Brabant

Uit NEVB Online
Versie door ADVN (overleg | bijdragen) op 8 jan 2019 om 16:53
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Alleen de naam van de provincie Brabant herinnert aan het vroegere gelijknamige hertogdom. Dat hertogdom Brabant had tijdens de Middeleeuwen vorm gekregen en speelde een belangrijke rol in de Nederlanden. De Fransen doekten het, in het kader van hun politiek om komaf te maken met het ancien régime, in 1794 op.

De discrepantie tussen de provincie en het hertogdom Brabant kwam het duidelijkst tot uiting in de omvang van beide. De Brabantse hertogen bestuurden een gebied dat de Belgische provincies Brabant en Antwerpen en het Nederlandse Noord-Brabant omvatte. In 1648 verloren de Brabanders het noordelijke deel van hun territorium aan de Verenigde Provinciën. De Fransen deelden in 1795 het resterende deel op in twee departementen. Het zuiden met Brussel als hoofdstad heette het departement van de Dijle en het noorden werd tot departement van de Twee Neten omgedoopt. Koning Willem I, die in zijn Verenigd Koninkrijk de Franse administratieve indeling behield alhoewel departementen nu provincies werden, gaf nieuwe namen. Het departement van de Dijle heette voortaan Zuid-Brabant. Na de onafhankelijkheid van België werd Zuid-Brabant ingekort tot Brabant.

De unitaire provincie Brabant, ingesteld door de provinciewet van 1836, verdween op 31 december 1994. Op nieuwjaarsdag 1995 startten de provincies Vlaams-Brabant en Waals-Brabant de werkzaamheden. Dit vormde een onderdeel van de vierde staatshervorming die voortvloeide uit het Sint-Michielsakkoord van 29 september 1992, waarbij een politieke meerderheid werd gevonden om van België een federale staat te maken. De provincie Brabant werd opgedeeld volgens de taalgrens, vastgelegd door een wet uit 1962, alsook volgens de bestuurstaalwet van 1963. Dit laatste moest de tweetalige situatie van de hoofdstad opvangen.

De provincie Vlaams-Brabant omvat nu de arrondissementen Halle-Vilvoorde en Leuven. Het vroegere arrondissement Nijvel vormt het grondgebied van de provincie Waals-Brabant. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest staat los van enig provinciaal niveau en werd met een speciale regeling begiftigd.

Politiek-bestuurlijk niveau

Provincie

Taalsituatie

Het unitaire Brabant, de dichtst bevolkte provincie van het land, werd door de taalgrens middendoor gesneden. Het noordelijke deel van de provincie was Nederlandstalig. Mettertijd ontstond omheen Brussel een tweetalig gebied dat mede door het aan de gang zijnde verfransingsproces de aanleiding vormde tot betwistingen tussen Nederlands- en Franssprekenden. Het zuidelijke deel van de provincie was Franstalig en werd tot Wallonië gerekend.

De onderstaande tabel maakt de taalverhoudingen in Brabant tussen 1846 en 1947 duidelijk. De opgegeven cijfers zijn de percentages Nederlandstaligen opgemaakt op basis van de tienjaarlijkse talentellingsresultaten.

<IMG src="../beelden/extra/578.JPG"></IMG>

Hierbij valt de vermindering van het aantal Nederlandstaligen op. Deze achteruitgang kwam volledig op rekening van het Brusselse gebied waar het verfransingsproces snel om zich heen greep. Na de Tweede Wereldoorlog werd in de Brusselse agglomeratie de kaap van 1 miljoen inwoners bereikt; nagenoeg de helft van de totale Brabantse bevolking. Doordat in 1960 de talentelling werd afgeschaft, was het na 1947 niet meer mogelijk de taalverhoudingen in Brabant vast te stellen. Toch kan een evolutie worden geschetst op basis van de verkiezingsuitslagen. Dit is mogelijk omdat sinds het einde van de jaren 1960 de liberale, socialistische en katholieke families in taalvleugels uiteenvielen.

In onderstaande tabel 2 worden de negentig raadsleden van de provincie Brabant volgens taal opgedeeld.

Op analoge wijze worden de 48 Brabantse leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers geclassificeerd:

<IMG src="../beelden/extra/578(bis).JPG"></IMG>

Beide tabellen leiden tot het besluit dat vanaf de jaren 1970 de neergang van de Nederlandstaligen lijkt te worden omgebogen naar een vooruitgang. In 1991 zouden beide taalgroepen ongeveer even sterk zijn geworden. Deze evolutie kan door drie elementen worden verklaard: de afzwakking van het verfransingsproces in het Brusselse, de bevolkingsaangroei in Vlaams-Brabant en een ontvolking van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ten gunste van de Brusselse rand en het arrondissement Nijvel. Deze besluiten komen eveneens naar voren in een evolutieschets volgens de nieuwe entiteiten, opgemaakt voor de periode 1961 tot 1991.

<IMG src="../beelden/extra/579.JPG"></IMG>

Politieke krachtsverhoudingen

De Brabantse taalsituatie had tot gevolg dat Vlamingen, Walen en Brusselaars de provincie samen moesten besturen. Eigenlijk gebeurde dit pas echt na de Tweede Wereldoorlog want net als op het Belgische niveau hadden de Vlamingen ook in Brabant een ontvoogdingsstrijd moeten voeren. Door hun minderheidspositie bleef de gelijkberechtiging lang uit. Pas vanaf 1918 werd een doorbraak ontwaard als gevolg van de uitbreiding van het kiesrecht en de hiermee gepaard gaande democratisering van het politieke bestel.

Enkele voorbeelden kunnen deze trage progressie in het Brabantse bestuur illustreren.

De gouverneurs waren, op uitzondering van gouverneur Nens tussen 1928 en 1935 na, allen Franstalig. Pas vanaf 1935 werd, onder Vlaamse druk, rekening gehouden met de taalkennis van de kandidaten. In dat jaar legde toekomstig gouverneur Houtart ten overstaan van Vlaamse ministers zelfs een taalproef af.

Tot de Eerste Wereldoorlog was het in de Brabantse provincieraad hoogstongebruikelijk dat Vlaamse raadsleden in hun moedertaal het woord voerden. Nadien trotseerden steeds meer leden het Franstalige verzet hiertegen: in 1921 waren zij met een vijftiental. Na de Tweede Wereldoorlog vormden zij reeds een groep van ongeveer vijfentwintig leden die steeds groter werd naarmate de verkiezingen elkaar opvolgden.

De Brabantse provincieraad vormde een spiegelbeeld van het nationale parlement. Door zijn taalkundige samenstelling vormden zich Franstalige en Nederlandstalige formaties. Hierdoor waren in 1991 niet minder dan elf politieke formaties vertegenwoordigd in het halfrond. In de jaren 1960 en 1970 verkregen de taalpartijen een grote slagkracht.

