Vrijzinnigheid

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Weinig concepten zijn zo moeilijk te definiëren als "vrijzinnig" en "vrijzinnigheid". Dat ligt niet alleen aan de in essentie individuele invulling die elke vrijzinnige eraan geeft; het concept is evenzeer gekleurd door de nationale historische context. Bovendien vond er een betekenisverschuiving plaats. Medio 19de eeuw stond de term "vrijzinnig" zowat synoniem voor "liberaal" en sloot dus nog dicht aan bij de betekenis die er ook thans in Nederland nog aan wordt gegeven. In het kader van de geschiedenis van de levensbeschouwelijke tegenstellingen in België ging de term 'vrijzinnigheid' naderhand een breder, niet-confessioneel wereldbeeld dekken. Dat wereldbeeld stond voor rationalisme, antiklerikalisme, vrijdenken en antidogmatisme, evolueerde meestal van deïsme naar agnosticisme of atheïsme en ging zich naderhand ook steeds vaker identificeren met een humanistische ethiek. In België werd dat wereldbeeld al snel uitgedragen door een min of meer gestructureerde beweging. Om allerlei redenen is die er echter nooit in geslaagd alle vrijzinnigen in haar schoot te organiseren.

Het spreekt voor zich dat tal van vrijzinnigen actief waren in de V.B. en dat ook talrijke verenigingen met een uitgesproken vrijzinnig cachet – men denke aan de cultuurfondsen Willemsfonds en Vermeylenfonds – een rol hebben gespeeld. Het liberaal flamingantisme van de 19de eeuw gaf zijn Vlaamsgezindheid een manifest antiklerikale invulling – de katholieke hiërarchie was schuldig aan de Vlaamse achterstand – en ijkte aldus de kwalificatie "Klauwaard en Geus", welke de vrijzinnige flaminganten in het vaandel zouden blijven voeren. Het is echter van belang deze combinatie van vrijzinnigheid en flamingantisme precies te situeren. Een vrijzinnige zelfidentificatie leidt in Vlaanderen of elders zelden een autonoom en exclusief bestaan. Zij wordt vaak gecombineerd met andere, politieke, identificaties, met een socialistisch, een liberaal of soms een communistisch engagement. De vrijzinnig-flamingantische optie functioneert veelal via een dergelijk 'secundair' kanaal. Dat neemt niet weg dat er binnen de vrijdenkersbeweging en de moderne georganiseerde vrijzinnigheid in Vlaanderen op vrij continue wijze een specifiek Vlaams bewustzijn aanwezig was, vaker onuitgesproken dan expliciet.

Dit betekent natuurlijk niet dat de vrijzinnige organisaties stricto sensu zich in Vlaanderen vaak militant op dit terrein hebben begeven, wel integendeel. Dat hoeft ook niet te verwonderen, want de doelstellingen van de vrijzinnige organisaties situeerden zich toen evenmin als nu op dat vlak. Het ware dus zonder meer ijdel om a posteriori een strijdbaar Vlaams-nationalisme te gaan construeren waar het om evidente redenen niet aanwezig was. Het gaat er dus om de sympathieën en de twijfels te ontleden die binnen de vrijzinnigheid tegenover het flamingantisme bestonden. Aangezien het hier gaat om de "vrijzinnigheid" en niet om de "vrijzinnigen", zullen de vrijzinnige structuren centraal staan in het betoog en komen individuele gevallen slechts zijdelings aan bod.

Ontstaan van de vrijdenkersbeweging

De Belgische vrijdenkersbeweging was in eerste instantie een Brussels verschijnsel. In kringen van artisanale arbeiders, marginale intellectuelen en Franse republikeinse ballingen ontstond in 1854 een eerste vrijdenkersbond, L'Affranchissement. Het belangrijkste doel van de vereniging was de organisatie van burgerlijke begrafenissen, destijds de rituele uiting bij uitstek om de breuk met de kerkelijke organisatie van het sociale leven duidelijk te maken. L'Affranchissement profileerde zich ook als een uitgesproken socialistische vereniging. Een conflict rond de doctrinale invulling van dat socialisme leidde in 1857 tot de afscheuring van Les Solidaires, die een wezenlijke rol zou spelen in de groei van de socialistische arbeidersbeweging. Burgerlijke elementen waren in deze eerste verenigingen nauwelijks aanwezig. De scheiding tussen de sociale klassen was te sterk opdat bourgeoisie en arbeiders in eenzelfde vrijzinnige organisatie zouden kunnen militeren. Bovendien was de socialistische optiek van de eerste bonden niet van die aard om veel burgerlijke vrijdenkers aan te trekken. Zij zouden zich later organiseren in aparte organisaties. Kort na de omstreden burgerlijke begrafenis van Pierre-Théodore Verhaegen richtte een groep liberale burgers de Brusselse Libre Pensée op. Deze verwierf snel een grote aanhang, ook buiten de hoofdstad. De impact van de Brusselse Libre Pensée op de linkervleugel van de liberale partij was aanzienlijk. De organisatie lag ook aan de basis van de Ligue de l'Enseignement in 1864, waarvan het educatieve programma eveneens een niet geringe weerklank zou krijgen. In deze ligue bestond aanvankelijk een vrij uitgesproken sympathie voor de bevordering van het Nederlands als onderwijstaal.

