Voort, Michiel van der

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Antwerpen 18 juli 1812 – Sint-Joost-ten-Node 9 februari 1867).

Was in zijn geboortestad onder andere leraar aan het atheneum en telde er Geeraard-Jan Dodd onder zijn leerlingen. Van der Voort verhuisde in 1840, na zijn huwelijk, naar Brussel, waar hij beedigd vertaler en daarna bureauchef bij een verzekeringsmaatschappij werd.

Van der Voort behoorde te Antwerpen tot de eerste Vlaamsgezinden. Hij was in 1835 medestichter van de De Olijftak. In 1836 richtte hij het letterkundig weekblad De Fakkel op, dat slechts enkele malen verscheen. In 1837 publiceerde hij zijn Coup d'oeil sur la langue et la littérature flamande. Als voorstander van de Belgische eenheid stelde hij het Nederlands voor als het enige element dat België van Frankrijk onderscheidde. Deze taal vormde dus een belangrijk kenmerk van de Belgische nationaliteit. Daarom moest de Vlaamse letterkunde worden aangemoedigd, namelijk als garantie voor onafhankelijkheid van België. Dit bleef steeds de leidraad van zijn betrokkenheid bij de V.B.

In Brussel werd Van der Voort getroffen door de lamentabele toestand van het Nederlandstalig onderwijs en hij was in de hoofdstad de eerste om Vlaamsgezinde acties op te zetten. Hij was nauw betrokken bij de stichting van het Nederduitsch Tael- en Letterkundig Genootschap in 1842 en was in 1845 de iniatiefnemer van de vereniging De Vlaemsche Verbroedering. Het was zijn bedoeling met het Tael- en Letterkundig Genootschap te komen tot een vaste organisatie van Vlaamsgezinden in het hele Vlaamse land. In 1944 deed hij een nieuwe poging in die zin met het Vlaemsch Taelverbond, maar ook deze bundeling van Vlaamse krachten mislukte. Verder was hij lid van Het Heilig Verbond, maar door de onderlinge tegenstellingen nam hij hieruit reeds snel ontslag. In 1849 bracht Van der Voort het Vlaemsch Midden-Comiteit tot stand. Hij was er de leidende figuur van en onder zijn impuls deed dit comité aan propaganda en agitatie en legde het zich vanaf 1853 vooral toe op de vernederlandsing van het landbouwonderwijs. Verder drong hij bij minister Pierre de Decker aan op de instelling van de zogenaamde Grievencommissie. Toen deze in 1856 een feit werd, was Van der Voort een van de leden. Hij verdedigde het werk van de commissie tegen oppositie van minister Charles Rogier, onder andere via artikels in De Grondwet.

Door de moeilijkheden van de Grievencommissie kwam Van der Voort tot het inzicht dat de traditionele actiemiddelen van de V.B. faalden. Op het vijfde Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres in 1856 (waarvan hij referent en secretaris was) verklaarde hij de Vlaamse kwestie voortaan als een politiek vraagstuk te beschouwen. Hij keerde zich daarbij zowel van liberalen als katholieken af. Hij was in 1858 medestichter van de progressieve, Vlaamsgezinde organisatie Vlamingen Vooruit. In datzelfde jaar werd zijn inboedel publiek verkocht, omdat hij geweigerd had aan een Franstalige belastingaanslag van de gemeente Schaarbeek gevolg te geven. De V.B. steunde hem algemeen en er werd een nationale inschrijving geopend.

Van der Voort was tevens in 1861 een van de initiatiefnemers van het Vlaamsch Verbond, dat wilde uitgroeien tot een derde politieke partij, maar zeer snel ten onder ging. In 1864 werd zijn aanwezigheid toegejuicht op de eerste bijeenkomst van de Landdagbeweging. Kort hierna werd hij echter ziek en zette vrijwel alle politieke activiteiten stop. Hij was vanaf 1864 wel nog actief in de Ligue de l'Enseignement.

Vanaf 1852 ijverde Van der Voort voor een Nederlandstalig theater in de hoofdstad. Hij was vanaf 1840 lid van het toneelgezelschap De Wijngaerd, waarvan hij enkele keren voorzitter werd. Hij gaf avondonderwijs en organiseerde toneelvoorstellingen voor de leden van De Veldbloem en pleitte bij minister Alfons Vandenpeereboom en in Het Vrije Woord voor een Nederlandstalig volkstheater in Brussel. Van der Voort is nooit een literator geweest, zoals de meeste flaminganten van zijn generatie. De enkele historische werken die hij heeft nagelaten, maken duidelijk dat geschiedschrijving zijn krachten te boven ging.

Werken

Artikelen in La Liberté; De Fakkel (1836); Het Vaderland (1844); De Vlaemsche Letterbode (1845-1846); De Moedertael (1849-1851); De Vlaemsche Beweging (1851-1852); Gazette van Gent (1857); De Grondwet (1858); Het Vrije Woord (1867); 
Coup d'oeil sur la langue et la littérature flamande en Belgique, considérée comme langue et littétarure nationale, 1837; 
Un mot sur la question d'orthographe flamande, 1839; 
Les avantages de l'orthographe flamande, proposée par la commission royale, 1842; 
Verslag over de grondbeginselen van het Vlaemsch Taelverbond, 1845; 
Maria van Burgondië, 1844; 
Traduction du Rapport sur le projet de loi concernant les écoles agricoles, 1854; 
Redevoering uitgesproken op het graf van P. Van Duyse, 1859.

Literatuur

H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse Gedachte, II, 1963; 
E. Gubin, Bruxelles au XIXe siècle: berceau d'un flamingantisme démocratique (1840- 1873), 1979.

Verwijzingen

zie: Vlaemsche Commissie.

Auteur(s)

Sam van Clemen