Door de dominante positie van Brussel in de provincie was het Front démocratique des Francophones (FDF) de sterkste van deze formaties. Het Rassemblement wallon (RW) speelde een rol in het arrondissement Nijvel maar echter niet voor lang. Aan Vlaamse zijde maakte de Volksunie (VU) furore. Zij wist zich in Vlaams-Brabant nadrukkelijker in te planten dan Het Vlaamsche Front en het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) vóór 1940 ooit vermochten. Net als op het nationale vlak geraakte de VU vanaf 1978 in een neerwaartse spiraal. In 1991 slaagde het Vlaams Blok (VB) erin door te breken. In de jaren 1980 deden de milieupartijen hun intrede. Na AGALEV in 1985 in het Nederlandstalige provinciedeel kon ook Ecolo in Waals-Brabant vanaf 1987 een vertegenwoordiging naar de Brabantse provincieraad afvaardigen.

<IMG src="../beelden/extra/580.JPG"></IMG>

Tot 1961 was de Bestendige Deputatie vrijwel steeds in handen van vrijzinnigen. Na de Tweede Wereldoorlog participeerden de communisten kortstondig in een liberaal-socialistische bestuurscoalitie. Vanaf 1961 wisselden coalities tussen katholieken, liberalen en socialisten elkaar af. In 1978 kwam er een kort intermezzo door het opnemen van de taalpartijen VU, FDF en RW in het bestuursakkoord tussen socialisten en katholieken. Dit duurde drie jaar.

De Bestendige Deputatie van Brabant werd de laatste decennia steevast samengesteld uit drie Nederlandstaligen en drie Franstaligen. Opvallend hierbij was dat de afvaardiging voor het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde in Vlaamse handen was. De francofone Brusselaars voelden zich door deze verdeling benadeeld omdat het hoofdstedelijk gebied maar maximaal twee vertegenwoordigers kon hebben.

Er is een poging bekend waarbij een taalgroep, de francofone, de controle over de provincie trachtte te verwerven. In 1974 sloten het FDF, het RW en de liberale scheurlijst PLDP met dit doel een verkiezingsafspraak. In het arrondissement Leuven werden eveneens kandidatenlijsten ingediend om zo te trachten met één verkozene, er werd hierbij op de stemmen van de Franstaligen in Leuven en Tervuren gerekend, ook de Bestendig Gedeputeerde van dit arrondissement te kunnen aanduiden. Het plan faalde over de hele lijn.

De provinciale administratie van Brabant was tot 1963 in hoofdzaak Franstalig. Er heerste alleen een uitwendige tweetaligheid. De toon was reeds in 1921 gezet naar aanleiding van de toepassing van een bestuurstaalwet.

Provinciegouverneur Beco verklaarde toen dat de taalwetgeving de organisatie van de provinciale administratie niet zou beïnvloeden. Alle taalproblemen konden volgens hem met de uitbreiding van de vertaaldienst worden opgelost. Pas vanaf het toepassen van de bestuurstaalwet van 1963 zouden taalovertredingen langzaam tot het verleden behoren.

Naar de splitsing

Tot aan de Tweede Wereldoorlog werd in politieke kringen en in de V.B. nauwelijks gerept over een splitsing van de provincie Brabant. Toch vindt men reeds sporen van een debat in de 19de eeuw. De oudste vermelding stamt uit 1857. De Brabantse onderwijzer Hendrik Sermon publiceerde toen De Vlaming en de Staat in het tegenwoordige België. In deze studie pleitte hij onder andere voor de aanhechting van het arrondissement Nijvel bij de provincie Namen. De provincie Brabant kon, volgens hem, alleen na zo'n operatie in het Nederlands worden bestuurd.

Het debat over de provincie Brabant laaide op omstreeks 1900. In Brussel werd de oprichting van een provincie Brussel gevraagd (plan-Van Meenen). De urbanistische uitbouw en een doelmatig bestuur van de hoofdstad vormden de hoofdargumenten. Koning Leopold II zou zo'n plan ook genegen zijn geweest.

Op papier voerden de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog, in het kader van hun Flamenpolitik, de splitsing van Brabant door. Het arrondissement Nijvel werd bij Besluit van 13 april 1917 bij Henegouwen gevoegd.

De toenemende communautaire tegenstellingen tussen Vlamingen, Walen en Brusselaars gaven vanaf 1930 aanleiding tot voorstellen die België in een federalistische zin moesten omvormen. Ook Brabant bleef hierbij niet onbesproken.

In 1931 was er het Federaal Statuut voor België van Herman Vos. Zijn plan voorzag in de oprichting van een provincie Vlaams-Brabant en een provincie Waals-Brabant. Enkele jaren later, op het eerste Vlaams socialistisch congres in 1937, hield Hendrik Fayat een referaat "Het taalgrensvraagstuk en het geval Brussel". In zijn ogen was de taalgrens bepalend voor de afbakening van de administratieve grenzen. Daarom moest Brabant worden opgesplitst in de provincies Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en Brussel.

Na de Tweede Wereldoorlog ging het plannen maken over de toekomst van België onverminderd door. We vermelden in de eerste plaats het Centrum-Harmel, waar door de politieke afdeling een compromistekst werd opgesteld voor de definitieve vastlegging van de taalgrens en het ermee in overeenstemming brengen van de bestuurlijke en gerechtelijke gebieden. Uit deze tekst volgde het besluit dat de unitaire provincie Brabant moest worden vervangen door een provincie Brussel, een Vlaamse provincie Noord-Brabant en een Franstalige provincie Zuid-Brabant.

Oud-premier Paul van Zeeland was de belangrijkste vertegenwoordiger van een strekking die het federalisme op provinciale grondslag voorstond. In zijn voorstel uit 1966 werd de provincie Brabant in drie stukken opgedeeld. Uit dezelfde periode stamt het voorstel van de socialistische politicus Antoon Spinoy. Hij beperkte het aantal provincies tot vijf: Brussel was er één van. Vlaams-Brabant zou samen met de provincies Limburg en Antwerpen één geheel vormen. Hetzelfde zou gebeuren met Waals-Brabant en de provincies Namen en Henegouwen.

Het thema Brabant kwam vanaf 1960 ook op het politieke terrein in de belangstelling. Onder druk van het Vlaams Komitee voor Brussel en de Taalgrens nam de Volksunie (VU) als eerste politieke partij de splitsing van Brabant in haar programma op. In 1967 kreeg de Brabantse vice-gouverneur, Leo Cappuyns, van de regering een spreekverbod opgelegd omdat hij met een eigen opdelingsplan voor de dag kwam. Hij botste hiermee frontaal tegen het standpunt van de Brabantse gouverneur De Neef die tot aan het einde van zijn ambt in 1976, onvoorwaardelijk zijn gehechtheid aan het unitaire Brabant verkondigde.

In deze periode eisten de Vlaamse drukkingsgroepen met steeds meer nadruk de opheffing van de unitaire provincie Brabant. Zij vroegen de oprichting van een provincie Vlaams-Brabant om op die wijze het Vlaams karakter beter te kunnen beschermen. Aan dit standpunt werd een eis tot splitsing van het kiesarrondissement Brussel in een Vlaams en een Brussels gebied gekoppeld. De koppeling van beide eisen zou behouden blijven tot de afsluiting van het Sint-Michielsakkoord in 1992.

