De Vlaamse Beweging in Limburg

1830-1914

De eerste uiting van Vlaamsgezindheid in Limburg was de oprichting van Utile Dulci (1845) in het Klein Seminarie van Sint-Truiden. De leden van deze vereniging beoefenden de letterkunde in het Nederlands en wilden via deze weg een bijdrage leveren tot de herleving van de eigen moedertaal. In 1858 ontstond De Vlaemsche Broeders van Limburg. De opzet van deze vereniging stemde overeen met deze van Utile Dulci. Wel drong men nu en dan, op een uiterst gematigde wijze, aan op overheidsmaatregelen met het oog op de bescherming en de overleving van het Nederlands.

Pas vanaf 1870 kwam de V.B. in Limburg echt van de grond. Een drietal tijdschriften zag toen het levenslicht: 't Daghet in den Oosten (1885), het studententijdschrift De Kabouter uit het Land van Loon (1888) en De Banier (1893). Alledrie waren het publicaties met onder meer een 'taelminnend' opzet. 't Daghet in den Oosten en vooral De Kabouter uit het Land van Loon klaagden bovendien het taalgebruik van de verschillende openbare besturen aan. Eerstgenoemde deed dit occasioneel en uiterst voorzichtig, laatstgenoemde daarentegen had veel aandacht voor de taalmisstanden en gebruikte niet zelden een vrij harde taal.

Naast tijdschriften werden ook diverse verenigingen opgericht. Zo kwam in 1870 onder impuls van atheneumleraar Désiré Claes de eerste Limburgse Davidsfondsafdeling tot stand. Rond 1875 bestonden er ook in enkele andere gemeenten, onder meer in Sint-Truiden en in Tongeren, afdelingen van deze Vlaamsgezinde cultuurvereniging. De eerste Limburgse studentenbond was De Jonge Klauwaarts in Hasselt (1884). Later, meer bepaald in 1895, kwam de Limburgsche Katholieke Vlaamsche Studentenbond tot stand. Hij telde drie gewesten: Kempen, Maaskant en Haspengouw. Na 1900 ontstonden diverse plaatselijke studentenverbonden: Maaseik (1902), Bree (1905), Sint-Truiden (1905), Tessenderlo (1905), Tongerlo (1905), Beringen (1907), Genk (1907), Spouwen (1907), Bocholt (1908), Herk-de-Stad (1908), Lanaken (1908), Ophoven (1908), Peer (1908), Rekem (1908). Verder was er nog de in 1886 in Leuven door Lodewijk Plessers opgerichte Limburgse Gouwgilde, die tussen 1886 en 1889 jaarlijkse gouwdagen in de provincie organiseerde. Tot slot dient vermeld dat in 1904 onder impuls van de Hasselaar Eugeen Leën een oud-hoogstudentenverbond totstandkwam. In 1893 richtte dezelfde Leën het Hasselts Leesgezelschap op, een vereniging van Vlaamsgezinde intellectuelen die een Nederlandssprekende elite tot stand wilde brengen.

Verder moet hier nog de naam van Martinus-Hubertus Rutten vallen, de Vlaamsgezinde titularis die het bisdom Luik van 1902 tot 1927 had, iets wat tot dan nog niet was voorgekomen. Rutten had zich van in zijn jeugd als Vlaamsgezind gemanifesteerd. Reeds in 1886 noemde hij de V.B. in een rede op het katholiek sociaal congres te Luik een rechtvaardige zaak. Zijn bekendste toespraak hield hij op 20 april 1910, waar hij zich als bisschop richtte tot een vijftigtal kanunniken en dekens. Hij verklaarde er dat de Vlaamse taaleisen (onder meer de vernederlandsing van de Gentse universiteit) rechtmatig waren en bijgevolg moesten worden ingewilligd. Rutten kwam met dit standpunt in botsing met kardinaal Désiré Mercier.

Leek de V.B. in Limburg op deze in de andere provincies of had zij een aantal eigen kenmerken? Vooreerst dient opgemerkt dat de V.B. in Limburg tijdens de periode 1830-1914 een eerder beperkte betekenis had. De provincie telde weliswaar Vlaamsgezinde voorvechters als Paul Bellefroid, Désiré Claes, August Cuppens, Leën, Plessers, Steven Prenau, Nicolas Theelen en anderen, maar zij hadden niet het formaat van figuren als Albrecht Rodenbach, kanunnik Jan-Baptist David, Jan J. de Laet, Lodewijk de Raet, Paul Fredericq, Frans van Cauwelaert, Jan F. Willems en anderen. Alleszins was het een feit dat de Limburgse flaminganten buiten hun eigen provincie geen invloed uitoefenden. Ook hadden de Limburgse flamingantische verenigingen niet zo heel veel om het lijf en bereikten hun publicaties weinig lezers.

Een tweede kenmerk van de V.B. in het Limburg van vóór 1914 was dat zij 'inhoudelijk' een relatief grote achterstand had. Buiten de provincie streed men in de periode 1860-1885 voor een aangepaste taalwetgeving, terwijl men in de periode 1885-1914 naar een Vlaams radicalisme evolueerde. In Limburg was de V.B. tot 1880 nog bijna exclusief van 'taelminnende' aard. Daar kwam slechts geleidelijk verandering in. Toch bleef de 'taelminnarij' tot 1914 een niet onbelangrijk onderdeel van de Limburgse V.B.