Vanuit het Brusselse bastion verspreidde de vrijdenkersbeweging zich langs deze twee assen over het hele land. Zo opereerden in tal van gemeenten burgerlijk-liberale bonden naast socialistische. Deze laatste rekruteerden nauwelijks uit proletarische lagen, maar veeleer onder geschoolde arbeiders en het socialistische element van de lagere middenklasse, de lagen dus waar de reformistische strekking voet aan de grond zou krijgen. De burgerlijke bonden vertoonden na verloop van tijd een tendens om meer uit de lagere strata van de burgerij te gaan werven en ze namen tegelijkertijd een meer sociaal progressief profiel aan. In dat licht groeiden beide strekkingen enigszins naar elkaar toe. Zij vonden elkaar in de gezamenlijke oppositie tegen de klerikale regeringen en stichtten in 1885 de Fédération Nationale des Sociétés de Libre Pensée. De eengemaakte vrijdenkersbeweging kende een kortstondig hoogtepunt, maar vanaf 1895 zou haar invloed tanen. De drang van de liberale partij en van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) om ook onder gelovigen te gaan rekruteren, bracht hen er immers toe de banden met de traditioneel bevriende vrijdenkersbonden zo los mogelijk te maken. In 1913 werden de collectief geaffilieerde socialistische vrijdenkersbonden uit de partij gewerkt.

De Vlaamse aanwezigheid in deze structuren was zonder meer minoritair. Dat betekent echter nog niet dat zij helemaal afwezig was. In L'Affranchissement en Les Solidaires was de voertaal wel degelijk het Frans, maar de aanwezigheid van Nederlandstaligen was onmiskenbaar. Zo waren er figuren als Jan Pellering in de eerste en Emiel Moyson of César de Paepe in de tweede vereniging. Les Solidaires telde trouwens leden en sympathisanten in Vlaamse steden en gemeenten, onder meer in Leuven en Ninove. De Paepe en Moyson waren bovendien lid van Vlamingen Vooruit. Uit getuigenissen van de Franse republikeinse ballingen die deze verenigingen frequenteerden blijkt verder dat de verhitte discussies die er plaatsvonden doorspekt waren met Nederlandse zinnen en uitdrukkingen, al was het dan soms onder de vorm van vloeken of scheldwoorden. Dit is echter niet het belangrijkste. Van belang is, dat de vrijdenkersbeweging zich ook kon uitbouwen in Vlaanderen zelf en dat zij daar een vrij specifiek karakter wist te verwerven.

Uitbouw van de vrijdenkersbeweging in Vlaanderen

In vergelijking met de Waalse industriebekkens bleef de vrijdenkersbeweging in Vlaanderen relatief marginaal. Dat betekent niet dat zij geheel afwezig bleef. De eerste organisaties groeiden als onderafdelingen van de Brusselse Libre Pensée, en werden dan na korte tijd autonome afdelingen. Zo ontstond er in de loop van 1864 en 1865 een plaatselijke Libre Pensée in Antwerpen, Mechelen, Leuven en Gent. Zij vertoonden dezelfde kenmerken als de moedervereniging. De verenigingen bestonden grotendeels uit liberale bourgeois, die veelal ook vrijmetselaar waren. De voertaal was nog steevast het Frans. Stabiel waren deze eerste groepen geenszins; pas vanaf de jaren 1880 verwierven zij een meer permanent karakter. Dit gold ook voor de arbeidersvleugel, die zich trouwens pas later wist te organiseren. Te Gent zou in 1857 de Verenigde Solidairen zijn opgericht, maar over deze groep is weinig bekend. De Antwerpse Volksvrijdenkersbond werd in de jaren 1870 door oud-militanten van de eerste internationale en enkele jongeren opgericht als socialistische tegenhanger van de recent wederopgerichte Libre Pensée – Vrije Gedachte, maar werd al snel weer ontbonden omdat burgerlijke elementen ook thans weer het voortouw dreigden te nemen. Dezelfde groep socialisten richtte in 1880 De Solidairen op, die vanaf dan continu actief zou blijven en uiteindelijk ook de belangrijkste vrijdenkersbond van de metropool werd. De concurrentie van een Antwerpse Socialistische Vrijdenkersvereniging die werd opgericht in 1888 en in de jaren 1890 weer verdween, zou daar niets aan veranderen. De jaren 1880 waren duidelijk vruchtbaar. Rond 1885 werd te Gent eveneens een Socialistische Vrijdenkersbond opgericht. In 1887 werd ook de Libre Pensée Gantoise weer bedrijvig onder impuls van enkele progressistische vrijmetselaars. Socialistische vrijdenkersbonden ontstonden in de daaropvolgende jaren te Mechelen en te Leuven.

Men bemerke dat de voertaal in de socialistische vrijdenkersbonden steevast het Nederlands was, daar waar men in burgerlijke kringen in het beste geval slechts een tweetalige werking kon aantreffen. Daaraan moet worden toegevoegd dat de veelal paternalistische sympathie van de progressistische Franstalige liberalen voor de Vlaamse eisen begon te tanen naar het einde van de 19de eeuw toe. Hieruit blijkt dat naast de sociale en politieke barrière die de hele vrijdenkersbeweging überhaupt reeds in tweeën trok, er in Vlaanderen tot op zekere hoogte ook nog een taalbarrière bleek te zijn. Dit zou nog scherper worden gesteld naarmate de Vlaamse vrijdenkersbonden rond de eeuwwisseling vrij sterk in aantal begonnen te groeien en naar een eigen overkoepeling streefden. In 1895 ontstond zo op initiatief van de Antwerpse en de Gentse bonden de Vlaamse Vrijdenkersfederatie. Deze Vlaamse koepel was uitgesproken socialistisch georiënteerd. Op de Libre Pensée Gantoise na hielden aanvankelijk alle burgerlijke bonden zich afzijdig. Pas kort voor de Eerste Wereldoorlog slaagde men erin nog enige liberale bonden te laten aansluiten, evenals de tweetalige kring van rationalistische studenten die sedert 1905 aan de Gentse Rijksuniversiteit actief was. Hierbij moet worden opgemerkt dat de klassiek antiklerikale studentenorganisaties 't Zal wel gaan en Geen Taal Geen Vrijheid in deze periode geen noemenswaardige contacten hadden met de Vlaamse Vrijdenkersfederatie. Ook met het Willemsfonds bestond er nog geen samenwerking.