Inmiddels had in de jaren 1960 ook de taalwetgeving zijn stempel gedrukt op het uitzicht van de provincie Brabant. Een eerste belangrijke stap werd gezet in 1962 toen de taalgrens bij wet werd vastgelegd. De taalgrens liep dwars doorheen Brabant. Een tweede fase vormde de bestuurstaalwet uit 1963. De administratieve grenzen werden aan de taalgrens aangepast. Brabant zag zijn grondgebied uitgebreid met de Nederlandstalige gemeenten rond Landen die decennialang onder de provincie Luik hadden geressorteerd. Voorts splitste de bewuste wet het bestuurlijk arrondissement op in een tweetalig arrondissement Brussel, een Nederlandstalig arrondissement Halle-Vilvoorde en een arrondissement gevormd door de zes Vlaamse gemeenten die met faciliteiten voor Franstaligen waren begiftigd. Deze laatste administratieve omschrijving werd in 1970 bij Halle-Vilvoorde gevoegd. Tot slot voorzag de wet uit 1963 het ambt van vice-gouverneur van Brabant. Hij werd belast met het taaltoezicht in het arrondissement Brussel en in de faciliteitengemeenten.

In deze periode kwam dus van een opdeling van de unitaire provincie Brabant niets in huis.

In 1970 werd door de regering-Gaston Eyskens de eerste staatshervorming doorgevoerd en de grondwet aangepast. De arrondissementen Halle-Vilvoorde en Leuven werden tot het Vlaamse taalgebied (art. 3bis) en de Nederlandse Cultuurgemeenschap (art. 3ter) gerekend. Het arrondissement Nijvel ressorteerde onder het Franse taalgebied (art. 3bis) en de Franse Cultuurgemeenschap (art. 3ter). De negentien Brusselse gemeenten vormden samen het tweetalig gebied Brussel (art. 3bis) terwijl zowel de Nederlandse en de Franse Cultuurcommissies de eentalige instellingen en materies beheerden (art. 59bis). Volgens dezelfde grondslag verdeelde art. 107 quater van de nieuwe grondwet het grondgebied van Brabant over de drie aldus opgerichte gewesten, namelijk het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse. Artikel 104 bepaalde de oprichting van een beroepshof te Antwerpen waardoor de provincie Antwerpen aan het hof van beroep te Brussel werd onttrokken. In het zog van de staatshervorming volgden nieuwe wettelijke beschikkingen.

Bij wet van 26 juli 1971 werd een nieuw administratief niveau opgericht tussen gemeente en provincie, namelijk de agglomeraties en federaties van gemeenten. Dit werd enkel in de provincie Brabant van toepassing. Rond Brussel werden vijf federaties van Vlaamse gemeenten – met inbegrip van de faciliteitengemeenten – opgericht. De negentien Brusselse gemeenten verenigden zich tot een agglomeratie. De zes raden kwamen op basis van verkiezingen tot stand. In 1975 reeds stierven de federaties een stille dood en werd de Brusselse agglomeratie een lege schelp.

Alleen de VU zette zich tijdens deze periode van bestuurlijke hervormingen in om de provincie Brabant eveneens aan te pakken. Zij vond echter geen politieke steun voor dit streven en betreurde de gemiste kans. Aan Vlaamse zijde werd deze staatshervorming niet als een eindpunt beschouwd. Integendeel, want Vlaamse verzuchtingen vonden geen oplossing terwijl bij de uitvoering van de nieuwe beschikkingen steeds nieuwe problemen opdoken. Zoals in het geval van de Brusselse agglomeratieverkiezingen voelde men zich bekocht.

De staatshervorming van 1970 bleek alsnog slechts een tussenstap geweest te zijn. Om de Vlaamse eisen kracht bij te zetten richtten Vlaamse drukkingsgroepen, verenigd in het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV), te Halle in 1974 een grootse manifestatie in waar duizenden Vlamingen op afkwamen. In het eisenprogramma van de betoging stonden de splitsing van de provincie Brabant en het kiesarrondissement Brussel voorop.

Vanaf de jaren 1970 werd ook de provincie als bestuurlijk niveau in vraag gesteld. Er klonken geluiden die vroegen om de afschaffing, of minstens de vervanging ervan door iets nieuws. In het Egmontpact en de Stuyvenbergakkoorden (1977, 1978) kwam deze nieuwe visie duidelijk tot uiting. In dit communautair compromis, het moest een oplossing bieden voor het probleem Brussel en voor de aanwezigheid van de Franstaligen in het arrondissement Halle-Vilvoorde, stond geschreven dat de 9 provincies zouden worden vervangen door 23 gewesten. De Brusselse agglomeratie zou alvast één gewest uitmaken. Onder Vlaamse druk verdween deze episode in de annalen en vanaf dan werd naar een opwaardering gestreefd van het provinciaal niveau.

Uit de impasse na Egmont en Stuyvenberg groeide, na heel wat politieke tribulaties, in 1980 een tweede staatshervorming. Een splitsing van de provincie Brabant bleek opnieuw niet haalbaar daar over Brussel geen akkoord mogelijk was.

Het thema van de splitsing van de provincie Brabant kwam in de jaren 1980 in een stroomversnelling. Niet toevallig viel dit samen met de herrie die op nationaal vlak ontstaan was over de benoeming van de Luiksgezinde José Happart tot burgemeester van het Limburgse Voeren en over het taalgebruik van de gemeentelijke mandatarissen in de Vlaamse faciliteitengemeenten. In beide discussiepunten was Brabant betrokken partij. Als mogelijke oplossing voor het probleem Voeren werd door premier Wilfried Martens in 1983 de provincie Brabant ten tonele gevoerd. De Limburgse gemeente zou bij het eveneens met taalfaciliteiten begiftigde arrondissement Halle-Vilvoorde worden gevoegd. Het toezicht op de toepassing van de taalwetgeving kwam dan automatisch aan de vice-gouverneur van de provincie Brabant toe. Onder zware Vlaamse druk zag de regering uiteindelijk af van dit plan.

Door het bestaan van de faciliteitengemeenten rond Brussel en op de taalgrens werden de gouverneur en de vice-gouverneur van Brabant betrokken in het juridische steekspel dat, met betrekking tot het taalgebruik van de gemeentelijke mandatarissen in deze Vlaamse gemeenten, nog verhevigde. De handelingen van de gouverneur in deze materie en zijn optreden in communautaire conflicten in enkele Brusselse gemeenten en in de Vlaamse gemeenten Overijse en Huldenberg lokten vaak negatieve reacties uit in Vlaamse kringen. Hij werd van partijdigheid beschuldigd.

Medio de jaren 1980 kwamen de complexiteit en de onvolmaaktheden van de staatshervorming tot uiting. De toenemende onbestuurbaarheid van de provincie Brabant gaf aanleiding tot moeilijkheden en de wafelijzerpolitiek, die op het nationale vlak reeds zijn intrede had gedaan, leidde tot financiële ontsporingen. Toch vonden Vlamingen, Walen en Brusselaars van zichzelf dat zij werden benadeeld. Het wantrouwen groeide.

