Volksunie (VU)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Vlaams-nationalistische politieke partij.

Oprichting

Op 15 december 1954 werden, na voorbereidende contacten en vergaderingen, in Antwerpen de statuten ondertekend van de vereniging zonder winstoogmerk Volksunie. De VU, een nieuwe politieke partij, ontstond onder impuls van de initiatiefnemers van de Christelijke Vlaamse Volksunie (CVV), een kartel dat eerder dat jaar aan de parlementsverkiezingen had deelgenomen. De beheerraad telde zeven leden: voorzitter Walter Couvreur, Frans van der Elst, Herman Wagemans, Rudi van der Paal, Wim Jorissen, Ludo Sels en René Proost.

Aanvankelijk trachtte de partij via een eigen blad, De Volksunie haar ideeën te verspreiden. Dit lukte slechts moeizaam. Een financieel voorstel uit kringen rondom voorzitter Couvreur om tot een eigen dagblad te komen, werd einde 1955 door het partijbestuur afgewezen. Daarop nam Couvreur, die bovendien meer aandacht aan zijn wetenschappelijk werk wou schenken, ontslag. Hij werd opgevolgd door Van der Elst.

Op 24 april 1955 greep het eerste congres plaats in Gent, en op 17 juli 1955 de eerste van een reeks jaarlijkse meetings in zaal Majestic in Antwerpen.

Deelname aan wetgevende verkiezingen

De VU startte reeds met één volksvertegenwoordiger. Wagemans, die in 1954 in Antwerpen verkozen was voor de CVV, behoorde tot de oprichters van de partij. In 1958 gaf men echter de voorkeur aan Van der Elst als lijsttrekker voor Antwerpen voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waarop Wagemans terugtrad als kandidaat.

Programma noch prille organisatie kon beletten dat de VU bij de parlementsverkiezingen van 1958 de slechtste naoorlogse Vlaams-nationale verkiezingsuitslag boekte, met slechts 104.823 stemmen voor de Kamer of 1,98%: zowel de Vlaamse Concentratie in 1949 als de CVV in 1954 had beter gescoord. Van der Elst was in Antwerpen verkozen voor de Kamer. In de atmosfeer van de schoolstrijd hadden vele katholieke kiezers voor de Christelijke Volkspartij (CVP) gestemd, hierdoor mede aangespoord door de Brugse bisschop Emiel de Smedt, die stemmen op de VU in die omstandigheden als "zwaar zondig" bestempelde.

Mede door de problemen rond de Eenheidswet, groeiden de tegenstellingen tussen Wallonië en Vlaanderen in 1961 naar een hoogtepunt. Hierdoor gedragen realiseerde de VU bij de wetgevende verkiezingen van 26 maart 1961 voor het eerst een overwinning. De partij behaalde vijf Kamer- en twee senaatszetels. Voor de Kamer werden 182.407 stemmen behaald, of 3,46%. Daniël Deconinck, Reimond Mattheyssens, Richard van Leemputten en Leo Wouters sloten zich bij Van der Elst aan. In de Senaat vormden Renaat Diependaele en Robert Roosens een tweemansfractie.

Voor de wetgevende verkiezingen van 23 mei 1965 kon de VU een aantal nieuwe kandidaten op haar lijsten brengen, zoals Maurits Coppieters, Gerard de Paep, Jules Coussens, Leo Elaut, Pieter Leys en Virgile Decommer. De lijsten van de Vlaamse Democraten, die onder leiding van Deconinck voor een eerste schisma in het naoorlogse partijpolitieke Vlaams-nationalisme hadden gezorgd, vermochten niet veel problemen op te leveren. Door de Marsen op Brussel, de ontgoocheling omtrent de taalgrenskwestie, Hertoginnedal en de vooropgestelde grendelgrondwet kreeg het VU-programma een stevige steun in de rug. De VU verdubbelde haast haar stemmenaantal en de partij kon voor de Kamer 346.860 stemmen vergaren, goed voor twaalf zetels. Die werden ingenomen door Vik Anciaux, Mik Babylon, Coppieters, Hector Goemans, Leys, Etienne Lootens-Stael, Mattheyssens, Van der Elst, Hugo Schiltz, Van Leemputten, Johannes Wannyn en Wouters. In de Senaat deden vijf VU-leden hun intrede, namelijk Hendrik Ballet, De Paep, Elaut, Roosens en Jorissen. Verder werden er vijfendertig provincieraadsleden verkozen. Terecht kon men van een doorbraak spreken.

