Davidsfonds

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 18:32 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

vereniging opgericht in januari 1875, ten tijde van een toenemende ideologische polarisering in het land en in de V.B., als tegenhanger van het Willemsfonds.

Oprichting en werking tot 1914

Initiatiefnemer was de Leuvense studentenvereniging Met Tijd en Vlijt. De oprichting veroorzaakte een felle strijd tussen het Davidsfonds en het Willemsfonds, waardoor de nadruk bij het Davidsfonds nog meer op het godsdienstige aspect kwam te liggen dan aanvankelijk was bedoeld. De bijval was overrompelend: 2500 inschrijvers in 27 afdelingen in het eerste jaar, bijna 5000 na drie jaar. In de publicaties stond de strijd tegen de geuzerij voorop, onder andere in de agressieve romans van Jan R. Snieders. Een wedstrijd voor liederen, boekenschenkingen aan leerlingen van het middelbaar onderwijs die zich onderscheidden in de studie van het Nederlands, en muzikale en literaire feesten waren andere middelen van het hoofdbestuur in dienst van "Godsdienst, Taal, (Belgisch, n.v.a.) Vaderland", zoals de leuze luidde.

In april 1878 moest het Leuvense hoofdbestuur ontslag nemen wegens het financiële wanbeheer van de voorzitter, professor Pieter P. Alberdingk Thijm. Zijn opvolger, professor Pieter Willems, deed een beroep op Pol de Mont en schafte de studentenafdeling van de door Alberdingk beschermde Albrecht Rodenbach af. Dat leidde tot verzet van West-Vlaamse kant, ondanks de inspanningen van Adolf Duclos in de afdeling Brugge en in zijn blad Rond den Heerd om het nieuwe bestuur aanvaardbaar te maken.

Met zijn veertiendaags blad De Vlaamsche Wacht wist de secretaris, Frans de Potter, het ledental op te voeren tot ruim 7000 in 1888 en slaagde hij erin de Vlaamse strijdbaarheid aan te wakkeren. Hij hield de poort open voor politieke samenwerking van katholieke en liberale Vlaamsgezinden ten voordele van de uitbreiding van de taalwetgeving, een samenwerking die vanaf 1883 weer enigszins verwezenlijkt werd. Daarnaast ijverde het Davidsfonds bijzonder intens voor de vernederlandsing van het katholiek onderwijs.

Het hoofdbestuur verschafte door zijn uitgaven de basis waarop de plaatselijke afdelingen konden steunen om aan ledenwerving te doen en hun activiteit uit te bouwen. Die activiteit betrof vooral volksbibliotheken, zoals in Gent – maar weinige afdelingen volgden dat voorbeeld – of voordrachten met muziekomlijsting, zoals in Brugge.

De feitelijke onafzetbaarheid van het hoofdbestuur veroorzaakte sleur, met na 1888 een geleidelijk ledenverlies tot gevolg. De grondwetsherziening tot uitbreiding van het stemrecht, die in 1890 werd aangevat, leidde wel tot sociale belangstelling en een verhoging van de flamingantische strijdbaarheid, maar aan de andere kant zouden de afscheuring en uitstoting van het daensisme voor het Davidsfonds weldra ook het verlies van waardevolle krachten met zich meebrengen. Voor de Gelijkheidswet heeft de vereniging zich duchtig geweerd en ook de eeuwfeestviering van de Boerenkrijg in 1898 was grotendeels haar werk.