De V.B. was hier niet alleen relatief onbelangrijk en onvoldoende ontwikkeld, zij werd ook nagenoeg uitsluitend door katholieken gedragen, wat niet abnormaal was in een provincie die bijna exclusief door katholieken bewoond werd. Het Willemsfonds betekende weinig of niets in vergelijking met het Davidsfonds, terwijl de Vlaamse studentenbeweging in de scholen van het Rijk – die overigens weinig talrijk waren en die veel minder leerlingen telden dan de katholieke – bijna volledig afwezig was. Het Vlaamsgezinde liberalisme beperkte zich tot een kleine groep intellectuelen, meestal leraars en onderwijzers, in Hasselt, Tongeren en Sint-Truiden.

In verband met het katholieke karakter van Limburg dient nog vermeld dat de studentenbonden op de volledige steun van de Kerk konden rekenen, zeker vanaf 1902, het jaar waarin Rutten bisschop van Luik werd. Wel hield de kerkelijke overheid de bonden via haar priesters en seminaristen goed in handen. De invloed van de studenten in Leuven, die nogal eens stelling namen tegen het wereldlijk en kerkelijk gezag, althans inzake taalaangelegenheden, werd daardoor beperkt.

Een laatste kenmerk van de Limburgse V.B. is dat zij, althans tot 1880, een geïsoleerd bestaan leidde. Er waren maar weinig contacten met de flaminganten uit andere provincies. Dit gold ook voor de studentenbonden die elders via hun leden, die aan de Leuvense universiteit studeerden, ingeschakeld waren in een algemeen Vlaamse studentenbond. Toen in 1877 in Gent het eerste overkoepelend orgaan van de Vlaamse studentenbonden werd opgericht, bleven de Limburgers afwezig, hoewel zij herhaaldelijk waren aangezocht om zitting te nemen in dit orgaan. Dienaangaande verklaarde Albrecht Rodenbach in een brief aan Pol de Mont: "Limburg slaapt in zijn classico-pedantisme", en Jakob Muyldermans schreef in een speciale oproep, gepubliceerd in De Vlaamsche Vlagge van Pasen 1878: "Limburg is tot nu toe verborgen achter een Chinese muur." Uitzonderingen hierop waren de contacten van een aantal Limburgse 'taelminnaren' met de West-Vlaamse dichter Guido Gezelle en de band tussen Utile Dulci in Sint-Truiden en het cultureel studentengenootschap Met Tijd en Vlijt in Leuven.

Tijdens de laatste twee decennia van de 19de eeuw kwam hier verandering in. In de studentenbeweging waren er toen persoonlijke contacten tussen Limburgse en niet-Limburgse leiders. Zo is er de briefwisseling tussen de Luikse seminarist J.N. Bernard en Albrecht Rodenbach. Ook het optreden van Lodewijk Plessers (Niel-bij-As) is in dit verband van belang. Als rechtenstudent in Leuven was hij een toonaangevende figuur in de Vlaamsche Strijdersbond, een interprovinciale vereniging van radicale studenten. Vanaf 1903 schakelden de Limburgse studentenbonden zich, verenigd in het Limburgsche Katholieke Vlaamsche Studentenbond, in in het toen opgerichte (overkoepelend) Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS).

1914-1945

Tot op heden werd geen grondige studie gewijd aan het activisme in Limburg. Vaststaat dat het er zich vanaf 1917 manifesteerde. In een aantal gemeenten werden afdelingen opgericht en hadden volksvergaderingen plaats. Ook werd propagandamateriaal verspreid en richtte men verweerkorpsen (Groeningerwachten) op. De Bode van Limburg ging vanaf 1917 duidelijk de activistische toer op. Een aantal Limburgers had ook zitting in de landelijke activistische verenigingen, onder meer in het Centraal Vlaamsch Propagandabureau en in de eerste en tweede Raad van Vlaanderen.

Het is niet helemaal duidelijk of het activisme een even sterke aanhang had in Limburg als in de andere provincies. Naar alle waarschijnlijkheid was dat niet het geval. Hoe anders valt het te verklaren dat de centrale leiding van het activisme het nodig achtte eind 1916 iemand van buiten de provincie te belasten met de Limburgse propaganda? Deze 'zendeling' was Jan Borms, de broer van August Borms. Hij zou de bezieler van het Limburgse activisme worden.

Vooraanstaande Limburgse flaminganten die niet 'passief' bleven, waren mensen als Paul Bellefroid (advocaat, hoogleraar in Luik, schepen van Hasselt en provincieraadslid), Camiel Libbrecht (gepensioneerd atheneumleraar), Antoon-Alfons Plevoets (advocaat), Steven Prenau (leraar, journalist), Jan Quintens (arts en schepen van Sint-Truiden), Paul Vrijdaghs (atheneumleraar en later ambtenaar) en zijn broer Jozef Vrijdaghs (advocaat).

Naar alle waarschijnlijkheid kon het activisme vooral bij sommige leden van de studentenbonden op sympathie rekenen. Zeker is in elk geval dat de Hasseltse bond de vernederlandsing van de Gentse universiteit door de Duitsers steunde. Ook is bekend dat de verbanning aan het IJzerfront van legeraalmoezenier Paul Vandermeulen, wegens Vlaamsgezinde uitspraken, leidde tot pro-activistische stellingnamen bij tal van studenten: Vandermeulen was vóór de oorlog proost van het Limburgse AKVS.

Welke karakteristieken vertoonde het Limburgse activisme? Een eerste kenmerk is dat het zich vrij laat manifesteerde. In het Gentse stak men onmiddellijk na de Duitse inval van wal. Enkele maanden later volgden Brussel, Antwerpen, Oostende, Lier enzovoort. Hetzelfde gebeurde vanaf het midden van 1915 bij de Vlamingen die wegens het oorlogsgeweld naar Nederland waren uitgeweken.