De Vlaamse Vrijdenkersfederatie was geenszins vergelijkbaar met de andere regionale of provinciale vrijdenkersfederaties die veelal in diezelfde periode werden opgericht en die onder het gezag van de Fédération Nationale des Sociétés de Libre Pensée werkten. De Vlaamse Vrijdenkersfederatie trad in de praktijk al snel volkomen autonoom op en profileerde zich ook als uitgesproken Vlaams tegen een dominant Franstalige nationale federatie. Deze laatste werd verweten veel te weinig rekening te houden met de Nederlandstaligen en kreeg om die reden regelmatig een veeg uit de pan in De Rede, het door de Gentse onderwijzer Aimé Bogaerts volgeschreven Vlaamse orgaan. De verspreiding van deze Nederlandstalige, socialistische vrijdenkerij ging trouwens vrij sterk crescendo tijdens de twee decennia voor de Eerste Wereldoorlog. Daaraan moet worden toegevoegd dat de vrijdenkersbonden van Anderlecht, Molenbeek en Koekelberg niet aansloten bij de Brusselse federatie maar bij de Vlaamse Vrijdenkersfederatie. Deze organiseerde haar vrijdenkerscongressen uitdrukkelijk apart. Ook de impact van het neomalthusianisme liet zich via gescheiden kanalen voelen. Daar waar de Franstaligen vooral vanuit Frankrijk werden beïnvloed, haalden de Vlaamse vrijdenkers hun inspiratie bij de Nederlandse Nieuw-Malthusiaanse Bond. In 1912 stichtten zij los van de Franstaligen een Belgisch Verbond ter Regeling van het Kindertal.

Dit alles wijst ten overvloede op de fundamentele autonomie die de ontwikkeling van de Vlaamse vrijdenkersbeweging bijna van in den beginne kenmerkte. Deze zelfidentificatie impliceerde echter niet dat men zich actief bezighield met de politieke eisen van de V.B. Die kwamen in de vrijdenkerspers zelden of nooit aan bod. Het socialistisch basisflamingantisme van de Vlaamse Vrijdenkersfederatie paste eenvoudigweg in een meer globale, emancipatorische gevoeligheid die een flamingantisch profiel koppelde aan een socialistische en republikeinse optiek. Dat flamingantisme was eerder kosmopolitisch dan nationalistisch, was sociaal zeer zeker pertinent, maar bleef uiteindelijk toch vaag in strikt politieke termen. De Vlaamse vrijdenkers bedienden zich zonder complexen van de Nederlandse taal, maar hun politieke prioriteiten lagen duidelijk elders.

Crisis van de vrijdenkersbeweging tijdens het interbellum

Het interbellum was een crisisperiode voor de gehele vrijdenkersbeweging. Dat gold zo mogelijk nog meer voor de Vlaamse vleugel. Beide 'linkse' partijen stapten tijdens de Eerste Wereldoorlog in de union sacrée en zouden ook na 1918 nog medewerken aan een regering van nationale unie. Ten slotte werden zij onvermijdelijk regeringspartners nadat de invoering van het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht het einde had ingeluid van de absolute parlementaire meerderheid van de katholieke partij. Deze laatste bleef echter de centrale kracht van de opeenvolgende regeringen. Socialisten en liberalen maakten geen onderlinge coalities maar zochten integendeel toenadering tot die standen van de katholieke partij die het dichtst aanleunden bij hun respectieve sociaal-economische belangen. Bovendien probeerden beide 'linkse' partijen ook onder gelovigen te rekruteren, vooral dan in het katholieke Vlaanderen. Beide strategische opties vergden een mildering van het klassieke antiklerikalisme van de twee partijen, hetgeen de vooroorlogse tendens tot distantiëring ten aanzien van de vrijdenkersbeweging nog versterkte. Deze laatste had haar hoop gesteld op het algemeen enkelvoudig stemrecht maar kwam bedrogen uit. Op geen enkel terrein was deze ontwikkeling zo duidelijk als in de schoolkwestie. Socialisten en liberalen streefden uitdrukkelijk naar een pacificatie en aanvaardden daarom een status-quo rond de vooroorlogse situatie, uitgebreid met verhoogde en rechtstreekse loonsubsidies voor het katholiek lager onderwijs. Centraal in de vrijdenkersactiviteit van het interbellum stond de ongenaakbare oppositie tegenover de toegeeflijke onderwijspolitiek, doch de strikte vijandigheid tegenover elke betoelaging van het confessioneel onderwijs kreeg hooguit een verbale weerklank in de partijen: tot een reële omwenteling van de schoolpolitieke opties leidde zij uiteindelijk niet. Pas toen de houding tegenover het subsidievraagstuk in de loop van de jaren 1930 onder impuls van enkele Vlaamse vrijzinnigen een nieuwe invulling kreeg, veranderde er iets op dat vlak. Maar deze ontwikkeling – het feit is betekenisvol – voltrok zich grotendeels buiten de klassieke vrijdenkerskringen. We komen daar verder nog op terug.

