Willemsfonds

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

een naar Jan F. Willems genoemde cultuurvereniging en drukkingsgroep, die op 23 februari 1851 te Gent werd opgericht, "willende de nederduitsche tael en letterkunde en al wat haer aengaet krachtdadig ondersteunen en aenmoedigen, ter versterking van den algemeenen nationalen geest in België", aldus artikel 1 der toenmalige "Grondslagen".

Strekking

Met deze formulering bepaalde het Willemsfonds zijn plaats in de V.B. De stichters zagen in de versterking van de positie van het Nederlands een voorwaarde voor de versteviging van de Belgische staat. Daardoor stelden zij zich van meet af op als loyale onderdanen van deze staat, maar ook als overtuigde tegenstanders van de opvatting dat deze gegrondvest moest zijn op de overheersende positie van het Frans. De uiteindelijke consequentie van hun opvatting zou liggen in de volledige gelijkberechtiging van de beide landstalen. In 1851 was dit een verafgelegen doel, doch de gehele actie van het Willemsfonds als vereniging voor volksontwikkelingswerk en als Vlaamse drukgroep is steeds hierop gericht geweest. Ook aan het Belgisch staatsverband is het ononderbroken trouw gebleven.

De stichters waren Jules de Saint-Genois des Mottes, de eerste voorzitter, Philip M. Blommaert, Ferdinand A. Snellaert, Frans Rens, Prudens van Duyse, Johan M. Dautzenberg, Constant P. Serrure, Philippe Kervyn de Volkaersbeke, Jacob F. Heremans, T.J. Canneel, E. van Damme, Edward Vermandel, C. Annoot-Braeckman, L. Hebbelynck, J.S. van Doosselaere, V. Gaillard en Eduard Degerickx, dus zowel katholieken als liberalen. De voorzitters, na baron De Saint-Genois (1851-1854), waren Snellaert (1855-1861), Rens (1862-1874), Heremans (1876-1882), Julius Vuylsteke (1883-1896), Gillis Minnaert (1896-1919), Jozef-Frederik Vercoullie (1919-1937), Oscar van Hauwaert (1937-1951), Hans van Werveke (1951-1962), Pieter Lambrechts (1962-1965), Adriaan Verhulst (1965-1984), Ernest van Buynder (1984-1992) en Leo Ponteur (1992-). De ledenlijst van 1854 vermeldt, naast verscheidene priesters, onder meer Jan-Baptist David, tal van vooraanstaande katholieke figuren, naast fervente antiklerikalen, zoals Vuylsteke. De vereniging vertoonde dus tijdens de eerste jaren geen duidelijk wijsgerige signatuur. In het jaarverslag van 1857, waarin staat dat de grondleggers wilden dat "aan Vlaanderen niet langer de mannelijke kracht van het verleden en het licht der eeuw zou ontbreken", klinkt reeds een liberale ondertoon door. De stichters behoorden inderdaad voor het merendeel tot de liberale fractie. Maar vooral na de aanstelling van Vuylsteke in 1862 tot secretaris, evolueerde het Willemsfonds steeds duidelijker in liberaal- vrijzinnige richting. In 1865 werd naast de ondersteuning van het Nederlands ook "de verstandelijke en zedelijke ontwikkeling der Vlaamsche bevolking" als doelstelling in de statuten opgenomen. De stichting, in 1875, van zijn katholieke tegenhanger, het Davidsfonds, bezegelde deze evolutie definitief. Van toen af steunde het Willemsfonds in de scherpe ideologische tegenstelling van de 19de eeuw, in het bijzonder in de schoolstrijd, zeer duidelijk en krachtig het liberale standpunt. Toch vermeed het steeds met de liberale partij te worden geïdentificeerd. In dat verband werd de ideologische tendens van het Willemsfonds door de gezaghebbende vertegenwoordigers der vereniging reeds in de loop van de 19de eeuw meestal als vrijzinnig bestempeld, wat uiteindelijk in de meest recente formulering der statuten (1966 en 1976) als volgt wordt uitgedrukt: "Als vereniging, gesticht ter verdediging van de Nederlandse taal, streeft het naar de culturele, economische en wetenschappelijke ontplooiing van de Vlamingen in een ruim-vrijzinnige geest en in een klimaat van geestelijke en politieke vrijheid" (artikel 2). Deze omschrijving van het doel der vereniging geeft uitdrukking zowel aan het vooral onder invloed van Lodewijk de Raet gegroeid inzicht in wezen en doel der V.B., als aan een zekere wil om de ideologische tegenstellingen minder scherp te zien dan vroeger het geval was. Het oude antiklerikalisme werd aldus in de jaren 1960 vervangen door een nieuwe en ruimdenkende opvatting van de vrijzinnigheid, waarin het streven naar een open en pluralistisch leefklimaat in Vlaanderen centraal staat. Vanuit deze bekommernis lag het Willemsfonds, in de persoon van zijn voorzitter Verhulst, in 1971 mee aan de basis van het Cultuurpact, dat de belangen van de vrijzinnigen en de andere ideologische en filosofische minderheden in een cultureel autonoom Vlaanderen moet waarborgen.