Een tweede kenmerk is dat de topmensen een beperkte rol speelden in de centrale leiding in Brussel. Slecht een van de 47 aanwezigen op de eerste vergadering van de eerste Raad van Vlaanderen was een Limburger. Later nam dit aantal wel toe, maar de Limburgers deden zich weinig of niet gelden. Zij voerden zelden het woord en deden geen voorstellen.

In de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog breidde de Vlaamse studentenbeweging zich in Limburg sterk uit. De provincie telde in 1923-1924 39 plaatselijke bonden, terwijl dat er in 1908 slechts 15 waren. Deze bonden hadden tot ongeveer 1920 slechts een losse verhouding met het hoofdbestuur van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS) in Leuven. De leiding van de Limburgse studentenbeweging was in feite, via het overkoepelend Limburgsche Katholieke Vlaamsche Studentenbond, in handen van seminaristen in Luik. Vanaf 1920 werd de beweging evenwel ingeschakeld in het AKVS. Toch werden de banden met het bisdom niet helemaal verbroken. Zo was er een officieel door de bisschop van Luik aangestelde gouwproost.

In de periode 1920-1925 radicaliseerde de Limburgse studentenvereniging. Dat gebeurde onder impuls van leden die aan de universiteit in Leuven de invloed van het centrale AKVS ondergingen. Dezen beschouwden het Vlaams-nationalisme als het fundament van de studentenbeweging. Hoewel de kerkelijke overheid, niet het minst Mgr. Martinus-Hubertus Rutten, tegen deze ontwikkeling inging en een aantal bonden zich van het AKVS afscheurde, keerde zich een groot aantal Limburgse studenten tegen de unitaire Belgische staat en werd voorstander van 'zelfbestuur' voor Vlaanderen.

Vrij kort na de Eerste Wereldoorlog, meer bepaald op 22 februari 1919, werd te Hasselt de Katholieke Vlaamsche Bond van Limburg (KVBvL) opgericht, een federatie van katholieke verenigingen – er waren er haast geen andere in Limburg – die een Vlaams minimumprogramma onderschreven: de vernederlandsing van het onderwijs, het gerecht en het bestuur, en de indeling van het leger in Vlaamse en Franstalige regimenten. Men kon zich ook individueel aansluiten. Na korte tijd werden plaatselijke afdelingen opgericht – eind 1919 waren dat er reeds 117 – die kantonnaal waren gegroepeerd. De KVBvL was pluralistisch, in deze zin dat zowel nationalisten als minimalisten ervan deel konden uitmaken. De enige voorwaarde voor toetreding was het onderschrijven van het minimumprogramma. De Bond kon rekenen op de steun van de geestelijkheid, in de eerste plaats Mgr. Rutten, en van christelijke sociale organisaties als de Belgische Boerenbond en het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW). Dit alles maakte van de KVBvL een sterke vereniging.

Het spreekt vanzelf dat de Bond belangstelling had voor de eerste naoorlogse parlementsverkiezingen. Deze zouden plaatshebben op 16 november 1919, op basis van het algemeen enkelvoudig stemrecht (voor mannen). De KVBvL richtte zich tot de katholieke partij en vroeg dat zij haar programma zou onderschrijven. Dit lukte, maar enkele conservatieve katholieken volgden niet. Zij richtten een eigen partij op, van Belgisch-nationalistische strekking. Zij behaalde geen parlementszetel, maar kreeg wel verkozenen in de provincieraad. Dit zou zo blijven tot aan de Tweede Wereldoorlog.

Terwijl elders in Vlaanderen vanaf 1919 Vlaams-nationalistische lijsten voor de parlementsverkiezingen werden ingediend, gebeurde dit in Limburg pas vanaf 1921. Er werd evenwel noch in 1921 noch in 1925 een zetel behaald. Het stemmenpercentage van de Limburgse nationalisten (2,29%) bedroeg in 1921 minder dan de helft van het Vlaams gemiddelde (6,05%). In 1925 bleef men niet ver onder dit gemiddelde. Toch werd opnieuw geen zetel behaald, vooral omdat de beide Limburgse kieskringen, Hasselt en Tongeren-Maaseik, erg klein waren, althans wat het aantal te begeven mandaten betrof. Om succes te hebben diende men een vrij hoog percentage te behalen. Zo kreeg Tongeren-Maaseik, de sterkste Vlaams-nationale kieskring (6,40%) geen zetel, terwijl Brussel er met 3,34% wel een veroverde.

Niet alleen behaalde de Frontpartij geen zetel in Limburg, zij beschikte er ook niet over een organisatie. In de periodes tussen de verkiezingen bestond zij niet. Wel waren de Limburgse nationalisten actief in de KVBvL. In 1929 zouden zij vanuit deze bond een eigen machtspositie uitbouwen.

Eind 1923 dommelde de KVBvL in. Midden 1927 liet hij opnieuw van zich horen. Onder druk van radicale elementen werden hardere standpunten ingenomen. Men weigerde zich effectief te integreren in de Katholieke Vlaamsche Landsbond, waarvan werd gezegd dat het een filiaal was van de katholieke partij. Studenten en scholieren kwamen in verzet. Het clandestiene blaadje De Kabouter voerde van 1928 tot 1931 een harde oppositie tegen de opslorping van de Limburgse studentenbonden door de Katholieke Actie.

De belangrijkste actievoerders die de KVBvL vanaf 1927 in Vlaams-nationale richting stuwden, waren oud-studenten van de universiteit van Leuven. Sommigen van hen hadden een leidende rol gespeeld in de Limburgse AKVS en waren later nauw betrokken bij de studentenrevolte van 1924-1925 in Leuven.