Drie jaar later breidde de VU-aanwezigheid in het parlement zich nog verder uit. Bij de wetgevende verkiezingen van 31 maart 1968 werd voor het eerst de kaap van het half miljoen kiezers overschreden. Met 506.724 kiezers of 9,79% sleepte de partij twintig zetels in de wacht voor de Kamer. 513.342 stemmen voor de Senaat brachten daar negen rechtstreeks verkozen mandatarissen op, waar nog eens vijf provinciale en gecoöpteerde senatoren bij kwamen. Verder werden nog tweeënzestig provincieraadszetels door VU-leden ingenomen. De spanningen rond Zwartberg en 'Leuven Vlaams', de algemeen toenemende communautaire problemen en het jonge imago van de partij maakten haar in Vlaanderen de derde partij, na christen-democraten en socialisten, maar vóór de liberalen. De Kamerfractie werd gevormd door Anciaux, Babylon, Jozef Belmans, Coppieters, Decommer, Eugeen de Facq, Goemans, Leys, Lootens-Stael, Mattheyssens, Jef Olaerts, Evrard Raskin, Schiltz, Sels, Van der Elst, Van Leemputten, Luc Vansteenkiste, Herman Verduyn, Wannyn en Wouters. In de Senaat zetelden Frans Baert, Ballet, Frans Blanquaert, Edgard Bouwens, Lode Claes, De Paep, Diependaele, Elaut, Alfons Jeurissen (1900-1969), Jorissen, Willy Persyn, Roosens, Leo Vandeweghe en Maurits van Haegendoren.

De verkiezingsslogan van de VU voor de wetgevende verkiezingen van 7 november 1971 – "Maak ons nóg sterker" – werd inderdaad opgevolgd. 586.917 kiezers of 11,11% brachten eenentwintig VU-verkozenen in de Kamer: Anciaux, Babylon, Baert, Belmans, André de Beul, De Facq, Aviel Geerinck, Goemans, Willy Kuijpers, Leys, Lootens- Stael, Nelly Maes, Mattheyssens, Jef Olaerts, Raskin, Schiltz, Sels, Van der Elst, Van Leemputten, Vansteenkiste en Wannyn. Zij werden in de Senaat bijgestaan door negentien senatoren. 592.509 kiezers hadden voor de Hoge Vergadering hun stem op de VU-lijsten uitgebracht. De partij stuurde Blanquaert, Bouwens, Claes, Coppieters, Hector de Bruyne, De Paep, Diependaele, Elaut, Joris Hardy, Jorissen, Bob Maes, Persyn, Roossens, Geeraard Slegers, Robert Vandezande, Carlo van Elsen, Van Haegendoren, Guido van In en Wouters naar de Senaat. Bij de daaropvolgende agglomeratie- en federatieraadsverkiezingen, op 21 november 1971, werd de VU de tweede Vlaamse partij, na de CVP. De opgaande lijn van de VU werd bij de wetgevende verkiezingen van 10 maart 1974 omgebogen. Mogelijk veroorzaakten de onzekere tijden van de oliecrisis een terugloop naar de klassieke partijen. Voor de Kamer behaalde de VU 536.287 stemmen, 10,20%, of zo'n vijftigduizend minder dan drie jaar voordien. De zetelverdeling was niettemin gunstiger, zodat er tweeëntwintig volksvertegenwoordigers voor de VU zetelden: Anciaux, Babylon, Baert, Belmans, De Beul, Georgette de Kegel, Goemans, Kuijpers, N. Maes, Mattheyssens, Olaerts, Paul Peeters, Raskin, Schiltz, Sels, Joos Somers, Jef Valkeniers, Jaak Vandemeulebroucke, Paul van Grembergen, Van Leemputten, Emiel Vansteenkiste en L. Vansteenkiste. In de Senaat gingen evenwel drie zetels verloren. Daar zetelden Blanquaert, Bouwens, Claes, Coppieters, De Bruyne, De Facq, Jorissen, B. Maes, Persyn, Rik Vandekerckhove, Oswald van Ooteghem, Van der Elst, Vandezande, Van Elsen, Van Haegendoren en Van In.

De opeenvolgende communautaire problemen bleven de VU- standpunten in de actualiteit houden. Onder de slogan "Gedaan met geven en toegeven" trok de partij naar de stembus voor de wetgevende verkiezingen van 17 april 1977. Deze betekenden een stagnatie voor de partij. Voor de Kamer behaalde de partij 559.567 kiezers, ruim drieëntwintigduizend stemmen winst. Maar de zetelverdeling was nu eerder ongunstig, waardoor twee mandaten verloren gingen. De VU-Kamerfractie bestond toen uit Anciaux, Babylon, Baert, Lieven Bauwens, Belmans, Jan Caudron, De Beul, Willy de Saeyere, Jaak Gabriëls, Kuijpers, N. Maes, Mattheyssens, P. Peeters, Schiltz, Sels, Somers, Valkeniers, Van Grembergen, E. en L. Vansteenkiste. De VU-senaatsfractie verkreeg echter één provinciaal mandaat meer en kwam zo op zeventien leden: Michel Capoen, Claes, Coppieters, De Bruyne, De Facq, Geerinck, Goemans, Jorissen, B. Maes, Persyn, Raskin, Vandekerckhove, Van der Elst, Vandezande, Van Elsen, Van In en Van Ooteghem.