Het was in deze context dat de uitvoering van de vraag tot splitsing van de provincie Brabant steeds dringender werd. De VU bracht het debat opnieuw op gang in de provincieraad en net als voorheen koppelde zij hieraan de eis tot splitsing van het kiesarrondissement Halle-Vilvoorde. In 1985 verklaarden ook de CVP en de SP zich gewonnen voor dit idee. De PVV had geen uitgesproken mening en liet haar mandatarissen vrij een oordeel bepalen. Aan Franstalige zijde waren de standpunten niet zo duidelijk. Zo verklaarden Parti Socialiste (PS) en Parti Social-Chrétien (PSC) zich bereid om het thema bespreekbaar te stellen, maar dit alleen nadat het statuut van Brussel zijn beslag had gekregen. Het Front démocratique des Francophones (FDF) koppelde aan de splitsing de positie van de Franstaligen in de rand rond Brussel. Enkel de Parti pour la Réforme et la Liberté (PRL) bleef op het standpunt van een unitaire provincie Brabant. In Waals-Brabant klonken uit liberale hoek wel gunstige reacties met betrekking tot een splitsing.

Inmiddels waren in de jaren 1980 in het parlement reeds wetsvoorstellen tot splitsing ingediend, zo onder meer van de PSC'er Du Monceau die daar reeds jaren een voorstander van was, en van de VU'ers Vik Anciaux, Daan Vervaet en Jef Valkeniers. In Waalse kringen circuleerde intussen ook een voorstel om het arrondissement Nijvel bij de provincie Namen te voegen of het te verdelen tussen Namen en Henegouwen.

Een stap in de richting van een splitsing vormde de afschaffing in 1987 van de apparentering van kiezerslijsten tussen de arrondissementen Leuven en Nijvel voor de wetgevende verkiezingen. Tot dan hoopten de partijen om via de stemmen van de taalminderheden (ongeveer 1 tot 2%) een grotere kans te maken op het bezetten van de restzetels die voortvloeien uit het electorale verdeelsysteem van de mandaten. Zo behaalde de PVV een senaatszetel in het arrondissement Nijvel in 1978; in 1981 kreeg het FDF een senaatszetel in het arrondissement Leuven en in 1985 was het de beurt aan de VU in het arrondissement Nijvel. Vooral het Waalse tumult rond de verkiezing van de VU-gekozene in Nijvel was er de oorzaak van dat de apparentering tussen Leuven en Nijvel verdween en werd vervangen door een taallijstverbinding.

Het jaar 1988 vormde een nieuwe mijlpaal in de staatshervorming. Na de langste politieke crisis uit België's bestaan kwam, door toedoen van informateur Jean-Luc Dehaene, tussen CVP, PSC, SP, PS en VU een akkoord tot stand dat in een verregaande federalisering voorzag. Met de oprichting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ontdooide de Brusselse problematiek. Een pacificatiewet herdefinieerde de faciliteitenwetgeving en bood een oplossing voor het probleem van het taalgebruik van de gemeentelijke mandatarissen.

Het regeerakkoord werd in twee fasen door het parlement geloodst. Een derde fase, die onder meer moest voorzien in de toewijzing van de restbevoegdheden, het verdragrecht voor gewesten en gemeenschappen, de bevoegdheidsconflicten en de hervorming van Kamer en Senaat, raakte niet uit de startblokken.

Na de goedkeuring in het parlement van de eerste en de tweede fase vielen vanaf 1989 de laatste hinderpalen voor de splitsing van Brabant een voor een weg. In Brussel wenste men, na de oprichting van het Brussels Hoofstedelijk Gewest, het provinciale niveau op te doeken en de provinciale bevoegdheden door nieuwe Brusselse instellingen te laten uitoefenen.

Een splitsing van Brabant zou evenwel afhankelijk worden gemaakt van toegevingen ten gunste van de Franstaligen uit de Vlaamse rand. Hiermee kwamen de Franstaligen opnieuw lijnrecht tegenover de Nederlandstaligen te staan die onder geen beding nog aan de taalhomogeniteit van Vlaams-Brabant wensten te raken. Integendeel, zij vroegen ter versteviging van het eentalige karakter de splitsing van het kiesarrondissement Brussel. In Vlaanderen richtte het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen in 1990 en 1991 met dit doel grote manifestaties in te Brussel. Gelijktijdig richtten de burgemeesters van Vlaams-Brabant een oproep tot de inrichters van deze manifestaties voor de afschaffing van de taalfaciliteiten en voor de oprichting van een provincie Vlaams-Brabant.

Uit Waals-Brabant kwamen geen noemenswaardige afkeurende geluiden tegen de splitsing van de provincie Brabant. Sommigen verklaarden het alleen spijtig te vinden dat op die wijze de band met Brussel zou worden verbroken. Ook de regering zag de onmogelijkheid in waarin Brabant verkeerde na de opeenvolgende staatshervormingen. Minister van binnenlandse zaken Louis Tobback bereidde een wetsontwerp voor om de provincie mettertijd op te delen.

In 1991 struikelde de regering-Martens VII over communautaire hinderpalen. Het uitblijven van de derde fase van de staatshervorming leidde vooral in Vlaanderen tot ongenoegen.

De politieke impasse en de overwinning van het Vlaams Blok in de wetgevende verkiezingen van 24 november 1991 deden in beide landsdelen het besef groeien dat een oplossing voor het communautaire vraagstuk zich opdrong. Een "Dialoog van Gemeenschap tot Gemeenschap" leek een uitweg. De Vlaamse regering trok met een tienpuntenprogramma naar de onderhandelingstafel. Eén punt daarvan omvatte de splitsing van de provincie Brabant, gekoppeld aan de splitsing van het kiesarrondissement Brussel en met de eis voor een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Vlamingen te Brussel.

In het begin van de zomer van 1992 mislukte de Gemeenschapsdialoog. Premier Dehaene, sinds maart regeringsleider van een rooms-rode coalitie, besloot zelf het initiatief te nemen. Na overleg met de regeringspartijen kwam op 29 september 1992 het Sint-Michielsakkoord tot stand. Omdat voor een grondwetsherziening een tweederde meerderheid in het parlement vereist was, was Dehaene gedwongen naar partners uit te kijken. Na het inwilligen van bepaalde voorwaarden werden VU, AGALEV en Ecolo bereid gevonden de ontbrekende stemmen te leveren. Op 27 januari 1993 werd een definitief akkoord bereikt.

In de zomer van 1993 kwam de zogenaamde vierde staatshervorming zonder veel kleerscheuren door Kamer en Senaat. De nieuwe grondwet luidde het einde in van de unitaire provincie Brabant. Op 1 januari 1995 zouden de provincies Vlaams-Brabant en Waals-Brabant, elk met een gouverneur, Bestendige Deputatie, provincieraad en administratie, de taken overnemen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zou een gouverneur nog enkele taken blijven uitoefenen, maar een provincie Brussel werd niet voorzien. In Vlaams-Brabant kwam er op verzoek van de Franstaligen een functie van adjunct-gouverneur. Deze zou toezicht uitoefenen op de naleving van de taalwetgeving in de zes faciliteitengemeenten rond Brussel (dus niet in de faciliteitengemeente Bever). Ter compensatie bleef in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een vice-gouverneur met een gelijkaardige opdracht bestaan.