Dat stuitte het verval niet, temeer omdat de publicaties beneden peil zakten. De keuze van de overbelaste politicus Joris Helleputte tot voorzitter (1898-1911) was een fout. Bij de dood van De Potter in 1904 slaagde de socioloog Emiel Vliebergh erin, met de steun van de groep Eigen Leven, zijn invloed op de vereniging te vestigen en haar nieuw leven in te blazen. Het peil van de uitgaven verhoogde, de algemene ledenvergaderingen werden omgevormd tot tweejaarlijkse algemene Vlaams-katholieke congressen en de combativiteit werd opgedreven. In 1913 ijverden het hoofdbestuur, de vijf gouwbonden en een twintigtal afdelingen voor Vlaamse regimenten. Maar Vliebergh was ongelukkig in de keuze van de secretarissen: Hendrik Evers (1905-1908), Karel Heynderickx (1908-1918) en Floris van der Mueren (1919-1923). Wel was de taalwet van 1910 op het middelbaar onderwijs grotendeels Vlieberghs werk, mede via 'zijn' Davidsfonds. Het was de hem opgedrongen propagandist Eligius Ossenblok die van 1909 tot 1914 het ledenaantal verdubbelde tot 12.000, in 112 afdelingen, en die het meest actief was in de taalgrenswerking die werd ingezet.

De Eerste Wereldoorlog en het interbellum

De Eerste Wereldoorlog verlamde bijna volledig de activiteit van het hoofdbestuur en van de meeste afdelingen, op de bibliotheekwerking na. Secretaris Heynderickx hechtte geloof aan de Duitse propaganda over Belgische aanvallen op de V.B. en kwam ook door zijn permanente geldnood in het activisme terecht, ondanks zijn overvloedig betuigd patriottisme en royalisme. Hij slaagde er nauwelijks in om medestanders te vinden onder de bestuursleden van meer dan honderd afdelingen. De enige met naam was Lodewijk Dosfel. Die was door de Duitsers gechanteerd met zijn zwager, die op anti-Duitse spionage betrapt was. Vliebergh en sommige plaatselijke vooraanstaanden van het Davidsfonds protesteerden daarentegen publiek tegen de Flamenpolitik en het activisme.

Na de bevrijding creëerde het Davidsfonds, op voorgaan van Vliebergh, op vele plaatsen het kader voor een nieuwe start van de V.B. door de oprichting van het Vlaamsch Verbond, van Katholieke Vlaamsche Verbonden en door het opleggen van het minimumprogramma aan de katholieke partij en zuil. De Luikse bisschop Georges Rutten aanvaardde in 1920 het nationaal erevoorzitterschap. Niet toevallig steeg Limburg als enige provincie weldra boven haar vooroorlogs aantal leden, dankzij Eugeen Leën, die de Hasseltse afdeling ook tijdens de bezetting actief had kunnen houden. Maar de heropbloei van de vereniging bleef nog jaren uit. Er was de verdeeldheid die de Flamenpolitik en het activisme in de V.B. gebracht hadden; zo werd de patriottische Leo van Puyvelde, de spil van het Davidsfonds in Gent en Oost-Vlaanderen, uitgestoten. En er was de onafzetbaarheid van de top: de totaal verlamde Vliebergh, de zieke Amaat Joos en de oude Alfons Siffer.

Bij de dood van Vliebergh in januari 1925 werd de leiding overgenomen door een ploeg die hij gekozen had: professor Arthur Boon als voorzitter, Eduard Amter als secretaris, een functie die in betekenis voortdurend zou toenemen, en ingenieur Ferdinand Maertens als ondervoorzitter. De vereniging werd nadrukkelijk opengesteld voor nationalisten. Er werden acht propagandisten in dienst genomen die elk een hele of een halve provincie bewerkten. De ledentallen gingen met sprongen omhoog tot in 1932 de piek van 74.000 werd bereikt in 421 afdelingen. Naast de gewone jaarlijkse reeks boeken werd gestart met een reeks "keurboeken", met een jeugdreeks en met een jaarlijkse liederenbundel. Voor de bestuursleden verscheen het tijdschrift Leiding, voor alle leden De Belleman.

Het hoofdbestuur stimuleerde de activiteit van de afdelingen inzake voordrachten, muziekavonden en dergelijke. In 1922 had het Davidsfonds al een belangrijk aandeel genomen in de oprichting van het Algemeen Secretariaat voor Katholieke Boekerijen en in de verspreiding en uitbouw van volksbibliotheken. In de jaren 1930 ging er ook aandacht naar opstelwedstrijden voor scholieren, leergangen in beschaafde uitspraak, de oprichting van gidsenbonden en geschied- en heemkundige verenigingen, met onder meer de oprichting van het Gezellemuseum in Brugge. Verder patroneerden de afdelingen tientallen toneelverenigingen, koren en kleine instrumentale muziekensembles, en studiekringen.

