Willems, Jan F.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Boechout 11 maart 1793 – Gent 24 juni 1846).

In Willems' leven vallen vier perioden te onderscheiden die grosso modo samenvallen met grote politieke tijdvakken: van 1793 tot 1815 (Franse tijd) zijn jeugd en opleiding te Boechout, Kontich(?), Lier en Antwerpen; van 1815 tot 1830 (Verenigd Koninkrijk der Nederlanden) zijn literaire en maatschappelijke doorbraak te Antwerpen; van 1831 tot 1835 (Belgische Revolutie) zijn verbanning naar Eeklo; en van 1835 tot 1846 (Koninkrijk België) zijn rehabilitatie als ambtenaar én de oprichting en organisatie van de V.B. in de bakermat Gent.

Willems' jeugd valt te situeren in een milieu van kleine burgerij dat geleidelijk onder de druk der tijden afgezakt was tot betrekkelijke armoede. Willems was de oudste van 14 kinderen, die moeizaam grootgebracht werden door een vader, die afkomstig was uit een traditioneel Geels landbouwersgeslacht, een zekere ontwikkeling had, kon lezen en schrijven, behalve zijn moedertaal ook enige kennis van het Latijn had en aanvankelijk als landmeter, ontvanger der belastingen en gemeenteraadslid fungeerde, tot een decreet van de overheid hem in 1807 uit deze ambten zette, omdat hij geen Frans kende. De eerste stoot tot Willems' Vlaamsgezindheid zou wel eens hier kunnen liggen, want zijn oudst bekende gedicht, het Hekel-Dicht op den Maire en Municipaliteit van Bouchout, dateert uit die tijd. Voortaan stond vader Willems in de bevolkingsregisters te boek als tailleur, agent d'affaires, en herbergier; een beroepswissel die niets goeds voorspelt voor de welvaart van zijn gezin. Van dat ogenblik af kwam ook het probleem van Willems' eigen beroepskeus aan de orde. Het vermoeden ligt voor de hand dat men hem voorbestemde voor het kostersambt. Immers, na een vorm van rudimentair onderwijs te Boechout en wellicht ook te Kontich, stuurde men hem in 1805 naar Lier, waar hij les kreeg in Latijn, zang en orgelspel en waar hij ook een aangename en krachtige, geoefende (stentor)stem ontwikkelde, die hem later als gevierd spreker, declamator en redenaar goede diensten zou bewijzen op bijeenkomsten, vergaderingen, recepties en taalcongressen.

Te Lier kreeg hij ook contact met de oude rederijkerskamer; hij leerde er voordragen en toneelspelen en vond er zijn latere devies "Spero lucem". Aan deze grotendeels autodidactische opvoeding werd weldra een waardevolle dimensie toegevoegd, doordat hij te Lier in contact kwam met het aristocratische gezin van de Bergmanns. De vader, Georg Bergmann, gaf er, gezien het droevige peil van het openbaar onderwijs, zelf zijn kinderen huisonderwijs en nam Willems mede in de kring op. De opgroeiende jongen leerde er behoorlijk Nederlands, Frans en Duits, verwierf inzicht in de Europese beschavingsgeschiedenis, maar kreeg er vooral een aantal principes mee, die hem zijn hele verdere leven zouden bijblijven: verdraagzaamheid op godsdienstig gebied, toegankelijkheid en het aankleven van de Duitse romantische vrijheidsidealen, onverholen liefde voor de moedertaal, liberalisme als levensbeschouwing, verering voor de Oranjes en een consequent nastreven van de eenheid der Nederlanden. Door zijn helder verstand, goed geheugen en taai doorzettingsvermogen was hij toen reeds boven zijn dorpsmilieu en een bescheiden – en in die tijd van kerkvervolging zeer precair geworden – kostersambt uitgegroeid.

In 1809 trok Willems als klerk van een notaire impérial naar Antwerpen en ontsnapte wellicht daardoor aan de steeds strenger om zich heen grijpende napoleontische conscriptie. Hij bleef er zes jaar, werd premier commis en bleef verder contact houden met de Bergmanns. Zijn werkgever moedigde hem aan in zijn studies en 'letteroefeningen': zo dichtte hij (voor echte en ingebeelde geliefden) romances en aubades, vertaalde en bewerkte klassieke en pre-romantische poëzie, raakte via het onderwijzersgenootschap Tot Nut der Jeugd (ontstaan in 1803) op de hoogte van taal-, school- en spelproblemen – tot 1836 zou hij de spelling van het genootschap, een soort compromis tussen de spelling-Jan des Roches en het Noordnederlandse stelsel-Siegenbeek gebruiken – , en maakte opnieuw kennis met het toneel, waar hij ook zelf ging optreden.