Andere Vlaamse verzuchtingen kregen in de vierde staatshervorming eveneens hun beslag. Zo veranderden de electorale omschrijvingen in het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. Tot 1991 waren de meeste kieskantons gevormd door het samenvoegen van Vlaamse en Brusselse gemeenten en dus taalgemengd. Door de fusies van gemeenten in 1977 kon het gebeuren dat een fusiegemeente tot verschillende kieskantons behoorde. Nu ontstonden er eentalige kieskantons.

Tot een feitelijke splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde kwam het echter niet. Alleen voor de verkiezing van de Vlaamse Raad konden de Franstalige partijen met de splitsing instemmen doch ze bleven verzet aantekenen tegen de toepassing ervan bij de verkiezingen voor Kamer en Senaat. De Franstaligen uit het arrondissement Halle-Vilvoorde mocht niet het recht worden ontzegd om te kiezen voor de Franstalige Brusselse partijen.

Op 1 januari 1995 viel het doek over de unitaire provincie Brabant. Haar bevoegdheden werden overgenomen door de provincie Vlaams-Brabant (de arrondissementen Halle-Vilvoorde en Leuven) en de provincie Waals-Brabant (het arrondissement Nijvel); het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscomissie en de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kregen deelbevoegdheden op het grondgebied van de negentien Brusselse gemeenten. Samen met de federale overheid sloten de voornoemde 'rechtsopvolgers' op 30 mei 1994 een akkoord over de boedelscheiding. Deze overeenkomst regelde de verdeling van het personeel, de roerende en onroerende goederen en de archieven. In Brussel gebeurde de splitsing via ingewikkelde verdeelsleutels. Het onderwijs werd toegewezen aan de Vlaamse en de Franse Gemeenschapscommissies.

De gouverneurs van de nieuwe provincies werden in juli 1994 aangesteld. Tot 1 januari 1995 handelde de gouverneur en de provincieraad van het unitaire Brabant de lopende zaken af. Samen stonden zij in voor de afwikkeling van de boedelscheiding.

Op 1 januari ging de provincie Vlaams-Brabant van start. De nieuwe provincieraad kwam op 2 januari 1995 voor de eerste maal samen in de nieuwe provinciehoofdplaats Leuven. De samenstelling van de raad, op basis van de provinciale verkiezingen van 9 oktober 1994, was als volgt: CVP 23, SP 13, VLD 17, VU 5, AGALEV 6, Vlaams Blok 6 en Union des francophones 5. CVP, SP en VU sloten een bestuursakkoord en telden samen 41 van de 75 verkozenen.

Lodewijk De Witte (SP) werd de eerste gouverneur terwijl de Leuvense oud-burgemeester Vansina de provincieraad zou voorzitten.

In het voorjaar van 1995 werden de namen van de vice-gouverneur en de adjunct-gouverneur van Vlaams-Brabant bekendgemaakt. De aanstelling van de Franstalige Guy Desolre (PS) tot toezichthoudend ambtenaar in de Vlaamse faciliteitengemeenten rond Brussel verwekte wrevel in Vlaamse kringen.

De Franstaligen in Vlaams-Brabant

Naar aanleiding van de provincieraadsverkiezingen van 9 oktober 1994 sloten de Franstalige politieke partijen PRL, PS, PSC en FDF een samenwerkingsakkoord. Onder de benaming Union des Francophones (UF of afgekort Union) dienden zij in de kiesdistricten van Vlaams-Brabant (ook in het arrondissement Leuven) kandidatenlijsten in. Er werd op maximaal 10 zetels in de provincieraad van Vlaams-Brabant gerekend.

Het verkiezingsprogramma van de UF stond bol van actiepunten die verzet aantekenden tegen een verdere afbraak van de Franstalige positie in het arrondissement Halle-Vilvoorde. Een tweede luik omvatte eisen tot gelijkberechtiging van het Frans met het Nederlands inzake culturele ontplooiing. De Vlaamse autoriteiten werden van discriminatie beschuldigd.

In Vlaanderen werd het aantreden van de lijst Union als een zoveelste bewijs van de Franstalige arrogantie en een aanval tegen de taalpacificatie gevoeld. Er gingen zelfs stemmen op om de Franstalige verkozenen desnoods manu militari de toegang tot het provinciale halfrond te ontzeggen.

De provinciale verkiezingen van 9 oktober 1994 bracht de Union des Francophones niet het verhoopte resultaat; men behaalde slechts vijf verkozenen. Niettegenstaande deze uitslag bleef in Vlaanderen toch nog ongerustheid bestaan voor de toekomst. Was de Franstalige eenheidslijst niet de grootste partij geworden (22%) in het kieskanton Zaventem? En lagen de percentages in de andere kieskantons rond Brussel eveneens niet hoog? Er was toch één lichtpunt voor de Vlamingen: in het arrondissement Leuven scoorden de Franstaligen, met nauwelijks 1 %, zeer laag.

De toekomst?

Na het in werking treden van het Sint-Michielsakkoord op 29 september 1992 groeide bij Vlaamse drukkingsgroepen het ongenoegen over het niet-splitsen van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde voor de verkiezingen van Kamer en Senaat. Reeds op 7 december 1992 werd een Halle-Vilvoorde-Komitee opgericht dat regelmatig met acties deze eis onder de aandacht van de publieke opinie wenste te brengen. Eind 1994 stelde het Arbitragehof de aanklagers van het niet-splitsen in het ongelijk. Het debat hieromtrent bleef open.

Een punt dat in de media veel aandacht kreeg sloeg op de verdringing van de lokale Vlaamse bevolking door de 'eurocraten'. De centrale positie van Brussel in de Europese uitbouw en de aantrekkingskracht die de hoofdstad hierdoor op vele buitenlanders uitoefende, leidden tot grondspeculatie en angstaanjagend hoge huurprijzen in een wijde omgeving rondom Brussel. De Vlaamse jeugd verhuisde naar andere streken, waardoor de verfransingsdruk rond Brussel toenam. De Vlaamse vrees voor de 'eurocraten' kreeg zeker mede vorm doordat volgens de internationale verdragen de ingezetenen van de Europese Gemeenschap stemrecht zouden krijgen, onder andere voor de gemeenteraadsverkiezingen. De Franstaligen speelden het prestige van het Frans als internationale taal uit om deze nieuwe kiezersgroep aan zich te binden. Ondertussen probeerden de Vlaamse overheden met allerlei projecten het Vlaams karakter van Brabant veilig te stellen.

Gemeente

Tot 1922 regelde een wet uit 1878 het administratief taalgebruik. Voor het arrondissement Leuven werd bepaald dat de briefwisseling van de staatsadministratie met de lagere overheden en de burgers, net als in de vier andere Vlaamse provinciën, in het Nederlands moest geschieden, tenzij een verzoek tot het gebruik van het Frans was ingediend. Alle berichten en mededelingen aan het publiek dienden in het Nederlands te worden bekendgemaakt. Onder invloed van de hoofdstad kreeg het arrondissement Brussel een uitzonderingsregiem: hier kreeg het Frans voorrang op het Nederlands. Op het arrondissement Nijvel had de taalwet, net als op Wallonië, geen vat en bleef het Frans de bestuurstaal.