Deze radicalen stemden in de loop van 1928 hun violen op elkaar af. Hun onderling overleg had plaats in het café Het Haaske, het Vlaamse Huis in Hasselt. Vrij snel werden zij, naar hun vergaderlokaal, 'de groep van Het Haaske' genoemd. Spoedig kregen zij de steun van De Bilzenaar, een nieuws- en aankondigingenblad voor het kanton Bilzen. Oorspronkelijk steunde dat de katholieke partij. In 1925 deed het een voorzichtige stap in meer radicale richting. Het weigerde toen een keuze te maken tussen de katholieke partij en de Frontpartij. Na de verkiezingen van 1925 werd het proces van radicalisering duidelijk voortgezet. Het is dan ook niet verwonderlijk dat De Bilzenaar het optreden van de groep van Het Haaske over de hele lijn steunde en de Vlaamsgezinde kiezers aldus voorbereidde op de komst van een nieuwe partij.

Enige tijd na de parlementsverkiezingen van 1929 kreeg de groep van Het Haaske het klaar om de KVBvL – ondanks het verzet van Mgr. Pieter J. Broekx, de grote man van het Limburgse ACW – een Vlaams kiesprogramma te laten goedkeuren, dat aanleunde bij dat van de Vlaams-nationalisten. Verder richtte de groep een verzoek aan de voorzitter van de katholieke kiesvereniging. Men stelde hem voor op de katholieke lijsten telkens één Vlaams-nationalist op te nemen. Hoewel dit verzoek niet onmiddellijk werd afgewezen, kwam er uiteindelijk niets van terecht. De nationalisten gingen daarop hun eigen weg. Zij stichtten een nieuwe partij, de Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV) van Limburg, en dienden eigen lijsten in, met succes: de KVV had meteen één volksvertegenwoordiger en één senator.

Het nieuwe Kamerlid was Gerard Romsée, afkomstig uit een Franssprekende familie in Guigoven. Hij had een grote rol gespeeld in de studentenrevolte van 1924-1925 in Leuven en was na zijn studietijd advocaat geworden. Romsée werd meteen de nummer één van het Limburgse Vlaams-nationalisme en zou dit ook blijven.

Het succes van de KVV in 1929 was geen voorbijgaand verschijnsel. Zij behield haar beide mandaten in 1932. In 1936 kwamen hier nog twee Kamerzetels en één zetel van provinciaal senator bij. Dat bleef zo in 1939.

Het KVV leidde een eigen leven tot in 1936. Zij had een eigen organisatie en een eigen programma. Zij was geen afdeling van de Frontpartij en later van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). Wel trad zij in 1933, in groep, tot het VNV toe, toch met behoud van eigen structuren en programma. Zij ging pas na de verkiezingen van 1936 op in het VNV.

Haar nummer één, Gerard Romsée, had de eenmaking tot dan toe tegengehouden, omdat hij vreesde dat het VNV-programma niet zou aanslaan in zijn provincie. In 1936 bleek deze vrees niet langer gegrond te zijn. Overigens was Romsée inmiddels persoonlijk naar een meer rechtse staatsopvatting geëvolueerd.

De Limburgse nationalisten behielden wel op één terrein hun zelfstandigheid, namelijk op dat van de weekbladpers. In 1935 gingen alle VNV-weekbladen op in één publicatie: Strijd. Alleen het blad van het arrondissement Turnhout en de beide Limburgse VNV-bladen, De Bilzenaar en Maas- en Kempenbode, ontsnapten aan de eenmaking. Op 14 november 1936 fuseerden beide bladen met als titel Hou-Zee. Dit bleef zo tot aan de Tweede Wereldoorlog en ook tijdens de bezetting had het Limburgse VNV als enige 'gouw' een eigen blad: De Toekomst.

Het KVV onderschreef de katholieke staatsleer. Zij eiste dat de katholieke moraal in het openbaar leven zou worden geëerbiedigd en dat de overheid het vrij onderwijs en andere katholieke instellingen zou subsidiëren. De KVV'ers stonden op het federalistisch standpunt. Groot-Nederland kwam niet voor in hun programma. Ook waren zij gekant tegen de uitschakeling van de democratische controle op de uitvoerende macht. Zij waren uitgesproken voorstanders van de parlementaire democratie. Op de keper beschouwd verschilde het programma van de KVV niet erg van dat van de katholieke partij. Het belangrijkste verschilpunt was dat Limburgse Vlaams-nationalisten de federalistische omvorming van België genegen waren, terwijl de Katholieke Partij het hield bij taalwetten.

Na 1936 bleef van dit alles, althans officieel, nog weinig over. De verkozenen en de kaderleden van het KVV, die VNV'ers waren geworden, onderschreven nu het Dietse en autoritair-corporatieve programma van hun nieuwe partij. Individueel bleven vele Limburgse VNV'ers evenwel federalisten. Ook hadden sommigen moeite met het autoritaire karakter van de beweging, zowel wat de inhoud als wat de uiterlijke kenmerken betrof. Het stemmenpercentage van de Limburgse Vlaams-nationalisten groeide van 16,4% in 1929 tot 24,4% in 1939. Reeds in 1929 steeg de provincie uit boven het Vlaamse gemiddelde (11,6%). In het arrondissement Tongeren-Maaseik behaalde het VNV in 1939 25% van de stemmen, in Hasselt 23,6%. Na (het kleine) Ieper en na Turnhout waren dit de hoogste arrondissementele percentages van Vlaanderen.