Meer indruk maakte het evenwel dat hij in 1811 een Geboortezang op de koning van Rome, Napoleons zoon, te Parijs publiceerde en in 1812 in de prijskamp van de rederijkerskamer De Fonteine te Gent de eerste prijs behaalde met de Hymne aan het Vaderland over den Veldslag van Friedland en de daeropvolgende Vrede van Tilsit.

Vooral de natuurlijkheid waarmede Willems zich hierin één voelde met keizer Napoleon en zijn rijk zouden hem na 1814 menige aanval opleveren. Hij verdedigde zich hiertegen reeds in De Puyn-hoopen rondom Antwerpen (1814) en meer nog in zijn scherp en principieel en ook vlot gesteld polemisch Antwoord aen E.H. Buelens (1821) door erop te wijzen, dat het hier een opgelegd onderwerp betrof en dat hij dan toch in volle Franse tijd het Nederlands had gebruikt, wat bewees dat hij wist welke de taal van zijn land was.

Elementen van taaltrots doken ook op in zijn Ode op de herstelling der Nederduytsche Tael door Willem I (1814), zijn Grafschrift op den Generael van Merlen (gesneuveld bij Waterloo in 1815) en vooral in zijn ode op de terugkeer van de door Frankrijk geroofde Rubens' Schilderstukken te Antwerpen (1815). De Vlaamse schildersschool kon als bekendste uiting van ons volkskarakter en onze kunstbedrijvigheid – ook in het buitenland – in aanzienlijke mate bijdragen tot een Vlaamse prestigepolitiek. Zo werd Willems bestuurslid van de tweetalige Antwerpse Société des Amis de l'Art en hield hij in dit kader redevoeringen over de Poëzy van den Dichter en den Schilder (1825). Zijn belangstelling voor het toneel, dat zeer slecht stond aangeschreven bij de geestelijkheid en bij de reeds genoemde priester Door Buelens, uitte zich over de grens van de Franse tijd heen tot in de Nederlandse tijd met het schrijven, regisseren en ten dele ook zelf acteren van eigen stukken als Den ryken Antwerpenaer (1815), De Tooneelliefhebbers (rond 1818) en Quinten Matsys, of wat doet de liefde niet (1816), waarin eveneens een opmerkelijke passus ter verdediging van het Nederlands taal- en volksbewustzijn voorkomt.

Bij de hereniging van de oude Nederlanden onder Willem I (1815), ging Willems een grote tijd tegemoet, waarin hij een aanzienlijke maatschappelijke opgang beleefde, een enorme en veelzijdige activiteit aan de dag legde, met hart en ziel zijn heel-Nederlands en monarchistisch ideaal beleefde, het langzame herstel van zijn taal als landstaal ervoer en de efficiënte en heilzame reorganisatie van het schoolwezen meemaakte. Met steun van de Bergmanns werd hij in 1816 klerk bij de ontvanger der registratie; in 1821 werd hij zelf ontvanger. Van 1815 af was hij ook hulparchivaris op het Antwerpse stadhuis. Sociaal gezien werd hij opgenomen in de kringen van de hogere burgerij door zijn huwelijk in 1818 met een gefortuneerde jonge weduwe, Isabella Carolina Borrekens, weduwe van P.J. Walravens.

Literair brak hij door in het Noorden met zijn gedicht Aen de Belgen – Aux Belges (1818). Tot het schrijven ervan was hij aangezet door de hatelijke bestrijding van het Nederlands bij een groep Brusselse advocaten in L'Observateur belge. Met veel nadruk, op historische gronden, gevoelsargumenten en politieke motieven, kwam hij erin op voor het doorzetten van het Nederlands als landstaal, bewees hij dat Noord en Zuid dezelfde taal en nationaal verleden hadden en pleitte hij voor trouw aan de vorst. Het gedicht, een monument in de geschiedenis der