Het Davidsfonds nam het secretariaat op zich van de Katholieke Vlaamsche Radio-Omroep tijdens de eerste drie jaar van zijn bestaan. Het hernam zijn door de oorlog onderbroken taalgrenswerking, die vooral door Flor Grammens zou worden gevoerd. Het gaf krachtige financiële steun aan de Vlaamse en in het bijzonder de katholieke Vlaamse aanwezigheid in Brussel, en aan de vereniging Vlaamse Leergangen te Leuven. Het werkte graag samen met de Vlaamse Toeristenbond (VTB), het Vlaamsch Nationaal Zangverbond en andere min of meer nationalistische organisaties. Door zijn onafgebroken flamingantische agitatie had het Davidsfonds een belangrijk aandeel in het verschuiven van een groot deel van de katholieke opinie naar het nationalisme en naar rechts. Zo bleef het een Vlaamsche Concentratie voorstaan van de katholieke partij met het Vlaamsch Nationaal Verbond en met Rex, ook na de bisschoppelijke afwijzingen daarvan in december 1936 en april 1937.

De Tweede Wereldoorlog

Tijdens de mobilisatie en daarna de bezetting in de Tweede Wereldoorlog was het Amters grote bekommernis dat de activiteiten niet zouden worden stilgelegd zoals in 1914, toen het tien jaar tijd gevraagd had om ze weer op peil te brengen. Nog erger zou een opheffing van de vereniging door de bezetter zijn. Amter kreeg op 1 september 1940 van het hoofdbestuur het groene licht voor de toetreding tot een door de VTB (en het VNV, maar dat hield hij geheim) gepland Verbond van Vlaamsche Vereenigingen, waarvoor de bezetter echter geen toestemming verleende. Het Dagelijks Bestuur (Arthur Janssen, voorzitter 1938-1966, Maertens en A. de Rees) wees een toetreding tot Volk en Kunst af. Amter hield er daarna de hand aan dat de gouw- en gewestbonden en de afdelingen niet zouden toetreden tot de verschillende organisaties voor de 'ordening' van het cultuurleven, of tot de door het VNV georganiseerde provinciale en gemeentelijke cultuurdiensten. Deze houding van de toonaangevende katholieke culturele vereniging veroorzaakte mee de mislukking van de 'ordening', die niet kon worden doorgedrukt zoals in Nederland. Wel veroorzaakte het veelal een verbod van de afdelingswerking vanwege collaborerende oorlogsburgemeesters. Nadat vanaf 1926 was aangedrongen op de aanwezigheid van nationalisten in de afdelingsbesturen, werden van 1941 af VNV'ers daaruit geweerd.

De grote leeshonger tijdens de oorlog dreef het aantal leden van de boekenclub op tot 93.807 in 1944. Daarna zakte het weer naar de vooroorlogse 73.000.

Na de bevrijding beleed het Davidsfonds opnieuw zijn leuze Godsdienst – Taal – (Belgisch, n.v.a.) Vaderland. Het kwam op tegen de uitwassen van de repressie, hervatte met zijn congres van 22 september 1946 de taalstrijd en besteedde veel aandacht aan de talentelling in de volkstelling van 1947. Het bemiddelde tussen de twee rivaliserende IJzerbedevaartcomités, wat neerkwam op steun aan het gecompromitteerde nationalistische comité. Samenwerking met het August Vermeylenfonds aanvaardde het pas op 20 maart 1947, de dag waarop de Christelijke Volkspartij in de regering trad. Hoewel het Davidsfonds op zijn congres van 1949 een afdeling wijdde aan de vernederlandsing van het bedrijfsleven, zette Amter zich af tegen de 'inmenging' van de christelijke arbeidersbeweging in de V.B. Na de gedwongen troonsafstand van Leopold III (Koningskwestie) ging het Davidsfonds weer de nationalistische toer op. In het hoofdbestuur was het vooral Jozef Clottens die het federalisme toen opnieuw bespreekbaar maakte.

