Wetenschappelijke Tijdingen

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Tegen het einde van de 19de eeuw won onder flaminganten de gedachte veld dat de Vlaamse ontvoogding geen kans maakte zonder de uitbouw van een Nederlandstalige wetenschapsbeoefening in Vlaanderen. Het academisch leven in Vlaanderen was vrijwel volledig Franstalig. Onder impuls van Jozef Goossenaerts werd in 1935 de Vereniging voor Wetenschap opgericht. Frans Daels was de eerste voorzitter van de Raad van Beheer en Goossenaerts afgevaardigd-beheerder en redactiesecretaris.

Tot de aanpassing van de statuten in 1980 bleef het doel van de nieuwe vereniging de promotie en verspreiding van Nederlandstalige wetenschappelijke arbeid, in eerste instantie van Vlamingen (augustus-september 1935). Ter ondersteuning van dit opzet besloot ze tot de oprichting van een pluralistisch tijdschrift, Wetenschap in Vlaanderen.

Het blad, dat vanaf augustus-september 1935 maandelijks of tweemaandelijks verscheen, dekte een breed gamma van onderzoeksdomeinen, zowel natuurwetenschappelijke als menswetenschappelijke, met ruime aandacht voor de aankondiging van congressen en publicaties. Tot 1980-1981 stond de invulling van het blad in een Diets, volksnationalistisch perspectief. Binnen dat kader richtte ze zich in de eerste plaats op het wegwerken van de Nederlandstalige wetenschappelijke achterstand in België. Tijdens de vooroorlog liep in dat verband de aandrang waarmee in het blad werd gepleit voor de oprichting van Vlaamsche Academiën sterk in de kijker. De redactie verwachtte van de toekomstige leden niet alleen een hoog wetenschappelijk gehalte, maar ook een vlaamsgezind engagement (oktober 1936). Met de regelmaat van een klok berichtte ze tijdens de jaren 1930 over de bevoordeliging van Franstalige onderzoeks- en onderwijsinstellingen. In contrast daartoe pakte ze graag uit met voorbeelden ten bewijze van de Vlaamse wetenschappelijke waarde. Corneel Heymans, overigens lid van de Vereniging, spande in dat verband de kroon, vooral nadat hij in 1938 de Nobelprijs voor Geneeskunde ontving. Vanuit haar Dietse ambitie en om elke 'klein Vlaamse' connotatie te vermijden, wijzigde de redactie vanaf januari 1940 Wetenschap in Vlaanderen in Wetenschappelijke Tijdingen. Meteen werd ook de aanpassing van de statuten van de Vereniging in Groot-Nederlandse zin voorzien. Ingevolge de oorlogssituatie zou de aanhaling van de banden met Nederland op een mislukking uitlopen.

Na de laatste vooroorlogse editie van het blad in april 1940, verscheen het ingevolge de Duitse bezetting pas terug in november 1940. Reeds in het eerste bezettingsnummer werd gehamerd op de continuïteit van het blad. Associaties met de Nieuwe Orde werden zoveel mogelijk vermeden, hoewel ze niet geheel ontbraken. Ondanks de papierschaarste kon het blad, dank zij de bereidwillige verstrekking van papier door de uitgeverij Vonksteen, nog verschijnen tot en met mei 1944.

Na de oorlog liepen meerdere leden van de Vereniging voor Wetenschap, waaronder Goossenaerts zelf, veroordelingen op. Hierdoor slaagde Goossenaerts er pas begin 1950 in Wetenschappelijke Tijdingen te hervatten. Hij sloot onmiddellijk weer aan bij de vooroorlogse traditie, een lijn waarvan tot 1980-1981 niet zou worden afgeweken. Na zijn dood (6 december 1963) nam de frequentie van het tijdschrift af: sinds jaargang 25 (1966) verscheen het blad tweemaandelijks, vanaf jaargang (1973) en (1977) vijfmaal respectievelijk viermaal per jaar. Goossenaerts werd na een publikatiepauze van januari tot oktober 1964 als redactiesecretaris opgevolgd door Michel Hanot, die einde 1967 terugtrad voor Gilbert de Smet. Het was onder invloed van De Smet, die na de dood van Amaat Dumon (1 maart 1978) en Jozef Duverger (2 augustus 1979) tevens voorzitter en afgevaardigd beheerder van de Vereniging voor Wetenschap werd, dat er zich een breuk voordeed. Tot dan bleef de teneur ervan nog een drietal decennia dezelfde. Het leidmotief van bij de nieuwe start in 1950 was hetzelfde als dat in 1935, met name de volksontwikkeling. Zoals voor de oorlog telde het blad twee luiken: een deel met originele artikels en een deel met documentatie en korte berichten. De invoering van een afzonderlijke rubriek "Exacte wetenschappen", die vooral vanaf 1961 sterk werd ontwikkeld, nam niet weg dat het accent bleef liggen in de geesteswetenschappelijke sfeer, met opvallend veel filologische bijdragen. Goossenaerts besefte terdege dat er zich op wetenschappelijk vlak een internationaliserings- en specialiseringsproces voltrok. Juist daarom schaarde hij zich met des te meer vuur achter een 'nationale wetenschap', met als aandachtspunten de filologie, de geschiedenis en het volksleven.

Net als tijdens de vooroorlog benadrukte Goossenaerts het opnieuw organiseren van Wetenschappelijke Congressen. De Congressen kwamen evenwel slechts moeizaam van grond en bereikten niet hun vooroorlogse impact. Nochtans greep Goossenaerts allerlei gelegenheden, zoals bekroningen, overlijdens en herdenkingen, te baat om tot engagement aan te zetten. Het redactioneel engagement blijkt uit de wijze waarop het Vlaams en Nederlands verleden in het blad werden gecultiveerd, ook het recente verleden. De betekenis van de gelaakte collaboratie werd gerelativeerd via suggestieve bijdragen over collaboratie in de periode rond de Franse Revolutie.

