Walschap, baron Gerard

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Londerzeel 9 juli 1898 – Antwerpen 25 oktober 1989).

Volgde middelbaar onderwijs te Hoogstraten en te Asse. Walschap werd na een afgebroken studie voor priester bij de missionarissen van het Heilig Hart te Leuven, redactiesecretaris van Het Vlaamsche Land (1923-1926); medestichter en redactiesecretaris van Hooger Leven; lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (1935); rijksinspecteur van de openbare bibliotheken (1940-1963). Hij was tevens van 1924 tot en met 1938 redacteur van Dietsche Warande en Belfort, medestichter en redacteur van het opgesplitste Forum (1933-1935), redacteur van De Vrije Bladen (1932) en van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (1945- 1983). Lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde sinds 1939, erelid sinds 1970. Walschap verwierf talrijke literaire prijzen, waaronder de vijfjaarlijkse Staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan (1965) en de Prijs der Nederlandse Letteren (1968; Algemene Conferentie der Nederlandse Letteren). Hij werd in de jaren 1970 tweemaal voorgedragen als kandidaat voor de Nobelprijs, werd in 1975 in de adelstand verheven (baron) en kreeg in 1987 een eredoctoraat van de Vrije Universiteit Brussel. Tussen 1988 en 1993 verscheen zijn Verzameld Werk in zes delen.

Walschap kwam tot Vlaams bewustzijn en ontwikkelde zijn artistieke belangstelling in de katholieke Vlaamse studentenbeweging aan het Klein Seminarie van Hoogstraten en in de studentenbond te Londerzeel, die was aangesloten bij het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond. In Salut en Merci (1955) schrijft hij over deze eerste flamingantische bezieling, die sterk van de katholieke idealen was doortrokken. Ook in zijn laatste, autobiografisch geïnspireerde roman, De heilige Jan Mus (1979), komt dit engagement in de Londerzeelse studentenbond aan bod. De Vlaamsgezinde priester-dichter Jan Hammenecker stimuleerde Walschap verder in zijn jeugdjaren. Na het afbreken van zijn studie voor priester werd hij in 1923 redactiesecretaris van het weekblad Het Vlaamsche Land te Antwerpen. Het blad werd vanwege zijn groeiende Vlaams- nationalistische tendens herhaaldelijk veroordeeld door bisschoppen en andere kerkelijke gezagdragers (onder meer door de jezuïetenorde). In 1926 vaardigde het bisdom Mechelen voor alle priesters een verbod uit op abonnering op het Het Vlaamsche Land, waardoor het blad ten dode was opgeschreven. In deze strijd situeert Walschap de oorsprong van zijn antiklerikalisme (Vaarwel dan, 1940 en De heilige Jan Mus). Inmiddels had hij reeds in 1926 in de rubriek "Op den Uitkijk" het plan voor een nieuw, algemeen- cultureel en apolitiek Vlaams weekblad geschetst. Dit plan boeide pater Paul Valvekens, met wie hij in 1927 te Averbode het weekblad Hooger Leven stichtte. Dit vormde toen aanleiding voor enkele Vlaams-nationalisten om het weekblad Jong Dietschland te stichten. Van bij hun ontstaan stonden beide weekbladen op gespannen voet en in Hooger Leven verzette Walschap zich herhaaldelijk tegen het in Jong Dietschland bedreven "Vlaamsch verpolitieken onzer literatuur".

Het verdere literaire werk en de polemische actie van Walschap bewegen zich veeleer op louter literair en algemeen-cultureel vlak. In Voorpostgevechten (1943), een bloemlezing waarin hij de sfeer en positie van zijn literaire generatie schetst, stelt hij bepaalde bekrompen aspecten van het literaire flamingantisme, romantisme en regionalisme aan de kaak. In het essay Salut en Merci (1955), dat psychologisch begrepen moet worden als een radicale uitbarsting van cultuur- en levensmoeheid, moeten ook het leeuwenspeldje, het IJzerkruis en andere Vlaams-katholieke symbolen het ontgelden. Hij verwijt de Vlaamse ontvoogdingsstrijd kortzichtigheid, zelfoverschatting en "provincialistische dweepzucht". In Muziek voor twee stemmen (1963), een bij pozen agressief pleidooi voor tolerantie tussen vrijzinnigen en christenen, valt Walschap de macht aan van het "klerikalisme" in de Vlaamse politiek en cultuur. In het midden van de jaren 1970 schaart hij zich nog een keer openbaar bij de verdedigers van het Nederlands, toen hij in het kader van een discussie over de negentien randgemeenten van Brussel samen met een aantal andere vooraanstaande Vlaamse auteurs een verklaring ondertekent over de onaantastbaarheid van de taalgrens.

