Waalse Beweging

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Alvorens de historische evolutie van de Waalse Beweging te schetsen, verdient dit begrip enige toelichting. Wat betekende het een Waals militant te zijn? Vanaf wanneer kon men spreken van een 'beweging' en wat hield die term in? Deze vragen beantwoorden is niet eenvoudig.

De Waalse militant van 1890 had weinig te maken met die van het einde van deze 20ste eeuw. Wat meer is, gisteren evenmin als vandaag bestaat er een 'standaard' Waalse militant, representatief voor alle strekkingen. Op het einde van de 19de eeuw had de Waalse Beweging een essentieel Franstalig karakter, precies omdat de voornaamste dimensie van haar strijd van taalkundige aard was. Het zou trouwens nauwkeuriger zijn de beweging als 'francofoon' in plaats van als 'Waals' te betitelen. Het gaat om twee onderscheiden begrippen, voor zover het waar is dat de Franstaligen sprekers van de Franse taal zijn, zonder noodzakelijk Walen te zijn. Welnu, de strijd van de prille Waalse Beweging werd duidelijk gedragen door Walen, die aan het einde van de 19de eeuw zowel in Vlaanderen, Wallonië als Brussel konden wonen. Toch was de Waalse militant in absolute termen gesproken geen Franstalige Vlaming. In Vlaanderen zijn Waalse verenigingen ontstaan, maar zij groepeerden Walen die er zich voornamelijk vanwege beroepsredenen gevestigd hadden. Ook in Brussel gaat het in hoofdzaak om militanten van Waalse oorsprong die vaak banden hadden bewaard met hun geboortestreek. De bedreigingen van tweetaligheid en het monopolieverlies van de Franse taal deden zich het eerst in Vlaanderen voelen en vervolgens in Brussel, wat ons het verbazingwekkende beeld geeft van een Waalse Beweging die in Vlaanderen geboren is. Als men het belang van het linguïstische criterium in overweging neemt, hoeft dit geen verwondering te wekken.

Wat het bestaan van een Waalse 'Beweging' betreft is het gebruikelijk haar ontstaan te situeren aan het einde van de 19de eeuw. Bij nader toezien past het evenwel deze bewering enigszins te nuanceren. Eind 19de eeuw zien we inderdaad de opkomst van verscheidene verenigingen waarvan het eerste doel het verdedigen van de Franse taal is. Bovendien ontstond door de herontdekking van plaatselijke tradities een Waalse 'gevoeligheid'. Deze twee strekkingen ontmoetten elkaar op de eerste Waalse congressen, maar hun doelstellingen liepen uiteen: enerzijds ging het om een strikt politieke strijd, het behoud van de suprematie van de Franse taal, anderzijds om een culturele strijd, de verdediging van een Waals patrimonium.

Het organiseren van congressen vooronderstelt het bestaan van een meer ontwikkelde structuur. Kon er derhalve reeds sprake zijn van een 'beweging', met de organisatorische dimensie die deze term veronderstelt? De vraag moet worden gesteld, temeer daar de Waalse Beweging later de amateuristische kant van die eerste bijeenkomsten zal verwerpen en ze niet echt zal opeisen. In feite bediende men zich van het begrip 'beweging' naar analogie van de Vlaamse Beweging, en vanaf het einde van de 19de eeuw werd de term dus metterdaad door de acteurs zelf gebruikt.

In de loop van de decennia gaat de Waalse Beweging deze strikt taalkundige dimensie overstijgen. De goedkeuring van de taalwetten van 1932 betekende een breuk en verleende de Waalse Beweging een dimensie die zich strikter op Wallonië concentreerde, zelfs indien geografisch de breuk niet duidelijk afgelijnd was. Brussel vormde een andere zone met eigen belangen en taalconflicten. De Waalse militanten van Brussel zouden er lang over doen om deze verandering aan te voelen. De francofone beweging, die in de jaren 1930 aarzelend aan de dag trad, zag daarentegen al van bij het begin dat de strijd van de Waalse Beweging haar vreemd was. Franstalige en Waalse militanten die naar Brussel geëmigreerd waren verenigden zich om strategische redenen en militeerden verder met onderscheiden oogmerken: taalkundige vrijheid voor de francofonen, federalisme en/of taalkundige homogeniteit voor de Walen. Vanaf de jaren 1960 nam de afstand tussen beide groepen duidelijk vorm aan. Vanuit sociologisch oogpunt bleef de Waalse en/of Franstalige militant in het Brussel van de jaren 1960 evenwel lijken op zijn voorgangers: zoals zij was hij vaak actief in de tertiaire sector en beschouwde hij de taal als een essentieel element in zijn sociale klim naar de top. Op hetzelfde moment ging de Waalse Beweging in Wallonië zich identificeren met de Waalse arbeidersklasse, die streed voor de industriële overleving van haar streek.

Vandaag toont de expliciete afwijzing van de structuren van de Franse gemeenschap door de Waalse Beweging duidelijk, dat eenheid van taal tussen Walen en Franstaligen niet langer volstaat als cement om een gemeenschappelijke strijd te voeden.

De Waalse Beweging ontstond op het einde van de 19de eeuw en is essentieel voortgekomen uit een Belgische Franstalige stroming die zich vastberaden verzette tegen de opkomst van een V.B. Haar eerste politieke successen waren voor de Waalse Beweging evenzovele bedreigingen voor de Franstalige integriteit van de Belgische staat zoals die in 1830 is ontworpen. De goedkeuring van de eerste taalwetten in het laatste kwart van de 19de eeuw bracht de oprichting van de eerste Waalse liga's mee, eerst in Brussel en in Vlaanderen, vervolgens in Wallonië. Deze liga's verenigden voornamelijk militanten voor wie de Franse taal zowel in Vlaanderen als in Brussel bij uitstek een middel tot sociale promotie en professionele legitimiteit was, en groepeerde dus in wezen de vertegenwoordigers van de tertiaire sector, ambtenaren, journalisten, bedienden en de vrije beroepen.

Uit deze versnipperde initiatieven zouden de eerste vier Waalse congressen worden georganiseerd, waar men zowel de meer 'politiek' georiënteerde militanten als de verdedigers van de Waalse cultuur vond. Men trof er Waalse militanten uit Brussel en Wallonië aan, alsook militanten uit Vlaanderen. Onder de mensen afkomstig uit Wallonië vond men het grootste deel culturele militanten. Het meest virulente antiflamingantisme kwam uit Brussel, waar de notabelen gehecht waren aan België en zijn Franstalige integriteit. Deze vier congressen leverden geen enkel concreet resultaat op. Het Congres van Mons (1893) was het laatste in deze reeks en markeerde het einde van de eerste etappe. De antiflamingantistische stroming heeft haar limieten getoond. Zoals Jules Destrée geschreven heeft: On veut résister aux 'exagérations' tracassières qui se sont manifestées et qui inquiètent les wallons. Mais il semble que l'on ait quelque peine à définir ces exagérations. De beweging was op zoek naar zichzelf en werd bezield door puur defensieve reflexen. Wat de eerste congresgangers verenigde was hun antiflamingantisme. Onmachtig een gevechtsstrategie te bepalen kwam het laatste congres van 1893 ertoe een grotere kennis van het 'Vlaams' te promoten. De concrete situatie van Wallonië kwam niet ter sprake. Op het congres was slechts een beperkt aantal militanten aanwezig. Volgens de bronnen en afhankelijk van de congressen schommelde hun aantal tussen 40 en 200. De economische problemen maakten geen deel uit van de aandachtspunten van de congresgangers, die bovendien weigerden de geringste politieke overweging te uiten, zelfs al was het duidelijk dat de meerderheid tot de liberale wereld behoorde.

Maar de Waalse Beweging was niet enkel een politieke beweging. Zij dompelde haar wortels in een Europese stroom van herontdekking van de dialecten, de rijkdom van de streektaal en het lokale patrimonium. Zij voedde zich met dit culturele regionalisme dat sedert het midden van de 19de eeuw zeer in zwang was. Zeker, de twee stromingen dekten elkaar niet helemaal. Men kan zelfs stellen dat de belangstelling voor de dialecten vroeger aanwezig was dan de meer politieke interesse. Zo zag de Société liégeoise de Littérature wallonne het licht in 1856. Bepaalde militanten die belang hechtten aan de verdediging van de dialecten maakten er een erezaak van zich niet met politiek in te laten. Andere politieke militanten daarentegen bleven onverschillig tegenover deze zoektocht naar de eigen identiteit. Toch was het duidelijk dat deze twee stromingen onlosmakelijk verbonden waren: de herwaardering van het Waals erfgoed heeft het bewustzijn versterkt. Op zijn beurt werd het antiflamingantistische discours dat exclusief gebaseerd was op een verdedigingsprincipe langzamerhand gevoed door een culturele bagage die in haar formulering positiever was. De Ligue wallonne van Luik is een treffend voorbeeld van dit dubbele engagement. Deze liga, opgericht in 1897, maakte van het gevecht tegen de Gelijkheidswet (1898) een van haar essentiële strijdpunten. Tegelijkertijd vulden artikels in L'Ame wallonne over de (her)ontdekking van het Waalse patrimonium talrijke kolommen. Deze gehechtheid aan de streek, aan de lokale en regionale rijkdommen kan worden samengevat in de geliefde formulering van François Bovesse ter verdediging van het 'kleine vaderland', voedingsbodem van de Waalse identiteit, bindmiddel tot een gehechtheid aan het grote vaderland, België. De gehechtheid aan het erfgoed van het dialect veronderstelde geenszins een wil om het Waals door het Frans te vervangen. Het Frans bleef het gemeenschappelijke bindmiddel en was de enig wenselijke taal voor Wallonië. Alhoewel de Frans-Waalse tweetaligheid en zelfs in bepaalde gevallen de Waalse eentaligheid aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog zeer zeker verspreid waren, dan nog werd de algemene verbreiding van de Franse taal aanbevolen. Zij werd beschouwd als een integrerend deel van het Waalse patrimonium, zelfs als zij enigszins doorging voor een geïmporteerde taal. De inzet van de strijd voor de Franse taal was eveneens politiek: het Frans werd beschouwd als de taal van de Belgische Revolutie, tegen de taalkundige projecten van de Nederlandse koning Willem I. Zij moest voortaan het cement zijn van een Belgische natie waarvan de Waalse militanten het bestaan niet betwijfelden. Door het willen opleggen van het 'Vlaams' deed de V.B. aan antipatriottisme, terwijl de Walen door afstand te doen van hun dialecten het bewijs leverden van een hoge mate aan burgerzin. Deze houding werd dus geenszins beschouwd als een verarming van de Waalse identiteit, al werd de kennis van de Waalse streektalen aangemoedigd, als erfgoed dat moest worden bewaard voor wat het vertegenwoordigde aan filologische en culturele rijkdom. De Romaanse dialecten en de Franse taal werden dus niet in een concurrentiepositie geplaatst. Voor sommigen ten slotte lag het eventuele verdwijnen van de Waalse dialecten – hoe betreurenswaardig ook – in de lijn van een onomkeerbare beweging van het verdwijnen van secundaire talen en dialecten, waaronder welteverstaan ook het 'Vlaams' figureerde. Ongeluk dient tot iets! De eerste Waalse militanten legden dan ook de nadruk op het gebruik van het Frans, zelfs in Nederlandse diplomatieke en hofkringen. Tegelijkertijd werd het Nederlands beschouwd als een vreemde taal – die van de vijand van 1830 – die evenals de Vlaamse dialecten niet in staat was tot het tonen van om het even welke taalkundige eenheid.