Typerend voor het tijdschrift in deze 'voorkritische periode' zijn de veelvuldige referenties aan een 'groots verleden', waarbij dankbaar werd teruggegrepen naar de Guldensporenslag als een "schitterende overwinning (...) (die) onze Dietsche beschaving voor eeuwen heeft gered". Tot de Dietsers of Groot-Nederlanders rekende de redactie niet enkel de inwoners van het huidige Vlaanderen en Nederland, maar ook de "stamgenoten" die elders een "min of meer kompakte groep" uitmaakten (januari 1952). De taal achtte ze daarbij van secundair belang. Het Grootneerlandisme van de redactie had een etnische basis, die ze terugvoerde op de Franken (mei 1955). In het verlengde van haar Grootnederlandse opvattingen kan de irredentistische taal van Vital Celen ten aanzien van Frans-Vlaanderen, "door en door Diets", gezien worden. Corneel Heymans riep de studenten op een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van een natiebesef in Benelux-verband. Wat de Vlamingen, Nederlanders en a fortiori de Luxemburgers, Walen en Frans-Vlamingen hierover dachten, was blijkbaar zijn zorg niet. Dit is kenmerkend voor de ideeën van Goossenaerts, Heymans en hun geestesgenoten: nergens getuigen ze van enige kritische zin omtrent het democratische draagvlak van hun Groot-Nederlands project. Ook na Goossenaerts' overlijden bleef de redactie hopen dat Frans-Vlaanderen zou worden vernederlandst (mei 1963). Vanuit het Groot-Nederlands perspectief werd tevens gepleit voor een strak houden van de banden met de Afrikaners. Dit kreeg vooral zijn neerslag in de rubriek "Zuid-Afrika". Het Groot-Nederlandse standpunt werd in een nog ruimer perspectief geplaatst door de sterke aandacht voor het Nederduits – vooral in de rubriek "Duitse kroniek". Het bindend element van deze entiteiten was het 'volkswezen' dat luidens meerdere bijdragen geacht werd doordrenkt te zijn van spiritualiteit en mystiek (zie bijvoorbeeld november 1951). Ter promotie van de Noord-Zuid toenadering werden Nederlandse prestaties positief in de verf gezet. Uit de rubrieken waarin allerlei nieuwtjes uit binnen- en buitenland werden opgenomen blijkt dan weer een vooringenomenheid ten aanzien van de Verenigde Staten en nog meer van Frankrijk. Vanuit haar Grootnederlands standpunt en haar streven naar taalhomogeniteit schaarde de redactie van het blad zich achter het gebruik van het Algemeen Beschaafd Nederlands in het onderwijs. Met onder meer G. Geerts nam het stelling tegen Vlaamse particularisten zoals R. Emmermann. Van bij de nieuwe start ijverde het blad weerom voor de verdere vernederlandsing van het hoger onderwijs in Vlaanderen en stelde, net als tijdens de jaren 1930, de achteruitstelling van het Nederlandstalige onderzoek aan de kaak. Het blad vertolkte voorts alle belangrijke Vlaamsgezinde eisen: de vastlegging van de taalgrens, 'Leuven Vlaams'. De Franstalige opmars in het Brusselse werd na de afwikkeling van de Leuvense kwestie het voornaamste politieke strijdpunt van de redactie. Eenmaal de staatshervorming op gang gebracht, verzette ze zich tegen de erkenning van Brussel als een aan Vlaanderen en Wallonië gelijkwaardige entiteit binnen België en ijverde ze verder voor het behoud van het Nederlandstalig element te Brussel.

Met politieke stellingnamen werd gebroken tijdens 1980-1981, zonder meer een keerpunt in de opvatting achter Wetenschappelijke Tijdingen. Onder impuls van de tevens voorzitter en afgevaardigd beheerder geworden De Smet besloot de Vereniging voor Wetenschap begin 1980, na het overlijden van Amaat Dumon (1 maart 1978) en Jozef Duverger (2 augustus 1979), het blad tijdens een overgangsperiode van een jaar om te vormen tot een uitsluitend wetenschappelijk tijdschrift voor de studie van de geschiedenis van de V.B. (januari-februari-maart 1980). Sinds 1959 waren er in toenemende mate geschiedwetenschappelijke bijdragen over de V.B. opgenomen. Thans kreeg het blad de aanvullende ondertitel "op het gebied van de geschiedenis van de Vlaamse Beweging" gespeld. De Smet motiveerde de stap onder meer vanuit de onvolkomen kennis van jongeren omtrent de geschiedenis van de V.B. en de Vlaamse gemeenschap. Om tegemoet te komen aan de eisen van een wetenschappelijke geschiedschrijving werd een nieuwe, pluralistisch samengestelde, redactie gevormd bestaande uit historici en taalkundigen gespecialiseerd in de geschiedenis van de V.B. en de Nederlandstalige cultuur. De vroegere redactie werd omgedoopt in een Comité van aanbeveling, dat met enkele persoonlijkheden zou worden aangevuld (januari-februari-maart 1981). Vanaf het eerste nummer van 1982 verscheen het tijdschrift in een kleiner, handiger formaat. Vanaf jaargang 1994 nam Frans-Jos Verdoodt als redactiesecretaris de fakkel over van De Smet. Het tijdschrift, dat voortaan kon bogen op het gastheerschap van het Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme (Antwerpen).

Verwijzingen

zie: Herman van den Reeck.

Auteur(s)

Guy Leemans