Evolutie na 1945

Nasleep van de Tweede Wereldoorlog

Alhoewel in 1950 de sporen van de Tweede Wereldoorlog nog niet waren uitgewist – in de helft van de afdelingen viel nog geen activiteit te bespeuren – moest het Davidsfonds na 1945 niet volledig heropstarten.

Door onder meer het publiceren van sprekerslijsten en het organiseren van tournees probeerde het hoofdbestuur de aangeslagen afdelingsbesturen opnieuw te doen herleven. Met zowat 80.000 leden-gezinnen in 1950, bleek het Davidsfonds wel verbazend levenskrachtig en het 75-jarige jubileum werd plechtig gevierd. Het congres in dat jaar ademde de sfeer van het naoorlogse België en is illustratief voor de jaren 1950. Er werd aandacht besteed aan de achterstelling van het Nederlands in Kongo, de verfransende invloeden in het leger en de situatie van de Vlamingen in Wallonië.

Na het opblazen van de IJzertoren in 1946 werd de troonsafstand van Leopold III als een tweede kaakslag aangevoeld. De Christelijke Volkspartij (CVP) kreeg er in een motie flink van langs. De partij had zich te toegeeflijk opgesteld naar aanleiding van de Koningskwestie. Zo wees het pro-Leopoldistische Davidsfonds – dat eraan herinnerde dat veruit de meesten van zijn leden katholieke kiezers waren – op het feit dat de troonsafstand gebeurde onder Waalse druk en ondanks een ruime Vlaamse meerderheid van 70% achter Leopold.

Ook de eis tot verzachting en/of opheffing van de als onrechtvaardig aangevoelde repressiemaatregelen kwam jarenlang aan bod op de Davidsfonds-congressen. Dit moet niet alleen en allereerst worden verklaard vanuit een algemeen Vlaams-christelijke opstelling, maar ook vanuit eigenbelang. Nogal wat Vlaamsgezinde Davidsfonds-bestuursleden waren immers 'getroffen' in het kader van de repressie. Gezien de geringe kans tot verwezenlijking van de amnestie-eis in de Belgische politieke constellatie, meende het Davidsfonds vanaf het einde van de jaren 1970 dat die beslissing dan maar genomen moest worden door het toekomstige Vlaams Parlement.

In de jaren 1950 werd het Davidsfonds overigens net zoals de pas opgerichte Volksunie (VU), staatsgevaarlijk geacht en door de politionele overheden in de gaten gehouden.

Vernieuwing

Vanaf 1952 zette zich een dalende trend van het ledenaantal in. In een periode van 12 jaar verloor het Davidsfonds 17.000 leden, bijna een kwart, en hield er nog 63.000 over! Algemeen secretaris Eduard Amter (1924 tot 1964) bleek een verdienstelijk – maar autoritair – man, die te weinig inspeelde op de veranderingen in de maatschappij. Pas in 1964, toen Clem de Ridder het roer overnam, kon deze neergang worden omgebogen. De nieuwe secretaris-generaal moderniseerde de uitgeverij, breidde de uitgaven uit met nieuwe reeksen, introduceerde grammofoonplaten (label Eufoda) en ligt aan de basis van de drukkerij, de filmdienst en de reisdienst (Davoreizen). Hij stimuleerde nieuwe vormen van volksopleiding (bijvoorbeeld gespreksgroepen over religie, lees- en tv-clubs) en schoeide de opleiding van kaderleden op een andere leest. Hij schrok er niet voor terug werk van Gerard Walschap uit te geven. Die vorm van verdraagzaamheid bleef het Davidsfonds kenmerken. Zo gaf het bijvoorbeeld in 1993 werk van de voorzitter van de Socialistische Partij, Frank Vandenbroucke, uit. De Ridder was eind de jaren 1960 ook promotor van de voordrachtencyclus "Ontmoetingen christendom en wereld – krachtlijnen van vernieuwing" die bomvolle zalen lokte. Na één jaar deed een onderzoek onder bestuursleden De Ridder besluiten: "Het Davidsfonds is de culturele middenstand van Vlaanderen."