Structuur en organisatie

Het Willemsfonds is een organisatie (in de juridische vorm van een vereniging zonder winstoogmerk) van leden die gegroepeerd zijn in plaatselijke afdelingen. In elk van de vijf Vlaamse provincies zijn deze op hun beurt gegroepeerd in provinciale verbonden die de activiteiten der afdelingen in hun respectieve provincies coördineren en stimuleren. De vereniging wordt geleid door een raad van beheer, samengesteld uit vertegenwoordigers der afdelingen en der provinciale verbonden, die uit zijn midden een dagelijks bestuur aanstelt.

De huidige structuur is het resultaat van een historische groei, waarbij vooral de rol van Julius Vuylsteke (secretaris 1862-1880, voorzitter 1883-1896) doorslaggevend is geweest. In de jaren 1860-1870 bouwde hij het Willemsfonds immers om van een kleine, in Gent gevestigde kring van taalminnaren tot een organisatie voor de "geestelijke verheffing van het Vlaamse volk", met afdelingen en bibliotheken verspreid over gans Vlaanderen.

Aanvankelijk breidde het ledental zich slechts langzaam uit: toen Vuylsteke in 1862 secretaris werd, bedroeg het slechts 184. Dankzij zijn stuwkracht en organisatietalent ging het zeer snel omhoog om in 1884 de 4500 te overschrijden. Deze stijging was het gevolg van de oprichting van plaatselijke afdelingen die zorgden voor een lokale actie van het Willemsfonds. De oudste ervan waren gevestigd in de grote steden: Gent (1868), Antwerpen (1871), Brugge (1872) en Brussel (1872). Geleidelijk kwamen aldus tientallen afdelingen tot stand. In de 19de eeuw telde het ook enkele afdelingen in Nederland, onder meer de studentenafdelingen aan de universiteiten van Leiden (1887), Groningen (1888) en Utrecht (1894).

Terwijl het aantal afdelingen vanaf 1868 gestadig groeide (thans zijn er zo'n 140), is de evolutie van het ledental aan sterke schommelingen onderhevig geweest. Nadat het in 1884 een hoogtepunt had bereikt, ging het in de daaropvolgende jaren sterk in dalende lijn. De gevolgen van de schoolstrijd hadden een zeer nadelige invloed en van 4544 in 1884 zakte het ledental tot 2098 in 1903; van 1903 tot 1914 schommelde het tussen 2000 en 2500; tijdens de Eerste Wereldoorlog werden geen lidmaatschapsgelden geïnd; in 1919 startte men opnieuw met 1315 leden. Van dan af is er een gestadige stijging tot heden; het ledenaantal ligt thans even boven de 10.000.

Activiteiten

De stichters van het Willemsfonds somden onder meer de volgende middelen op om hun doel te bereiken:

- aanmoediging van studenten die zich met voorliefde op de beoefening van de moedertaal toeleggen;

- uitgave van nuttige boeken;

- verbetering van de volkszang (woorden en muziek) en het toneel;

- inrichting van een "leeskabinet van Vlaamsche lezers, waar de boeken voor een geringen prijs of zelfs kosteloos zouden uitgeleend worden".