Vanaf het ontstaan van de Waalse Beweging werd de aandacht gevestigd op de belangstelling voor de geschiedenis. Reeds voor de "Lettre au Roi" van Destrée hekelde de Ligue wallonne van Luik de 'kolonisatie' van Waalse kunstenaars, die in musea en in kunstwerken zo gemakkelijk als Vlamingen werden bestempeld. Deze bekommernis om de heropeising van het Waalse erfgoed en de erkenning ervan in de geschiedenishandboeken maar ook in het bewustzijn vormde een van de permanente strijdpunten van de Waalse Beweging; een convergentiepunt tussen taalkundige, culturele en politieke verenigingen.

"Arm Vlaanderen"

Van bij het begin was de houding van de Waalse Beweging tegenover Vlaanderen en de V.B. doortrokken van ambiguïteit. De eerste successen van de V.B. werden natuurlijk bekritiseerd en in zekere mate versterkt: het ging om de vrijwaring van de Franstalige integriteit van de Belgische staat, zelfs om zijn integriteit als dusdanig. De apostels van de Vlaamse zaak werden beschouwd als slippendragers voor Nederland, de nationale vijand sedert 1830, maar ook van 'Germania', een veroveringsmacht die Frankrijk in 1870 vernederd had. Vanaf dan was het aanklagen van dit pan-Germanisme-flamingantisme een bijkomende mobiliserende factor voor de woordvoerders van de Waalse Beweging. Maar parallel daarmee werden de Vlamingen beschreven als slachtoffers: beroofd van hun emancipatie-instrument, de Franse taal, zaten zij in feite gevangen in een eeuwenoud obscurantisme, jaloers bewaakt door een geestelijkheid die bezorgd was om het behoud van haar macht en die de Vlaamse bevolking wilde beschermen tegen het emancipatorische discours van de Franse Revolutie. Deze armoede van Vlaanderen was trouwens niet strikt beperkt tot het culturele veld. In de ogen van de Waalse Beweging betekende het willen 'vervlaamsen' van Vlaanderen in deze optiek in feite het voor altijd afsluiten van de weg van de emancipatie. Tussen misprijzen en mededogen was de te volgen weg bezaaid met voetangels en klemmen, in die mate dat tot in de jaren 1930 de Waalse Beweging geconfronteerd werd met het lot van de Franstalige Vlamingen. Ze slaagde er slechts laat in deze thematiek te verlaten. Gedurende lange tijd bleef de Waalse Beweging steken in onbegrip ten opzichte van de aard van de V.B. Maar daarin stond zij niet alleenl; deze houding werd ruimschoots gedeeld door het Franstalige Belgische establishment dat ook vond dat het 'Vlaams' geen taal was.

Oorspronkelijk geleid door de Waalse liga's van Brussel, verplaatste het leiderschap zich geleidelijk naar Luik, la Cité ardente. In 1905 kende een Waals congres er een opkomst zonder voorgaande: industriëlen en mensen uit de politieke wereld waren er bijzonder goed vertegenwoordigd. Er moet worden gezegd dat niets zich daartegen verzette: het congres werd inderdaad georganiseerd onder auspiciën van de Belgische regering ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling. Dit congres bevond zich op de kruising tussen een heftig anti-Vlaamse Franstalige beweging en een Waalse Beweging op zoek naar een eigen identiteit. Deze zoektocht leverde meeslepende pleidooien op voor een waardering van de Waalse geschiedenis en het cultureel patrimonium; een zoektocht – geheel in de tijdgeest – naar etnische en morfologische eigenheden van de Walen. Kortom, het ging erom zowel de Waalse ziel als de geschiedenis van de Waalse provincies, al te zeer verwaarloosd ten voordele van een Belgische geschiedschrijving, op te bouwen en te verheerlijken. Henri Pirenne, de officiële vertegenwoordiger van de Belgische geschiedschrijving was aanwezig op het congres en zou trouwens levendig worden gecontesteerd omwille van zijn onophoudelijke verheerlijking van het graafschap Vlaanderen, dat werd voorgesteld als een miniatuurmodel voor het toekomstige België.

Het dominante en katholieke Vlaanderen

Het jaar 1912 vormde een belangrijk baken in de historische evolutie van de Waalse Beweging. Na een nieuwe overwinning van de katholieken in de wetgevende verkiezingen van 1912 bleven liberalen en socialisten in de oppositie zitten. In Wallonië werd deze overwinning geanalyseerd in Noord-Zuidtermen: het numeriek dominante, katholieke Noorden legde zijn politieke keuzen op aan het Zuiden, getalsmatig in de minderheid en antiklerikaal, zonder aanwijsbare hoop voor deze laatsten om deel te nemen aan het bestuur van de staat. Dit perspectief van de minorisering van de politieke machten die in Wallonië in de meerderheid zijn, liberalen en socialisten, lag aan de basis van diverse eisen die gingen van autonomie naar federalisme, via het – nog onduidelijke – concept van bestuurlijke scheiding. De electorale hervormingen van 1894, samen met de politieke opkomst van het socialisme, versterkten ook het gewicht van de katholieke partij die in de Vlaamse provincies praktisch alle politieke macht naar zich toetrok.

In die context verscheen in augustus 1912 in La Revue de Belgique de sindsdien beroemde "Lettre au Roi" van Jules Destrée. Uit de lezing ervan kunnen we ons een duidelijk beeld vormen van de Waalse grieven. Destrée formuleerde reeds dan zijn misprijzen voor Brussel en de Brusselaars, een agglomérat de métis (een opeenhoping van halfbloeden). Dit standpunt, waaraan hij bleef vasthouden, gaf aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog duidelijk de anti-Brusselse dimensie van de Waalse Beweging weer. In een argumentatie van acht punten klaagde Destrée eveneens aan wat hij als Vlaams imperialisme bestempelde. De lectuur kan evenwel bepaalde argumenten als Waals imperialisme onthullen, maar dat zou ongetwijfeld betekenen dat men vergat dat de Waalse strijd onafscheidelijk bleef van het eentalige Franstalige België van 1830. Zo stelde Destrée de greep van de Vlamingen op Vlaanderen aan de kaak: Certes, c'était leur bien. Mais c'était aussi un peu le nôtre. In de stroom van grieven over het Waalse verleden, reeds geformuleerd op het congres van 1905, wees Destrée op de afwezigheid van de waardering van het verleden van Wallonië en zijn kunstenaars. Deze laatsten werden onterecht bestempeld als 'Vlaamse primitieven'. Naast de culturele dimensie kwamen de economische belangen aan de oppervlakte: de Walen zagen de toegang tot overheidsbetrekkingen ontzegd omdat ze geen Nederlands kenden. Dit was een impliciete referentie aan het milieu van de Franstalige ambtenaren, als eersten opgeschrikt door de bedreigingen van de eerste taalwetten. Destrée hekelde eveneens de ongelijke verdeling van de overheidssubsidies die in zijn ogen te exclusief in Vlaanderen werden geïnvesteerd. Voorts klaagde hij het antimilitarisme van Vlaanderen aan, wat voor een socialist toch wel verwonderlijk was.

Door de demografische evolutie van het land werd de Waalse Beweging zich na de verkiezingsnederlaag van de socialisten en liberalen in 1912 bewust van de dreiging van een progressieve minorisering van Wallonië. De invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen na de oorlog zou enkel deze bedreiging bevestigen, zelfs indien dit binnen de leiding van de Waalse Beweging nooit aanleiding heeft gegeven tot het in vraag stellen van het politieke democratiseringsproces. De nederlaag van 1912 bracht de meerderheid van de Waalse Beweging tot het opeisen van de bestuurlijke scheiding. Aan die eis werd evenwel geen concrete betekenis gegeven, of om Destrée te citeren op het congres van 1912: Qu'est-ce que la séparation? On serait fort embarrassé de le préciser actuellement. Het principe bleef echter dode letter. Ten eerste genoot het maar een zwakke concrete steun, ook in de schoot van de politieke Waalse klasse. Maar vooral bleef het sacrosancte principe van de taalsolidariteit met de Franstaligen van het hele land te sterk om daarvan te kunnen afwijken, al was het maar in termen van het stellen van eisen. In dezelfde crisiscontext voor de linkerzijde zag de Assemblée wallonne in oktober 1912 het licht. Als een soort Waals parlement stelde zij zich ten doel alle Waalse parlementariërs evenals tien afgevaardigden van het arrondissement Brussel te verenigen. In totaal waren er 109 deelnemers, maar de katholieken schitterden door hun afwezigheid. Tegenover het radicalisme van de eerste debatten stond al snel het kleurloze profiel van La Défense wallonne, het orgaan van de Assemblée, en de onbekwaamheid de principes van de bestuurlijke scheiding concreet te formuleren. Vanaf dan verschanste de Assemblée wallonne zich achter vage formules émet le voeu de voir la Wallonnie séparée de la Flandre en vue de l'extension de son indépendance vis-à-vis du pouvoir central et la libre expression de son activité propre; désigne aux fins d'étudier la question une commission, à raison d'un membre par quarante mille habitants.