In 1966 werd Gerard Beuselinck voorzitter. Hij volgde kanunnik Arthur Janssen op die al sinds 1938 voorzitter was.

Van 1971 tot 1973 raakte het Davidsfonds in een zware crisis. Vanaf het midden van de jaren 1960 was immers een aantal progressieven in het bestuur gekomen. Zij wilden het Davidsfonds in de richting van de progressieve maatschappijkritiek sturen. Die oppositie was mede gevoed vanuit het Jong-Davidsfonds en het Oost-Vlaamse gouwbestuur en werd ondersteund door enkele consulenten. In 1970 was de CVP'er Raymond Derine nipt tot voorzitter verkozen. Zijn tegenstander was toen Lode van Outrive, later SP-europarlementslid. Toen in oktober 1971 een 'progressieve' meerderheid in het hoofdbestuur dankzij enkele afwezigen erin slaagde een manifest goed te keuren, door het dagblad Het Volk omschreven als "ideologische ontaarding", dreigde voorzitter Derine met ontslag. Een samengeroepen raad van beheer kon het omstreden manifest alsnog intrekken. Tekeningen in het ledenblad van Jong-Davidsfonds, die als pornografisch werden ervaren, wierpen echter opnieuw olie op het vuur. De conflicten stapelden zich op en eind 1972 nam Derine ontslag. Ook voor secretaris-generaal De Ridder was de maat vol en hij legde zijn functie neer. Het hoofdbestuur schreef vervroegde verkiezingen uit, met de bedoeling deze progressieve drukkingsgroep te neutraliseren. Deze strategie kende succes. De verkiezing van april 1973 leverde een grote meerderheid op voor de stellingen die Derine en De Ridder twee jaar eerder in Leuven hadden verdedigd: het Davidsfonds moet Vlaams en christelijk blijven. Meer dan 80% van de lokale afdelingen nam aan deze verkiezing onder deurwaarderstoezicht deel. De Gentse professor Jef Maton, later ondervoorzitter van de Volksunie (VU), die als de virtuele leider van de 'oppositie' bekendstond, werd niet herkozen. Het nieuwe Davidsfonds-bestuur ontsloeg enkele medewerkers en hief Jong-Davidsfonds op. Het verzet kende een laatste stuiptrekking op het congres van 17 november 1973, maar de nieuwe, in juni verkozen voorzitter professor Carlo Heyman wist de enkele opposanten te trotseren en werd de grote verzoener.

In 1977 nam De Ridder de draad terug op, dit keer als unaniem verkozen voorzitter. Hij bracht weer vaart in de Vlaamse strijd. Daarnaast was hij voorstander van de voortzetting van een moderne aanpak van traditionele waarden met de klemtoon op de eerbied voor het leven, geboren en ongeboren, gekoppeld aan sociale bewogenheid. In augustus 1982 kende het Davidsfonds een nieuwe krachtige injectie met het aantreden van Norbert d'Hulst als secretaris-generaal. Hij volgde Alfons Valvekens op, die na het ontslag van De Ridder in 1973, die functie had uitgeoefend. De ledenwerving werd vervroegd van januari naar september, de administratie geautomatiseerd, de werking beter afgestemd op de afdelingsrealiteit en de frequentie van het ledenblad Davidsfonds-mededelingen opgevoerd van 6 nummers in 1982, over 7 in 1983 naar 8 in 1986. Begin 1987 werd Davidsfonds-mededelingen omgedoopt in Omtrent, een modern ogend cultureel magazine. Vanaf 1982 kreeg het Davidsfonds een stand op de Antwerpse Boekenbeurs. In 1985, naar aanleiding van het 110-jarige bestaan, zag het manifest Cultuurbeweging zijn voor morgen het licht. Een jaar later werd de eerste CD uitgebracht en kende de wetenschapstentoonstelling "Van appel tot atoom" een overdonderend succes. Een ander succesvol project was de in 1995 opgezette grote expo "Van tamtam naar virtuele realiteit" (1995). In het werkjaar 1989-1990 organiseerden alle afdelingen samen precies 6476 bewezen activiteiten. Inmiddels had de Leuvense fysicus Lieven van Gerven in 1986 de voorzittershamer van De Ridder overgenomen.