De taalwet van 1878 vormde een verbetering ten opzichte van de

situatie zoals die sinds 1830 bestond en die volledig op taalvrijheid stoelde. Toch vertoonde de nieuwe wet belangrijke gebreken. Een belangrijke lacune was stellig het ontsnappen van de gemeenten aan de bepalingen. Tot 1922 waren de gemeenten dus vrij om de voertaal van hun administratie, zowel inwendig als uitwendig, zelf te bepalen. In vele gemeenten moesten de Vlaamsgezinden taalrechten afdwingen.

Uit de schaarse gegevens die beschikbaar zijn aangaande het taalgebruik op het gemeentelijke niveau in Vlaams-Brabant, valt af te leiden dat vooral in de steden, of in gemeenten met een sterke burgerij, het Frans goed in de administratie was ingeburgerd. Dit was het geval in het Brusselse en in de steden langsheen de taalgrens, met name in Halle, Leuven en Tienen. Vaak beperkte zich het gebruik van het Nederlands in deze steden tot officiële mededelingen aan het publiek.

Op het platteland was de situatie in Vlaams opzicht gunstiger, alhoewel bijvoorbeeld in het toen nog door en door Vlaamse Linkebeek het Frans de administratieve voertaal was.

De nieuwe bestuurstaalwet uit 1921 tastte de taalvrijheid van de gemeenten grondig aan. De Vlaamse politici hadden het territorialiteitsbeginsel gevraagd ("in Vlaanderen Vlaams") en het, zij in afgezwakte vorm, ook bekomen. Dit leidde in Brabant tot de situatie dat - met uitzondering van de gemeenten van de Brusselse agglomeratie - de arrondissementen Brussel en Leuven tot het Nederlandstalige deel van België werden gerekend en in die taal werden bestuurd. Het arrondissement Nijvel behoorde tot het Franstalige landsgedeelte. De taalminderheden en de taalgrensgemeenten vormden evenwel struikelblokken. Het ontbreken van een bij wet vastgelegde taalgrens was de oorzaak van de moeilijkheden. De wet van 1921 poogde een oplossing te bieden door de tienjaarlijkse talentellingsresultaten te koppelen aan een taalstatuut. De taalminderheden kregen 'faciliteiten' in verhouding tot hun aandeel in het bevolkingscijfer van een gemeente. Ook hierover kan door het gebrek aan informatie weinig over de toepassing worden meegedeeld. Toch kan men op basis van klachten, in het parlement en in de pers geuit, vaststellen dat net als voor 1922 de taaltoestanden van de gemeentelijke administraties in de taalgrenssteden Halle, Leuven en Tienen evenals in een wijde omgeving rond Brussel nog niet gezond waren.

Een nieuwe bestuurstaalwet, die van 1932, beperkte nogmaals de 'faciliteiten' voor de taalminderheden. Op het vlak van de gemeenten veranderde er nauwelijks iets. De nieuwe wet zette evenwel het vernederlandsingsproces verder, alhoewel zich rond de hoofdstad een verfransing van de gemeentelijke administraties liet voelen in gemeenten die zich tevoren van het Frans als bestuurstaal hadden ontdaan. Ook de 'schilderacties' van Flor Grammens eind de jaren 1930 in diverse steden in Vlaams-Brabant lieten zien dat de taalwetgeving niet volledig werd toegepast.

De bestuurstaalwet van 1963 betekende de definitieve fase in de vernederlandsing van de gemeentelijke administraties in Brabant. De 'faciliteiten' werden beperkt tot zes gemeenten rond de hoofdstad en in de gemeente Bever op de taalgrens. Deze grens was in 1962 immers bij wet vastgelegd.

Ondanks de strakke wetgeving bleven de klachten over overtredingen op de taalwetten nog decennialang voortduren.

Cultureel niveau

Verenigingsleven

Net als de overige Vlaamse provinciën kenden Vlaams-Brabant en Brussel vanaf de 19de eeuw een rijkelijk geschakeerd Vlaams verenigingsleven. De talloze verenigingen, kringen en genootschappen waren medeverantwoordelijk voor het behoud van het taalbesef en het instandhouden van de Vlaamse identiteit bij de Nederlandssprekenden in de provincie. Dit gold zowel voor de talloze toneelkringen, de cultuurkringen, de letterkundige genootschappen, de studentenbonden, de drukkingsgroepen, de politiek geïnspireerde groepen enzovoort.

Zonder onderscheid naar politieke kleur of ideologische opvatting streden zij ondanks alle tegenstellingen voor dezelfde doeleinden.

In Vlaams-Brabant werden weinig verenigingen aangetroffen die men als typisch Brabants zou kunnen bestempelen. Alle kringen waren afspiegelingen van voorbeelden uit andere Vlaamse gewesten, of ook andersom. In het laatste geval kan naar het Davidsfonds worden verwezen dat vanuit Leuven een belangrijke rol zou gaan spelen in de Vlaamse ontvoogding.

De specifieke positie van Brussel in het geheel van de V.B. leidde tot het ontstaan van neutrale, vaak overkoepelende drukkingsgroepen, die met steun van derden tegen de verfransingsstroom in poogden vorderingen te maken. In de tussenoorlogse periode was dit het geval met het Vlaamsch Verbond voor Brussel, dat na de oorlog door het Vlaams Komitee voor Brussel werd opgevolgd.

De culturele autonomie sinds 1970 en de verzuiling voegden een nieuwe dimensie toe aan het verenigingsleven: de subsidiëring. Of dit systeem in Vlaams-Brabant positieve resultaten opleverde kan niet direct worden bepaald, maar in de Brusselse agglomeratie kan de financiële inbreng van de overheid als positief worden bestempeld.

Kerk en instellingen

Tot 1961, het jaar waarin kardinaal Ernest-Joseph van Roey overleed, ressorteerden de provincies Brabant en Antwerpen onder het aartsbisdom Mechelen. De aanstelling van Léon Suenens, eerst tot hulpbisschop van Mechelen en in 1962 tot aartsbisschop, luidde een periode van grondige wijzigingen in. Reeds enkele maanden na zijn benoeming werd het bisdom Antwerpen heropgericht. Het aartsbisdom Mechelen kreeg na deze amputatie de benaming aartsbisdom Brussel-Mechelen. Het omvatte naast de provincie Brabant ook nog de kantons Duffel, Mechelen, Puurs en Willebroek in de provincie Antwerpen.

In 1962 werd in de schoot van het bisdom Brussel-Mechelen met een decentralisatie gestart. Er kwamen 3 vicariaten-generaal, namelijk voor Vlaams-Brabant en Mechelen, voor Waals-Brabant en voor Brussel. De vicaris-generaal van Brussel werd bijgestaan door twee adjuncten die respectievelijk de Nederlandstalige en de Franstalige zaken behartigden. Enkele jaren later, namelijk in 1969, werd in de Brusselse agglomeratie de zogenaamde "autonomie van de twee taalgemeenschappen" ingesteld. Dit betekende dat voor de Vlaamse gemeenschap Nederlandstalige priesters werden benoemd. In 1982 onderging het Brusselse vicariaat nogmaals een aanpassing. De twee taalgroepen kregen elk een vicaris-generaal met de titel van hulpbisschop.