De Vlaamse vrijdenkersbeweging kwam sterk verzwakt uit de Eerste Wereldoorlog. De wrijvingen tussen de Antwerpse en de Gentse verenigingen hadden reeds vóór 1914 de cohesie van de Vlaamse Vrijdenkersfederatie aangetast. Toen haar Gentse bezieler Bogaerts in 1915 overleed, betekende dat de facto de ontmanteling van de Vlaamse koepelorganisatie. In de eerste naoorlogse jaren kregen voorstellen tot wederoprichting geen kans. Louis van Brussel, voorman van de bedrijvige Leuvense burgerlijke vrijdenkersbond De Rede was die wederoprichting bepaald niet gunstig gezind en deed dan ook alles om de Vlaamse bonden die de oorlog hadden overleefd in de nationale federatie onder te brengen. De bronnen laten niet toe te stellen dat het Vlaamsvijandige karakter van de vroege jaren 1920 dit afdoende verklaart. Het is echter helemaal niet onwaarschijnlijk dat dergelijke motieven een rol hebben gespeeld. Het zou duren tot 1929 vooraleer de Antwerpse Solidairen het initiatief nam om de Vlaamse Vrijdenkersfederatie weer op te richten. Slechts zes bonden van socialistische signatuur sloten zich hierbij aan. De burgerlijke verenigingen bleven als vanouds afzijdig.

De nieuwe Vlaamse Vrijdenkersfederatie vertoonde dezelfde kenmerken als de oude: zij was weer stevig links georiënteerd en huldigde het ongedwongen doch nauwelijks gepolitiseerde Vlaamse karakter van voor 1914. In tegenstelling tot de oude federatie werd de nieuwe koepelorganisatie volkomen gedomineerd door de Antwerpse Solidairen die thans duidelijk de sterkste vereniging was. Zij stond ook in voor de publicatie van de opeenvolgende Vlaamse vrijdenkersorganen, De Tribuun, De Denker en tenslotte De Vrijdenker. Aanvankelijk verliepen de werkzaamheden van de Vlaamse Vrijdenkersfederatie enigszins stroef. Twee reorganisaties, in 1933 en 1937, drongen zich op. Pas naar het einde van de jaren 1930 toe was zij weer de uiting van een hernieuwd dynamisme van de vrijdenkersbeweging in Vlaanderen. Toen was er opnieuw een twintigtal bonden actief veelal onder de auspiciën van de Vlaamse Vrijdenkersfederatie. Daarnaast bestond nog een twintigtal min of meer passieve verenigingen. Nu was er ook een meer uitgesproken samenwerking met de Gentse studentenvereniging 't Zal wel gaan. Met het Brusselse Geen Taal Geen Vrijheid bestonden er geen formele contacten. Net als elders in België was het antifascisme een belangrijke impuls voor deze herleving.

De politieke impact van de vrijdenkersbeweging was – zoals reeds gezegd – tijdens het interbellum wel bijzonder gering. De bonden voerden uitgesproken oppositie tegen de subsidies aan het katholiek onderwijs, die door de socialistische en liberale partij thans minstens stilzwijgend werden aanvaard. Globaal genomen slaagde de vrijdenkersbeweging er niet in een breed antiklerikaal front te organiseren om dat subsidiebeleid te bekampen. De Antwerpse bonden vormden tot op zekere hoogte een uitzondering op de regel. Het socialistisch-katholieke college van Camille Huysmans en Frans van Cauwelaert steunde er immers op een politiek akkoord dat supplementaire gemeentelijke toelagen zou toekennen aan de vrije lagere scholen door middel van een aannemingscontract (Antwerpen). De vrijdenkersbonden van de metropool slaagden er in 1926 en 1927 in om een brede alliantie te organiseren van vrijzinnige, socialistische en liberale organisaties, die samen de verlenging van het bewuste contract wilden bestrijden. De verlenging konden zij niet tegenhouden, maar ze zorgden wel voor een van de eerder zeldzame vrijzinnige mobilisaties van het interbellum. De reactie tegen Huysmans' subsidiepolitiek steunde nog steeds op de klassiek antiklerikale schoolpolitieke concepties. In de loop van de jaren 1930 zou er enige vernieuwing komen in die benadering. Deze vernieuwing groeide opmerkelijk genoeg niet in de oude, al dan niet Franstalige bastions, maar wel in zeer specifieke kringen van Vlaamse vrijzinnigen.

Door deze nieuwe benadering kwam het verzet tegen de toelagen terecht in een langetermijnprogramma. Op die manier werd het verzet geïsoleerd en werd voortaan alle aandacht toegespitst op de concrete realisatie van het officieel onderwijs in die streken waar het niet aanwezig was. Deze perceptie van de onderwijsproblematiek werd gedragen door de beweging die als Vrienden van het Officieel Onderwijs bekendstond. Zij ontstond in kringen van vrijzinnigen uit provinciesteden en zelfs enkele rurale gemeenten in West-Vlaanderen. Vanuit een zeer bedrijvig West-Vlaams provinciaal verbond verspreidde de beweging zich over de rest van Vlaanderen. In 1939 vormde zij zich om tot het Algemeen Verbond ter Bevordering van het Officieel Onderwijs (AVBO). Het AVBO wilde expliciet een Vlaamse vereniging zijn naast de oude, sterk op Brussel gerichte Ligue de l'Enseignement, waarmee het weliswaar goede relaties onderhield (en op wiens programma het overigens een sterke invloed had verworven). Niettemin werd de ligue verweten veel te laat het bestaan van de Vlamingen te hebben ontdekt. Het AVBO zou na de Tweede Wereldoorlog verder werken, maar reeds in de jaren 1950 bleek het niet langer een echt belangrijke actor.