Deze plannen werden echter slechts geleidelijk gerealiseerd. Aanvankelijk ging de aandacht vooral naar de aanmoediging van leerlingen uit het middelbaar onderwijs die zich bij de studie van het Nederlands onderscheidden, en naar de publicatie van boeken. Tot het begin van deze eeuw was het Willemsfonds de enige niet-katholieke uitgeverij van betekenis in Vlaanderen. In de periode 1851-1901 publiceerde het 197 werken in een totale oplage van 527.445 exemplaren. Nadat door de eerste publicatie, de Vlaamsche bibliographie, of lijst der Nederduitsche boeken in België sedert 1830 uitgegeven (1851) de geestelijke armoede van het Vlaamse land duidelijk in het licht was gesteld, gaf het Willemsfonds – naast de populaire volksalmanakken die van 1852 tot 1879 jaarlijks verschenen – nuttige boeken uit die in leemten voorzagen en waarvan een aantal, zoals de Voordrachten over de Grondwet van Gustave Rolin-Jaequemyns (1867), de Korte Statistieke Beschrijving van België van Vuylsteke (1870), het Kiezershandboek van Julius de Vigne (1871) en andere, aanmerkelijk bijdroeg tot de staatsburgerlijke opvoeding van ons volk in de jaren toen de uitbreiding van het kiesrecht in aantocht was. Van 1896 tot 1905 werd het Tijdschrift van het Willemsfonds uitgegeven, dat na 1906 werd voortgezet door De Vlaamse Gids.

Reeds vroeg ging de aandacht ook naar het Vlaamse lied, zoals blijkt uit een uitgave van 1852: Oude en nieuwe liedjes van Ferdinand A. Snellaert; in 1871 werd begonnen met de uitgave van oorspronkelijke Nederlandse zangstukken. In 1886 kreeg deze activiteit een vastere grondslag door de oprichting, binnen het Willemsfonds, van een zelfstandig Comiteit ter Bevordering van de Nederlandschen zang, waarvan Peter Benoit tot zijn dood de voorzitter is geweest. Ten slotte schonk het Willemsfonds aan het Vlaamse volk het herhaaldelijk herdrukte tweedelige Nederlandsch Liederboek (1891-1892) van Florimond van Duyse. Het was eveneens Van Duyse, die in 1903 het initiatief nam tot het organiseren van de befaamde Liederavonden van het Gentse Willemsfonds, een voorbeeld dat weldra zowel in Noord- als in Zuid-Nederland navolging vond.

Met de eerste Willemsfondsbibliotheek werd in 1865 gestart te Gent. Weldra vond ook dit voorbeeld op tientallen plaatsen navolging; gedurende vele decennia waren deze Willemsfondsbibliotheken een van de weinige initiatieven op bibliotheekgebied in Vlaanderen. Ze beschikten over een boekenfonds waaruit niet-katholieke auteurs niet systematisch werden geweerd. In 1904 breidde de vereniging haar activiteit op dit punt nog uit door de oprichting van rondreizende bibliotheken, waarvan sommige ook naar in Wallonië verblijvende Vlamingen werden gestuurd.

In navolging van de Société Franklin te Luik werden van 1868 af te Gent, en vervolgens in de andere afdelingen van het Willemsfonds, volksvoordrachten gehouden. Bij het 50-jarige jubileum werd het aantal door het Willemsfonds gehouden volksvoordrachten op ruim 2000 geraamd.