V.B., sloeg in als een bom: Willems werd er op slag door bekend en gewaardeerd in het Noorden, en dit zowel in de literaire kringen (waar hij bevriend raakte met Willem Bilderdijk, Tollens, Immerzeel, Van der Palm, Siegenbeek, Wiselius, David J. van Lennep en vooral met Jeronimo de Vries) als in regeringskringen (bij Willem I en zijn ministers J.M. Kemper en Cornelis van Maanen). Ook de schaars overgebleven rederijkers en ambtenaren in het Zuiden (onder meer te Gent Johannes M. Schrant, Karel Vervier en Egidius N. Cornelissen) waardeerden hem. Door de rest van de openbare opinie, te Antwerpen vooral, en in de pers, werd hij voortaan bespot als le plat valet du pouvoir. Ook in zijn verdere polemieken bleek Willems vaak alleen op de bres te gaan staan en de aanvallen als het ware naar zich toe te trekken: in een polemiek met de priester Jan Thys (1821); zijn pennetwist met De Stassart (1829) en in zijn beroemde De la Langue Belgique. Lettre à M. Sylvain Van de Weyer (1829) werd Willems niet rechtstreeks gemoeid, maar kwam hij in jeugdige overmoed en uit eigen initiatief in het rumoer terecht.

Tot zijn bekendheid droeg ook in aanzienlijke mate zijn verheerlijking van het verleden en zijn strijd voor de verbreiding van het nationaal besef via de jaarlijks terugkerende almanakken en prijsvragen van Tot Nut der Jeugd bij: geleidelijk groeide zo (tussen 1815 en 1822 en in 1825) de kleine groep van jongeren die na 1830 mee de kern van de beweging zouden vormen, die in Nederlandse zin dachten en voelden en waarbij namen te noemen zijn als Jan-Baptist David, Frans H. Mertens, Prudens van Duyse, Karel L. Ledeganck, Constant P. Serrure, Frans Blieck, Karel Vervier, Frans Rens en Maria Doolaeghe. De medewerking van Noord-Nederlandse dichters dient te worden aangestipt, terwijl Willems steeds bereid was de afzet van Noord-Nederlandse boeken (met of zonder inschakeling van de zeer Fransgeoriënteerde boekhandel) te behartigen.

Deze loyauteit tegenover het Noorden zou Willems trouwens niet beletten een zelfstandig denkend en handelend Zuid-Nederlander te blijven. Reeds in zijn Verhandeling over de nederduytsche Taelen Letterkunde opzigtelyk de Zuydelyke Provintien der Nederlanden (verschenen in afleveringen tussen 1819 en 1824) demonstreerde hij aan het Noorden de zelfstandige en waardevolle bijdrage van het Zuiden aan de opbouw van de algemene taal en letterkunde. Van deze zelfstandigheid en van zijn wens het Zuiden een rechtmatig deel te zien bijdragen aan de Nederlandse taal getuigde ook zijn Over de Hollandsche en Vlaemsche Schryfwyzen van het Nederduytsch (1824), ook waar hij zich bewust was van de wenselijkheid om tot eenheid te komen. Deze eenheid kon echter, van Willems' standpunt uit, pas ontstaan door een intelligente en historisch verantwoorde toepassing van de spelling-Siegenbeek en niet door slaafse navolging van het Noorden. Deze zin voor zelfstandigheid en voor historische waarachtigheid zou hij trouwens ook demonstreren, toen hij in 1829 als een onderdeel van zijn essayistische Mengelingen van historisch-vaderlandschen inhoud (1827-1830; = 1836), eerst te Brussel, en daarna te Leiden en te Amsterdam, het Zuid-Nederlandse en katholieke standpunt ten aanzien van de scheuring der Verenigde Provinciën in de 16de eeuw ging verdedigen en de scheiding der Nederlanden na de Pacificatie van Gent weet aan de staten van Holland en Zeeland en aan de dubbelzinnige houding van Willem van Oranje. Dit stuk zou hij omwille van zijn controversieel karakter en om de beroering die het verwekte, op verzoek van zijn Noord-Nederlandse vrienden voorlopig niet publiceren en pas jaren later in zijn Mengelingen opnemen.

Geleidelijk echter zou Willems' geloof in de leefbaarheid van de Nederlanden en in het opbloeien van het Nederlands in het Zuiden verminderen. Willems ging zich steeds minder als publiek man, steeds meer als filoloog en kamergeleerde gedragen. Hij ging steeds verder op in het verleden en distantieerde zich van de actuele stromingen. Zijn gehechtheid aan de traditie blijkt bijvoorbeeld uit de waardevolle beschrijving die zijn jonge vriend Everhardus J. Potgieter ons van de Antwerpse Willems en zijn huiselijke kring heeft nagelaten: tussen de regels door laat hij merken, hoe wantrouwend Willems tegenover elk democratisch of nieuw (en in ons land was dit dus hoofdzakelijk Frans) idee stond en hoe hij als rasecht conservatief alleen de absolute monarchie erkende.