Een tweetalig Vlaanderen en een eentalig Wallonië

De impact van de Eerste Wereldoorlog had zeer zware consequenties: elke federalistische formule werd door de Assemblée wallonne onveranderlijk veroordeeld en quasi gelijkgesteld met de Duitse bezettingspolitiek. Vanaf dan nam de Assemblée in zijn programma het principe van de vote bilatéral op. De modaliteiten ervan kwamen min of meer overeen met het systeem van dubbele meerderheid, voorzien in artikel 4 van de grondwet betreffende de wijziging van de grenzen van de taalgemeenschappen. Dit werd voorgesteld als het wondermiddel om taalkundige conflicten te regelen. Daarenboven maakte de Assemblée wallonne in toenemende mate haar strijd van de opeising van een natuurlijk, historisch en intrinsiek tweetalig Vlaanderen, tegenover een Wallonië dat altijd al eentalig was geweest.

Meer algemeen was de Waalse Beweging in de eerste helft van de jaren 1920 duidelijk verbonden met de gevechten die Franstalig België na aan het hart lagen. Zo verzette de Assemblée wallonne zich tegen de in augustus aangenomen nieuwe wet over het taalgebruik in bestuurszaken, door haar bestempeld als loi de fanatisme antinational dont l'effet immédiat serait d'accentuer le déchirement de la Patrie et de rendre inévitable et nécessaire, dans un proche avenir, une séparation of kortweg de 'wet-von Bissing'. Te Brussel leidde de goedkeuring van deze wet tot de oprichting van de Association wallonne du Personnel de l'Etat (AWPE). Deze vereniging beoogde de verdediging van de Waalse ambtenaren en vooral de possibilité pour ceux-ci de faire carrière avec la seule connaissance du français.

Evenals de Assemblée wallonne plaatste de AWPE haar strijd in het teken van het gevecht tegen de vernederlandsing van het raderwerk van de staat, volgens haar een voorbode van de germanisering, en zij beschouwde zichzelf dus vóór alles Belgisch en patriottisch.

Van toen af aan werden alle projecten komende van Vlaanderen systematisch aangeklaagd als antipatriottisch en als evenzovele surrogaten van Duitse initiatieven, genomen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Eveneens in deze optiek verdedigde de Waalse Beweging dezelfde stellingen als het Belgisch nationalisme. De Waalse Beweging veroordeelde evenzeer het Vlaamse activisme maar in tegenstelling tot de Belgische nationalisten toonde zij zich terughoudender tegenover hen die naar gewoonte werden bestempeld als Waalse activisten: een handvol militanten dat zich wel wilde verzetten tegen de Flamenpolitik, maar dat bereid was mee te werken aan door de Duitsers opgestelde projecten betreffende de bestuurlijke scheiding. Vóór alles werden zij voorgesteld als slachtoffers van hun Waals engagement en hun verblinding tegenover Duitsland.

Nog altijd in het teken van de toenadering tot het Belgische establishment verwierp de Assemblée krachtig elk vernederlandsingsproject van de Gentse Rijksuniversiteit. Binnen de leiding van de Assemblée bleef men vasthouden aan deze gehechtheid aan le Gand français, zelfs na de volledige officiële vernederlandsing in 1930. Voor de Assemblée wallonne moest elk project immers rekening houden met een onomkeerbare historische realiteit: tegenover de eentaligheid van Wallonië stond de eeuwenoude tweetaligheid van Vlaanderen. Elke hervorming moest derhalve rekening houden met deze situatie en elke wil om Vlaanderen eentalig 'Vlaams' te maken had geen enkel ander doel dan op termijn België te vernietigen, een project dat reeds door de Duitsers gedurende de Eerste Wereldoorlog in de steigers werd gezet onder de dekmantel van de Flamenpolitik. De Assemblée wallonne bleef gedurende het hele interbellum aan dit standpunt vasthouden. Intussen verloor zij weliswaar elke representativiteit.

Regionale taalkundige homogeniteit of taalkundige vrijheid?

Langzamerhand onderging de doctrine van de Assemblée wallonne met volle kracht de aanvallen van de autonomistische stroming, die begin de jaren 1920 opnieuw in Luik ontstond. In 1923 verliet Jules Destrée – gevolgd door 17 personaliteiten van de beweging – de Assemblée wallonne. De Ligue d'Action wallonne de Liège en haar krant La Barricade zetten een nieuwe toon, ontdaan van de dubbelzinnigheden jegens de Franstaligen in Vlaanderen. Eerst discreet, later openlijker, werd een dialoog gezocht met de woordvoerders van de V.B. Sommigen, waaronder de socialist Georges Truffaut gingen zelfs zo ver dat zij contacten met de Fronters (Frontpartij) aanbevolen. Op dit terrein werd de weg gebaand door Raymond Colleye, een Waals journalist van Brussel die reeds in de loop van de Eerste Wereldoorlog contact opnam met de leiders van de Frontbeweging. Maar zijn actie bleef geïsoleerd. Bovendien remde de verkiezing van August Borms, die in de ogen van de Waalse Beweging de hardnekkigheid van het activistische 'gevoel' symboliseerde, dit perspectief sterk af (Bormsverkiezing, 1928).

De algemene context was aan het veranderen: de noodzaak van nieuwe wettelijke bepalingen op taalkundig vlak drong zich op. Als voorbeeld van de evolutie van de Waalse Beweging naar de absolute verdediging van de taalkundige homogeniteit van Wallonië, citeren wij François Bovesse: C'est dur, c'est amer de "lÔcher" les français de Flandre, ce serait bien plus dur et plus dangereux de sacrifier notre unité linguistique schreef hij in 1929 in La Province de Namur. In de schoot van de Waalse Beweging werd de dreiging van een toegenomen tweetaligheid van Wallonië – reëel of als dusdanig aangevoeld – steeds sterker waargenomen. Van dan af werd de vrijwaring van de eentaligheid van Wallonië belangrijker dan de vrijwaring van de Franstalige universiteit in Gent. Het gevoel van een dreigende vorm van tweetaligheid in Wallonië werd aangewakkerd door het bestaan van Broederbond, een Vlaamse katholieke vereniging die de Vlamingen in Wallonië, voornamelijk in de provincies Luik en Henegouwen, wilde groeperen. Vanaf de tweede helft van 1920 en vooral in de loop van de jaren 1930 wijdde de militante Waalse pers diverse artikels aan dit probleem en hekelde zij de dreiging van de oprichting van Vlaamse scholen in Wallonië. Zeker, het probleem was niet nieuw: sedert de 19de eeuw gingen duizenden Vlamingen zich in Wallonië vestigen. Maar nu nam hun organisatiegraad toe en er gingen stemmen op over de oprichting van Vlaamse katholieke scholen in Wallonië. De statistieken over het aantal in Wallonië wonende Vlamingen joegen angst aan. De Waalse Beweging hekelde de eilandjes die zich gevormd hadden en die ondoordringbaar waren voor elke integratie. Zelfs toen de taalwetgeving van 1932 definitief elke hoop inzake de oprichting van Vlaamse scholen in Wallonië begroef, bleef de Waalse Beweging het gevaar van de aanwezigheid van Vlamingen in Wallonië aanklagen. Deze vrees ging verder: de Waalse Beweging wijst op het gevaar van een in een fascistisch en imperialistisch georiënteerde richting van een gedeelte van de V.B., een gevaar dat ook de Vlamingen gevestigd in Wallonië zou kunnen treffen.

Niettemin voerden noch de Waalse Beweging in haar geheel, noch haar leiders een volledig coherent discours. De evolutie van een Destrée, volksvertegenwoordiger van Charleroi is hier veelbetekenend, zelfs indien zijn socialistische engagement zonder twijfel de opgave verklaart van de als 'bourgeois' beschouwde zaak van de Franstalige Vlamingen. Anderzijds bleef hij het pleiten voor het respect voor de 'vrijheid' en de rechten van minderheden. Dit standpunt was duidelijk niet vrij van dubbelzinnigheden, maar onderscheidde zich intussen wel van de onvoorwaardelijke verdediging van de Franstaligen in Vlaanderen. Deze evolutie bracht Destrée, twee maanden voor de wetgevende verkiezingen van 1929, tot het sluiten van een akkoord met de leider van de Vlaamse socialisten, de Antwerpenaar Camille Huysmans. Al stond dit Compromis des Belges voor een regionale eentaligheid en een strikte beperking van de tweetaligheid, toch bevatte het enkele relicten van gehechtheid aan een zaak die eerder Franstalig dan Waals was. Het Compromis voorzag inderdaad in een vorm van bescherming van de taalkundige minderheden wanneer deze 20% bereiken. Deze eis heeft echter niets specifiek Waals. De demarche van Destrée illustreerde goed de ambigue positie van de Waalse Beweging: aan de ene kant verdedigde deze resoluut de regionale eentaligheid, anderzijds bleef zij zich bezighouden met het lot van bepaalde Franstalige minderheden. Truffaut, de Luikse socialist en bezieler van de Ligue d'Action wallonne, vergiste zich trouwens niet in zijn analyse van het Compromis des Belges. Hij, die in de schoot van de voornoemde Ligue d'Action wallonne pleitte voor contacten met de Vlaamse autonomisten, hekelde op het 40ste congres van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) in juli 1929 de 'tweetaligheid' van het Compromis en vroeg de erkenning van de rechten van de Vlamingen. Maar de Vlamingen zagen in de bezorgdheid van Truffaut voor alles een teken van het imperialistische karakter van de Waalse Beweging. Voor de Waalse Beweging echter was deze bezorgdheid inherent aan het principe van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren. Het debat oversteeg verre het Compromis des Belges.

Ondanks het wantrouwen dat vanaf de Bormsverkiezing de Ligue d'Action wallonne tegenover de Frontpartij bezielde, moedigde de Ligue in juni 1931 de Waalse parlementariërs aan te stemmen voor de in overweging neming van het federalistische wetsvoorstel ingediend door Herman Vos, zelfs indien bepaalde aspecten van de tekst onaanvaardbaar leken. De Ligue hoopte zo het onderzoek van het Waals-Vlaamse probleem in het parlement te krijgen. Maar deze beginnende dialoog kwam te laat. Op dat ogenblik maakte het Vlaams-nationalisme keuzes waarvan het antidemocratische karakter elk initiatief in de kiem zou smoren. Nochtans waren er meer dan ooit convergentiepunten. Via de jaarlijkse congressen van de Concentration wallonne, een koepelorganisatie die dan bijna alle Waalse liga's en groeperingen verenigde, wierp de autonomistische stroming zich voortaan op als de ware vertegenwoordiger van de Waalse Beweging. Tijdens het 2de Congrès de la Concentration wallonne, in 1931, werd een ontwerp van federale grondwet aangenomen. Het voorzag de oprichting van een federalisme met twee, gebaseerd op de principes van gewestelijke eentaligheid met Brussel als federaal gebied. In dit perspectief werd Brussel een tweetalige zone waar het sacrosancte principe van de taalvrijheid werd toegepast. De twee regio's zijn gescheiden door een taalgrens, bepaald door een 'federale wet', geïnspireerd op het zelfbeschikkingsrecht der volkeren.