De weerstand tegen het Egmontpact zorgde bij de wetgevende verkiezingen op 17 december 1978 voor een zware nederlaag voor de partij. Voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers viel de VU terug op 388.783 stemmen, zeven procent van de kiezers, hetgeen 14 zetels opleverde. Dat waren Anciaux, Baert, Caudron, De Beul, De Saeyere, Gabriëls, Kuijpers, Leys, Schiltz, Somers, Valkeniers, Lode van Biervliet, Van Grembergen en E. Vansteenkiste. In de Senaat bleven nog 11 VU-mandatarissen over, namelijk Capoen, Coppieters, De Bruyne, Germain de Rouck, Jorissen, B. Maes, Vandekerckhove, Van Elsen, Van Ooteghem, Van der Elst en Vandezande. Voor het eerst had een concurrerende Vlaams- nationalistische partij een zetel behaald, namelijk het Vlaams Blok-kartel, dat Karel Dillen naar de Kamer zond.

De wetgevende verkiezingen van 8 november 1981 zorgden voor een herstel van de VU-vertegenwoordiging in het parlement. 588.438 kiezers stuurden twintig VU-verkozenen naar de Kamer: Anciaux, Baert, Belmans, Caudron, De Beul, Raf Declercq, De Saeyere, Julien Desseyn, Gabriëls, Kuijpers, Oktaaf Meyntjens, Schiltz, Somers, Valkeniers, Van Biervliet, Jules van Boxelaer, Van Grembergen, Franz Vansteenkiste, Jan Verniers en Daan Vervaet. De VU-senaatsfractie telde zeventien leden: Capoen, De Bruyne, Firmin Debussere, De Rouck, Hugo Draulans, Mathieu Lowis, Walter Luyten, N. Maes, B. Maes, P. Peeters, Walter Peeters, Jef Thys, Vandekerckhove, Van der Elst, Vandezande, Van In en Van Ooteghem.

Op 13 oktober 1985 diende de partij opnieuw een nederlaag te incasseren. Ditmaal restten er, in ruil voor 477.755 stemmen, nog zestien Kamerzetels: Anciaux, Baert, Belmans, Caudron, Hugo Coveliers, De Beul, De Saeyere, Desseyn, Gabriëls, N. Maes, P. Peeters, Jean-Pierre Pillaert, Johan Sauwens, Schiltz, Luk Vanhorenbeek en F. Vansteenkiste. In de Senaat verwierf de VU nog twaalf zetels, die bezet werden door Capoen, André Geens, Luyten, Meyntjens, Somers, Valkeniers, Vandekerckhove, Van Grembergen, Van Ooteghem, Toon van Overstraeten en Vervaet.

Bij de wetgevende verkiezingen van 13 december 1987 bleef de VU-Kamerfractie even groot. Er was evenwel op een verkiezingsoverwinning gehoopt, mede door het aantrekken van een reeks verruimingsfiguren. De stemmenwinst bleef echter beperkt: voor de Kamer behaalde de VU 495.120 stemmen. De nieuwe fractie werd gevormd door Anciaux, Frieda Brepoels, Herman Candries, Caudron, Coveliers, Gabriëls, Herman Lauwers, Jan Loones, N. Maes, Pillaert, Sauwens, Schiltz, Paul Vangansbeke, Van Grembergen, Vanhorenbeek en Etienne van Vaerenbergh. De senaatsfractie telde dertien leden, namelijk Laurens Appeltans, Baert, Capoen, Hans de Belder, De Beul, Geens, Rob Geeraerts, Kuijpers, Luyten, W. Peeters, Valkeniers, Vandekerckhove en Bob van Hooland.

De verkiezingen van 1991 zorgden voor een zware achteruitgang voor de VU. In de Kamer bleven, na een verlies van ruim honderdtwintigduizend stemmen tot 363.124, nog tien VU-leden: Anciaux, Candries, Coveliers, Gabriëls, Lauwers, Hugo Olaerts, Sauwens, Van Grembergen en Van Vaerenbergh. In de Senaat telde de VU-fractie nog acht mandatarissen: Appeltans, Capoen, Kuijpers, Loones, N. Maes, Schiltz, Valkeniers en Van Hooland.

Interne problemen in de partij zorgden ervoor dat de beide parlementsfracties verder werden uitgedund door overstappen naar andere partijen. Het einde van de VU werd voorspeld en partijvoorzitter Bert Anciaux stelde voor zichzelf en voor de partij een limiet van minstens driehonderdduizend stemmen in de verkiezingen voor de Vlaamse Raad in 1995. Dat doel werd bereikt. Op 21 mei 1995 zorgden 338.188 kiezers ervoor dat negen VU-leden naar de eerste rechtstreeks verkozen Vlaamse Raad werden gestuurd: Jean-Marie Bogaert, Kuijpers, Lauwers, Nelly Maes, Sauwens, Kris van Dijck, Chris Vandenbroeke, Van Grembergen en Van Vaerenbergh. Voor de Kamer behaalde de VU 283.515 stemmen, goed voor vijf volksvertegenwoordigers: Alfons Borginon, Geert Bourgeois, H. Olaerts, Annemie van de Casteele en Karel van Hoorebeke. In de Senaat werden drie VU- verkozenen opgenomen, namelijk B. Anciaux, Loones en gemeenschapssenator C. Vandenbroeke. In de Brusselse Hoofdstedelijke Raad werd de enige VU-verkozene V. Anciaux, die staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd, vervangen door Sven Gatz.