Van 1826 tot 1830 wijdde hij zich aan het verzamelen van spreekwoorden en Oude Vlaemsche Liederen (postuum verschenen 1848), aan het onderzoek van straat- en plaatsnamen, aan historische studies en aan het kopiëren en persklaar maken van oude Middelnederlandse teksten (als de Jan van Heelu), bestemd voor de in 1826 opgerichte Commissie tot uitgave van de oude vaderlandse kronijken of de reeks "Rerum Belgicarum Scriptores". Voorts leverde hij, sedert 1820 als corresponderend lid en sedert 1828 als gewoon lid van de Tweede Klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut te Amsterdam, geleerde bijdragen. De scheppende literator, de dichter en de essayist zwegen voortaan in Willems, en na een laatste hevige en principiële uitval over het Nederlands als landstaal tegen zijn medelid in de reeks van de "Rerum Belgicarum Scriptores", Sylvain van de Weyer, zweeg ook de polemist. In dit stuk verdedigde hij (vaak op zeer gevatte en humoristische wijze) het Nederlands als landstaal, en wel in die mate dat hij de volstrekte eenheid van staat en taal poneerde: een vorm van staatsnationalisme én van taalimperialisme waarbij de Nederlandstaligen als de echte Belgen werden gekarakteriseerd en de Walen zogezegd geen eigenlijke taal of natie kenden. Ze konden hun taal behouden, indien ze dat wensten, maar zouden zich beter zo snel mogelijk laten vernederlandsen: een stelling, waarvan Willems reeds het jaar daarna zou moeten terugkomen, wilde hij aan zijn actie en de latere V.B. de nodige legitimering verzekeren. In het komende België zou zijn theorie "één taal één staat" hem immers geen armslag voor Vlaamse actie meer geven. Daarom ging hij ook na 1835 zijn kijk op het nationalisme splitsen in een stam- of volksnationalisme (dat de Zuidnederlanders bij de Nederlanders, Nederduitsers en Germanen deed behoren) en een politiek of staatsnationalisme (dat ze tot Belgen maakte). Een weinig overtuigende, wellicht tactisch-handige, maar toch – gezien in het licht van zijn vroegere opvattingen – van weinig consequentie getuigende redenering.

Ontmoedigd door de intrekking van de taalbesluiten van de regering in 1830 en door het Monsterverbond dat de Belgische liberalen en katholieken gesloten hebben, besloot hij "zich wel te wachten van my nog met tael en verbroedering der Nederlanders in te laten".

Het eredoctoraat, dat de Rijksuniversiteit te Leuven hem in de zomer van 1830 toekende, vermocht hem niet te troosten; van augustus 1830 af werd hij geconfronteerd met de opstandige bewegingen in het Zuiden, die geleidelijk het karakter van een onafhankelijkheidsstrijd kregen en te Antwerpen in oktober hun hoogtepunt beleefden. Willems, die met hart en ziel heel-Nederlander was en de gang van zaken niet kon goedkeuren, die bezorgd was voor leven, have en goed van de zijnen, die vele van zijn oude vrienden zag uitwijken naar het Noorden, verkoos dit niet te doen. Hij was al te zeer Zuid-Nederlander, te zeer gehecht aan zijn stad, huis- en werkkring, te wantrouwig ook tegenover de politiek van een prins van Oranje, die zich aanvankelijk leek te solidariseren met de Brusselse opstandelingen, en te verbaasd over het aarzelend optreden van koning en leger, om Antwerpen te verlaten. Dit werd in het Noorden niet gewaardeerd en werd hem, vooral in regeringskringen, als een zekere dubbelzinnigheid aangerekend. De weerslag hiervan bleef bij vele Noord-Nederlandse correspondenten tot zijn dood toe naklinken.