Het onderliggende pragmatisme van het bewuste programma was specifiek op de Vlaamse situatie gericht, waar de subsidieproblematiek globaal genomen veel minder belangrijk was dan de eis om er overal een goed uitgebouwd en gewaarborgd neutraal officieel onderwijs georganiseerd te zien. De Vrienden van het Officieel Onderwijs rekruteerden onder de socialisten maar veel meer nog in kringen van min of meer progressistische, gematigd flamingantische liberalen. Velen waren lid van het Willemsfonds en deelden in de cultuurflamingantische erfenis. Dit verklaart waarschijnlijk de grote belangstelling die zij toen reeds aan de dag legden voor de uitbouw van het officieel middelbaar onderwijs in Vlaanderen. In dat licht is het trouwens betekenisvol dat de intellectuele leider van de beweging, de Nieuwpoortse wiskundeleraar Honoré Houvenaghel, deze nieuwe schoolpolitieke dynamiek aanvankelijk vorm wilde geven binnen de organisatorische structuur van het Willemsfonds zelf. Het pragmatische karakter van het programma droeg er alleszins toe bij dat het een belangrijke invloed verwierf op het schoolpolitieke besluitvormingsproces van het einde van de jaren 1930. Maar het belang ervan lag minstens evenzeer in het feit dat het voor de eerste maal een ommekeer teweegbracht in de wijze waarop de vrijzinnigheid haar programma trachtte vorm te geven in de specifieke politieke context van het algemeen enkelvoudig stemrecht. De impuls hiertoe kwam dus vanuit Vlaanderen en dat zou zo blijven, ook wanneer het nieuwe vrijzinnige pragmatisme op andere terreinen doordrong.

== Na 1945: het humanisme in Vlaanderen== Na de Tweede Wereldoorlog onderging de internationale vrijdenkersbeweging een grondige inhoudelijke en organisatorische omwenteling. Vooral onder invloed van het in 1946 in Nederland opgerichte Humanistisch Verbond trachtte men thans een modern humanisme te promoten, waarin de buitenkerkelijken een eigen, positieve ethiek konden terugvinden. De morele bijstand aan niet-gelovigen werd daarin primordiaal. Naast de godsdiensten en zonder deze aan te vallen, wilde men een sociale ruimte creëren voor de niet-gelovige gemeenschap. Deze nieuwe gematigdheid werd onder meer gemotiveerd door de gemeenschappelijke ervaringen van gelovigen en niet-gelovigen in het verzet tegen het nazisme en bleek na verloop van tijd ook beter te functioneren in een politieke constellatie waarin militant antiklerikalisme moeilijk verkoopbaar bleek. Deze optiek drong ook door in Vlaanderen, vooral dan met de oprichting in 1951 van het Humanistisch Verbond, dat duidelijk op zijn Nederlandse naamgenoot was gericht. Enkele Vlaamse vrijzinnige intellectuelen (figuren als K. Cuypers, R. Dille, L. de Coninck en J. Broeckx), die weinig of geen banden hadden met de klassieke vrijdenkersbonden maar die via hun banden met de neerlandicus Garmt Stuiveling wel sterk waren beïnvloed door de nieuwe impulsen uit het noorden, sloten kort na de oorlog aan bij het Nederlandse Humanistisch Verbond. Na enige jaren van rijping volgde dan de stichting van een eigen Vlaamse organisatie, die veel intellectualistischer, minder militant antiklerikaal en politiek heel wat gematigder was dan de oude vrijdenkersbonden. Deze bleven trouwens apart verder werken in de Vrijdenkersunie, die in 1951 de Vlaamse Vrijdenkersfederatie was opgevolgd en waarin de Antwerpse Solidairen nog steeds centraal stond. De Vrijdenkersunie bleef actief tot ver in de jaren 1970, maar kon niet verhinderen dat zij geleidelijk uit de markt werd geconcurreerd door het Humanistisch Verbond en zijn in de daaropvolgende jaren uitgebouwde nevenorganisaties.

De nieuwe humanistische optiek kreeg dus manifest voet aan de grond onder de Nederlandstalige vrijzinnigen. Dit was aanvankelijk niet het geval voor hun Franstalige tegenhangers, waar de meer diepgewortelde traditie van de klassieke Fédération Nationale des Sociétés de Libre Pensée veel minder gemakkelijk aan de kant werd geschoven. Pas vanaf de jaren 1960 kwam de humanistische benadering ook daar meer nadrukkelijk tot uiting. Dat betekent dat de Vlaamse vrijzinnigheid meer dan ooit tevoren een eigen karakter en vooral ook een eigen dynamiek ontwikkelde, die weinig of niets ontleende aan de Franstalige medestanders. Meer zelfs, deze dynamiek begon de nochtans zoveel sterkere Franstalige vrijzinnigheid richting te geven. Dat zou ook later nog blijken.