Deelname aan gemeenteraadsverkiezingen

In 1958 nam de VU niet echt deel aan de gemeenteraadsverkiezingen, al kwamen hier en daar enkele lijsten en persoonlijke initiatieven onder VU-label tot stand. Deze verkiezingen werden vooral belangrijk geacht om de rol van Vlaamse zweeppartij te versterken. Vooral in het Antwerpse waren er enkele verkozenen op kartellijsten.

Zes jaar later zou de partij wel als een volwaardige politieke formatie aan de verkiezingen deelnemen. Toch werd de stembusgang vooral als een plebisciet over de nationale politiek aangezien. De partij nam in een honderdtal gemeenten deel aan de kiesstrijd, waarvan in twintig onder de eigen naam. Er werden 259 mandaten in de gemeenteraden en 31 in de raden van de Commissies voor Openbare Onderstand veroverd. Acht burgemeesters en zes schepenen vergrootten het succes.

Ook in 1970 overheerste het nationale – communautaire – thema vaak in de voorbereiding en de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezingen door de VU. De partij legde 143 lijsten voor en steunde er 217 andere. Er werden 613 Vlaams-nationalistische verkozenen genoteerd voor de gemeenteraden. Minstens 12 VU-leden of VU-gezinden namen een burgemeesterssjerp aan.

In 1976 legde men opnieuw de nadruk op de nationale politiek, en op de noodzaak van een federalistische opbouw van de maatschappij. De partij kwam in 164 van de 314 Vlaamse gemeenten onder de eigen naam op. In totaal werden 745 VU- mandatarissen verkozen, terwijl ze in meer dan twintig gemeenten in het schepencollege zetelden.

Zes jaar later werd door de VU in de aanloop van de verkiezingen vooral de rol van de gemeente als bouwsteen voor de Vlaamse staat benadrukt. De partij kwam in 162 van de 307 gemeenten met een eigen lijst op. Er werden ruim achthonderd VU-leden en -gezinden verkozen, en de partij was in 73 schepencolleges vertegenwoordigd met 26 burgemeesters en 63 schepenen.

In 1988 zorgde de partij ervoor in 85% van de gemeenten met een eigen lijst of onder een andere vorm bij de verkiezingen op te komen. Niettemin werd voor het eerst een algemene achteruitgang vastgesteld van 2,9% tegenover 1982. Bestuursakkoorden leverden niettemin nog 19 burgemeesters, 102 schepenen en 14 voorzitters in de Openbare Commissies voor Maatschappelijk Welzijn op.

Bij de gemeenteraadsverkiezigen van 1994 verloor de VU, door interne tegenstellingen verscheurd, eenderde van haar aanhang. Ook in de schepencolleges werd een teruggang vastgesteld, hoewel men voor het eerst in Antwerpen en Gent tot de bestuursmeerderheid toetrad.

Deelname aan Europese verkiezingen

Op 10 juni 1979, kort na de desastreuze post-Egmont- verkiezingen, leed de VU een nieuwe nederlaag bij de eerste rechtstreekse verkiezingen voor het Europees parlement. Coppieters werd als enige VU'er afgevaardigd. Halfweg zijn vijfjarige termijn volgde Vandemeulebroucke hem op. Deze werd samen met Kuijpers op 17 juni 1984 verkozen bij de tweede Europese verkiezingen.

Op 18 juni 1989 bleef Vandemeulebroucke als enige VU-verkozene over. Vijf jaar later deed hij dit nog eens over.

Regeringsdeelnames

De VU werd pas in het begin van de jaren 1970 als een mogelijke regeringspartner aangezien door de toenmalige gevestigde partijen. Overigens leefde binnen de partij ook de tegenstelling tussen de participationisten en zij die de VU vooral een rol als oppositie- en zweeppartij toedichtten.

Na de verkiezingen van 1977 werd de VU voor het eerst in de regering opgenomen, vooral om met de Egmont- en Stuyvenbergakkoorden de staatshervorming mogelijk te maken (Gemeenschapspact). De Bruyne werd minister van buitenlandse handel en Vandekerckhove minister van wetenschapsbeleid; Vic Anciaux kreeg de portefeuille van staatssecretaris voor Nederlandse cultuur en sociale zaken. Coppieters werd voorzitter van de Nederlandse Cultuurraad. Zij bleven dit in de kabinetten-Leo Tindemans II en -Paul vanden Boeynants.

De VU nam voor de tweede maal regeringsverantwoordelijkheid op in de federale regering na de verkiezingen van 1987. Opnieuw werd haar medewerking gevraagd voor de staatshervorming. Schiltz werd minister van begroting en Geens minister van ontwikkelingssamenwerking. Valkeniers werd staatssecretaris voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tot in 1989.