Reeds in januari 1831 werd Willems door de Belgische overheid als ontvanger der registratie verplaatst naar Eeklo, weliswaar met behoud van rang, maar aangezien de inkomsten van een ontvanger afhankelijk waren van zijn ontvangsten en het kantoor van Eeklo slechts een vierde van het Antwerpse opleverde, kan men op de vingers natellen, hoe zwaar de straf wel was en hoezeer Eeklo Willems en zijn vrouw voorkwam als een Patmos, als "eene allerellendigste plaets". Hierbij dient de steeds terugkerende gesel der kindersterfte gevoegd (van zijn tien kinderen mocht Willems er uiteindelijk slechts drie behouden), de zwaarmoedigheid van zijn echtgenote, de ontworteling van de vroeger maatschappelijk en cultureel zeer bedrijvige Willems, die nu, van zijn bibliotheek en zijn contacten beroofd, pas na maanden van ontreddering toch weer aan het werk ging, Grieks studeerde, Bilderdijk las, de ontmoedigde Ledeganck opnieuw tot literair werk aanspoorde en tal van Middelnederlandse handschriften – onder meer het Van Hulthemhandschrift, met onze abele spelen – kopieerde. Die rijke oogst zou hij jaren later in zijn Belgisch Museum publiceren. Verder gaf hij, zonder in gezelschap luidruchtig als orangist op te treden, toch telkens waar het pas gaf (ook in een audiëntie bij de minister!) blijk van zijn onvoorwaardelijke trouw aan zijn vorst Willem I. Had hij tijdens de revolutiemaanden van 1830 reeds een fabel, La séparation des rats et des souris, in de pers geplaatst, in 1831 en 1832 gaf hij clandestiene Voorzeggingen van de Heylige Hildegarde omtrent de Belgische omwenteling, waarbij hij onder het mom van een Middelnederlandse tekst het eind van het nieuwe rijk tegen 1835 voorspelde. Zijn hoop op herstel van het Nederlands gezag en zijn verlangen naar terugkeer in zijn oude positie liepen parallel. Wat hem toen voor ogen zweefde, was de mogelijkheid om het Vlaamse landsgedeelte, dat maar in zeer beperkte mate had deelgenomen aan de revolutie, bij Nederland te zien terugkeren en aldus een grote eentalige, eendrachtige en machtige staat te vormen. Van 1833-1834 af werd het echter duidelijk dat de positie van België zich consolideerde en dat het Noorden het Zuiden als een verliespost had afgeschreven en dat ook de koning niet verder wenste aan te dringen.

Realist als hij was, aanvaardde Willems in 1834, na lange aarzeling en consultatie van zijn Amsterdamse vriend De Vries, een opdracht van de Belgische regering om in de jury van een dichtwedstrijd ter herdenking van 's lands onafhankelijkheid zitting te nemen. Een gang naar Canossa, die noodzakelijk bleek om in ere te worden hersteld, maar die Willems wist te compenseren door er Ledegancks gedicht, waarin nauwelijks sprake was van het nieuwe rijk en dat evengoed als een verheerlijking van de historische Nederlanden gelezen kon worden, voor het patriottischer en "geseptembriseerder" stuk van Blieck te doen bekronen! Zijn rehabilitatie volgde prompt: hij werd nog in 1834 in de nieuwopgerichte Commission royale d'histoire opgenomen en kon er zijn reeds jaren klaargemaakte tekstuitgave van de Rymkronyk van Jan van Heelu publiceren; in 1835 volgde zijn vestiging als ontvanger der registratie te Gent en zijn opneming in de Académie royale de Belgique, waar hij weldra als dé gezaghebbende vertegenwoordiger van de Vlaamse literatuur gold, zoals dit trouwens met de jaren ook tegenover de vorst, de regering, het parlement en het bestuur zou gaan gelden. Hij werd steeds meer een officieel man, een lid van commissies, jury's en genootschappen, de natuurlijke leider en voorzitter, een man met wie men rekening moest houden, die door zijn rust, zijn autoriteit, zijn houding en zijn kennis van zaken een steun voor de jongeren werd, en een bescheiden maar principieel tegenwicht vormde tegen de opslorpings- en verfransingstendensen van een integraal-Frans geleide staat. Revolutionair was hij niet; zijn loyauteit tegenover de staat stond vast – zijn devies werd thans het aan Jan B. Verlooy ontleende "Myn land is my niet te klein". Maar in die staat en binnen de wettelijkheid wenste hij praktisch werk te leveren ten bate van de Nederlandse taal en cultuur door de publikatie van Middelnederlandse werken in een flamingantisch-propagandistisch perspectief, door het regelen van de spelling, door het steunen en oprichten van literaire genootschappen en door het stimuleren van behoorlijk onderwijs en eenvoudige lectuurvoorzieningen voor het volk. Met andere woorden, zoals hij tegenover het staatsgezag het Vlaamse volk vertegenwoordigde, vertegenwoordigde hij tegenover het volk de legitimiteit, wat door opstandiger en rumoeriger jongeren niet steeds werd toegejuicht en hem wel eens het verwijt opleverde op te gaan in officiële functies en de beweging te gebruiken tot eigen voordeel.