Het taalgebruik op het niveau van de parochie vormde tot op heden geen onderzoeksthema. De schaarse gegevens leren dat tot 1960 buiten de Brusselse agglomeratie en de taalgrens er in de Vlaams-Brabantse parochies nauwelijks problemen waren. Het Nederlands was de voertaal van de sermoenen en de geestelijkheid betoonde een flexibele houding ten aanzien van de taalkundige situatie op parochiaal niveau. De eucharistieviering verliep trouwens grotendeels in het Latijn wat de moeilijkheden tot een minimum beperkte. Toch werd in enkele nieuwe parochies in de Vlaamse gemeenten rond Brussel vastgesteld dat de geestelijkheid zeer tegemoetkomend optrad tegenover de Franstaligen.

De bepaling van het tweede Vaticaans concilie (1962-1965) dat de liturgie in de volkstaal zou geschieden werd door het Belgisch episcopaat streng opgevolgd. Uitgezonderd enkele moeilijkheden in de Vlaamse gemeenten rond Brussel (onder andere Strombeek-Bever) bracht de toepassing hiervan weinig emoties mee. In de zes faciliteitengemeenten kregen de Franstaligen trouwens missen in de eigen taal. Toch kwam het probleem van de zielzorg van de Franssprekenden in het arrondissement Halle-Vilvoorde met de regelmaat van een klok op de voorgrond.

Eind de jaren 1980 onderstreepte kardinaal Godfried Danneels het vigerende standpunt terzake. Hij stelde dat de celebratie van de missen in Vlaams-Brabant in het Nederlands diende te gebeuren. Alleen plechtigheden met een strikt privé-karakter, zoals een doop, konden in het Frans plaatsvinden. De inzegening van het huwelijk kon ook in het Frans maar de huwelijksmis moest dan wel in het Nederlands geschieden. De overlijdensmis kon enkel in het Nederlands.

De komst van de zogenaamde 'eurocraten' in de Vlaamse gemeenten bracht ook problemen met zich mede op het vlak van de zielzorg van deze nieuwe bewoners. In Tervuren leidden Duitse missen tot een hevige commotie in Vlaamse kringen. Er werd gevreesd dat op deze wijze de deur werd opengezet om nu ook Franstalige celebraties af te dwingen. In Franstalige kringen werd de vraag opgeworpen of "God soms flamingant was".

Onderwijs

Het lager onderwijs

De inrichtende machten van het lager onderwijs – gemeentebesturen en religieuze overheden – moesten inzake de taal van het onderwijs tot 1914 nauwelijks wettelijke verplichtingen naleven. Er waren ook weinig problemen: in Brabant was het Nederlands de onderwijstaal in de meeste scholen. Alleen in de Brusselse agglomeratie en langsheen de taalgrens werden afwijkingen vastgesteld. Ook voor het aanleren van een tweede taal – het Frans – werd een grote vrijheid gehanteerd. In de steden, de taalgrensgemeenten en in die plaatsen die met Wallonië en Brussel drukke handelsactiviteiten onderhielden, zoals in Overijse en Hoeilaart het geval was door de druiventeelt, voelde men dra de noodzaak om reeds in het lager onderwijs de Franse taal aan te leren. Dit gebeurde evenwel meestal in de hoogste jaren. Anderzijds legde de onderwijswet van 1883 aan de voorbereidende afdelingen van het middelbaar onderwijs het onderwijs in het Nederlands op, met dien verstande dat het Frans onderricht van zo'n niveau diende te zijn, dat de leerlingen met vrucht in die taal de secundaire studies konden aanvatten.

De organieke wet op het lager onderwijs die in mei 1914 door het parlement werd goedgekeurd, luidde een nieuwe fase in. Naast de introductie van de leerplicht werd in de wet ook een taalluik ingelast (art. 20). De taal van het onderwijs zou worden bepaald door de moedertaal der leerlingen. Gelet op de taalgemengde bevolking in de Brusselse agglomeratie en in de meeste taalgrensgebieden kregen deze gebieden 'verzachtingen' op dit beginsel. Deze waren evenwel in de wet niet gespecificeerd en zij konden alleen door de bevoegde minister worden toegestaan.

Deze wet veranderde niets aan de toestand in het Nederlandstalige deel van de provincie Brabant. Toch wijzigde de onderwijssituatie in en rond Brussel heel snel. In de scholen van Brussel-hoofdstad en van enkele andere Brusselse gemeenten werd vanaf de jaren 1920 vastgesteld dat de leerlingen meer en meer uit de Vlaamse buurgemeenten kwamen. In eerste instantie waren het kinderen van uitgeweken stadsbewoners, maar in toenemende mate ook van Vlaamse ouders. Deze ouders lieten zich in hun keuze niet alleen door de kwaliteit maar ook door de taal van het onderwijs leiden. En dat was het Frans!

Als reactie op de uittocht van de kinderen begonnen sommige bestuurders van de Vlaamse gemeenten uit de Brusselse omgeving met een charmeoffensief. Zij paaiden de ouders met nieuwe scholen, betere schoolfaciliteiten en een betere studie van het Frans. Deze evolutie gebeurde langzaam maar zeker in het nadeel van het Nederlandstalig onderwijs. Tweetalig onderricht werd schering en inslag en in een aantal gemeenten moesten de Vlaamse klassen voor Franse wijken. Dit proces werd nog bespoedigd door de heersende rivaliteit tussen het openbaar en het vrij onderwijs. Met het aanbieden van Frans taalonderwijs of Franse klassen poogden een aantal katholieke instellingen leerlingen te winnen.

De Vlaamse woede over de onwil van de Brusselse gemeentebesturen om Vlaamse klassen in te richten en de Vlaamse wens tot vernederlandsing van het openbaar leven leidden in 1932 tot een nieuwe onderwijstaalwet. De wet steunde op het beginsel "streektaal is onderwijstaal". De Franstalige minderheid wist met het stelsel van de zogenaamde adaptatie- of transmutatieklassen evenwel een achterpoortje in te bouwen. In zo'n klassen kregen de leerlingen les in de moedertaal – het Frans dus – maar terzelfder tijd leerden zij de streektaal dermate aan dat zij met vrucht in het Nederlands de middelbare studies zouden kunnen aanvatten. Dit soort klassen bleef tot het begin van de jaren 1960 bestaan in de voorbereidende afdelingen van de rijksmiddelbare jongensscholen van Halle en Vilvoorde en in de rijksmiddelbare meisjescholen van Leuven, Tienen en Vilvoorde. Ook in tal van katholieke instellingen en gemeentescholen was dit het geval.

Een tweede ontsnappingsroute bestond in het aanleren van het Frans buiten de schooluren.

De nieuwe onderwijswet liet tot Vlaams ongenoegen de situatie in Brussel en de taalgrensgemeenten ongemoeid. Het stelsel "moedertaal is onderwijstaal" bleef er in voege. Ook nu zouden de Brusselaars de wet aan hun laars lappen.

De wet regelde eveneens de studie van een tweede taal. Tweetalige klassen werden afgeschaft. In Brussel en de taalgrensgemeenten werd de minister gemachtigd om de studie van het Frans reeds in het eerste studiejaar in plaats van in het derde studiejaar te laten aanvangen.