En Brussel?

In de loop van de jaren 1920 organiseerden de Waalse liga's en verenigingen van de hoofdstad zich langzamerhand en in 1925 bundelden ze hun krachten in de Fédération des Sociétés wallonnes de l'Arrondissement de Bruxelles. De standpunten verdedigd door de Fédération lagen over het algemeen dicht bij die van de Assemblée wallone. Tot de Tweede Wereldoorlog bleef de Fédération trouw aan deze standpunten. Inderdaa, de contacten met de autonomistische stroming die zich herstelde in de jaren 1920, waren zeldzaam en het werk van niet-representatieve groeperingen en militanten van de Waalse Beweging in Brussel. Hetelfde gold voor de Concentration wallone. Langzamerhand ontstond een kloof tussen de Waalse groeperingen van Brussel en deze van Wallonië. De goedkeuring van de taalwetten van 1932 versterkte zowel in Brussel als in Wallonië geleidelijk het besef van de specificiteit van de situaties. De Waalse militanten, bezorgd om vóór alles de taalkundige homogeniteit van Wallonië te vrijwaren, gingen zich steeds minder voor het 'probleem Brussel' interesseren. Sommigen van hen meenden zelfs dat de Brusselse problematiek een rem vormde voor de oplossing van de Waalse kwestie. Op het moment dat in het Noorden van het land de slogan "Vlaanderen laat Brussel niet los" meer en meer aan coherentie won, leken bepaalde Waalse militanten vastberadener dan ooit zich niet meer met het lot van Brussel bezig te houden. Naast het 'obstakel Brussel' was de Waalse vijandigheid een verdere uiting van de verwerping van een centralistisch regime dat provincies en/of regio's – in functie van de voorgestelde structuur – van echte beslissingsbevoegdheden beroofde. Vanaf dan moest men volgens een groeiend aantal Waalse militanten in Brussel niet langer bij de Waalse Beweging een laatste redplank zoeken, maar in Brussel zelf. Dit verklaart het ontstaan, in 1932, van de Ligue contre la Flamandisation de Bruxelles. Deze liga stond zowel vijandig tegenover d Waalse Beweging die als separatistisch werd beschouwd, als tegenover de V.B., die ervan werd beschuldigd Brussel te willen 'vervlaamsen'. Vanaf dat ogenblik draaide de strijd meer en meer om het taalkundig statuut en de geografische omschrijving van Brussel. In de hoofdstad evenwel heerste er bij de militanten onbegrip over de steeds vijandiger wordende houding die de Waalse Beweging tegenover hen tentoonspreidde. In hun ogen bleef Brussel de plaats waar sociale promotie mogelijk was, en zij begrepen derhalve niet dat niet elke Waal er zich vestigde of er carrière wilde maken.

Bovendien was enkel in het perspectief van de desinteresse voor het lot van Brussel een dialoog tussen Wallonië en Vlaanderen denkbaar. Deze werd aangegaan door Georges Truffaut, eerst in naam van Tocsin (een autonomistisch orgaan dat verscheen van 1930 tot 1931) vervolgens, vanwege de vijandige reacties, in zijn eigen naam met vertegenwoordigers van het Vlaamse tijdschrift Internacia. Maar het initiatief mislukte en tot de Tweede Wereldoorlog leek elke vorm van contact uitgesloten.

In de tweede helft van de jaren 1930 ging de aandacht naar de algemene en buitenlandse politiek. De Waalse Beweging verwierp de politiek van de Belgische regering, een politiek die werd beschouwd als de zoveelste toegeving aan Vlaanderen en aan zijn fameus "los van Frankrijk". Zij hield weinig rekening met de nogal inschikkelijke houding van bepaalde Waalse ministers en parlementariërs ten opzichte van de nieuwe buitenlandse politiek. Vanaf 1935-1936 werden de Vlamingen opnieuw minder en minder als potentiële partners beschouwd maar als tegenstanders, voornamelijk omwille van de anti-Franse strekking die in de schoot van de V.B. de overhand had.

In 1938 dienden de Waalse parlementariërs met het oog op de installatie van een federaal regime voor het eerst een ontwerp tot grondwetsherziening in. Maar evenmin als het project van Herman Vos zou deze tekst, ingediend door drie socialisten, Truffaut, François van Belle (1881-1966) en Joseph Martel (1903-1963) in overweging worden genomen. Tekenend voor de evolutie was dat de auteurs van het ontwerp, Fernand Dehousse – toen professor in de rechten aan de Universiteit van Luik - en Truffaut voorstanders waren van een federalisme met drie, zelfs indien Brussel niet dezelfde rechten kreeg als de twee andere regio's.

Aan de vooravond van de oorlog was de Waalse Beweging diep verdeeld. De Concentration wallonne was praktisch in tweeën gesplitst. De Luikse federalisten van de Ligue d'Action federalisme'Action wallonne, vanaf het begin dé bezielers van de Concentration, stonden tegenover Abbé Mahieu, voorzitter van de Concentration vanaf 1937 en voorstander van het overgaan tot partijpolitieke actie. Dit zou bij de wetgevende verkiezingen van 1939 leiden tot de lamentabele nederlaag van de Parti wallon indépendant. In Luik daarentegen had de beweging aan coherentie gewonnen en genoot ze belangrijke contacten in de schoot van de plaatselijke politieke klasse. Te Brussel zag de situatie er duidelijk anders uit. Naast het Bloc de la Liberté (ontstaan uit een hergroepering in 1938), raakten vele Waalse liga's van het eerste uur in verval en het beste weerstand boden die liga's waarvan de Waalse verankering het minst uitgesproken was.

De 'zwarte' en in diskrediet geraakte Vlamingen

De houding die een deel van de V.B. gedurende de bezetting aannam, zou een blijvende stempel drukken op de manier waarop de Waalse Beweging de Vlamingen zag. Deze laatsten werden niet enkel meer beschouwd als de dominerende kracht van de Belgische staat maar ook als de doodgravers ervan. Door samen te werken met een vijand van wie nog niet alle ideologische dimensies aan het daglicht getreden waren, discrediteerden bepaalde Vlamingen zich volledig in de ogen van een Waalse Beweging die zichzelf als de belichaming van het verzet zag. Inderdaad, vanaf de zomer van 1940 legde een handvol militanten de basis van de beweging La Wallonie libre. Deze beschikte snel over een ondergrondse krant met dezelfde naam. De bevrijding van Vlaamse of als dusdanig beschouwde krijgsgevangenen en meer algemeen de hele Duitse bezettingspolitiek, gericht op het bevoordelen van de Vlamingen, consolideerde de anti-Vlaamse overtuigingen van de Waalse Beweging. De ondergrondse pers van de beweging gaf vrije loop aan haar antiflamingantisme, des temeer omdat er in zijn ogen een versmelting bestond tussen flamingant en collaborateur. Zeker, Wallonië telde ook verschillende collaboratiebewegingen. Deze waren echter geenszins verbonden met de Waalse Beweging, zelfs indien men enkele zeldzame individuele zwakheden en een poging tot recuperatie van een Waalse stroming door sommige ultra's van de collaboratie meerekent.

Met de Tweede Wereldoorlog nam de discreditering van de V.B. toe. Van de weeromstuit groeide voor de Waalse Beweging, die versterkt was door haar in het verzet verworven legitimiteit, de mogelijkheid om op de voorgrond te treden. Vanaf dan stelde de Waalse Beweging het beeld van een tegen de bezetter strijdend Wallonië tegenover dat van een als collaborerend ervaren Vlaanderen. Desalniettemin bleef het beeld van de 'brave Vlaming', degene die zich niet compromitteerde, nog bestaan. Zeker, bepaalde vaandeldragers van het Belgisch nationalisme bestempelden de houding van de Waalse Beweging tijdens de oorlog als inciviek of pro-Duits. Bij de bevrijding werden dezelfde termen gebruikt ter aanduiding van de sprekers van het Congrès national wallon. Vanzelfsprekend bekommerde het beeld van het 'strijdende' Wallonië zich niet om nuances: Wallonië heeft zich verzet en het doet er weinig toe dat dit verzet vóór alles een nationale en antifascistische dimensie had.

In tegenstelling met de situatie na de Eerste Wereldoorlog nam de Waalse Beweging duidelijk afstand van het Belgisch nationalisme. Het is in die context dat op 20 en 21 oktober 1945 het fameuze Congrès national wallon plaatshad.

Geconfronteerd met het onvermogen om over het toekomstige lot van Wallonië een akkoord te bereiken, hadden de ondergrondse militanten van La Wallonie libre beslist dit debat tot na de bevrijding uit te stellen. Op het Congrès vond men vertegenwoordigers van alle stuwende krachten van Wallonië: ministers in functie, parlementariërs, syndicalisten, provinciale en lokale mandatarissen maar ook vertegenwoordigers van de vrije beroepen, universiteitsprofessoren en ambtenaren. Globaal gezien was de arbeidersklasse zwak vertegenwoordigd, wat het beeld gaf van een Waalse Beweging die eerder de intellectuele milieus bereikte. Het geheel van Waalse verenigingen was eveneens vertegenwoordigd. Naast de oude verenigingen vond men groeperingen geboren in de clandestiniteit zoals onder meer het reeds vermelde La Wallonie libre, La Wallonie catholique, La Wallonie indépendante (van communistische strekking), L'Association pour le Progrès intellectuel et artistique de la Wallonie en de Conseil économique wallon. De meerderheid van de congressisten was afkomstig uit Luik, maar men vond er ook talrijke Walen van Brussel.

