Willem van Oranje

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Dillenburg 25 april 1533 – Delft 10 juli 1584).

Was stadhouder van Holland, Utrecht en Zeeland, leider en later verworden tot symbool van de opstand tegen Spanje. Alvorens het beeld te schetsen dat in kringen van de V.B. over Oranje is ontstaan, is het wenselijk een korte beschrijving te geven van de historiografie in voorgaande eeuwen. Niet altijd is Willem van Oranje vereerd als symbool van de opstand tegen Spanje en voor de eenheid van de Nederlanden, zoals dat in de kringen van de V.B. vaak gedaan is.

Tot in de 19de eeuw is Willem van Oranje veeleer beschouwd als een historische figuur. Door zowel orangistisch- als anti-orangistischgezinden werd zijn persoon aangewend voor discussie (orangisme). Dit geschiedde onder meer tijdens de Tachtigjarige Oorlog en tijdens de partijtwisten gedurende de 17de en 18de eeuw. Tot een uitgebalanceerd oordeel over Oranjes leven en functioneren is het toen niet gekomen. Na 1830 ontstond er zowel in Nederland als in België een geïsoleerde geschiedschrijving over Willem van Oranje en ontstond omtrent zijn persoon mythevorming. Het nationalisme van die periode was hieraan debet.

In Nederland ontwikkelde zich een calvinistische geschiedschrijving, die leidde tot een specifiek klein-Nederlandse benadering. In eerste instantie werd de opstand gezien als een geloofsopstand en vervolgens pas als een vrijheidsstrijd. De rol van de prins als verdediger van de protestantse godsdienst voerde aldus de boventoon. Katholieke kringen plaatsten aanvankelijk een negatief beeld over Oranje als uitvloeisel van hun emancipatiestreven. In liberale kringen ten slotte maakte men aan het einde van de 19de eeuw er aanspraak op erfgenaam te zijn van de verdraagzaamheid en van de vrijheidsidee, die juist de grondslagen geweest zouden zijn voor de Republiek der Verenigde Provinciën.

In België zagen de liberalen Oranje en de Geuzen als voorlopers van de liberale strijd tegen klerikalisme en voor de gewetens- en godsdienstvrijheid. Dit laatste hadden zij zodoende gemeen met hun Nederlandse geestverwanten. In tegenstelling echter met Nederland was de Heel-Nederlandse traditie in België al heel vroeg ingezet. Zo'n vroeg voorbeeld was de Franstalige orangist L.P. Gachard, die in 1831 de eerste Algemeen Rijksarchivaris van België werd. Doch ook in de liberale flamingantische kringen was het vizier gericht op de oude eenheid van de 17 gewesten. Bij de herdenking van de Pacificatie van Gent in 1876 zag Paul Fredericq Oranje als strijder tegen Spanje en de geloofsdwang. Na drie eeuwen was volgens hem de plicht daar om "de eendracht van alle ware vaderlanders van Holland en België op het gebied der staatkundige en gewetensvrijheid luidde te bevestigen". Evenals de katholieken in Nederland plaatsten de katholieken in België Oranje in een overwegend negatief kader.

De kweekvijver, waarin de beeldvorming over Willem van Oranje in de V.B. kon ontstaan, werd gevormd door de vrijzinnige liberale milieus. Als uitvloeisel van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd begon tijdens de laatste jaren van de 19de eeuw het contact tussen Nederlanders en voornamelijk liberale flaminganten wat aan te trekken, een voorbode van de elitaire Groot-Nederlandse Beweging, welke in het interbellum zijn hoogtepunt kende. Deze beweging kende toen echter pas aanhang in alle levensbeschouwelijke zuilen. De persoon van Willem van Oranje werd een lichtend symbool voor een Groot- Nederland. Het anti-belgicisme, dat door de radicalisering binnen de V.B. tijdens de jaren 1920 de kop ging opsteken, heeft de idee van een Groot-Nederland, waar Oranje pal voor zou hebben gestaan, enkel maar versterkt.

De algemene herdenking van de vierhonderste geboortedag van Willem van Oranje in 1933 betekende een uitlaatklep voor de mythevorming, die binnen de V.B. over hem was ontstaan.

Van officiële zijde werd de herdenking van Oranjes geboortedag groots aangepakt. Er werd een herdenkingscomité in het leven geroepen, dat onder meer tot taak had feestelijkheden te organiseren en huldeblijken tot stand te brengen. Aan de gereformeerde historicus A. van Schelven werd opdracht gegeven een biografie over de prins te schrijven. Saillant detail is dat Van Schelven Groot-Nederlands georiënteerd was en zelfs hoofdbestuurslid was van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV). Zodoende komt het weinig vreemd voor dat in zijn boek, Willem van Oranje, een boek ter gedachtenis van idealen en teleurstellingen, het Heel-Nederlands bewustzijn van Oranje duidelijk tot uiting kwam. Als gevolg van het feit dat zijn boek door officiële zijde was besteld nam de vraag naar de godsdienstpolitiek van Willem van Oranje er de belangrijkste plaats in. De officiële Oranje-mythe werd in 1933 vertolkt door de Nederlandse minister-president Colijn, volgens welke de prins werd voorgesteld als toonbeeld voor de parlementaire democratie, als voorman van de nationale Nederlandse onafhankelijkheid en van de godsdienstige verdraagzaamheid. Deze beeldvorming draagt duidelijk de sporen van een tijd, waarin deze begrippen niet vanzelfsprekend zouden blijven.