Wat is hiervan de verklaring? De Gentse historicus Bruno de Wever heeft in zijn boek over de geschiedenis van het VNV gewezen op de relatie tussen enerzijds de sterkte van het Vlaams-nationalisme in een bepaalde streek en anderzijds het sociaal-economisch profiel van diezelfde streek. Hij stelde vast dat het VNV het doorgaans goed deed in streken die sociaal-economisch aan het veranderen waren, terwijl het tegenovergestelde het geval was in traditionele landbouw- of industriegebieden. Dit gaat ook voor Limburg op. Noord- en Midden-Limburg waren vanaf 1918 in mutatie. Men schakelde vrij massaal over van landbouw naar industrie. Dit ging gepaard met een sterke groei van het flamingantisme in het algemeen en het Vlaams-nationalisme in het bijzonder. Zuid-Limburg daarentegen kende geen mutatie op sociaal-economisch terrein. Het bleef wat het altijd was geweest: een landbouwgebied en een arbeidersreservoir voor de Luikse industrie. Ook moet men ermee rekening houden dat het zuiden van de provincie vlak bij de taalgrens ligt en dat Luik er in tal van opzichten een grote aantrekkingskracht op uitoefende. In tegenstelling met Noord- en Midden-Limburg waren er in het zuiden maar weinig Vlaamsgezinden.

Het bestaan van Belgische nationalisten had tot gevolg dat de katholieke partij in Limburg geen compromissen in eigen kring diende af te sluiten. Zij kon het zich permitteren uitgesproken Vlaamsgezind te zijn. Bovendien was een aantal van haar leiders toonaangevende flaminganten, onder meer Jules van Caenegem en Emile Blavier. Ook de topman van het Limburgse ACW, Mgr. Petrus J. Broekx, was een felle voorstander van Vlaamse gelijkberechtiging. Natuurlijk diende de katholieke partij in Limburg rekening te houden met het feit dat zij een onderdeel was van een unitaire partij, die bovendien steeds deel uitmaakte van de regering. Uiteraard beperkte dit haar mogelijkheden op Vlaams gebied, waardoor zij een bestendige schietschijf voor de KVV werd.

Dit alles belette niet dat er in 1932 en 1936 besprekingen plaatshadden tussen de KVV en de katholieke partij met het oog op de vorming van kartellijsten voor de parlementsverkiezingen. Uiteindelijk kwam hiervan niets in huis. Het is overigens de vraag of deze besprekingen, in hoofde van beide partijen, niet als electorale manoeuvres moeten worden beschouwd. Wat er ook van zij, het feit dat ze plaatshadden, is een illustratie van de grote rol die het katholicisme in de Limburgse politiek speelde.

De liberale partij in Limburg was niet Vlaamsgezind. Weliswaar trof men hier en daar liberale flaminganten aan, meestal mensen uit het Willemsfonds. Maar zij hadden macht noch invloed in de partij. De liberale topmannen waren vaak belgicistische en francofiele figuren. De Hasseltse senator Franz Olyff is hiervan het meest sprekende voorbeeld.

De socialisten waren lange tijd de kleinste partij in Limburg. Pas in 1936 behaalden zij een rechtstreeks verkozen parlementslid, de reeds vermelde Jules Demarrez. Deze Vlaamsgezinde kon evenwel weinig of niets doen, aangezien zijn Zuid-Limburgse medestanders van geen flamingantisme moesten weten.

Niet alleen de nationalisten en de katholieke partij waren op Vlaams gebied actief. Ook de niet-partijpolitieke beweging liet tijdens het interbellum van zich horen. De belangrijkste acties werden ondernomen door de KVBvL – die na de parlementsverkiezingen van 1929 in de vergetelheid wegzakte – en het Davidsfonds. In wat volgt besteden we aandacht aan drie van deze acties.

Vooreerst was er de strijd tegen de oprukkende verfransing in de mijnstreek. Het was vooral de KVBvL die op dit terrein actief was. In november 1928 publiceerde de Katholieke Vlaamsche Schoolbond, op verzoek van de KVBvL, een brochure met een sprekende titel: Een noodkreet tot het Vlaamse volk. De scholen in de Limburgse mijnstreek. In 1929 volgde een tweede brochure: De taalkwestie in het Limburgse onderwijs. Zij was bestemd voor de Limburgse intellectuelen en bevatte de tekst van een referaat dat op het nationaal congres van het Davidsfonds in 1929 was gehouden.

Behalve de strijd tegen de verfransing van de mijnstreek was er die voor het behoud van het Nederlands in het Land van Overmaas: de Voerstreek, de Plat-Dietse gemeenten en het Eupener gebied. Reeds voor de Eerste Wereldoorlog werden hier enkele flamingantische initiatieven ondernomen (zie supra), die evenwel erg beperkt bleven. Pas na 1918 nam de V.B. in het Land van Overmaas in kracht en omvang toe. Dit gebeurde voornamelijk in de Davidsfonds-afdelingen van Aubel (later Sint-Martens-Voeren), Wezet, Montzen en Eupen, die in 1931 gegroepeerd werden in de Gewestbond Overmaas. De acties waren in hoofdzaak gericht op de verbetering van de taaltoestanden in de plaatselijke overheidsdiensten. Er werden openbare vergaderingen en petities georganiseerd, men verspreidde pamfletten en affiches, men verleende steun aan de taalgrensactie van Flor Grammens. De Gewestbond nam zelfs algemeen Vlaamse initiatieven. Zo werden vanaf 1931 Guldensporenvieringen georganiseerd en legde men treinen in naar de jaarlijkse IJzerbedevaart te Diksmuide.

Bij dit alles dient opgemerkt te worden dat het vooral ingewekenen waren die de leiding in handen hadden. Ze vormden overigens de grote meerderheid van de 'actieven'. Parochiegeestelijken, collegeleraren, douane- en spoorwegpersoneel, agenten van expeditiekantoren enzovoort namen initiatieven die vaak voorbijgingen aan de belangstelling en het begrip van de plaatselijke, in hoofdzaak agrarische, bevolking.