Zowel in de Vlaamse Regering als in de Brusselse Hoofdstedelijke Regering zetelden reeds VU-afgevaardigden. In de Vlaamse Regering was Schiltz minister van begroting van 1981 tot 1985. Sauwens was gemeenschapsminister van openbare werken en verkeer van 1988 tot 1992, en minister van verkeer, buitenlandse handel en staatshervorming van 1992 tot 1995. Vic Anciaux is sinds 1989 staatssecretaris voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Op provinciaal niveau noteerde de VU voor het eerst een deelname aan een Bestendige Deputatie in 1991, in Limburg. Deze werd in 1995 voortgezet, terwijl ook in Vlaams-Brabant een VU'er bestendig afgevaardigde werd.

De deelname van de VU aan de macht maakte het ook mogelijk enkele partijleden op hoge bestuursfuncties te benoemen, zowel in de federale als in de Vlaamse administratie.

Evolutie van de VU

De VU plaatste van in den beginne de strijd rondom de achteruitstelling van de Nederlandse taal en van de Vlamingen in het Belgische kader in een ruimer perspectief. De partij meende, vooral onder impuls van Van der Elst, dat alleen een federalistische reorganisatie van België genoeg kansen bood voor de ontplooiing van de Vlamingen. Daarbij kwamen ook economische en sociale problemen aan bod. Dat kwam onder meer reeds tot uiting tijdens het tweede partijcongres, in 1956, waar naast amnestie en zelfbestuur, ook het thema van 'Werk in eigen streek' naar voren kwam. De mijnramp in Marcinelle gaf in de volgende weken een extra dimensie aan deze stellingname.

De partij beschikte van in den beginne over een blad, De Volksunie, dat sedert begin 1956 veertiendaags werd uitgegeven. Kaderdagen, volksvergaderingen en een eerste betoging, op 15 juli 1956 in Antwerpen, moesten meer bekendheid geven aan de partijthema's en de militanten sterken in hun optreden.

De uitbouw van de partij kreeg vanaf 1957 meer en meer gestalte, onder meer door de oprichting van jongeren- en vrouwengroepen. De partij profileerde zich als een ondubbelzinnig Vlaams-nationale partij met een federalistisch programma. Ze stelde zich verder op als een democratische partij, die de parlementaire spelregels wou eerbiedigen. Hierin brak ze nadrukkelijk met de houding van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ten slotte wierp de jonge partij zich op als een sociale rechtvaardigheidspartij, die aandacht had voor de problemen van de verschillende klassen en sociale groepen in het land.

Na de verkiezingen van 1958 concentreerde de partijwerking zich vooral op de problematieken van de talentelling en van de zetelaanpassing. Daarnaast zette de VU zich in voor amnestiemaatregelen, waarbij men onder meer de invrijheidstelling eiste van voormalig VNV-leider Hendrik Elias. Zowel tijdens manifestaties, zoals op 5 april 1959 in Lier, als op het vijfde congres in Gent, kwamen deze thema's aan bod. In de loop van de volgende maanden breidden leden- en abonneebestand zowel als de organisatie van de partij zich verder uit. Vanaf 1961 zou De Volksunie wekelijks verschijnen. Op een landdag in Sint-Kwintens-Lennik op 29 mei 1960 mobiliseerde de partij meer dan 5000 mensen; het zesde partijcongres in Gent werd door 800 partijleden bijgewoond.

Met haar deelname, met alle mandatarissen, aan de eerste Mars op Brussel, en een buitengewoon congres over de taalgrens, het federalisme en Brussel, op 17 december 1961, bewees de partij waar het haar in de eerste plaats om te doen was. In de daaropvolgende jaren zou zij zich in belangrijke mate bezighouden met de problematiek van de taalgrens. In de Kamer werd door de VU-volksvertegenwoordigers een federalistisch wetsvoorstel ingediend, terwijl op straat, tijdens volksvergaderingen en meetings een actie tegen de plannen van minister Arthur Gilson gelanceerd werd. Dit alles culmineerde in een tweede Mars op Brussel, waaraan de VU opnieuw haar volle steun verleende. Ondertussen was op een nieuwe landdag, in juni in Asse, een menigte van ruim tienduizend leden en sympathisanten bijeengekomen.

Maar naast de taalproblemen, hielden ook de sociaal- economische toestanden de aandacht van de VU gaande. Opnieuw werd de eis om werk in eigen streek kracht bijgezet. Acties rond het uitblijven van de autosnelweg E3, de industrialisatie van Vlaanderen en de landbouwproblemen, werden gevolgd door besprekingen over de sociaal-economische toekomst van Vlaanderen op het partijcongres van 3 en 4 november 1962.