De congressisten hadden de keuze tussen vier oriënteringen: het behoud van de unitaire structuur van België met een bestuurlijke decentralisatie, Waalse autonomie binnen België, de onafhankelijkheid van Wallonië en de heraanhechting bij Frankrijk. Elk van deze stellingen werd opeenvolgend voorgesteld. Het behoud van de unitaire structuur sloot duidelijk aan bij de traditie verdedigd door de Assemblée wallonne na de Eerste Wereldoorlog. Spoedig bleek dat deze slechts door een kleine minderheid van de op het Congrès aanwezige katholieken werd onderschreven. Het talrijkst waren de sprekers belast met het verdedigen van de federale oplossing. De keuze voor een onafhankelijk Wallonië werd verdedigd door de socialist François van Belle, die van bij het begin verklaarde dat hij niet uit naam van zijn partij sprak. Van Belle situeerde zijn benadering in de optiek van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren. Hij meende dat de Walen niet alleen hun lot in eigen handen moesten hebben, maar dat ze zich tegelijkertijd moesten kunnen integreren in het Franse economische en verdedigingssysteem. François Simon (1902-1966), directeur van het Waalse dagblad Le Gaulois, opende het debat over de aanhechting van Wallonië bij Frankrijk. De pro-Franse stroming vertegenwoordigde eveneens een van de tradities van de Waalse Beweging, zelfs indien deze als een eerder sentimentele eis verscheen.

Van bij het begin werd beslist dat de congressisten twee stemmen konden uitbrengen, een door de organisatoren ingebouwd veiligheidsventiel teneinde hun politieke legitimiteit te bewaren. De resultaten van de eerste stemming veroorzaakten een schok bij de politieke klasse en in de pers. Van de 1048 stemgerechtigden spraken er zich 486 uit voor aanhechting bij Frankrijk, 391 voor de weg van de autonomie, 154 voor de onafhankelijkheid. Slechts 17 stemgerechtigden hadden geopteerd voor het behoud van de unitaire structuur. Bepaalde congressisten waren zelf zwaar aangeslagen door het resultaat. Zo ook Fernand Dehousse, die verklaarde demain, nous serons traités d'inciviques à Bruxelles et en Flandre, voire à l'étranger. Een meer politieke stemming, met opgestoken hand, corrigeerde het schot: de congressisten spraken zich unaniem uit voor autonomie binnen het Belgisch kader. Dit Congrès vormde ongetwijfeld een historisch moment.

Maar het initieel enthousiasme en de dynamiek die het had veroorzaakt sorteerden weinig effect. Men moest wachten tot de Koningskwestie om de Waalse Beweging weer op de voorgrond te zien treden. Vanaf het begin van de bezetting had de Waalse Beweging duidelijk stelling genomen tegen koning Leopold III, die sedert 1936 en de neutraliteitspolitiek gezien werd als de koning van de Vlamingen. De oorlog had het wantrouwen en de vijandigheid van de beweging ten opzichte van de opvolger van Albert versterkt. Bij de bevrijding werd de troonsafstand geëist. Naast de figuur van de koning riep het hele debat rond de Koningskwestie tal van symbolische beelden op. De inzetten gekoppeld aan de bezetting waren alomtegenwoordig. Voor het eerst had een betekenisvolle toenadering plaats tussen de Waalse Beweging en de arbeidersklasse; dit in een context van economisch verval en een toegenomen minorisering van Wallonië als gevolg van de demografische regressie. In maart 1950 nam André Renard deel aan het Congrès national wallon, waar hij 85.000 metaalbewerkers vertegenwoordigde. Toch was deze toenadering zuiver occasioneel. De dag na de troonsafstand overheerste een gevoel van bitterheid. De Koningskwestie is geen instrument gebleken om andere, meer radicale veranderingen zoals de invoering van het federalisme of de afkondiging van de republiek met zich mee te brengen. Langzamerhand drong zich het beeld op van een gemiste kans.

== Nochtans is de dialoog mogelijk== Achter gesloten deuren gingen Waalse en Vlaamse militanten nochtans een dialoog aan, zelfs al legde de pers van de Waalse Beweging zich erop toe alles wat aan de V.B. herinnerde door het slijk te halen. De structuur die de dialoog mogelijk maakte was het Centrum-Harmel, meer precies het Centrum van onderzoek voor de nationale oplossing van de maatschappelijke en rechtskundige problemen in de Vlaamse en de Waalse gewesten. Bij de installatie van deze commissie was nochtans een levendige oppositie van de Waalse Beweging tot uiting gekomen. Het moet worden gezegd dat de commissie werd geïnstalleerd kort na de verwerping van het in overweging te nemen wetsvoorstel-Grégoire over de goedkeuring van een federale grondwet. Dit werd gezien als het opsluiten van het Waals probleem in een commissie. Toch zou deze unieke plaats tot dialoog een sterke invloed uitoefenen op bepaalde figuren van de Waalse Beweging en op langere termijn en in een ander perspectief ook op het beslissende schema dat op het conclaaf van Hertoginnedal van juli 1963 zou worden aangenomen.

Wanneer men de lijst van de leden aanwezig op de vergaderingen van de commissie bekijkt, moet men vaststellen dat tegenover de voortschrijdende desinteresse van bepaalde parlementariërs, bepaalde extraparlementaire afgevaardigden proportioneel een veel grotere invloed hebben kunnen uitoefenen dan hun veronderstelde politieke gewicht. Aan Waalse kant waren dat Fernand Schreurs, secretaris-generaal van het Congrès national wallon en Georges Vrancken (1918-1997) secretaris van het Comité liégeois d'Action wallonne.

Parallel met de werkzaamheden van het Centrum Harmel en in het bijzonder van zijn culturele en politieke afdelingen werden contacten aangeknoopt tussen Vlaamse en Waalse federalisten. Dit leidde in december 1952 tot de akkoorden Schreurs-Walter Couvreur.

Deze tekst zou buiten en zelfs binnen de Waalse Beweging heftige polemieken opwekken over de representativiteit van de ondertekenaars, over het werkelijke of veronderstelde verleden van bepaalde Vlaamse ondertekenaars (een nieuwe allusie op collaborerend Vlaanderen) en vooral over het lot dat de ondertekenaars voor Brussel voorzagen. De tekst illustreerde inderdaad perfect de mogelijkheid tot een akkoord zodra het Brussels probleem de facto ontkend of geanalyseerd werd in specifiek Vlaamse of Waalse termen. Het bestaan zelf van een Brusselse identiteit werd simpelweg ontkend: de inwoners van de hoofdstad zouden zich ofwel als Vlamingen ofwel als Walen moeten definiëren, een standpunt dat overeenkwam met dat van de culturele afdeling van het Centrum Harmel. Het document voorzag bovendien de volledige pariteit in de bestuursorganen van de hoofdstad, een standpunt waaraan de Franstalige en zelfs de Waalse Brusselaars enkel aanstoot konden nemen. De kloof tussen Walen en Franstaligen van Brussel, reeds merkbaar in de jaren 1930, bleef zich verder verdiepen. Zij spitste zich in feite toe op één grote kwestie die afhankelijk van de protagonisten zeer verscheiden werd geïnterpreteerd: de plaats van Brussel in een federale structuur. Bepaalde Walen, en zij werden op dat ogenblik steeds talrijker, meenden dat het lot van Brussel geenszins een rem mocht betekenen voor de emancipatie van Wallonië en dat men er zich dus heel eenvoudig niet mee moest bezighouden. Anderen waren bereid het Brusselse probleem in al zijn specificiteit te overwegen. Zij waren met andere woorden bereid aan het Brusselse gebied een speciaal statuut toe te kennen, bijna equivalent aan de twee andere gewesten. Nog anderen – waaronder de ondertekenaars van de akkoorden Schreurs-Couvreur – beperkten het probleem tot een dubbele Waals-Vlaamse dimensie.

De Waalse militanten waren uiteraard niet de enigen die zich over dit thema uitspraken. De evolutie in Wallonië werd door de Waalse militanten van Brussel met ongerustheid gadegeslagen. In Brussel waren de standpunten echter evenmin unaniem: bepaalde mensen wilden dicht bij de Waalse Beweging blijven en waren bereid om met betrekking tot Brussel een standpunt te verdedigen dat de Brusselse Franstaligen, die reeds in bepaalde verenigingen een groeiende activiteit ontwikkelden, slechts kon kwetsen. Maar niet enkel in deze kwestie bevatten de akkoorden Schreurs-Couvreur de kiemen van divergentie: zij voorzagen immers de definitieve vastlegging van de taalgrens – maar bleven stom waar het de praktische modaliteiten van deze vastlegging betrof – evenals de niet-erkenning van taalkundige minderheden. Als vervolg op deze akkoorden werd een Waals-Vlaams College opgericht. Bij de vorming van de liberaal-socialistische regering in 1954 begon men aan Waalse zijde hoop te koesteren. Er hadden immers zes leden van het Congrès national wallon zitting in de nieuwe ploeg.

De katholieken en de Waalse kwestie

Gedurende lange tijd bleef de Waalse Beweging essentieel de zaak van liberalen, socialisten, enkele communisten en enkele geïsoleerde militanten die niet noodzakelijk tot een partij behoorden. Bij de oprichting van de Assemblée wallonne schitterden de katholieken door hun afwezigheid. Dat betekende evenwel niet dat deze totaal afwezig waren in het debat. Elie Baussart, wiens invloed het voorwerp van een diepgaande studie is geweest, bleef zeker een figuur aan de zijlijn. Niettemin droeg hij bij tot het in overweging nemen van het Waalse probleem bij katholieken die zich aan de rand van hun partij bevonden. Zijn groep Les Amis de la Terre wallonne (1923-1925) benaderde het Waalse probleem anders en verwortelde de beweging gedeeltelijk in de perceptie van de sociale dimensie van de Vlaamse kwestie. Het regionalisme van Baussart werd gedefinieerd als een respect voor de sociale, culturele, religieuze en taalkundige identiteit van de gewesten. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog was de crisis van de katholieke partij en haar herstructurering in twee taalkundige vleugels (1936) voor bepaalde katholieken, die op het Congrès de l'Association catholique de la Jeunesse Belge (Verbond voor Katholieke Jeugdactie) van 1938 het bestaan van een Waals probleem ontdekten, een nieuw teken. In het zog van La Wallonie libre ontstond tijdens de bezetting La Wallonie catholique. De toon was inmiddels geëvolueerd. In navolging van de andere Waalse verenigingen meende La Wallonie catholique dat Wallonië in een door Vlaanderen gedomineerd België leeft, met een V.B. die 'gegroeid' is, en die tend à reduire tout ce qui est wallon à un rôle second et à mettre en question l'existence même de la Wallonie. Verder meende de vereniging dat het Waals-Vlaamse geschil een eenvoudig taalkundig conflict oversteeg, maar zij bleef in het vage over de door te voeren hervormingen. Bij de bevrijding werd La Wallonie catholique omgevormd tot de Rénovation wallonne. Meerderen van haar leden namen aan de opeenvolgende vergaderingen van het Congrès national wallon deel. Voorzichtigheid bleef karakteristiek voor hun engagement, want de aanwezigheid was ten persoonlijken titel en niet als vertegenwoordiger van de beweging.