Met recht had hij in zijn voorrede van Reinaert de Vos (1834) zijn landgenoten verweten hun moedertaal onvoldoende te hebben beoefend; in 1835 riep hij de "goedgezinden" op tot nieuwe arbeid en nieuwe strijd: "Laet u door noodlottige tyden en franschkweelende landgenooten niet afschrikken. De tyd nadert waerop onze vlaemsche nationaliteit met meer levendigheid het hoofd gaet opbeuren. Weldra zal ik de gronden leggen tot een verbond van weldenkende vaderlanders." Dit verbond zou de V.B. worden: voorlopig nog een kleine kring, waarvan de kern was overgekomen uit de Nederlandse tijd, en die aangevuld werd met jongeren als Philip M. Blommaert, Jules de Saint-Genois des Mottes, Ferdinand A. Snellaert en Jan B. Courtmans te Gent, en te Antwerpen met de rumoeriger en romantischer, met de artistieker groep rondom Hendrik Conscience, Jan J. de Laet, Jan Cornelis van Ryswyck, Pieter F. van Kerckhoven, Michiel van der Voort en anderen.

Als filoloog leverde Willems baanbrekend werk door het uitgeven in zijn Belgisch Museum van tal van oude literaire en ambtelijke teksten (1837-1846) en door cultuurpolitieke en taalkundige principeverklaringen.

Voor de definitieve regeling van de spelling verwierf hij zich met zijn trouwe vriend Jan-Baptist David grote verdienste door het doordrukken van een zogenaamde Commissiespelling, die – indien ze al niet samenviel met de Noord-Nederlandse – toch een grote stap in die richting en voor de noodzakelijke eenheid betekende: het Taelcongres (1841) en Het Taelverbond (1844) betekenden hier de mijlpalen en de stimulans voor de activiteiten in de toekomst.

Tot het – voor driekwart nog analfabetische – volk poogde Willems door te dringen door een verbetering van opvoeding en onderwijs – onder meer door de regeling van de spelling, door het bevorderen van de benoeming van degelijke inspecteurs, als bijvoorbeeld Ledeganck en Rens, en door de verbetering van de opleiding van de onderwijzers, een werk van lange adem dat slechts geleidelijk, mede door het oprichten te Gent van provinciale normaalleergangen en later van normaalscholen vlot raakte. Hij stichtte met Snellaert een soort goedkope volksbibliotheek, zowel bestemd voor lezing als voor voorlezing, waarin de oude verhalen opnieuw werden gedrukt en verspreid. Vooral echter rekende Willems op de weldoende invloed van het Vlaams toneel, dat meer dan welk ander middel ook in staat werd geacht de analfabetische massa te bereiken. Vandaar zijn belangstelling voor de oude en na 1835 geleidelijk opnieuw werkzame rederijkerskamers (De Fonteine te Gent,) en voor nieuwe toneelgroepen (Broedermin en Taelyver), die nieuwe impulsen brachten voor het vaderlands toneel door het vertonen van stukken uit onze eigen geschiedenis en het oprichten van de eerste vaste schouwburg, de Minardschouwburg. Zijn aanstelling tot voorzitter van de grote toneelwedstrijd van 1841 zou de aloude Gentse Fonteine (ontstaan in 1448) er in 1842 toe bewegen Willems tot hoofdman te kiezen. Hij oefende in deze functie een diepgaande invloed uit op het spelpeil, het beschaven van de uitspraak en tot op zekere hoogte – naast Hippoliet van Peene, Karel Ondereet en Prudens van Duyse – op het bevorderen van een eigen Vlaams toneelrepertorium. Ook het stimuleren van de zang – individueel en in koorvorm – behoorde tot zijn doelstellingen: hiermee hoopte hij het volk, de jeugd, de moeders te bereiken. Hij gaf zelf het voorbeeld door op de recepties, bij hem aan huis op de Zandberg (van 1839 af) gehouden, begeleid door piano of viool, alleen of samen met zijn begaafde dochter Pauline, Vlaamse liederen ten gehore te brengen.