Betekende dit nu dat de Vlaamse vrijzinnige organisaties zich ook in politiek opzicht meer flamingantisch opstelden? Tot op zekere hoogte kan deze vraag positief worden beantwoord, hoewel men bepaald voorzichtig moet zijn met de inschatting van deze opstelling. Het is inderdaad zo dat de verdubbelingsbeweging die zich medio de jaren 1950 weer had ingezet aan de Université libre de Bruxelles (ULB) en die daar aanvankelijk vooral werd gedragen door de Vereniging voor Nederlandstalig Vrijzinnig Hoger Onderwijs en door de nauw erbij aanleunende Oudstudentenbond, manifest de sympathie en de steun genoot van de Vlaamse vrijzinnige verenigingen en van beide bevriende cultuurfondsen (onderwijs; studentenbeweging). Omtrent de VUB werden vrij scherp geformuleerde Vlaamse standpunten ingenomen in de publicaties van het Humanistisch Verbond. Men kan echter bezwaarlijk stellen dat bijvoorbeeld het Humanistisch Verbond een drijvende rol heeft gespeeld in de ontwikkeling die uiteindelijk naar de creatie van een autonome Vrije Universiteit Brussel (VUB) zou leiden, hoezeer zij ook achter de nieuwe universiteit stond. Zeker, tal van leidinggevende figuren van de Nederlandstalige universitaire gemeenschap van de ULB waren ook lid van het Humanistisch Verbond en hadden kort na de stichting van de VUB zelfs een leidende rol in de creatie van de Unie van Vrijzinnige Verenigingen. Desondanks bleef de rechtstreekse bijdrage van de vrijzinnige organisaties zelf relatief beperkt.

In de loop van de jaren 1960 en vooral 1970 werd de Vlaamse georganiseerde vrijzinnigheid niettemin geconfronteerd met de communautaire problematiek. De taalpolitieke dynamiek die naar de staatshervorming(en) zou leiden, moest zich op een of andere wijze reflecteren in een nieuwe definitie van de georganiseerde vrijzinnigheid binnen de naar een federale ordening evoluerende Belgische staat. In dat licht was het ongetwijfeld belangrijk dat een Vlaamsgezinde organisatie als het Willemsfonds in de loop van de jaren 1960 zich duidelijk in meer expliciet vrijzinnige richting manifesteerde. Daardoor zou het in 1971 ook een van de belangrijke organisaties zijn die in Vlaanderen de Unie van Vrijzinnige Verenigingen mede zou stichten. Het socialistische Vermeylenfonds sloot pas in 1980 aan, toen het voorzitterschap niet langer werd bekleed door Aloïs Gerlo, die zich tegen deze vrijzinnige profilering kantte. Wat betekende dit nu voor de vrijzinnige perceptie van de Vlaamse eisen, meer in het bijzonder dan van het streven naar een federaal België? Al kan het Vlaamse karakter van het Humanistisch Verbond of van zijn nevenorganisaties min of meer worden getypeerd als een voortzetting van de ingesteldheid die ook reeds bestond in de Vlaamse Vrijdenkersfederatie van weleer, dan neemt dat niet weg dat de relatie tussen de Vlaamse vrijzinnigheid en de federalistische eisen van de V.B. getekend werd door een fundamentele malaise. In Vlaamse vrijzinnige kringen – dat was al begin de jaren 1960 duidelijk gebleken toen Adriaan Verhulst de problematiek aankaartte in het Willemsfonds – vreesde men immers dat de creatie van een federale staat de niet-confessionele gemeenschap zou minoriseren in een overwegend katholiek Vlaanderen. In een unitaire staat kon dit wellicht nog worden gecompenseerd door het vrijzinnige tegengewicht van het zuiden. Die vrees was niet ongegrond in een periode waarin meermaals duidelijk werd dat het katholieke establishment niet aarzelde censuur te eisen op onwelvoeglijk geachte literatuur, film of theater (in de jaren 1960 en in het begin van de jaren 1970 was het aantal incidenten daaromtrent niet gering). Het was ook nog bepaald moeilijk meer prozaïsche culturele manifestaties van vrijzinnige signatuur te organiseren aangezien gemeentelijke toelagen of andere materiële hulp hierbij geenszins vanzelfsprekend waren. De angst voor de "cultuurdood van de vrijzinnige minderheid" bestond dus wel degelijk. Het was bijgevolg niet verwonderlijk dat culturele autonomie met gemengde gevoelens tegemoet werd gezien.

In dat licht gingen niet alleen stemmen op voor een bundeling van alle Vlaamse vrijzinnige krachten. Met het Schoolpact in het achterhoofd, braken Vlaamsgezinde vrijzinnigen zoals een Julien Kuypers binnen de pluralistisch samengestelde Kultuurraad voor Vlaanderen een lans voor een Cultuurpact, ter bescherming van de vrijzinnige minderheid in Vlaanderen. Het was echter vooral Willemsfonds-voorzitter Verhulst die naar het einde van de jaren 1960 toe duidelijk maakte dat de culturele autonomie slechts kon worden aanvaard mits ook dat bewuste cultuurpact er zou komen. Verhulst invoceerde de solidariteit van de vrijzinnige flaminganten bij de strijd voor de overheveling van Leuven-Frans en beriep zich daarop om nu een tegengunst te vragen (Hoger Onderwijs: Leuven). Het was ook Verhulst die zou blijven opboksen tegen de christen-democratische weigerachtigheid en tegen de scepsis van de Belgische Socialistische Partij (BSP) in deze. De nood aan een bijzondere meerderheid om de wetten ter oprichting van de cultuurraden gestemd te krijgen, maakte het mogelijk om medio 1971 de steun van de oppositionele Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) te gelde te maken en aldus toch een voorakkoord voor een cultuurpact af te dwingen. De cultuurpactwet liet echter op zich wachten tot 1973. Het decreet voor het Vlaamse Gewest kwam er pas in 1974 en pas in januari 1975 werd de Vaste Cultuurpactcommissie geïnstalleerd. Het cultuurpact zou voor zijn vrijzinnige promotoren overigens een teleurstelling worden. De oproepen begin de jaren 1980 van Vlaams-vrijzinnige zijde om dezelfde beginselen van pluralisme en tolerantie ook te laten opnemen in pacten voor andere maatschappelijke sectoren – bijvoorbeeld op het ethische vlak – stuitten bovendien op een katholieke weigering, zo onder meer vanwege de christelijke meerderheid binnen het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV). Dit gegeven en de ruk naar rechts van niet weinig Vlaamse verenigingen verklaren de geleidelijke distantiëring van Willemsfonds en Vermeylenfonds ten aanzien van het OVV.