We besluiten met het Limburgse minorisatiegevoel en de daaruit voortspruitende politieke actie. Vanaf de jaren 1930 groeide in Limburgse flamingantische kringen het gevoel dat de provincie werd geminoriseerd door het centrale bestuur te Brussel, dat ten dienste zou hebben gestaan van Franstalige financieel-industriële kringen. Men klaagde aan dat er geen nevenindustrieën naast de mijnen totstandkwamen, dat de winsten die de Limburgse steenkoolindustrie maakte elders werden geïnvesteerd, dat de aanleg van het Albertkanaal in functie van de Luikse metaalindustrie was gebeurd enzovoort. De man die deze klachten duidelijk op het publieke forum bracht, was de Overpeltse econoom Karel Pinxten. Zijn bekendste publicatie in dit verband draagt een bijzonder sprekende titel Limburg, een kolonisatiegebied (1939).

De Vlaams-nationalisten bleven tijdens de Tweede Wereldoorlog actief, zij het met steun en onder controle van de Duitse bezetter. De andere Vlaamsgezinden hielden zich gedeisd en wachtten het einde van de oorlog af. De VNV-collaboratie in Limburg had weinig of geen concurrentie. Groepen als de Algemeene-SS-Vlaanderen en de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) kwamen hier weinig aan bod. Als zodanig werd niet geijverd voor de opname van Vlaanderen in het Grosz-Deutschland van de toekomst. Men accepteerde dat Duitsland het internationaal voor het zeggen had. Wel eiste men dat Vlaanderen een eigen politieke structuur zou krijgen en dat het Nederlands niet de plaats zou moeten ruimen voor het Duits.

Zoals de rest van Vlaanderen had ook Limburg af te rekenen met terreur en contraterreur. (De term terreur slaat op de moordaanslagen die door het Verzet, vooral door de communistisch geïnspireerde partizanen, op collaborateurs werden gepleegd; contraterreur was de gewapende reactie van deze laatsten). Beide manifesteerden zich vrij laat in Limburg. Toen ze eenmaal een aanvang hadden genomen, meer bepaald in mei 1943, deden de gewelddaden zich in volle hevigheid voor. Zoals in Brussel en in de streek van Leuven ontaardde dit in een soort burgeroorlog.

Als omvangrijkste Limburgse collaboratiebeweging was het VNV het eerste slachtoffer van de terreur. Bijna honderd 'zwarten' werden doodgeschoten, anderen liepen lichamelijke letsels op, terwijl een aantal aanslagen mislukte. Ook vele verzetslieden verloren het leven. Hierbij dient wel gezegd dat de meesten, al dan niet na verklikking, door de bezetter werden geëxecuteerd of de dood vonden in Duitse concentratiekampen.

Tot hiertoe werd nooit grondig onderzocht waarom de terreur en de contraterreur in Limburg zulke afmetingen hebben aangenomen. Men neemt aan dat volgende factoren een rol hebben gespeeld: het gesloten karakter van het Limburgse platteland met de daarbijbehorende neiging om in eigen milieu recht te doen; de aanwezigheid, althans in Midden- en Noord-Limburg, van uitgestrekte bossen, waardoor de ordehandhaving door de politie en de bezetter werd bemoeilijkt; de nabijheid van het Luikse en het communistisch geïnspireerde Verzet aldaar; de infiltratie van het verzetsmilieu door criminelen en asocialen; de aanwezigheid van tal van ontsnapte Russische krijgsgevangenen, die als ware outlaws leefden.

Na het vertrek van de Duitsers in september 1944 werden honderden VNV'ers aangehouden en opgesloten. Velen liepen zware gevangenisstraffen op. Enkelen, onder wie gouwleider Theo Brouns, werden gefusilleerd. Het VNV, vóór de oorlog bijzonder populair in Limburg, was tijdens de bezetting een gehate beweging geworden. Ongetwijfeld heeft de contraterreur hierbij een rol gespeeld, hoewel het VNV er pas vanaf eind juli 1944 aan had deelgenomen – voordien waren het vooral de SS en DeVlag die hadden teruggeslagen. Het Vlaams-nationalisme in Limburg was zwaar gecompromitteerd. Een groot deel van het vroegere VNV-kader week uit naar steden als Brussel en vooral Antwerpen, om daar een nieuw leven te beginnen. Het zou vele jaren duren alvorens het Vlaams-nationalisme in Limburg weer van de grond kwam.

Vanaf 1945

De wet van 8 november 1962 hevelde de Voerstreek over naar Limburg. Dit gaf aanleiding tot botsingen tussen enerzijds het provinciebestuur van Limburg en anderzijds de meerderheid van de plaatselijke bevolking die deze overheveling niet aanvaardde. Gesteund door diverse Waalse verenigingen weigerden de gemeentelijke autoriteiten de taalwetgeving toe te passen en boycotten zij allerhande initiatieven die de integratie van de Voerstreek in Limburg bevorderden. Het was niet verwonderlijk dat dit alles herhaaldelijk te berde kwam in de Limburgse provincieraad, maar ook ter plaatse. Vlamingen en Franstaligen organiseerden er vele jaren lang betogingen en protestmanifestaties (Voeren, taalgrens).

Op 22 december 1965 werd beslist de steenkoolmijn van Zwartberg (Genk) in de loop van 1966 te sluiten. Dit leidde tot heftige incidenten, waarbij gekwetsten en zelfs twee doden vielen. De sluiting werd aangevoeld als een anti-Limburgse en anti-Vlaamse beslissing. De Limburgse mijnen hadden in de tijd dat zij nog rendeerden, de Waalse helpen overleven. Nu ook zij verlies leden, was de overheid niet bereid hen in leven te houden. Meer zelfs: terwijl Zwartberg moest sluiten, bleven minder rendabele mijnen in Wallonië open. De strijd tegen de verdere afbouw van het Kempense bekken bleef tot in de jaren 1980 verder duren. De Vlaamsgezinden, vooral dan de radicalen, speelden hierin een toonaangevende rol.