Met de vereniging zonder winstoogmerk Kultuurleven richtte het Davidsfonds in 1988 de Stichting Kultuurleven op. Het tijdschrift met Bertrand J. de Clerck als hoofdredacteur, kreeg hierdoor een nieuwe vorm, inhoud en elan. Met de literaire uitgeverij De Clauwaert werd in datzelfde jaar eveneens een samenwerking aangegaan. Het Davidsfonds bleef verantwoordelijk voor productie, promotie en verspreiding, terwijl het literair comité van De Clauwaert instond voor de selectie van de titels. De jeugdboekenuitgever Infodok werd begin 1991 overgenomen en vormt de kinder- en jeugdboekenafdeling van het Davidsfonds. Met deze overnames behoorde het Davidsfonds tot een van de grootste uitgeverijen in Vlaanderen. In 1995 werd Davidsfonds Universiteit Vrije Tijd verder uitgebreid met nieuwe cursussen en gastprofessoren.

Staatkundig streven

Het is opmerkelijk dat het Davidsfonds in de jaren 1950 en 1960 geen standpunt voor of tegen federalisme als een staatkundige oplossing voor Vlaanderen innam. Dit thema deed toen nochtans de gemoederen fel oplaaien. Wie in die periode echter durfde te pleiten voor federalisme, werd in de hoek van de Volksunie (VU) geduwd. Om die reden en omdat de VU door de Christelijke Volkspartij (CVP) als een scheurpartij werd beschouwd kon of wou het Davidsfonds geen standpunt tegen de VU en het federalisme innemen. Op het congres in 1962 pleitte de vereniging wel voor culturele autonomie en economische decentralisatie, maar het woord federalisme werd angstvallig vermeden. In 1963 protesteerde voorzitter Arthur Janssen tegen de beschuldiging dat het Davidsfonds propaganda maakte voor de federalistische strekking. In datzelfde jaar hield Maurits Coppieters op het Davidsfonds-congres een pleidooi voor federalisme, dat de CVP en haar bevriende pers ontstemde. Het zou tot het voorzitterschap van Raymond Derine duren (1970-1972), vooraleer het Davidsfonds het federalisme openlijk aankleefde.

Intussen was het Davidsfonds actief in het verzet tegen de talentelling en leverde het secretariaat van het Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en Taalgrens, dat in 1961 en 1962 de Marsen op Brussel organiseerde. Davidsfonds-secretaris-generaal Clem de Ridder lag aan de basis van de oprichting van het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) en het Davidsfonds liet zich niet onbetuigd in de kwestie-'Leuven Vlaams'. Rond 1970 verzette het Davidsfonds zich, tevergeefs, tegen de grendelgrondwet.

Het Egmontpact, afgesloten in mei 1977, was voor Davidsfonds-voorzitter De Ridder in zijn geheel onaanvaardbaar. De factuur, bestaande uit Brussel-derde gewest, de uitbreiding van de faciliteiten en de ongunstige financiering, was volgens hem te hoog. Onder zijn impuls kwam het Anti-Egmontkomitee tot stand, dat in oktober 1978 mede het pact kelderde.