Aanvankelijk is in Walschaps kunst- en levensvisie het Vlaamse ideaal onlosmakelijk met het katholieke verbonden en vanuit een humanitair-expressionistische inspiratie werpt hij zich op als verdediger van gemeenschapskunst. Hij bepleit in opgemerkte artikelen als "Franciscus en de jongeren" (Dietsche Warande en Belfort, 1926), een katholiek Vlaams renouveau. In Uitingen in de moderne wereldletterkunde (1930) licht hij uitvoerig een van de centrale componenten van zijn gedachtegoed toe: de idee van "gemeenschapskunst" als tegenreactie tegen de vooroorlogse "woordkunst", die zich volgens hem te ver had verwijderd van maatschappelijke, menselijke en morele problemen. Anders dan de radicale verdedigers van Vlaamse en volksverbonden kunst, zoals Wies Moens of de redacteurs van het tijdschrift Volk (Dirk Vansina, Ferdinand Vercnocke, Karel Vertommen) interpreteert Walschap 'met het volk verbonden kunst' als de uitdrukking van de expressionistische pacifistische broederschapsidealen, maar nu vooral gerealiseerd in het proza. Na zijn geloofsafval, die hij na 1940 openlijk uitspreekt, blijft hij hartstochtelijk zijn visie op de romankunst als gemeenschapskunst verdedigen, maar deze is nu gefundeerd op een niet-katholieke, humanistische basis: als kunst ter morele verheffing van het volk, waarin waarden als verdraagzaamheid en wederzijds respect centraal staan.

Werken

Waldo, 1928; 
Adelaïde, 1929; 
Volk, 1930; 
De dood in het dorp, 1930; 
Nooit meer oorlog, 1931; 
Eric, 1931; 
Carla, 1933; 
Trouwen, 1933; 
Celibaat, 1934; 
De vierde koning, 1935; 
Een mensch van goeden wil, 1936; 
Sibylle, 1938; 
Het kind, 1939; 
Houtekiet, 1939; 
Bejegening van Christus, 1940; 
Vaarwel dan, 1940; 
Denise, 1942; 
Voorpostgevechten, 1943; 
Zwart en wit, 1948; 
Moeder, 1950; 
Zuster Virgilia, 1951; 
Oproer in Congo, 1953; 
Salut en merci, 1955; 
De Française, 1957; 
De verloren zoon, 1958; 
August van Cauwelaert (Monografieën over Vlaamse Letterkunde, nr. 11, 1959); 
De ongelooflijke avonturen van Tilman Armenaas, 1960; 
Muziek voor twee stemmen: of, Wereld en geloof; een ontwerp van stilzwijgende overeenkomst tussen wetenschap en religie, 1963; 
Alter ego, 1964; 
Het gastmaal, 1966; 
Julien Kuypers (Monografieën over Vlaamse Letterkunde, nr. 37, 1967); 
Het avondmaal, 1968; 
De culturele repressie, 1969; 
Het Oramproject, 1975; 
De heilige Jan Mus, 1979; 
Autobiografie van mijn vader, 1989; 
Verzameld Werk, 6 dln., 1988-1993.

Literatuur

J. de Ceulaer, 'Gerard Walschap', in Te gast bij Vlaamse auteurs, eerste reeks, z.j., p. 81-92; 
J. Eeckhout, 'Gerard Walschap', in Literaire profielen, VIII-X-XI, 1939-1941-1942; 
K. Elebaers, De romankunst van Gerard Walschap, 1942; 
B.-F. van Vlierden, Gerard Walschap (Ontmoetingen, nr. 8, 1958); 
J.C. Brandt Corstius, Gerard Walschap (Monografieën over Vlaamse letterkunde, nr. 19, 1960); 
Dossier Walschap, 1966; - - A. Westerlinck, Gesprekken met Walschap, 2 dln., 1969- 1970; 
H. van Assche en R. Baeyens, Bibliografie van en over Gerard Walschap, 1974; 
F. de Boeck, Gerard Walschap langs Londerzeelse wegen, 1983; 
C. Walschap en V. Daelman, Album Gerard Walschap, 1986; 
J. Borré, Gerard Walschap, 1987; 
K. Wauters, Het 'geval Walschap', een analyse van de beslissende fase: het debat over de katholieke roman (1934), 1989; 
M. Wildiers, Denkend aan Walschap, 1990; 
J. Borré, Gerard Walschap, rebel en missionaris, 1990; 
J. Spanhove, De jonge Walschap, 1990; 
R. Aerts, Enkele kanttekeningen bij de geschiedenis van de Vlaamse Beweging en het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentengild van Londerzeel en omstreken "Vlaamsche Harten Vlaamsche Tongen", 1996.

Verwijzingen

zie: Cyriel de Baere.

Auteur(s)

Lut Missinne