De Rénovation wallonne stond de invoering van een federaal regionalisme voor, met een Waals en een Vlaams gewest en eventueel een Brusselse regio. Tijdens de Koningskwestie schaarde de beweging zich – discreet weliswaar – achter de tegenstanders van een terugkeer van Leopold III. Het zou haar zwanenzang zijn. De beweging verdween gedurende tien jaar bijna volledig en werd opnieuw geboren na de ondertekening van het taalcompromis van de CVP-PSC (20 februari 1960). Een nieuwe generatie zou vanaf dan het geraamte van de beweging vormen. Onder invloed van de nieuwe secretaris-generaal, de Brusselaar Lucien Outers (1924-1993) had de beweging in het bijzonder belangstelling voor het lot van de Franstalige minderheden in de Brusselse periferie. Ze nam dus afstand van het regionalisme, wendde zich tot meer taalkundige bezorgdheden, en stelde zich vanaf dan l'éveil des Wallons et des Bruxellois de culture française ten doel. Het moet worden gezegd dat de kwestie gevoelig lag: na de afschaffing van het taalkundige luik van de tienjaarlijkse volkstelling (talentellingen) en het taalcompromis van Hertoginnedal (1963) was de kwestie Brussel en zijn periferie alomtegenwoordig.

Binnen de Rénovation wallonne vond men talrijke militanten terug die via het Front démocratique des Bruxellois de Langue française (de eerste benaming van het Front démocratique des Francophones-FDF) en het Rassemblement wallon (RW) tot politieke actie overgingen. Het trage bewustwordingsproces van bepaalde Waalse katholieken zou bruusk worden versneld door de crisis rond de katholieke universiteit in Leuven.

Een nieuw Vlaanderen

De jaren 1960 vormden ontegensprekelijk een belangrijk keerpunt. Op economisch vlak zag men een geleidelijke ommezwaai van het overwicht in de schoot van de Belgische staat: tegenover een nieuwe dynamiek van de Vlaamse provincies stond een onomkeerbaar verval van de traditionele industrieën, voornamelijk gevestigd in Wallonië. De Belgische financiële groepen, met aan het hoofd de Generale Maatschappij, investeerden steeds minder in het Waalse territorium terwijl vreemd kapitaal massaal in Vlaanderen werd geïnvesteerd. Sedert 1930 klaagde de Waalse Beweging de desinteresse van de Belgische staat voor de Waalse provincies in termen van infrastructuur en openbare werken aan. In de stroom van het Congrès national wallon van 1945 bestelde de Belgische regering bij de Conseil économique wallon een verslag over de staat van de Waalse economie. Men vond er de kwalen terug die in al hun intensiteit vijftien jaar later zouden verschijnen: la dépopulation de la Wallonie, l'insuffisance des moyens de communications, le vieillissement de l'appareil économique wallon, la centralisation excessive à Bruxelles et, enfin, l'inadéquation de la politique belge en matière de commerce extérieur. Maar er moet worden geconstateerd dat de Waalse Beweging er niet in geslaagd was de massa's rond de economische belangen te mobiliseren. Pas in de jaren 1960 werd de omvang van het Waalse verval duidelijk, temeer omdat precies met dit verval de economische vlucht van Vlaanderen gepaard ging. Deze alarmkreet kwam trouwens niet zozeer van de traditionele Waalse Beweging (onder meer het Congrès national wallon en La Wallonie libre) maar wel van de syndicale basis die door André Renard in een bepaalde richting werd gestuurd. De economische situatie van Wallonië bleef eroderen en vanaf het decennium 1950 sloten de steenkoolmijnen in de Borinage.

Op syndicaal niveau groeide in de schoot van het nationale Algemeen Belgisch Vakverbond een kloof tussen de Waalse federaties waarvan een meerderheid in 1953 gehecht was aan het federalisme en de Vlaamse federaties die hier vijandig tegenover bleven staan. Evenzo ontlokten de structurele hervormingen van Renard, goedgekeurd door de Waalse federaties, aan Vlaamse zijde slechts weinig enthousiasme. Kortom, de jaren 1950 markeerden het begin van een malaise waarvan de omvang tijdens de staking tegen de Eenheidswet goed te meten viel. In november 1960 besliste een groep militanten rond Renard het weekblad Combat te lanceren. In de lente van 1961 werd dit het orgaan van de Mouvement populaire wallon (MPW). Op 20 december 1960 begon een staking die in Wallonië vijf weken zou aanhouden en de geesten blijvend zou beïnvloeden. Twee eisen kwamen duidelijk op de voorgrond: het federalisme en structurele hervormingen. De invoering van het federalisme werd gezien als het wettelijk kader dat de structuurhervormingen mogelijk zou maken. Door in de stroom van de staking van de winter van 1960-1961 de MPW te lanceren, zorgde Renard voor een nieuwe dynamiek in de Waalse actie en populariseerde hij deze actie in milieus waar zij tot dan grotendeels afwezig was.

De houding van de MPW tegenover Vlaanderen verdient een dubbele lezing. De MPW engageerde zich zonder omhaal in de strijd voor het federalisme en structurele hervormingen. Het stond een federalisme met twee voor, met Brussel als federale hoofdstad. Het verslag van de politieke commissie van de MPW (november 1961) voorzag de vastlegging van de taalgrens door een paritaire commissie, samengesteld uit Vlaamse en Waalse vertegenwoordigers. In geval van niet-akkoord zou een plaatselijk referendum kunnen worden georganiseerd. Specifieke beschermingsmaatregelen voor minderheden waren niet voorzien. Het was duidelijk dat het lot van de Franstalige Vlamingen de MPW onverschillig liet. Inderdaad, de omstreden gemeenten waaraan de MPW dacht zijn niet zozeer die van de Brusselse periferie; een probleem dat het territorium van de federale hoofdstad aanbelangde. Belangrijker voor de MPW waren de gemeenten die door de vastlegging van de taalgrens (8 november 1962) van taalgebied wisselden, met name de zone Komen-Moeskroen, een geïndustrialiseerde regio waar de MPW door de militanten van het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) goed vertegenwoordigd was in de ondernemingen. De Brusselse problematiek, zijn bevoegdheden en de grenzen van zijn territorium waren evenzovele problemen die in de schoot van de MPW – waarvan de hoofdlijn door Luikenaars werd uitgetekend – op onverschilligheid botsten. Zoals anderen voor hem was Renard vastbesloten het Brusselse probleem geen hinderpaal te laten worden bij de economische, sociale en institutionele emancipatie van Wallonië.

Er moeten in feite twee elementen worden onderscheiden. Aan de ene kant was er het taalkundig statuut van de hoofdstad en haar economische macht die de MPW wilde beperken tot strikt Brusselse aangelegenheden. Men kan zich nochtans afvragen of het in dit perspectief is dat Renard een van zijn meest dichte medewerkers, de Luikenaar Raymond Latin (1910-1968), syndicalist en compagnon van lange datum, naar Brussel stuurde. Renard zegde trouwens klaar te zijn voor een dialoog met zowel de Vlaamse als de Brusselse federalisten... als die tenminste al bestonden. Anderzijds – en men kan de scheidingslijn tussen de twee gezichten van de MPW niet vaststellen – knoopte Renard opnieuw aan bij de zeer anti-Vlaamse tendensen van de Waalse Beweging, met name gedurende de eerste Mars op Brussel (oktober 1961). Ter gelegenheid hiervan publiceerde Combat een verslag dat moeilijk nog misprijzender kon zijn. In het algemeen vormden de twee Vlaamse Marsen op Brussel een echte zweepslag voor de Franstaligen en Walen van Brussel. De eerste Mars lag aan de oorsprong van de oprichting van het Front pour la Défense de Bruxelles dat de verenigingen van de hoofdstad groepeerde. De tweede Mars van oktober 1962 bracht een mobilisatie zonder voorgaande mee.

De overheveling van Voeren naar Limburg betekende ontegensprekelijk een keerpunt in de Waalse strijd die aldus de economische met de taalkundige dimensie verbond. Het tweede luik werd beleefd als de uitdrukking op het terrein van een minorisering op elk gebied. Toch heeft de kwestie Voeren aanvankelijk niet de emotionele dimensie die zij kort nadien zou verwerven. Zowel in de leiding van de V.B. als in die van de Waalse Beweging was men bezorgd om de definitieve vastlegging van de taalgrens. Voor de Waalse zijde was deze vastlegging in feite een noodzakelijke stap in het kader van een federalisering. Wat meer is, de vrees voor Vlaamse eilandjes in Wallonië die in het interbellum zo levendig tot uiting kwam, duurde voort. In deze optiek ging het Centrum-Harmel dienstdoen als onderhandelingskader met het oog op een nieuw tracé van de taalgrens. Wat Voeren betreft maakte het eindverslag van het Centrum-Harmel een stand van zaken op van de verdeeldheid tussen Walen en Vlamingen over deze kwestie. De Walen stelden de incorporatie van de sector Overmaas in de Waalse taalkundige gemeenschap voor, wat de Vlamingen weigerden. Een compromis werd uitgewerkt in de vorm van een consultatie van de betroffen gemeentelijke administraties. Op 14 november 1961 legde minister van binnenlandse zaken en openbaar ambt Arthur Gilson in de Kamer een wetsvoorstel neer dat de heraanhechting van de zes gemeenten van Voeren bij Limburg voorzag, naast de heraanhechting van Komen-Moeskroen bij Henegouwen. Het ontwerp van de regering week dus op drie punten af van de conclusies van het Centrum Harmel: Voeren, Edingen en Komen-Moeskroen. Twee elementen moesten worden onderscheiden: aan de ene kant het behoren tot een provincie en aan de andere kant het taalstatuut. In dat stadium keurden de leden van de Kamercommissie van binnenlandse zaken die het project had uitgewerkt en waarin Waalse socialisten zetelen het ontwerp met 18 stemmen tegen 1 goed. We herinneren eraan dat het project dat in de clandestiniteit door de Waalse Centrale van de Belgische Socialistische Partij (BSP) in 1944 werd uitgewerkt, de incorporatie in Vlaanderen voorzag van de gemeenten Moelingen, 's Gravenvoeren, Sint-Pieters-Voeren, Sint-Maartens-Voeren, Teuven en Remersdaal, beschouwd als afgedwaald van Vlaanderen. Onder de leden van de studiecommissie belast met de opstelling van dit document bevond zich Paul Gruselin (1901-1984), toen toekomstig burgemeester van Luik en in 1961 lid van de Kamercommissie van binnenlandse zaken. De stellingname van Gruselin binnen de voornoemde commissie weerspiegelde dus enkel het standpunt van de Luikse federatie van de BSP bij de bevrijding.