De bovenvermelde activiteiten beheersten tot in de jaren 1960 de werking van het Willemsfonds. Daardoor had de vereniging stilaan een ietwat oubollig karakter gekregen. Het aantreden van een verjongd bestuursteam (met Adriaan Verhulst als voorzitter en Walter Prevenier als secretaris) in 1965 leidde tot een grondige gedaantewisseling. Van een deels nog volgens 19de-eeuwse patronen werkende organisatie voor volksverheffing, werd het Willemsfonds op relatief korte termijn omgebouwd tot een moderne vereniging voor sociaal- cultureel vormingswerk. In de plaatselijke afdelingen ruimden de volksvoordrachten plaats voor een meer gevarieerd activiteitenaanbod. De oude, statutair vastgelegde taak om "hoofdzakelijk oorspronkelijk in het Nederlands geschreven werken" uit te geven en te verspreiden was daarentegen in de praktijk volledig voorbijgestreefd door de ontplooiing van een Nederlandstalig uitgeverijwezen in Vlaanderen, dat ook aan vrijzinnige auteurs voldoende publicatiekansen bood. Daarom werd in 1973 definitief een punt gezet achter de publicatie van een of meer jaarlijkse boeken ten behoeve van de leden. Wat de eigen volksboekerijen betreft zag het Willemsfonds het voorbijgestreefde karakter van verzuilde bibliotheken in. Na de totstandkoming van het lang nagestreefde nieuwe bibliotheekdecreet in 1978 werden de tientallen nog bestaande Willemsfondsbibliotheken dan ook vrij snel in het openbaar bibliotheekwezen geïntegreerd.

Willemsfonds en de V.B.

In het spoor van Julius Vuylsteke heeft het Willemsfonds zichzelf altijd in de eerste plaats gezien als een vereniging voor volksontwikkelingswerk, die door haar "vreedzaam propagandawerk", haar "aanhoudende geduldige, hardnekkige arbeid" – de uitdrukkingen zijn van Vuylsteke – eerder dan door strijd de geestelijke herleving van het Vlaamse volk wilde bewerken en aldus indirect wilde bijdragen tot vergroting van de Vlaamse volkskracht op alle gebieden. Deze arbeid zag het Willemsfonds "buiten het terrein der staatspartijen, in niemands dienst, maar geheel ten dienste der algemeene Vlaamsche volksbelangen" (Vuylsteke in 1872).

Deze houding van Vuylsteke is richtinggevend gebleven. Zij verklaart een zekere terughoudendheid om de vereniging als zodanig te betrekken in de Vlaamse strijd voor zover deze zich op het politieke plan afspeelde. Niettemin engageerden vooraanstaande Willemsfondsers zich persoonlijk zeer sterk in de politieke strijd en speelden daarbij zelfs een opmerkelijke rol. Aanvankelijk streefden zij daarbij naar de verovering van de liberale partij in Vlaanderen; in de oprichting van een Vlaamse partij zagen zij, gelet op de toenmalige politieke verhoudingen, geen heil. Hoewel hun streven in de 19de eeuw aanvankelijk enkele tijdelijke successen op het plaatselijke vlak opleverde, slaagden zij globaal gezien niet in hun opzet. De persoonlijke partijpolitieke betrokkenheid van sommige leidende figuren in het kader van de sterk verfranste liberale partij, waarin het Vlaamse liberalisme lange tijd zogoed als geheel machteloos zal blijven, maakte een aantal onder hen eerder gevangenen van deze strijd. Dit gaf op het eind van de 19de eeuw en in het begin van de 20ste eeuw op bepaalde momenten aanleiding tot interne spanningen in de schoot van het Willemsfonds zelf, waarbij het, gesteld voor de keus tussen Vlaamse en vrijzinnige (respectievelijk liberale) solidariteit, moeilijk viel om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen; dit was bijvoorbeeld het geval bij de strijd voor de taalwet van 1883 op het gebruik van het Nederlands in het officieel middelbaar onderwijs en tijdens de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit. De eensgezindheid die in het interbellum totstandkwam, was gebaseerd op het minimalistische programma van de Vlaamse cultuur- en strijdverenigingen. Toch moet het aandeel dat het Willemsfonds ook als Vlaamse drukgroep in de strijd voor gelijkberechtiging van het Nederlands had, niet worden onderschat. Ontelbaar zijn zijn interventies bij de overheid geweest om de toepassing van de bestaande taalwetten te eisen, evenals de moties, publicaties, verklaringen en acties waarmee nieuwe en verbeterde taalwetten werden gevraagd. Men kan aan de hand ervan de ontwikkelingsgang volgen van de gedachte-inhoud zelf van de V.B., zoals die evolueerde van het midden van de 19de eeuw af tot heden, althans voor zover deze het bestaan van het Belgische staatsverband niet in twijfel trok. Zowel na de Eerste als na de Tweede Wereldoorlog kon het Willemsfonds een belangrijke rol spelen bij het weer op gang brengen van de Vlaamse strijd in de ondankbare omstandigheden waarin de V.B. ingevolge het activisme en de collaboratie was terechtgekomen.