De communautaire spanningen bleven ook in 1963 hoog aan de agenda. Toen op 6 juni de regering een regeling voor Brussel had uitgewerkt, waarbij zes randgemeenten door de hoofdstad zouden worden aangehecht, organiseerde de VU mee het verzet. Daarbij kwam het tot incidenten tussen VU- en BSP- Kamerleden. Toch kon de partij niet beletten dat de overeenkomst die op 5 juli in Hertoginnedal gesloten werd, met een aparte regeling voor de zes randgemeenten, in het parlement werd goedgekeurd.

Intussen bleken evenwel binnen de partij enkele problemen te rijzen. Zo lag een aantal moeilijkheden met de Vlaamse Militanten Orde (VMO) aan de basis van een verklaring op 3 oktober 1963 waarbij beide verenigingen verklaarden dat de VMO ophield een feitelijke nevenorganisatie van de partij te zijn. Een ander probleem had te maken met de verhouding van volksvertegenwoordiger Deconinck tot de partij. Hij opteerde voor een brede Vlaamse frontvorming op travaillistische en federalistische basis, waarbij de partij evenwel het gevaar liep haar eigen nationalistische identiteit te verliezen. Toch kon hij aanvankelijk hiermee de sympathie van onder anderen algemeen secretaris Jorissen verwerven. In de loop van de volgende twee jaar escaleerden de tegenstelligen, waarbij ook de radicale nationalisten in de partij stelling namen, onder leiding van pater Marcel Brauns. Kort voor de verkiezingen van 1965 werd Deconinck met zijn medestanders uit de partij gezet. De gemeenteraadsverkiezingen van 1964 waren voorbereid door de pas opgerichte studiedienst van de partij, die geleid werd door Etienne Slosse. Programmabrochure en kaderdagen begeleidden de kandidaten. Na de verkiezingen werden de gemeentelijke mandatarissen samengebracht op 20 december 1964 in een speciale kaderdag, waar de oprichting werd aangekondigd van de Vereniging van Vlaamse Mandatarissen (VVM).

De uitbreiding van de fracties, na de wetgevende verkiezingen van 1965, en van de activiteiten zorgden voor een aanpassing van het partijblad, dat, nu de VU ruim genoeg bekend was, de nieuwe titel Wij kreeg. Het weekblad verscheen voortaan op 24 bladzijden. Het schonk in de loop van 1965 als eerste persorgaan aandacht aan de dreigende sluiting van een aantal Limburgse steenkoolmijnen, waaronder Zwartberg.

De VU sloot zich in het begin van 1966 bij de Limburgse protestbeweging, de vakbonden en de Vlaamse Volksbeweging aan tegen de achterstelling van de provincie Limburg en het sociale onrecht dat met de sluiting van de steenkoolmijnen gepaard ging. De partij kloeg de beperkte financiële inspanningen van de overheid voor de reconversie in Limburg aan, terwijl voor Wallonië een veelvoud werd voorzien. Waar de vakbonden geleidelijk aan hun steun aan het protest verminderden, bleef de VU de mijnwerkers steunen. Toen er doden en gewonden vielen, trachtte de regering de VU hiervoor medeverantwoordelijk te stellen. De partij slaagde er evenwel in de publieke opinie van het tegendeel te overtuigen, en bleef ook nadien de mijnwerkers steunen.

In de volgende maanden werd het probleem van de splitsing van de Leuvense universiteit actueel (onderwijs). Ook hierrond slaagde de VU erin te mobiliseren.

De communautaire tegenstellingen zorgden voor een grote verkiezingsoverwinning in 1968. De partij streed verder tegen de volgens haar nefaste wijze waarop de communautaire tegenstellingen werden gecontroleerd, onder meer de door de regering-Gaston Eyskens voorgestelde "grendels" op de meerderheden. Merkwaardig was wel het elfde partijcongres op 19 en 20 april 1969, dat handelde over vrijheid, gelijkheid, democratische openheid en inspraak. Voor het eerst werd ook het thema leefmilieu aangesneden. In de loop van de volgende jaren bleef de partij hieraan aandacht besteden, zonder het thema evenwel electoraal te kunnen uitbuiten. De communautaire thema's, onder meer omtrent de grondwetsherziening van 1970 en de gevolgen hiervan, bleven de partijagenda domineren.

In 1973 werd Schiltz voorzitter van het partijbestuur, terwijl Raskin er secretaris van werd. Op deze wijze werd de vervanging voorbereid van Van der Elst en Jorissen als algemeen voorzitter en algemeen secretaris, op 1 januari 1976.

Hoewel de verkiezingen van 1974 voor een nederlaag hadden gezorgd, werd de VU voor het eerst, samen met het Front démocratique des Francophones (FDF) en het Rassemblement wallon (RW), door christen-democraten en liberalen uitgenodigd om over een regeringsvorming te praten. Vooral de staatshervorming kwam hierbij aan bod, maar de tegenstellingen tussen de federalistische partijen leidden ertoe dat Tindemans zijn rooms-blauw kabinet slechts met het RW uitbreidde. De resultaten van de gesprekken brachten beperkte communautaire aanpassingen met zich mee, behalve waar ze, tegen de zin van de VU, de vorming van een Brussels gewest bevorderden.