Zoals na de Eerste Wereldoorlog brak het Vlaams-nationalisme na 1944 in Limburg later door dan elders in Vlaanderen. Het zou tot 1968 duren alvorens de Volksunie, de nieuwe Vlaams-nationale partij, hier parlementaire mandaten verwierf: Jef Olaerts (Genk) en Evrard Raskin (Eigenbilzen) werden volksvertegenwoordigers; Alfons Jeurissen (Zonhoven) ging naar de Senaat. Andere overeenkomsten met het interbellum waren het hoge stemmenpercentage dat na verloop van tijd werd behaald en het praktisch homogeen katholieke karakter.

De doorbraak van de Limburgse Volksunie in 1968 moet in belangrijke mate worden toegeschreven aan haar verzet tegen de sluiting van de steenkoolmijnen van Zwartberg. Tal van haar kaderleden, onder wie nogal wat oud-incivieken, waren werkzaam in deze mijn, terwijl de partij zich in haar geheel achter de kompels schaarde. Overigens hadden de Vlaamsgezinden, zoals al gezegd, reeds vóór de Tweede Wereldoorlog belangstelling voor het Kempense steenkoolbekken, zij het dat deze belangstelling vooral te maken had met de taaltoestanden.

Ook in 1971, toen alle Limburgse mijnen door een staking voor hogere lonen verlamd waren, stond de Volksunie aan de kant van de kompels. Dit leverde haar geen windeieren op bij de parlementsverkiezingen van datzelfde jaar. De partij steeg van 15,7% naar 17,7%, het hoogste percentage dat de Limburgse Vlaams-nationalisten na de Tweede Wereldoorlog hebben behaald.

In de tweede helft van de jaren 1970 speelde de Volksunie ook een vooraanstaande rol bij de strijd tegen de aanleg van de A24, een autosnelweg die de Kempen van het noorden naar het zuiden zou doorkruisen. In kringen van milieuactivisten, van scholieren en studenten, van non-conformisten en van mensen die in de culturele sector actief waren, kwam de Volksunie als een reëel alternatief voor de 'traditionele' partijen over.

Verder was het zo dat de Limburgse Vlaams-nationalisten vanaf 1976, en vooral vanaf 1982, hun intrede deden in het bestuur van een aantal gemeenten. Dat gebeurde meestal via plaatselijke lijsten of nieuwe, door de Volksunie gedirigeerde, gemeentelijke groepen. De partij telde nu een aantal burgemeesters en schepenen. Dit bood haar de mogelijkheid om door te breken bij de man in de straat. De Volksunie-politici die deze weg het meest bewandelden, waren de volksvertegenwoordigers Jaak Gabriëls (Bree) en Johan Sauwens (Bilzen).

In 1981 werd Limburg met 17,3% der stemmen de sterkste Volksunie-provincie. Terwijl de partij elders in Vlaanderen achteruitging, steeg haar aanhang in Limburg. Vooral het arrondissement Tongeren-Maaseik scheerde hoge toppen: 23,4% in 1987, bijna het vooroorlogse percentage van het VNV. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 manifesteerde zich evenwel een zekere achteruitgang. Ook bij de parlementsverkiezingen van 1991 viel er verlies te noteren: de partij zakte van 18,4% naar 14,7%. Het partijvoorzitterschap van Jaak Gabriëls en het Vlaams ministerschap van Johan Sauwens hebben dit niet kunnen verhinderen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 zette de achteruitgang door en bij de parlementsverkiezingen van 1995 behaalde de partij nog slechts 7,9%, de helft van het percentage van 1968, toen Volksunie-Limburg nog geen parlementslid had.

Het is niet duidelijk waarom de Limburgse Vlaams-nationalisten vanaf 1987 steeds slechtere verkiezingsresultaten behaalden. Ongetwijfeld hebben ook hier de factoren gespeeld die elders in Vlaanderen aan de basis van het verlies van de Volksunie lagen. Anderzijds valt op dat het Limburgse percentage in 1991 nog 5,4% hoger was dan het Vlaams gemiddelde. Het lijdt geen twijfel dat de overstap van de populaire Jaak Gabriëls naar de Vlaamse Liberalen en Democraten (VLD) voor de Volksunie een zware klap was. Het is evenwel verkeerd de slechte uitslag van 1995 enkel aan deze overstap toe te schrijven.

De Limburgse Volksunie had weinig of geen moeite met het Egmontpact (1977). Slechts één parlementslid, Evrard Raskin, droeg het niet in zijn hart. Dit had evenwel minder te maken met de inhoud van deze overeenkomst dan met de wijze waarop zij tot stand was gekomen.

Voor de Limburgse Volksunie was de toetreding tot de nationale regering een goede zaak. In tegenstelling met andere provincies liet de toetreding hier weinig sporen na. Zoals vóór de Tweede Wereldoorlog opteerden de Limburgse Vlaams-nationalisten voor een gematigde en realistische oplossing van het communautair probleem in België. Radicale standpunten en programma's spraken hen niet aan.

