Wannyn, Jan B.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Gent 28 november 1867 – Rotterdam 26 september 1949).

Was reeds op 18-jarige leeftijd onderwijzer en werd daarna regent en leraar aan de Gentse Nijverheidsschool. Wannyn had ook een eigen Handels- en Taalinstituut, de English Club in de Savaanstraat; de gebouwen waren eigendom van zijn echtgenote, Valentine E. Stevens.

In 1888 was Wannyn medestichter van het Taalverbond.Hij leverde wel eens bijdragen voor het Gentse socialistische dagblad Vooruit maar hoorde toch voornamelijk thuis in liberaal-flamingantische kringen. Hij was een vooraanstaand lid van de Gentse Snellaertkring.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog trad Wannyn na korte tijd toe tot de Jong-Vlaamsche Beweging en profileerde zich als zeer actief propagandist en agitator. Hij was een begaafd volksredenaar en voerde het woord op talrijke meetings. Dat deed hij ook, samen met onder meer René de Clercq en Richard de Cneudt op de meeting in de Alhambra in Brussel op 11 november 1917, waar de Belgische regering van Le Havre vervallen werd verklaard. Wannyns agitatie concentreerde zich sterk rond de uitbouw van zijn eigen machtspositie. De uitgave van zijn Gents strijdblad De Vlaamsche Smeder (vanaf april 1918) ondersteunde zijn streven. Hij stichtte ook een Nationalistische Bond die, onder zijn persoonlijke leiding, in juni 1918 meer dan 4000 leden telde. Een groot deel daarvan werd aangelokt door zijn omvangrijk dienstbetoon. De opbouw van die machtspositie in het Gentse activisme – die mede tot doel had zoveel mogelijk subsidies naar hem toe te draineren – lokte bittere reacties uit en hij kwam in botsing met vele andere activisten. Een belangrijke groep van zijn tegenstanders zou zich groeperen in de Vlaamsch-Nationale Partij.

Na de Duitse nederlaag week Wannyn met zijn gezin uit naar Nederland. Hij werd bij verstek ter dood veroordeeld. De goederen van het gezin werden verbeurd verklaard als gevolg van het financiële gewin dat hij boekte als activist. In Nederland was Wannyn eerst correspondent bij een scheepswerf te Millingen (Nijmegen), daarna leraar Franse, Duitse en Engelse handelscorrespondentie aan het Pontinstituut te Rotterdam. Daar was hij medestichter van de kring Flandria (28 augustus 1920) tot onderlinge steun aan uitgeweken activisten. Van Nederland uit financierde hij mede de oprichting van het radicale Vlaams-nationale strijdblad De Noorderklok. Te Aken werd op 13 september 1931 op zijn initiatief een vergadering van oud-activisten belegd om een nieuwe actie voor amnestie te stimuleren. Daar stak hij de komende jaren veel energie in. Wannyn wilde een volkomen rehabilitatie en vergoeding van alle geleden materiële verliezen. Hij zou zich ook laten gebruiken door Vlaamse nationaal-socialisten als Paul Vrijdaghs en Ward Hermans bij pogingen om de leider van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) Staf de Clercq opzij te schuiven. In radicale anti-Belgische kringen kon hij nog lange tijd op sympathie rekenen. Het gedicht Gent droeg R. de Clercq in zijn Noodhoorn op aan Wannyn. En Lieven Duvosel bedacht hem met zijn strijdlied De Vlaamsche Smeder.

Wannyn was de vader van Jan-Pieter (Gent 2 juni 1908), die in 1937 te Leiden en in 1938 voor de Centrale Examencommissie te Brussel zijn geneeskundediploma behaalde en daarna gemeenteraadslid, schepen en burgemeester van Nevele en Volksunie-volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Gent-Eeklo werd (tot 1974).

Literatuur

A.L. Faingnaert, Verraad of zelfverdediging?, 1933; 
M. van de Velde, Geschiedenis van de Jong Vlaamsche Beweging, 1941; 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994.

Auteur(s)

Albert Goovaerts; Luc Vandeweyer