Einde 1975 werd Schiltz tot partijvoorzitter verkozen, in opvolging van Van der Elst. P. Peeters volgde Jorissen op als partijsecretaris. In de loop van 1975 en 1976 werden informele en officiële gesprekken gehouden over de toekomst van de Belgische instellingen, waaraan de VU of afzonderlijke topfiguren deelnamen. Het klimaat was gunstig voor een deelname van de VU aan de regering. Dat gebeurde dan ook in 1977. Samen met socialisten, christen-democraten en FDF sloot de VU op 24 mei het Egmontpact, waarbij Schiltz en Van der Elst een federale hervorming van de staat bedongen. De tegenstand in en buiten de partij was echter groot, vooral tegen het behoud van de faciliteiten en het inschrijvingsrecht in de Brusselse Rand. Dillen en Lode Claes richtten beiden hun eigen partij op, tegen de VU en het pact. Enkele aanpassingen, onder meer op vraag van de VU, leidden tot de Stuyvenbergakkoorden, maar de tegenstand in Vlaanderen werd er niet minder om. Bij de verkiezingen eind 1978 werd de VU zwaar afgestraft.

In de loop van de volgende jaren trachtte de VU het verloren gegane krediet te herwinnen. Zij mengde zich in de acties en de debatten rond de crises in Voeren en Komen. Partijvoorzitter Schiltz nam in de nasleep van Egmont ontslag en werd op 8 september 1979 opgevolgd door Vic Anciaux. Partijsecretaris P. Peeters werd vervangen door Willy de Saegher.

Intussen werd onder leiding van premier Wilfried Martens een nieuwe staatshervorming uitgewerkt, die de VU echter als veel te ontoereikend beschouwde. Verder drong de VU er, naar aanleiding van de moeilijkheden in de Waalse staalsector, op aan de bevoegdheid over de nationale sectoren naar de gewesten over te hevelen. Een nieuw thema dat de VU opnam was dat van de vredesgedachte: aan elke grote betoging tegen raketten en voor ontwapening die in de jaren 1980 in Brussel plaatsgreep, nam een belangrijke VU-delegatie deel (pacifisme).

De VU trad toe tot de eerste Vlaamse Regering, die proportioneel samengesteld was. Minister Schiltz trachtte de beperkte zelfstandigheid van Vlaanderen door ambtelijke bezoeken ook in onder meer Catalonië en Tsjechië gestalte te geven.

In de loop van de volgende jaren bleef Voeren voor communautaire hoogspanning zorgen. De VU mobiliseerde voor betogingen, zoals op 5 februari 1983 in Hasselt, maar trachtte ook in Kamer, Senaat, Vlaamse Raad en Vlaamse Executieve de Vlaamse eisen omtrent Voeren te verdedigen.

Na de verkiezingen van 1985 trad partijvoorzitter V. Anciaux af. Hij werd opgevolgd door Gabriëls. Deze zette een vernieuwings- en verjongingsactie in de partij in. De verkiezingen van 1987 kwamen te vroeg om deze operatie te laten renderen. Toch stapte de VU na deze verkiezingen in de regering, om mede een nieuwe staatshervorming mogelijk te maken. Deze staatshervorming kwam tegemoet aan een aanzienlijk deel van de traditionele eisen van de VU. Belangrijke bevoegdheidspaketten werden aan de gemeenschappen en de gewesten toevertrouwd, er werd een regeling getroffen voor Brussel en voor een financiering van de deelgebieden. De derde fase van de staatshervorming, waarin de belangrijkste elementen zaten, bleef evenwel aanslepen. Omtrent de abortusproblematiek doken eveneens problemen op binnen de partij. De VU stapte ten slotte in september 1991 uit de coalitie onmwille van de Franstalige politieke druk omtrent de verkoop van Waalse wapens.

In de Vlaamse Regering en de Brusselse Gewestregering namen Sauwens en V. Anciaux ministeriële functies op. Daarbij viel het op dat zij hun bevoegdheden maximalistisch binnen de grenzen van de staatshervorming interpreteerden. In Brussel nam Anciaux zijn belangstelling voor het samenleven van Vlamingen, Franstaligen en migranten opieuw op.

Tegelijk met de regeringsdeelname trachtte Gabriëls zijn partij te heroriënteren en een nieuw elan te geven. Dat kwam tot uiting in het congres van 12 en 13 mei 1990 in Leuven. Meer democratie, een nieuwe politieke cultuur, solidariteit, een betere leefomgeving, pluralisme, vrede, een confederaal Europa: dat waren de thema's die er aan bod kwamen. In het najaar van 1990 werd het Toekomstplan voor Vlaanderen, dat hierop gebaseerd was, voorgesteld. De VU noemde zich sindsdien trouwens VU-Vlaamse Vrije Demokraten.