De neerlegging van het ontwerp werd gevolgd door openbare debatten die zich over een periode van negen maanden (31 januari-31 oktober 1962) uitstrekten. In de loop van deze periode evolueerden de posities. Na vlammende discussies en een ommezwaai naar de oude standpunten resulteerde de stemming in de aanhechting van Komen-Moeskroen bij Henegouwen, en van Voeren bij Vlaanderen. In het spoor van de goedkeuring van het project bood de Luikse socialist Jean-Joseph Merlot (1913-1969), minister van openbare werken, zijn ontslag aan. Het Voerense geschil begon nog maar...

Terwijl de traditionele Waalse Beweging zich aanvankelijk eerder tevreden toonde met de vastlegging van de taalgrens, nam het MPW onmiddellijk stelling tegen de overdracht van Voeren naar Limburg. Dit element gaf vanaf dan de toon aan in het algemeen debat over de vastlegging van de taalgrens. Op die manier associeerde het MPW zijn strijd met een gevecht dat in het begin geen Waals karakter had maar daarentegen paste in de lijn van een resoluut Belgische en Franstalige demarche. Op de achtergrond doemde in het programma van de MPW weer het fameuze idee van een referendum om de taalgrens vast te leggen op. Binnen enkele maanden zou de Voerense problematiek het symbool van het geminoriseerde en in zijn rechten vernederde Wallonië worden. De Vlaamse partner daarentegen werd beschouwd als profiterend van zijn nieuwe economische en demografische kracht om Wallonië te wurgen. Het rapport-Sauvy, openbaar gemaakt in de lente van 1962, was dan reeds aanwezig in de geesten. Voeren werd volgens de terminologie van de Namenaar André Genot (1913-1978), de nieuwe voorzitter van het MPW die Renard na diens onverwachte overlijden op 20 juli 1962 had opgevolgd, voorgesteld als de "Dreyfus-affaire van de Walen".

Voeren en enkele maanden later het taalcompromis van Hertoginnedal (1963) over het statuut van Brussel gingen de contacten tussen Vlaamse en Waalse federalisten ernstig belemmeren. Deze contacten waren opnieuw op gang gekomen in het begin van de jaren 1960 in de vorm van een Vlaams-Waals overlegcentrum. Bezieler aan Waalse kant was de militant van lange datum, Maurice Bologne. De hervonden dynamiek, ingeblazen door het MPW, die van de weeromstuit de hele Waalse Beweging wakker maakte zou eens temeer slechts een strovuur blijken, al droeg ze – maar dan op lange termijn – de kiemen van een wereldbrand in zich. In maart 1963 verenigde een groot congres van Waalse actie in Namen alle representatieve verenigingen van de Waalse strijd. Dit leidde tot het ontstaan van het Collège exécutif de Wallonie dat de fameuze petitie van de herfst van 1963 organiseerde. Twee eisen lagen aan de basis van de petitie: de wil om in de grondwet het volksreferendum op te nemen en daarnaast een moratorium inzake de aanpassing van de parlementaire zetels. Deze aanpassing bracht het verlies van vier zetels mee voor de Waalse arrondissementen, waarvan het demografische gewicht alsmaar kleiner werd (zetelaanpassing). Na een mobilisatie zonder voorgaande, zelfs indien dit soort gegevens uiteraard met reserve en voorzichtigheid moet worden geanalyseerd, kreeg de petitie binnen een maand 645.499 handtekeningen, waarvan meer dan 112.000 te Brussel. Dit initiatief zegde ook veel over de betrachting naar een vorm van hernieuwing van de democratie met medezeggenschap, een thema dat de MPW eveneens in haar programma opgenomen had.

Maar de Waalse en Franstalige politieke wereld bleef doof en zelfs vijandig tegenover de eisen die in de petitie waren vervat. Deze mislukking betekende een keerpunt voor de Waalse Beweging. Door haar onvermogen de politieke klasse te beïnvloeden bevond zij zich in een impasse. Een minderheidskern van militanten besliste vanaf dan dat enkel een deelname aan de verkiezingen een oplossing bood.

De wetgevende verkiezingen van 1965 waren een eerste succes voor de politieke formaties die na de mislukking van de petitie in Brussel en Wallonië het daglicht zagen. Voor het eerst zetelden verkozenen van Waalse of Franstalige signatuur. Zeker, het succes bleef bescheiden maar het hield veranderingen en een mentaliteitsevolutie in. Aan Vlaamse zijde betekenden de verkiezingen eveneens een vooruitgang voor de Volksunie (VU). In de leiding van de Waalse Beweging was het vragenuurtje gekomen: welke houding moest worden aangenomen en welke rol moest worden gespeeld? Trouw aan een 'apolitisme' van eeuwen her, besliste de Waalse Beweging om op elke lijst dÝé kandidaten te steunen van wie de keuzes met de eisen van de beweging overeenstemden. Desalniettemin zag de Waalse Beweging zich geblokkeerd in haar bewegingsvrijheid. In de loop van de jaren verminderde het ledental en werd het kader ouder. Het grootste deel van het militante vuur werd langzamerhand gekanaliseerd en geabsorbeerd door de politieke strijd.

De Leuvense kwestie (onderwijs) vormde vanzelfsprekend een versnellingsfactor in het bewustwordingsproces van de politieke klasse. Men zag in dat communautaire kwesties geen valse problemen waren. De leiders van de Waalse katholieken, opnieuw gegroepeerd in de Rénovation wallonne, waren bijgevolg aanhanger ofwel van een transfert, ofwel van de creatie van een pluralistische universiteit. Het dossier raakte snel besmet en het dovemansgesprek draaide uit op een krachtmeting. Dit was de mening van kanunnik Jacques Leclercq (1891-1971), auteur van een opzienbarende brochure getiteld Les catholiques et la question wallonne (1963). De kristallisatie, geprovoceerd door de Leuvense crisis, versnelde de structurering van de Parti wallon die zich voor de christenen openstelde en uiteindelijk het Rassemblement wallon (RW) zou worden.

Door het gezamenlijke succes en de ontspanning tussen de leiders van het FDF en het RW, leek de kloof tussen Brussel en Wallonië voorlopig gedicht. Beide formaties vormden één parlementaire groep. Maar de intrede van het RW in de regering in 1974 gaf een eerste indicatie van de toekomstige spanningen. Het was een teken dat de diverse gevoeligheden bleven bestaan. Aan Waalse zijde vroeg men om een economische regionalisatie, terwijl het Brusselse FDF het grootste deel van zijn energie concentreerde op het taalkundige statuut van Brussel en zijn geografische begrenzingen. Langzamerhand, en ondanks diverse toenaderingspogingen, sloegen de twee formaties op het uur dat hun electorale verval inzette, onvermijdelijk verschillende wegen in. Aan Vlaamse kant bleef het FDF de gepersonaliseerde vijand, de vaandeldrager van een ongebreidelde verfransing van de hoofdstad en haar periferie.

Het jaar 1976 kondigde het einde aan van het RW. Een gedeelte van de leiding zou de basis vormen van de Parti des Réformes et de la Liberté en Wallonie die een jaar later wordt gesticht. Vanaf haar splitsing in 1978 liet de Parti socialiste (PS) zich langzaam meevoeren door de federalistische en Waalse dynamiek. Haar Waalse verankering kwam uit de aanhechting van een deel van de oudere kaders van het het RW en het Rassemblement populaire wallon, versterkt tevoorschijn. Ook de beslissende symbolische bijdrage van José Happart droeg daartoe bij. Op het uur dat de linkerzijde in crisis leek en onmachtig was om echte antwoorden op de economische recessie te geven, kon de toetreding van Happart bij de PS september 1984 als uitlaat dienen. Het belang dat de MPW sedert 1962 aan de Voerense kwestie had gehecht, had reeds uitgebreid het belang van de symbolen aangetoond. De strijd van Happart wordt gelijkgesteld met die van David tegen Goliath, met het beeld van een agressief en zelfzeker Vlaanderen tegen een geminoriseerd Wallonië. Aan het discours dat aanvankelijk op Voeren geconcentreerd was, voegde Happart langzamerhand een populistisch discours toe. Hij hekelde met name het cumuleren van mandaten, ook in zijn eigen partij, en was bezorgd om sociale ongelijkheid en de verdediging van de 'kleine man'. Daar opnieuw verscheen de symboliek op de achtergrond. Happart mat zich graag het imago van een Robin Hood aan; een imago dat de PS moeilijk kon gebruiken op het ogenblik van haar deelname aan de macht en van haar verantwoordelijkheid op socio-economisch vlak. In dit perspectief werd Happart een dubbel symbool, al werd hij zeer gecontesteerd, ook en vooral in de socialistische partij. Hij stond symbool voor een Wallonië dat weigerde zich voor de gek te laten houden, en voor links aan de linkerkant van links, dat de logica van de economische recessie en zijn sociale implicaties afwees.

De Waalse verenigingen bestaan ondanks alles nog steeds. Nieuwe (Wallonie Région d'Europe, Mouvement wallon pour le Retour à la France, Wallonie-France) zien het licht, maar zij slagen er niet in een echt politieke rol te spelen. Een vraag, die trouwens niet enkel Wallonië aanbelangt, dient te worden gesteld: luidt de institutionalisering van de strijd, gevoerd door de Waalse Beweging en overgenomen door het Waalse Gewest, op termijn niet de doodsklok voor de Waalse Beweging?