Binnen de V.B. werd tegelijkertijd eveneens actie ondernomen om de prins op luisterrijke wijze te herdenken. In februari 1933 werd in Amsterdam de Wilhelmus van Nassouwe-commissie ingesteld, bedoeld als tegenwicht aan de officiële herdenkingsplechtigheden. De commissie bestond uit afgevaardigden van het ANV, het Dietsch Studentenverbond (DSV) en het Nationaal Jongerenverbond. Het DSV wenste in Willem van Oranje een medestander avant la lettre te zien van zijn Groot-Nederlandse opvattingen. Ook het ANV zag Oranje aan de basis staan van een Groot-Nederlands verleden, welk denkbeeld door onder meer de ANV-afdeling Amsterdam werd vertolkt, die zijn 5de economisch-historische leergang geheel aan Willem van Oranje wijdde. In februari en maart organiseerde het DSV, met het ANV en het Nationaal Jongerenverbond, in alle universiteitssteden zogenaamde Wilhelmus van Nassouwedagen. Ook gaf het DSV een gedenkboek uit, Wilhelmus van Nassouwe, onder redactie van Pieter Geyl. Bij de openbare herdenkingen werd een toneelstuk van de Vlaamse auteur Paul de Mont opgevoerd, hetgeen irritatie opriep bij anti-Groot-Nederlanders. Dat belette de organisatoren echter niet op de ingeslagen weg voort te gaan. Op de officiële herdenkingsmanifestatie op 17 april klonken, hoewel in bedekte termen, onmiskenbaar Groot-Nederlandse geluiden. De prins was verworden tot een Groot-Nederlandse mythe.

Een mythe was hij echter ook voor antidemocratische stromingen, die sinds enkele jaren terrein gingen winnen en ook binnen de V.B. geen onbekende meer waren. Het katholieke maandblad Roeping drong in deze jaren aan op een vernieuwing van het staatsbestel in antidemocratische zin, op een autoritair staatsgezag. Een Groot-Nederlandse staat diende hiervoor het kader te vormen. Zijn hoofdredacteur, Gerard Knuvelder, verhief in zijn artikel Oranje als mythe de prins als nationale figuur, als symbool van de Nederlandse eenheid. Dat hiermee een Groot-Nederlandse eenheid, gebaseerd op een antidemocratisch ideaal werd bedoeld, mag duidelijk zijn.

Over het algemeen werd in nationaal-socialistische kringen Willem van Oranje gezien als de grote leider. Dietse nationaal-socialisten benadrukten vooral het politieke eenheidsstreven van de prins. Een van de eerste werkjes in dit verband geschreven was het anonieme Willem van Oranje. Vele zouden volgen. Het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) startte in de late jaren 1930 met de uitgave van een reeks Dietsche Groten. De inhoud bevatte weinig nieuws, de verkondigde antidemocratische grondtoon was tekenend voor een nieuwe mythe over Willem van Oranje, die door deze stroming tot in de Tweede Wereldoorlog levendig werd gehouden.

Pas na de oorlog ontstond er een werkelijke historische bestudering van Willem van Oranje. Het boek van Berkelbach van der Sprenkel uit 1946, Oranje en de vestiging van de Nederlandse staat, maakte voor het eerst onderscheid tussen de historische figuur van Willem van Oranje en de mythologische. Bij de laatste Oranje-herdenking in 1984 kon geconstateerd worden dat de mythe nagenoeg verdwenen was.

Literatuur

A. Loosjes, 'De volkshulde te Delft', in De Dietsche Gedachte, nr. 7 (1932-1933), p. 153-155; 
G.K. Knuvelder, 'Oranje als mythe', in Roeping, jg. 2 (1932-1933), p. 329-332; 
P. Geyl (red.), Wilhelmus van Nassouwe, 1933; 
A.A. van Schelven, Willem van Oranje. Een boek ter gedachtenis van idealen en teleurstellingen, 1933; 
J.W. Berkelbach van der Sprenkel, Oranje en de vestiging van de Nederlandse Staat, 1946; 
I. Schöffer, Het nationaal-socialistische beeld van de geschiedenis der Nederlanden. Een historiografische en bibliografische studie, 19782; 
E.O.G. Haitsma Mulier en A.E.M. Janssen (red.), Willem van Oranje in de historie 1584-1984. Vier eeuwen beeldvorming en geschiedschrijving, 1984; 
'Willem van Oranje', in Utrechtse Historische Cahiers, nr. 2-3 (1984); 
A.Th. van Deursen en H. de Schepper, Willem van Oranje, een strijd voor vrijheid en verdraagzaamheid, 1984.

Auteur(s)

Frank van Berne; Hugo de Schepper