Toch richtte het gros van zijn inspanningen zich hoofdzakelijk op de bewustmaking en de volksverbondenheid van de Vlaamse intellectuelen uit de hogere en lagere burgerij, diegenen van wie uiteindelijk het initiatief moest komen tot een nieuwe bloei van onze literatuur taal en historische studies. Vandaar het wel naar het volk gerichte en voor het volk bestemde verdedigen van de taal en de cultuur, waarbij echter de taakverdeling en de uitvoering voorlopig noodgedwongen voorbehouden bleven aan de kleine kern van intellectuelen, notabelen, schrijvers en kunstenaars, gegroepeerd in kringen als de Maetschappy tot bevordering der Nederduitsche Tael- en Letterkunde met kernspreuk De Tael is gan(t)sch het Volk (Gent), De Olijftak (Antwerpen), De Wijngaerd (Brussel), Met Tijd en Vlijt (Leuven) en vele andere kringen meer.

Wat hierbij dient te worden aangestipt, is de liefde, de verering, de aanhankelijkheid van de Gentse jongeren – vooral van Snellaert, Blommaert, Van Duyse, Rens en Ledeganck – en de afwijzende houding van de Antwerpse groep, die ideologisch eerder op een Belgisch dan op een Nederlands standpunt stond, minder filologisch en studieus gestemd was, minder de charme van het dagelijks contact met Willems ervoer en hem daardoor vrij despotisch, autoritair, pedant en geleerd vond, een tegenstelling die naargelang van de omstandigheden op- en onderduikt in de correspondentie tussen de Gentse en de Antwerpse groep en met name uitvoerig aan de orde is tussen Snellaert, De Laet en Conscience. Hierbij speelde beslist ook Willems' voorzichtige houding tegenover de politiek mee: in het eerste Vlaams petitionnement van 1840, georganiseerd door Snellaert en Blommaert, speelde Willems ten hoogste in de achterhoede mee en ook in zijn levensbeschouwing was hij, hoewel een sterke en principiële persoonlijkheid, beslist te burgerlijk en te anti-romantisch om integraal in de smaak van de creatieve jongere romantische literatoren te vallen.

Tot het buitenland ten slotte drong hij door met zijn Belgisch Museum en zijn Reinaert-studie. Zowel de contacten die de latere V.B. met Nederland als met Duitsland zou gaan onderhouden, vonden hier hun oorsprong.

Zo was en bleef Willems de spil van de betrekkingen tussen Noord en Zuid en met het als stamverwant gevoelde Duitsland, de coördinator van alle ruimere Vlaamse initiatieven en vrijwel de enige volwaardig geachte tegenspeler van de Franstalige en officiële geleerdenwereld.

Jammer genoeg ging zijn gezondheidstoestand sedert 1842 steeds meer achteruit. Toch kwam het eind nog vrij onverwacht: na een discussie op het Gentse stadhuis in 1846 over een toneelopvoering van De Fonteine werd hij door een beroerte getroffen en overleed enkele uren later.

Op slag zweeg voor een tijd alle verdeeldheid en controverse bij de nog kleine schaar Vlaamsgezinden, die scherp aanvoelden hoe de jonge beweging in hem een leider had verloren en een man die in moeilijke omstandigheden de te volgen koers had aangegeven en met vaste hand had uitgezet. Door zijn volgelingen en medestanders werd hij niet ten onrechte de "vader van de Vlaamse Beweging" genoemd, omdat, in tegenstelling tot alleenstaande en niet tot de publieke opinie doordringende betogen van laat- 18de-eeuwers als Willem F. Verhoeven (1780) en Jan B. Verlooy (1788), van Willems' optreden af de V.B. een doorlopende strijd werd van een volk in een vervreemdend en taalvijandig staatsapparaat, op zoek naar een eigen gelaat met eigen taal, literatuur en cultuur.

Willems' visie en optreden leidde de beweging gedurende de hele 19de eeuw in voor de staat en de maatschappijstructuur ongevaarlijke culturele banen, en hield ze, aanvankelijk tot het eerste Vlaams petitionnement (1840) en feitelijk tot lang na zijn overlijden (1846), buiten de politiek.