Literatuur

K. Pinxten, Kultuur en economie in Vlaanderen. Het Limburgse vraagstuk, 1938; 
J. Droogmans, 'Panorama van de Limburgse letteren van Hendrik van Veldeke tot 1954', in Verzamelde Opstellen, I, 1955; 
Het ontstaan van de provincie Limburg. Rede uitgesproken door de heer L. Roppe, gouverneur van de provincie, 1 oktober 1953; 
E. Raskin, Limburg, let op uw zaak!, 1967; 
L. Swerts, Dagboek van een zware tijd (repressiejaren '44/'50), 1968; 
T. Brouns, Het dagboek van mijn gevangenisleven (28 oktober 1944-28 maart 1946), 1969; 
T. van Overstraeten, Dossier Limburg. De grote staking (1900-1970). Limburg, Belgische kolonie, 1970; 
M.-J. Leemans, Bijdragen tot de studie van het Vlaams activisme. Dl.I,: Het activisme in Limburg, 1917-1918, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1972; 
W. Jappe Alberts, Geschiedenis van beide Limburgen, II, 1974; 
Limburg 1950-1975, 1975; 
R. Boudens, Kardinaal Mercier en de Vlaamse Beweging, 1975; 
W. Massin, De Belgische Werkliedenpartij in Limburg 1918-1940. Kroniek van een trage opgang, 1980; 
D. Snijders en S. Vermeire, Albrecht Rodenbach en Limburg, 1980; 
E. Gerard, 'Strijd om het Vlaams minimumprogramma in 1919. Mgr. Rutten en de katholieken in Limburg', in WT, jg. 40, nr. 2 (1981), p. 98-115; 
J. Drouillon, Karel Pinxten. Een bio-bibliografie proeve, 1982; 
L. Vos, Bloei en ondergang van het AKVS. Geschiedenis van de Katholieke Vlaamse Studentenbeweging (1914-1935), 2 dln., 1982; 
A.M. Knevels, 'De Katholieke Vlaamse Bond van Limburg (1919-1928). Van de katholieke partij naar de nationalistische', in WT, jg. 42, nr. 3 (1983), p. 150-159; 
T. van Overstraeten, Op de barrikaden. Het verhaal van de Vlaamse natie in wording, 1984; 
G. Verbeet, Hoe een provincie in twee delen werd gesplitst, 1985; 
150 jaar provinciaal beleid. Rede uitsproken door de heer H. Vandermeulen, gouverneur van Limburg, 1 oktober 1986; 
L. Gevers, Honderd jaar katholieke studerende jeugd (1884-1984). De geschiedenis van de Hasseltse Jonge Klauwaarts, 1986; 
R. van Laere, De Kabouter uit het Land van Loon (alias Limburg), 1986; 
L. Gevers, Bewogen Jeugd. Ontstaan en ontwikkeling van de katholieke Vlaamse studentenbeweging (1830-1894), 1987; 
P. Schrijvers, De Toekomst. Het oorlogsweekblad van het Limburgse VNV 1941-1944, 1987; 
J. Gijbels, De Volksunie in Limburg. Haar sociaal-economische profilering inzake de mijnproblematiek, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1988; 
Eenheid en scheiding van de beide Limburgen, 1989; 
S. Segers, Het militair-juridisch apparaat tijdens de repressie in de provincies Antwerpen en Limburg, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1989; 
G. van Voeren, Veltmans en Overmaas, 1989; 
L. Vints, P.J. Broekx en de christelijke arbeidersbeweging in Limburg 1881-1968, 1989; 
M. Hanson, Van Frans naar Nederlands. De taalsituatie in het Limburgs middelbaar onderwijs 1830-1914, 1990; 
W. Massin, 'Van K.V.V. tot V.N.V. Vlaamse ondertonen in Limburg 1929-1940', in Het Oude Land van Loon, jg. 45 (1990), p. 211-262; 
E. Raskin, 'De Limburgse eenheid. Realiteit of mythe?', in Limburg (1990), p. 81-104; 
H. van Goethem, De taaltoestanden in het Vlaams-Belgisch gerecht (1795-1935), 1990; 
R. Cuppers, Limburg na de bevrijding. September 1944 
februari 1946, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1991; 
W. Massin, 'In 1941 keerde zich de publieke opinie tegen de aanhangers van de Nieuwe Orde', in WT, jg. 50, nr. 3 (1991), p. 168-177; 
F. van Vinckenroye, 'De Vlaamse Broeders van Limburg', in WT, jg. 50, nrs. 1-2 (1991), p. 1-6 en p. 65-81; 
F. Ilsbroux, De VU in Limburg 1954-1971. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Vlaams-nationale partijpolitiek in Limburg, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1992; 
L. Minten (e.a.), Een eeuw steenkool in Limburg, 1992; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
L. Vandeweyer, '"Un véritable nid d'activistes". De Hasseltse ambtenaren van Financiën in de vuurlinie van de Vlaamse strijd 1918-1920', in Limburg, jg. 73, nr. 4 (1994), pp. 193-215; 
W. Massin, De Limburgers in het Vlaams Legioen en de Waffen SS, 1994; 
E. Raskin, 'Van Luik naar Antwerpen', in 150 jaar Belgische rechtspraak in Tongeren, 1994; 
E. Raskin, Gerard Romsée. Een ongewone man. Een ongewoon leven, 1995; 
'Handelingen van het Colloquium Limburg in de Tweede Wereldoorlog. Diepenbeek, LUC, 29 oktober 1994', in Het Oude Land van Loon. Jaarboek jg. 50 (1995); 
L. Vandeweyer, 'Een uit te roeien kwaad!. Camiel Libbrecht over de herbergen in het Limburg van 1917', in Limburg, jg. 75, nr. 1 (1996); 
id. , 'Het activisme in Limburg tijdens de Eerste Wereldoorlog', in Limburg - Het Oude Land van Loon, nrs. 2-3 (1997), p. 97-139 en p. 193-230

Auteur(s)

Evrard Raskin