Epiloog

De splitsing van de unitaire socialistische partij had belangrijke gevolgen op het niveau van de Waalse strijd. Vanaf dan investeerde deze partij immers volop in de verdediging van Wallonië. Deze nieuwe verankering had een bepalende invloed op de manier waarop de socialisten de staatshervorming bekeken. Het "alles aan de regio's" verscheen meer en meer als het nieuwe credo en de Franse gemeenschap werd door een belangrijk aantal Waalse socialisten gezien als een overbodige beslissingsmacht, waarvan de bevoegdheden langzamerhand aan de gewesten moesten worden overgedragen. Zeker, de Parti socialiste (PS) is niet homogeen en in haar schoot bestaan fervente verdedigers van de Franse gemeenschap, maar hun stemmen lijken alsmaar in aantal af te nemen. De taalgemeenschap tussen Walen en Franstaligen voldoet niet meer als bindmiddel, temeer omdat de oprichting van het gewest Brussel-Hoofdstad gevoelig de aard van het probleem veranderd heeft. De Brusselaars beschikken vanaf dan over hun eigen regionale structuren. De opeenvolgende staatshervormingen hebben ontegensprekelijk de gegevens gewijzigd. Wallonië beschikt vanaf dan over politieke en economische instrumenten waardoor het zijn eigen bestemming beter kan sturen. Het is dus als volwaardige partners dat Wallonië, Brussel en Vlaanderen contacten kunnen aanknopen. Zeker, meer algemeen blijven er wrijvingszones bestaan en steken verschillende gevoeligheden de kop op. Maar van compromis naar hervormingen zet Wallonië zich geleidelijk in voor de opbouw van een positief project, ontdaan van de dubbelzinnigheden van het verleden. Zeker, het 'Voerense geschil' blijft bestaan, maar het vormt geen onvermijdelijk obstakel meer. Voorts wonen er in de Brusselse periferie nog altijd Franstalige minderheden, maar de Waalse Beweging interesseert zich maar matig voor hun lot. De taalkundige dimensie van de Waalse strijd heeft niet meer het belang die zij eens had. Wallonië is nu bezig een sterke en legitieme identiteit op te bouwen. Maar alhoewel deze onontbeerlijk lijkt, moet toch worden geconstateerd dat de actuele uitdagingen vooral van economische, sociale en culturele aard zijn. De oplossing van die problemen zal de meest adequate garantie bieden voor de toekomst van een gewest dat naar zichzelf op zoek is.

Hoe moet na een eeuw concubinaat de visie van de Waalse Beweging op Vlaanderen worden geanalyseerd en in welke mate is deze visie geëvolueerd? Het antwoord op deze vraag is niet eenvoudig. Men kan terzelfder tijd spreken van continuïteit en verandering. De continuïteit ligt ontegensprekelijk in de opvatting van het 'Vlaams' door de Waalse militanten. De verwerping ervan in de afgelopen eeuw is niet fundamenteel veranderd. Zeker, de dialecten van het Noorden hebben plaatsgemaakt voor een standaardtaal, maar deze wordt nog altijd beschouwd als een taal van het tweede garnituur. Evenzo is het beeld van de meer behoudsgezinde en weinig strijdvaardige Vlaming, een beeld dat door de pers van de Waalse Beweging op het einde van de 19de eeuw is verspreid, herhaalde malen naar voren geschoven als verklaringsgrond voor de industriële investeringen in het Noorden van het land, vlak na de Tweede Wereldoorlog. Het element dat op verandering wijst is complexer omdat het terzelfder tijd betrekking heeft op het beeld dat de Walen van zichzelf hebben, en, van de weeromstuit, het beeld dat ze van de Vlamingen hebben. Een eeuw geleden was Wallonië de economische motor van dit land. Daaruit vloeide een beeld van vooruitgang, een vertrouwen in de toekomst en een optimisme voort; dit alles is anno 1997 verdwenen. De steenkoolcrisis van de jaren 1950 en het onomkeerbare verval van de traditionele Waalse industrieën hebben het vertrouwen van de Walen duurzaam gehypothekeerd. Een mentaliteit van overwonnenen en een defensieve houding in termen van privé- en overheidsinvesteringen hebben geleid tot een negatief zelfbeeld. Maar op het moment dat het gewicht van de erfenis van de Tweede Wereldoorlog alomtegenwoordig is, wordt het beeld van de ander ook bepaald door wat in een bepaalde Vlaamse katholieke pers verschijnt. Het beeld van een Vlaanderen dat in zijn geheel amnestie eist – zelfs indien dit beeld een veel genuanceerdere werkelijkheid verbergt – staat tegenover de wil van de politieke verantwoordelijken van het Waalse gewest die van Wallonië een 'geen amnestie'-terrein proberen te maken. Deze afwijzing gebeurt in naam van het antifascisme en de verwerping van extreem-rechts. Maar dit belangt niet enkel de Waalse militanten aan, maar ook, meer algemeen, het geheel van de politieke democratische krachten; of die zich nu als Belgisch of als Waals definiëren. Het Waalse gewest eist zonder omhaal de engagementen van het verzet op, zelfs indien deze ook gedragen werden door Belgische patriotten. De erfenis van de oorlog openbaart trouwens helder de identiteitsbreuken, in Wallonië zelf en daarenboven ook in Franstalig België.

Heden ten dage poogt het Waalse gewest een grauwe hemel blauw te schilderen. Maar het is niet gemakkelijk een mentaliteitsverandering te bewerkstelligen in een regio waarvan men liever op het werkloosheidscijfer wijst dan bijvoorbeeld het productiviteitscijfer. Omgekeerd heeft het beeld van het "arme Vlaanderen" dat opgeld deed gedurende de eerste decennia van de eeuw plaatsgemaakt voor het beeld van een modern Vlaanderen, aan de spits van technologische vernieuwingen; zelfs indien dit beeld zoals alle beelden gecorrigeerd en genuanceerd moet worden in het licht van de gewestelijke verscheidenheid. De Waalse Beweging heeft vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog onophoudelijk de investeringsbeperking in zowel de privé- als de overheidssector, waarvan Wallonië het slachtoffer is, aangeklaagd. Deze aanklacht was niet zonder klippen of slipgevaar, zoals men bijvoorbeeld heeft kunnen vaststellen bij de beslissing tot de oprichting van Sidmar in 1960. Tegenover een Vlaams gewest dat een buitengewone economische ontwikkeling heeft gekend, nam de Waalse Beweging een agressieve houding aan, een teken van nostalgie naar de vergane glorie. Buiten de ruwe materiële gegevens kon het onbegrip voor de ander die werd gezien als agressief en verantwoordelijk voor het verval, enkel de kloof tussen Walen en Vlamingen nog verdiepen. Daarbij kwam nog het probleem Brussel, waarvan de sentimentele lading voor de Vlamingen alsmaar toenam, terwijl deze aan Waalse zijde alsmaar verminderde. In Brussel zelf is in de loop van de decennia een gemeenschap gesmeed die er zich langzaam van bewust is geworden dat zij noch Vlaams noch Waals is en dat zij bijgevolg haar verantwoordelijkheden heeft zoals de andere regio's. Het bestaan van deze derde partner kon de relaties die al moeilijk waren, enkel nog complexer maken.

Vandaag zijn de drie regio's een realiteit. De Waalse en de Vlaamse Beweging lijken geïntegreerd in het Belgische politieke landschap. De blik van de ander blijft het stempel van wantrouwen en verdachtmaking dragen en wat kan men zeggen over de verhouding tussen deze twee vijandige broers en hun voedstermoeder, België?

Literatuur

J. Destrée, Wallons et Flamands. La querelle linguistique en Belgique, 1923; 
R. Royer, Histoire de Rénovation wallonne, 1973; 
A. Clara, La presse d'action wallonne 1918-1940, ULg, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1981; 
F. Joris, Les Wallons et la réforme de l'Etat 1890-1971. Aperçu historique du mouvement wallon et des réformes institutionnelles en Belgique, 1983; 
M.F. Gihousse, Mouvements wallons de résistance mai 1940-septembre 1944, 1984; 
M. Libon, Elie Baussart (1887-1965). L'identité wallonne et le mouvement wallon, UCL, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, 1986; 
E. Deslé, 'Het ontstaan en de politieke betekenis van de Brussels-francofone beweging in de periode 1945-1958', in E. Witte (red.), Het probleem Brussel sinds Hertoginnedal (1963). Acta van het colloquium VUB-CRISP van 20 en 21 oktober 1988. Deel I. Historische achtergronden (Taal en Sociale Intergratie, nr. 11, 1989), p. 403-444; 
C. Kesteloot, 'Stratégies wallonnes et francophones à Bruxelles (1955-1963)', in E. Witte (red.), Het probleem Brussel sinds Hertoginnedal (1963). Acta van het colloquium VUB-CRISP van 20 en 21 oktober 1988. Deel I. Historische achtergronden (Taal en Sociale Intergratie, nr. 11, 1989), p. 445-501; 
J. Tyssens, 'De Mouvement populaire wallon en de kwestie Brussel 1961-1964', in E. Witte (red.), Het probleem Brussel sinds Hertoginnedal (1963). Acta van het colloquium VUB-CRISP van 20 en 21 oktober 1988. Deel I. Historische achtergronden (Taal en Sociale Intergratie, nr. 11, 1989),p. 373-401; 
G. Fonteyn, De nieuwe Walen. Met een inleiding over het Belgisch model, 1988; 
L. Wils, Van Clovis tot Happart. De lange weg van de naties in de lage landen, 1992; 
C. Kesteloot, 'Mouvement wallon et identité nationale', in Courrier hebdomadaire du Crisp, nr. 1392 (1993); 
P. Ubac (pseudoniem), Génération Fourons, 1993; 
M. Libon, Elie Baussart. "Raciner" les Wallons, 1993; 
C. Kesteloot, 'La résistance: ciment d'une identité en Wallonie?', in La Résistance et les Européens du Nord/Het Verzet en Noord-Europa, 1994, p. 406-418; 
L. Wils, Vlaanderen, België, Groot-Nederland. Mythe en Geschiedenis, 1994; 
B. Vaes en Cl. Demelenne, Le cas Happart. La tentation nationaliste, 1994; 
Wallonie. Atouts et références d'une Région. Ouvrage réalisé à l'initiative de Ministre-Président de la Région wallonne Robert Collignon, sous la direction de Freddy Joris assisté de Natalie Archambeau, 1995; 
R. van Alboom, 'Aspecten van de Waalse Beweging te Brussel (1877-1914)', in Taal en Sociale Integratie, nr. 6, 1985, p. 3-106; 
C. Godefroid, 'Het ras in de ogen van de Waalse beweging. Een begrip met een 'veranderlijke geometrie' ', in M. Beyen en G. Vanpaemel (red.), Rasechte wetenschap? Het rasbegrip tussen wetenschap en politiek vóór de Tweede Wereldoorlog, 1998, p. 131-153; 
C. Kesteloot, 'Etre ou vouloir être. Le cheminement difficile de l'identité wallonne', in BEG, nr. 3 (november 1997), p. 181-202; 
Ph. Destatte, L'identité wallonne. Essai sur l'affirmation politique de la Wallonie, XIX-XXème siècles, 1997.

Auteur(s)

Chantal Kesteloot