Na de Tweede Wereldoorlog is er ook een veel duidelijker distantiëring vast te stellen ten opzichte van de liberale partij en vervolgens van de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV), waardoor een consequente en zo nodig compromisloze Vlaamse houding van het Willemsfonds mogelijk werd in de zogenaamde communautaire problematiek, evenals een sterkere samenwerking met andere cultuur- en strijdverenigingen, onder meer in het kader van het door het Willemsfonds in 1965 mee opgerichte Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV). Onder het voorzitterschap van Verhulst (1965-1984) nam het traditioneel terughoudende Willemsfonds op Vlaams gebied overigens een meer strijdbare houding aan, waarbij zelfs de deelname aan betogingen niet langer meer werd geschuwd. De standpunten die de vereniging in de jaren 1960 en 1970 innam (onder meer inzake het probleem Leuven Vlaams en de staatshervorming) lagen volledig in de lijn van het algemeen Vlaams programma, zoals het door het OVV werd geformuleerd en trouwens door het Willemsfonds in belangrijke mate mede werd bepaald. In de periode 1965-1971 was de rol van het Willemsfonds in het OVV zelfs toonaangevend. Uit vrees voor een minorisering van de vrijzinnigen in Vlaanderen wees de vereniging lange tijd elk idee van federalisering of zelfs van culturele autonomie van de hand. De garantie van een cultuurpact, waarvoor het Willemsfonds zich sterk heeft ingezet, maakte echter een koerswijziging mogelijk. In 1967 sprak het Willemsfonds zich uit voor een maximale culturele autonomie, in 1976 voor een tweeledig federalisme. Door deze laatste stellingname kon binnen het OVV, op de vooravond van het Egmontpact, een eensgezind standpunt over de staatshervorming worden uitgewerkt en kon het Willemsfonds vervolgens een belangrijke rol spelen in het verzet tegen dit Egmontpact. Omstreeks 1980 begon de samenwerking in het OVV, die sinds het midden van de jaren 1960 de Vlaamse opstelling van het Willemsfonds had bepaald, evenwel stroever te verlopen omdat de oude ideologische breuklijn tussen katholieken en vrijzinnigen opnieuw zichtbaar werd. In de late jaren 1980-vroege jaren 1990 werd ten gevolge van de toenemende invloed van extreem-rechts en de ermee gepaard gaande radicalisering van bepaalde Vlaamse strijdverenigingen de positie van het gematigde Willemsfonds in het OVV stilaan onhoudbaar. Na meerdere incidenten stapte de vereniging in 1993 dan ook uit het OVV. Volgens het Willemsfonds zijn de traditionele Vlaamse eisen sinds het Sint-Michielsakkoord grotendeels verwezenlijkt en dient de aandacht van de V.B. thans vooral te gaan naar de inhoudelijke invulling van de Vlaamse autonomie.

Literatuur

P. Fredericq, Uit de geschiedenis van Willems-Fonds en Davids-Fonds, 1903; 
Ons 75-jarig Jubelfeest (1851-1926), 1926; 
Eeuwfeest van het Willems-Fonds (1851-1951), 1951; 
Gedenkboek 125 jaar Willemsfonds (1851-1976), 1976; 
M. Bots (red.), Het Willemsfonds van 1851 tot 1914, 1993; 
Liber Amicorum Adriaan Verhulst, 1995.

Verwijzingen

zie: Jef Mennekens.

Auteur(s)

Marcel Bots; Georges Declercq