De overgang van federalisme, over confederalisme naar de zelfstandigheidseis gebeurde eveneens zeer geleidelijk. In 1987 ontwierp het OVV zijn Masterplan, dat totstandkwam met grote Davidsfonds-inbreng en waarin een confederaal staatsverband werd uitgetekend met twee deelstaten Vlaanderen en Wallonië en het gemeenschappelijke Brussel. Het Davidsfonds viel in 1988 de door de laatste regering-Wilfried Martens ontworpen staatshervorming aan. Deze hervorming voorzag in een betonnering van de faciliteiten en in de vorming van Brussel als een de facto derde gewest. Het Davidsfonds slaagde er evenwel niet in het OVV te bewegen tot tijdig en duidelijk protest.

Uit het OVV groeide, onder impuls van het Davidsfonds, het Aktiekomitee Vlaanderen '90, met Davidsfonds-voorzitter Lieven van Gerven als covoorzitter. In mei 1990 organiseerde dit komitee in Brussel een niet erg succesvolle betoging "Vlaanderen echt vrij". De tweede versie, in april 1991, stond vooral in het teken van de europeanisering van Brussel en het randgebied, een thema dat in maart 1991 in het ophefmakende Davidsfonds-boek Vlaams-Brabant in de wurggreep van Europa reeds was uitgewerkt.

Een belangrijk ogenblik in de evolutie van de staatkundige visie van het Davidsfonds was de keuze van de Vlaamse Volksbeweging, in april 1991, om als eerste organisatie te opteren voor een onafhankelijk Vlaanderen met Brussel als hoofdstad. Het Algemeen Nederlands Zangverbond (ANZ) volgde deze keuze. Twee jaar later, in september 1993 sprak ook het Davidsfonds zich in een manifest uit voor "een volwaardige staat, al of niet binnen een Belgisch verband, die een volwaardige partner wordt binnen de Europese Gemeenschap", waarbij Brussel als hoofdstad van en in de staat Vlaanderen behouden bleef, al kon, als de Franstaligen dit wensten, Brussel gemeenschappelijk ook tot Wallonië behoren. Dit gebeurde vlak na de goedkeuring van het Sint-Michielsakkoord dat door het OVV, mede onder impuls van Davidsfonds-voorzitter Van Gerven, was afgewezen.

In augustus 1994 toen de strijd in het IJzerbedevaartcomité de pers haalde, ging Van Gerven in Gazet van Antwerpen nog een stap verder. Hij zag Brussel als een autonome provincie in een zelfstandig Vlaanderen, als een volwaardig lid van de Europese Unie (EU), maar deel uitmakende van statenbonden waaronder eventueel een Belgische. Even later, in het VU-weekblad Wij, baarde hij opnieuw opzien door te verklaren dat Vlaanderen zijn autonomie moet verwerven langs democratische weg, maar dat dit niet noodzakelijk een legale weg is, en hij verwees naar de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten. In een uitzonderlijk communiqué deelde de Davidsfonds-leiding mee dat ze onveranderd opteerde voor de democratische weg. Van dan af boterde het niet meer tussen het Davidsfonds-hoofdbestuur en zijn soms eigengereide voorzitter. Van Gerven tekende in april 1995 mee het ANZ-tienpuntenplan en slaagde er als OVV-voorzitter in, begin juni 1995, het IJzerbedevaartcomité het OVV-memorandum inzake Vlaamse zelfstandigheid in EU-verband te doen ondertekenen. Toen hij zich echter sterk engageerde als spilfiguur van het IJzerbedevaardersforum (dat het IJzerbedevaartcomité wil dwingen tot radicalisering), nam de Davidsfonds-leiding die door Van Gerven niet was geraadpleegd, afstand van haar voorzitter. Na de IJzerbedevaart van 1995 kwam het tot een zwaar conflict in het bestuur dat resulteerde in het ontslag van Van Gerven. Karel Docx werd aangesteld als voorzitter ad interim. Op 16 maart 1996 werd professor Fernand Vanhemelryck verkozen als nieuwe voorzitter.

Literatuur

L. Wils, Honderd Jaar Vlaamse Beweging. Geschiedenis van het Davidsfonds, 3 dln., 1977-1985-1989. 

Verwijzingen

zie: Lieven van Gerven.

Auteur(s)

Lode Wils; Guido Tastenhoye