Erkenningsstreven, homogenisering en differentiatie binnen de Belgische vrijzinnigheid

Zoals uit het voorgaande reeds blijkt, diende de georganiseerde vrijzinnigheid in België – in tegenstelling tot bijvoorbeeld de traditionele partijen – geen communautair splitsingsproces door te maken. Binnen beide taalgemeenschappen groeiden de vrijzinnige organisaties immers reeds lang volgens een eigen dynamiek. De koepelorganen waren dan ook van meet af aan op taalhomogene leest geschoeid. Het in 1969 opgerichte Centre d'Action Laïque en de in 1971 definitief opgerichte Unie van Vrijzinnige Verenigingen (de eerste Vlaamse koepelstructuur met die naam had korte tijd gefunctioneerd medio jaren 1960, maar was snel in lethargie vervallen) waren dus reeds actief vooraleer zij elkaar vonden in een orgaan dat onderling overleg formeel mogelijk maakte en dat gestalte moest geven aan de gemeenschappelijke vrijzinnige eisen ten aanzien van de centrale overheid. Zo kwam in 1972 de Centrale Raad der Niet-Confessionele Levensbeschouwelijke Gemeenschappen van België (kortweg de Centrale Vrijzinnige Raad genoemd) tot stand. Deze zou meteen gestalte geven aan de nieuwe, fundamentele eis die logisch voortvloeide uit de op humanistische gemeenschapsvorming gerichte benadering: namelijk de vraag om de officiële erkenning van de vrijzinnigheid en haar betoelaging ten gelijken titel zoals de erkende erediensten. Dat moest toelaten de activiteiten op professionele wijze te organiseren. In Vlaanderen was het al vroeg in de jaren 1970 duidelijk geworden dat het accent daarbij vooral zou liggen op de morele dienstverlening aan buitenkerkelijken. Bij de Franstaligen was de belangstelling aanvankelijk wat meer socio-cultureel gericht, al was de aandacht voor morele dienstverlening er zeker niet afwezig.

Vanaf 1972 werden wetsvoorstellen ingediend om die erkenning formeel en globaal te verkrijgen. Aanvankelijk richtte men zich op een aanpassing van de wet van 4 maart 1870, die de financiering van de kerkfabrieken regelde. Na enige jaren werd de aandacht verplaatst naar het artikel 117 van de grondwet, dat zou moeten worden uitgebreid met een bepaling rond de erkenning en financiering van wat nog steeds als de 'vrijzinnige' gemeenschap werd omschreven. De grondwetsherziening van 1980 bracht nog geen genoegdoening, maar ze werd wel gevolgd door de belangrijke wet van 23 januari 1981, die door de regering werd voorgesteld als een voorlopige oplossing in afwachting van een echte erkenning. Vanaf dan werd jaarlijks een budget uitgetrokken, dat de Unie van Vrijzinnige Verenigingen en het Centre d'Action Laïque toeliet zich professioneel te organiseren, zij het nog op grond van een min of meer onzekere financiering. De nagestreefde institutionalisering van de vrijzinnigheid begon nu stilaan vorm te krijgen. De vrijzinnige ontmoetingscentra die reeds hier en daar in Vlaanderen waren opgericht, werden nu vervoegd door centra voor morele dienstverlening, waarvoor voltijdse lekenconsulenten werden aangeworven. Het bewuste grondwetsartikel 117 werd andermaal voor herziening vatbaar verklaard bij de verkiezingen van de constituante Kamers in 1987 en in 1991. In 1988 ging de herziening niet door, maar in het staatshervormingsproces van 1992 had men meer succes. De sympathisanten van de vrijzinnigheid in de Senaat slaagden er nu wel in om de erkenning van de "niet-confessionele gemeenschap" (de term is breder dan "vrijzinnig" en is in zijn Franstalige versie minder dubbelzinnig dan "laïque") toe te voegen aan het artikel 117 (in de gecoördineerde tekst van 17 februari 1994: artikel 181), zij het na enige achterhoedegevechten met de christen-democratische fracties. Op 19 januari 1993 behandelde de Senaat het nieuwe artikel 117. De toevoeging van een tweede lid met de bepaling dat de staat de wedden en pensioenen "van de afgevaardigden van de door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing" ten laste zou nemen, werd op 22 januari definitief goedgekeurd door vrijwel alle senatoren. De Kamer behandelde het artikel zeer snel op 22 april 1993 en stemde het nog diezelfde dag.