Na de verkiezingsnederlaag van november 1991 geraakten deze hervormingsplannen in een stroomversnelling. Verscheidene VU- politici waren gecharmeerd van de verruimingsplannen van de liberale partijvoorzitter Guy Verhofstadt. Dit leidde tot een zware crisis in de partij en het opstappen van Gabriëls. Samen met onder meer Valkeniers, Coveliers en Geens trok hij naar de nieuwe Vlaamse Liberalen en Democraten. Candries stapte over naar de CVP. Ook de basis van de partij reageerde verdeeld op de politieke signalen uit VU en andere partijen.

B. Anciaux gaf vanaf 1992, als nieuwe partijvoorzitter, een jonger gezicht aan de partij. Zij trachtte haar programma ook op andere dan Vlaams-nationale thema's sterker naar voren te brengen, en noemde zichzelf de partij van het democratische Vlaams-nationalisme. Hiermee zette ze zich af tegen het Vlaams Blok. De partij steunde het Sint-Michielsakkoord vanuit de oppositie, waardoor opnieuw een belangrijk deel van het VU- programma werd verwezenlijkt.

Na de verkiezingen van 1995 leek de VU de eenheid hervonden te hebben rond een vernieuwd programma, een jongere leiding en jongere mandatarissen. De communautaire verzuchtingen werden bijgesteld in een ondubbelzinnige keuze voor een confederaal samenlevingsmodel in België.

Naast het weekblad Wij, verschijnt sinds 1995 ook het nieuwe ledenblad De Toekomst, waarmee de leden dichter bij de partijwerking werden betrokken.

Werken

Noodzaak van de Vlaams-nationale partij, z.j.; 
F. van der Elst, Het standpunt van de Volksunie, 1961; 
De Volksunie in het parlement. Balans van een jaar, 1962; 
F. van der Elst, De taak van de Volksunie als politieke partij, 1967; 
id., Wezen en doel van de Volksunie, 1969; 
id., Van oppositie naar alternatief, 1972; 
H. Schiltz, De identiteit van de Volksunie (Vlaams-nationale standpunten, nr. 1, 1978); 
M. van Haegendoren, De Volksunie ziet het zo. Profiel en optreden van een partij (Vlaams-nationale standpunten, nr. 6-7, 1980); 
H. Schiltz, Macht en onmacht van de Vlaamse Beweging, 1982; 
id., Uitdaging aan de Vlaamse meerderheid, 1985; 
Het betere Vlaanderen, 1989; 
Toekomstplan voor Vlaanderen, 1990.

Literatuur

M.P. Herremans, 'La Volksunie (V.U.)', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 148 (4 mei 1962) en nr. 169 (12 oktober 1962); 
'Le Congrès de Malines de la Volksunie (14 et 15 décembre 1963)', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 230 (7 februari 1964); 
'La Volksunie', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 336 (30 september 1966) en nr. 345 (23 december 1966); 
W. Augustijnen, 'De samenstelling van de kandidatenlijsten van de Volksunie voor de parlementaire verkiezingen van 7 november 1971', in Res Publica, jg. 14 (1972), p. 279-286; 
'L'évolution récente de la Volksunie', in Courrier Hebdomadaire du CRISP, nr. 604 (11 mei 1973) en nr. 606 (25 mei 1973); 
F. van der Elst, Twintig jaar Volksunie (1954-1974). Een beknopt overzicht van de wording, de stichting en de geschiedenis van de Vlaams-nationale partij, 1974; 
M. Platel, 'De Volksunie 1977-1979. Toch uit de oppositie. een vergissing of niet?', in Res Publica (1980), p. 401-429; 
E. Raskin, Van binnenuit bekeken. De herinneringen van een VU-parlementslid, 1980; - - W. Vandaele, Wij Vlaams-nationaal. 30 jaar Volksunie-pers doorgelicht, 1984; 
T. van Overstraeten, Op de Barrikaden. Het verhaal van de Vlaamse Natie in wording, 1984; 
F. van der Elst, De bewogen jaren. Mijn memoires 1920-1958, 1985; 
W. Roggeman, W. Luyten (e.a.), Over zeven stichtende mannen, 1985; 
F. Seberechts, 'De Volksunie en abortus: een test voor het pluralisme', in Vlaanderen Morgen, nr. 3 (1990), p. 29-37; 
K. Hoflack, Monologen met Hugo Schiltz, 1992; 
F. Seberechts, 'Beeldvorming over colllaboratie en repressie bij de naoorlogse Vlaams-nationalisten', in Herfsttij van de 20ste eeuw. Extreem-rechts in Vlaanderen 1920-1990, 1992, p. 65-82; 
id., 'De Vlaams-nationale partijen in de gemeenteraadsverkiezingen na de Tweede Wereldoorlog', in De Gemeenteraadsverkiezingen en hun impact op de Belgische politiek (1890-1970). Handelingen van het 16de Internationaal Colloquium, Spa, 2-4 september 1992, 1992, p. 275-292.

Verwijzingen

zie: Limburg, rechts-radicalisme, Vlaams-nationalistische partijen.

Auteur(s)

Frank Seberechts