Vranckx, Alfons

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Kessel-Lo 24 januari 1907 – Leuven 30 juni 1979).

Was de zoon van een ketelmaker die ook seizoenarbeider was in Frankrijk. Vader Vranckx was militant lid van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) en een der eerste syndicalisten in het Leuvense. Zoon Vranckx studeerde aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij in 1931 promoveerde tot doctor in de rechten. Na een stage in Genève studeerde hij van 1931 tot 1932 aan de Karluniversität van Praag. Bij zijn terugkeer schreef hij zich in aan de balie te Brussel. Hetzelfde jaar maakte hij zijn entree op het politieke toneel en werd hij verkozen tot gemeenteraadslid van Kessel-Lo. In 1936 werd hij als lijsttrekker voor de BWP-Leuven verkozen tot volksvertegenwoordiger. In 1938 werd hij te Kessel-Lo schepen van onderwijs en openbare werken en in de loop van 1940 werd hij aangesteld als dienstdoend burgemeester. Hij werd gevangengenomen en dook voor de rest van de oorlog onder.

Na de oorlog kwam er een voorlopig einde aan Vranckx' politieke carrière. Hij was nog een tijdje waarnemend burgemeester en bleef tot 1947 volksvertegenwoordiger, maar in 1948 werd hij op vraag van de partij Kamervoorzitter van de pas opgerichte Raad van State. In 1954 werd hij docent en van 1963 tot 1977 was hij hoogleraar aan de faculteit rechten van de Rijksuniversiteit Gent. In 1965 maakte hij zijn comeback in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en werd hij minister van binnenlandse zaken in de regering-Pierre Harmel- Antoon Spinoy (juni 1965-februari 1966). Hij werd geconfronteerd met de staking in de mijn van Zwartberg en kwam in conflict met de Volksunie, die hem het optreden van de rijkswacht tegen de stakers verweet. Omgekeerd schreef Vranckx hen de politieke exploitatie van de staking en de schuld aan de bloedige incidenten toe. In de regeringen- Gaston Eyskens-Merlot (juni 1968-november 1971) en -Eyskens-André Cools (januari 1971-november 1972) had hij de portefeuille van justitie. Als minister van justitie kreeg hij te maken met de door Karel van Isacker ingezette poging om eerherstel te verkrijgen voor Irma Swertvaeger.

Reeds als student aan de KUL was Vranckx uitgesproken geëngageerd als Vlaamsgezind socialist en antimilitarist. Als reactie op Les Flamingants van de latere Rex- leider Léon Degrelle, publiceerde hij in 1928 de brochure Confession d'un Flamingant, waarin hij de achterstand van de Vlamingen beklemtoonde op het vlak van gerecht, onderwijs en bestuur. Hij was medewerker en ook een tijd hoofdredacteur van het tijdschrift Menschen, dat de klemtoon legde op antimilitarisme en radicaal flamingantisme. Samen met Jef Rens en Leo Magits werkte hij ook mee aan het maandblad Schakels dat een socialistische visie bood op de nationale problematiek. In 1929 verscheen van zijn hand de brochure De Student voor de Vrede. Zijn pacifistische overtuiging kwam eveneens tot uiting in zijn voorzitterschap van de Vereniging voor Volkenbond en Wereldvrede. Vranckx was een gelovig socialist. In de reeks De Wilde Roos verschenen twee brochures van hem onder de titel Katholicisme en Socialisme (1930) en Een wekroep tot de Christenen voor het Socialisme.

In zijn latere carrière als jurist bleef Vranckx begaan met de Vlaamse kwestie. Zo gaf hij op het eerste Vlaams Socialistisch Congres van 1937 een referaat over de vervlaamsing van het gerecht. Na de Tweede Wereldoorlog was hij rapporteur voor het Centrum van onderzoek voor de nationale oplossing van de maatschappelijke en rechtskundige vraagstukken in de Vlaamse en Waalse gewesten. Van 1954 tot 1956 was hij lid, en van 1956 tot 1963 ondervoorzitter van de Commissie, belast met de voorbereiding van de Nederlandse tekst van de Grondwet, de Wetboeken en de voornaamste wetten en besluiten. Daarnaast was hij ook ondervoorzitter van de in 1954 opgerichte Centrale commissie voor de Nederlandse rechtstaal en bestuurstaal in België.

Ook was hij nauw betrokken bij de voorbereiding van de grondwetsherziening (staatshervorming). In de regering- Theo Lefèvre-Paul-Henri Spaak (april 1961-mei 1965) maakte hij deel uit van de delegatie van de Belgische Socialistische Partij (BSP) op de Rondetafelconferentie over de grondwetsherziening die haar activiteiten startte in januari 1964. Onder de volgende regering-Harmel-Spinoy maakte hij deel uit van een college van vier ministers dat de grondwetsherziening moest voorbereiden. Vranckx was bevoegd voor het probleem van de decentralisatie en de regionalisering. De regering viel echter vooraleer de commissie klaar was met haar activiteiten. Intussen had Vranckx wel een wetsontwerp ingediend voor de oprichting van een Vaste Commissie voor de verbetering van de betrekkingen tussen de Belgische taalgemeenschappen (de zogenaamde Commissie Vranckx). Vranckx werd zelf lid van die commissie die maar in werking trad onder de volgende regering. Hij was ook voorzitter van de werkgroep die zich bezighield met de Duitse taalgemeenschap.

Ook na zijn actieve politieke loopbaan bleef hij geïnteresseerd in de communautaire problematiek. In 1973 maakte hij voor de BSP deel uit van de Gemengde parlementaire Commissie van advies voor de gewestvorming die advies moest verstrekken over de uitvoering van artikel 107 quater op de gewestvorming. In 1975 ten slotte was hij, samen met Omer Vanaudenhove en Pierre Wigny een van de oprichters van het Studiecentrum voor Politieke Hervormingen dat een bijdrage wilde leveren tot de vernieuwing van de politieke instellingen.

Werken

Confession d'un flamingant à l'avant- garde, 1928; 
De Student voor de Vrede, 1929; 
Katholicisme en Socialisme, 1930; 
Gemeenschap en klassenstrijd, 1932; 
Les Encycliques et le Socialisme, 1939; 
De encyclieken en het socialisme, 1945; 
Stad en platteland, 1947; 
De toekomst van het socialisme, 1966.

Literatuur

W.S. Plavsic, Alfons Vranckx, z.j.; 
H. de Ridder en F. Verleyen, Waar is nu mijn mooie boomgaard?, 1971; 
W.S. Plavsic, 'In memoriam Alfons Vranckx', in Socialistische Standpunten, nr. 4 (1979), p. 196-204; 
'Ter herinnering van Prof. Dr. Alfons Vranckx', in Res Publica, jg. 21, nr. 3 (1979), p. 407-409; 
H. Gaus (ed.), Politiek Biografisch Lexicon, 1989.

Auteur(s)

Paule Verbruggen