Wat in deze ontwikkeling sterk opvalt, is de wijze waarop de essentiële elementen van een Vlaams humanistisch discours met enige vertraging hun weg vonden naar het zuiden van het land. Dat was duidelijk het geval met de humanistische wending binnen de vrijzinnigheid. Dit leek naderhand ook meer en meer het geval te zijn voor de wijze waarop men in beide landsdelen gestalte tracht te geven aan de recente institutionalisering. Het ziet ernaar uit dat de specifieke formulering van het bewuste grondwetsartikel dit verschijnsel andermaal in de hand werkt. Er wordt immers nadrukkelijk gesproken over erkende organisaties die morele diensten verlenen. In dat kader lijkt het erop dat de Centre d'Action Laïque haar werking meer dan vroeger zal gaan afstemmen op het Vlaamse model en dus meer de nadruk zal leggen op morele dienstverlening. Ondertussen is de evolutie naar een toenemende delegatie van overheidstaken naar particuliere organisaties in het Vlaanderen van na de staatshervorming van 1988 meer geprofileerd dan binnen de Franstalige gemeenschap. Daardoor heeft de tendens tot institutionalisering van de vrijzinnigheid zich in het noorden ook op andere vlakken doorgezet. Een niet onbelangrijk deel van de ministeriële bevoegdheden inzake de inspectie en begeleiding van de cursus niet-confessionele zedenleer werd recent gedelegeerd naar een Raad voor Inspectie en Begeleiding niet-confessionele Zedenleer. Men kan verwachten dat deze tendens tot decentralisering zich in Vlaanderen in de nabije toekomst nog verder zal doorzetten. Of deze werkwijze ook thans weer naar het zuiden zal worden getransponeerd is veel minder waarschijnlijk. De relatieve dominantie van Vlaamse benaderingen situeert zich immers vooral in die sectoren waar de federale staat bevoegd is gebleven. Er is dus reden om te betwijfelen dat een dergelijke beïnvloeding zich op dezelfde wijze zal doorzetten in gecommunautariseerde sectoren zoals het onderwijs. Ondanks de druk naar een zekere supracommunautaire homogenisering van de structuren en van de werkwijze van de geïnstitutionaliseerde vrijzinnigheid, blijft er dus vrij veel ruimte voor een verdere communautair gedifferentieerde evolutie.

Literatuur

A.H. Kittell, 'Le rôle de l'anticléricalisme dans le développement de la gauche belge', in Socialisme, jg. 53 (1962), p. 635-646; 
W. Prevenier, 'De vrijzinnige problematiek in het Willemsfonds tussen 1951 en 1976', in Gedenkboek 125 jaar Willemsfonds, 1851-1976, 1976, p. 65-71; 
P. van Praag, 'De opkomst van het nieuw-malthusianisme in Vlaanderen', in Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis (1977), p. 197-220; 
E. Witte, 'De Belgische Vrijdenkersorganisaties (1854-1914)', in Tijdschrift voor de Studie van de Verlichting, jg. 5 (1977), p. 127-286; 
C. Demuynck, 'De socialistische vrijdenkersbeweging in Vlaanderen, 1880-1930', in H. Dethier en H. Vandenbossche (eds.), Woordenboek van Belgische en Nederlandse Vrijdenkers I, 1979, p. 237-254; 
E. Deschampheleire, 'Modest Terwagne', in H. Dethier en H. Vandenbossche (eds.), Woordenboek van Belgische en Nederlandse Vrijdenkers I, 1979, p. 255-266; 
L. Poll, 20 jaar Oudervereniging voor de Moraal (Humanistische Perspectieven, nr. 12, 1981); 
E. Witte, 'De specificiteit van het "verzuilingsproces" langs vrijzinnige zijde. De inbreng van de historische dimensie', in BTNG, jg. 13, nr. 1 (1982), p. 23-58; 
J. Verschaeren, Julius Vuylsteke (1836-1903). Klauwaard en Geus, 1984; 
(W. Matthijs), ... Vanzelfsprekend. 35 jaar Humanistisch Verbond, 1988; 
M. Bots, 'Laïciteit en onderwijs', in H.  Hasquin en A. Verhulst (eds.), Het liberalisme in België. Tweehonderd jaar geschiedenis, 1989, p. 145-162; 
J. Tyssens, 'Ontstaan en ontwikkeling van de vrijdenkersbeweging in Vlaanderen', in 200 jaar vrijzinnigheid in België, 1989, p. 23-26; 
Histoire de la Ligue de l'Enseignement et de l'Education Permanente, 1864-1989, 1990; 
M. Bots, 'Geus. Het Willemsfonds en de vrijzinigheid', in M. Bots (e.a.), Het Willemsfonds van 1851 tot 1914, 1993, p. 93-113; 
J. Tyssens, Strijdpunt of pasmunt? Levensbeschouwelijk links en de schoolkwestie, 1918-1940, 1993; 
id., 'Een Vlaamse inbreng in de vrijzinnige actie rond de schoolkwestie in de jaren '30. Van de Vrienden van het Officieel Onderwijs naar het Algemeen Verbond ter Bevordering van het Officieel Onderwijs', BTNG, jg. 24, nr. 3-4 (1993), p. 353-397; 
id., 'L'organisation de la laïcité en Belgique', in A. Dierkens (ed.), Pluralisme religieux et laïcités dans l'union européenne, 1994, p. 55-69; 
M. Oukhow, 'Adriaan Verhulst en de vrijzinnigheid', in Liber Amicorum Adriaan Verhulst, 1995, p. 60-68; 
W. Prevenier, 'Adri Verhulst: een liberale klauwaard en geus', in Liber Amicorum Adriaan Verhulst, 1995, p. 9-39; 
J. Tyssens en E. Witte, De vrijzinnige traditie in België. Van getolereerde tegencultuur tot erkende levensbeschouwing, 1996.

Auteur(s)

Jeffrey Tyssens