Werken

met A. Hoffmann von Fallersleben, Elnonensia. Monuments des langues romane et tudesque dans le IXe siècle, 1837; 
Van den Derden Edewaert door Jan de Klerk, 1840; 
Brabantsche Yeesten door Jan de Klerk, 1839-1843; 
Pasquin, doctor en astrologant, 1844; 
Eerste bliscap van Maria, 1845; 
Nalatenschap van J.F. Willems. Dicht- en Tooneelstukken. Met inl., Bydr. en aenteek. van P. van Duyse, 1856; 
Keus uit de dicht- en prozawerken van J.F. Willems, verzameld door M. Rooses, 1873; 
Brieven: M. Rooses, Brieven van J.F. Willems aan Jer. de Vries, K.A. Vervier, E.J. Potgieter, F.H. Mertens, J.B. David enz., 1874; 
J. Bols, Brieven aan J.F. Willems toegelicht, 1909; 
W. de Vreese, Briefwisseling van J.F. Willems en Jacob Grimm, 1926; 
M. de Vroede, Willems, Potgieter en de Gids, 1952; 
A. Deprez, Briefwisseling van J.F. Willems en Hoffmann von Fallersleben, 1963; 
id., Brieven van, aan en over J.F. Willems, 1965-.

Literatuur

Lykkrans voor J.F. Willems, 1846; 
Levenschets by het afbeeldsel van J.F. Willems, 1846; 
De Reiffenberg, Notice sur M. Willems, 1846; 
Ch. Nys, Lettre à Monsieur le baron de Reiffenberg, 1946; 
J. de Saint-Genois, Notice nécrologique, 1847; 
F.A. Snellaert, Korte levensschets, 1847; 
P. de Decker, Notice sur J.-F. Willems, 1847; 
Gedenkzuil aen J.F. Willems toegewyd, 1848; 
P. Visschers, Geslacht-boom van J.F. Willems, 1858; 
J.F.J. Heremans, J.-F. Willems herdacht, 1871; 
M. Rooses, Levensschets van J.F. Willems, 1874; 
J. Vuylsteke, Willems en het Willemsfonds, 1878; 
G. Bergmann, Mijne herinneringen aan J.F. Willems, 1891; 
G. Segers, J.F. Willems, 1893; 
P. Anri, J.F. Willems en het Willems-fonds, 1893; 
K. Angermille, Eene levensschets van J.F. Willems den "Vader der Vlaamse Beweging", 1916; 
J. Hoetmann, J.F. Willems der Vater der flämischen Bewegung, 1918; 
B. Nieuwenhuis, J.F. Willems. Een bijdrage tot de ideologie der Vlaamsche Beweging, 1937; 
A. de Poortere, J. van den Broeck en P. de Vroede, J.F. Willems. De Vader der Vlaamsche Beweging. 1793-1846. Studies over zijn leven en werk, 1944; 
J.F.M.P. Willems, Was J.F. Willems christen?, 1944; 
J. van Mierlo, J.F. Willems 1793-1846, 1946; 
J. Crick, J.F. Willems. Zijn volledig levensbeeld, 1946; 
W. van Eeghem, J.F. Willems en W. Bilderdijk, 1946; 
J.F. Willems herdenking 1846-1946, 1946; 
G. Schmook, Fragment uit "Kleine Studie" n.a.v. J.F. Willems' honderste sterfdag. Genesis van het Petitionnement van 1840-1841, 1946; 
id., De afstamming van J.F. Willems, 1946; 
id., Hertoetst karakterbeeld van J.F. Willems, 1947; 
A. van Elslander, J.F. Willems (1793-1846) voorzitter van de Fonteine (1842-1846), 1948; 
A. Deprez, Rondom Willems' bekroning door de "Fonteine" in 1812, 1964; 
id., J.F. Willems 1793-1846, 19662; 
id., J.F. Willems. Een bijdrage tot zijn biografie tot 1824, 1965; 
id., J.F. Willems en Ferdinand August Snellaert. Een vriendschap 1836-1846, 1972; 
M. de Smedt, De literair-historische activiteit van J.F. Willems en F.A. Snellaert, 1984; 
id., 'J.F. Willems', in NBW, XI, 1985; 
M. de Smedt en A. Deprez, 'Drie nieuwe brieven van J.F. Willems aan Jacob Grimm', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1990); 
Jan Frans Willems, 1993; 
'Colloquium J.F. Willems 1793-1993', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1995); 
De tijdschriften van 1815 tot 1833 (Bibliografie van de Vlaamse tijdschriften, nr. 31, 1996).

Verwijzingen

zie: volkskunde.

Auteur(s)

Ada Deprez