Globaal bekeken wijzigde de taalwet van 1932 weinig aan de onderwijssituatie in het Vlaamse deel van de provincie Brabant. Het Nederlands bleef de voertaal in de meeste scholen. Het aanleren van het Frans werd evenwel veralgemeend.

De problemen bleven zich voordoen in en rond Brussel. Zo bleken in de Vlaamse gemeenten de 'transmutatieklassen' tot misbruik aanleiding te geven. De wet kon ook de trek van duizenden Vlaamse kinderen naar het Franstalig onderwijs in de hoofdstad niet stoppen.

Het was pas in 1963 dat de Vlamingen in het onderwijs het territorialiteitsbeginsel integraal konden laten zegevieren. De onderwijswet uit dat jaar gaf de Franstaligen geen enkel recht meer op onderwijs in de moedertaal. Een uitzondering werd gemaakt voor zes gemeenten rond de Brusselse agglomeratie met een sterke concentratie Franstaligen, de zogenaamde faciliteitengemeenten. Het betrof hier Kraainem, Wemmel, Linkebeek, Drogenbos, Wezembeek-Oppem en Sint-Genesius-Rode.

In Brussel werd in 1970 overgegaan tot het stelsel van de "vrijheid van de huisvader". De Vlamingen kregen in ruil voor deze toegeving overheidsgelden om in de Brusselse agglomeratie Vlaamse scholen op te richten.

Een apart probleem bleef bestaan in Leuven ten gevolge van de aanwezigheid van de Franstalige afdeling van de katholieke universiteit. Terwille van de Franstaligen en op verzoek van de religieuze autoriteiten bleven in deze stad ook nog na 1963 oogluikend Franse klassen voor lager en middelbaar onderwijs bestaan. Zij vormden een doorn in het oog van de Vlamingen. Pas na de overheveling van de Franstalige afdeling naar Wallonië kwam aan deze toestand een einde.

Het middelbaar onderwijs

Kort na de Tweede Wereldoorlog was het nog niet vanzelfsprekend dat kinderen na de lagere school verder studeerden. In het allerbeste geval werkten zij het zevende en achtste studiejaar, de zogenaamde vierde graad, af. Slechts een kleine groep kinderen ging naar de middelbare school en hiervan doorliep dan nog maar een kleine fractie de volledige humaniora. Dit verschijnsel, dat alleen door sociale en economische motieven te verklaren was, liet zich duidelijk aflezen in het aantal inrichtingen voor secundair onderwijs. Telde de provincie Brabant omstreeks 1900 ongeveer duizend lagere scholen, dan beschikte het rijksonderwijs over slechts drie athenea, negen middelbare jongensscholen en negen middelbare meisjesscholen. Het vrij onderwijs dat volledig katholiek was en in hoofdzaak georganiseerd werd door het bisdom en enkele religieuze orden, telde zo'n vijftiental instellingen. Enkele gemeenten en steden, vooral in het Brusselse, richtten zelf een school op. De introductie van de leerplicht (1914) en de groeiende economische behoefte aan geschoold personeel deden het aantal scholen toenemen. In 1935 waren er in de Brusselse agglomeratie al liefst zestien rijksinstellingen voor middelbaar onderwijs. Na 1945 zou dit aantal ook in de andere netten verder toenemen.

In 1883 werd een eerste taalwet goedgekeurd die voorzag in een gedeeltelijke vernederlandsing van het secundair onderwijs. De wet bepaalde dat in de Vlaamse athenea en rijksmiddelbare scholen, naast het Nederlands en het Engels of het Duits, ook nog minstens twee vakken in het Nederlands moesten worden gedoceerd. Toch kregen de scholen nog de mogelijkheid om deze lessen geheel of gedeeltelijk in het Frans te laten bestaan terwille van hun Franstalige leerlingen. Deze taalwet werd moeizaam toegepast in de athenea van Brussel, Elsene en Leuven. In de rijksmiddelbare scholen, de lagere humaniorascholen, varieerde de situatie van school tot school. Veel hing af van de houding die de directie en de leraren aannamen. Een voorbeeld moge dit illustreren. In de rijksmiddelbare school van de Vlaamse taalgrensstad Halle werd ongeveer de helft van de leerlingen uit het nabije Wallonië gerekruteerd. Om de Waalse ouders niet te ontstemmen werden in een eerste periode de vernederlandste vakken ook nog eens in het Frans herhaald. In een tweede fase werden de Franssprekende kinderen van de Vlaamse gescheiden en in aparte klassen samengebracht. De klassen werden langzaam maar zeker ontdubbeld zodat elke taalgroep een eigen programma had.

Dit gebeurde eveneens in andere Brabantse rijksmiddelbare scholen en athenea. In 1932 bestonden Franse afdelingen in de athenea van Leuven en Tienen, in de rijksmiddelbare jongensscholen van Halle en Tienen en in rijksmiddelbare meisjesscholen van Leuven en Vilvoorde. De athenea van de Brusselse agglomeratie, Brussel en Elsene bleven volledig Franstalig. In een Vlaamse afdeling werd een miniem aantal vakken (Nederlands zelf, gedeeltelijk soms Engels of Duits) ook in het Nederlands onderwezen.

Een taalwet uit 1932, dat op het territorialiteitsbeginsel steunde, maakte een einde aan de Franse afdelingen en het leerprogramma werd vernederlandst. In 1935 waren er Vlaamse rijksmiddelbare jongensscholen in Laken, Koekelberg, Schaarbeek en Sint-Jans-Molenbeek. De meisjes konden voor Vlaams onderwijs terecht in de rijksmiddelbare meisjesscholen van Laken en Sint-Jans-Molenbeek.

Het katholiek onderwijsnet volgde de vernederlandsing van de rijksscholen met enige vertraging. Hierbij moet worden aangestipt dat deze instellingen niet de middelen hadden om een aparte Franstalige afdeling op te richten en bijgevolg stuurden zij meer aan op tweetaligheid in dezelfde lessen. De situatie voor de meisjes was nogal eens lamentabel door de halsstarrigheid van een aantal vrouwelijke congregaties. Eind 19de eeuw bleek dat het gebruik van het Nederlands het verst was gevorderd in de bisschoppelijke colleges van Diest en Aarschot. In Halle, Vilvoorde, Leuven en Tienen werden de lessen Nederlands en godsdienst meestal in het Nederlands gegeven en werd een tweetalig regime voorzien voor een aantal andere vakken. De Brusselse agglomeratie hinkte achterop.

Een belangrijke stap vooruit betekende een wet uit 1910. Die onderwierp het vrij middelbaar onderwijs aan de wet van 1883 op het taalgebruik in het officieel onderwijs. Ook de wet van 1932 was van toepassing op beide netten.

In de Brusselse agglomeratie betekende de oprichting van het Sint-Pieterscollege in Jette, begin de jaren 1930, een eerste duidelijke stap naar Nederlandstalig middelbaar onderwijs aan katholieke zijde. De meisjes zouden nog vaak tot na de Tweede Wereldoorlog moeten wachten. In afwachting daarvan stuurden Vlaamgezinde ouders hun dochters naar de Vlaamse instelling van Dilbeek.

Literatuur

Brabant. De provincie vroeger en nu, 1976. 

Auteur(s)

Luc Sieben