Volksopbeuring

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

caritatieve organisatie opgericht tijdens de Eerste Wereldoorlog voor Vlamingen die in behoeftige of andere buitengewone omstandigheden (zoals krijgsgevangenschap) waren geraakt.

Teneinde de nood van de Belgische bevolking te verlichten werd een Nationaal Hulp- en Voedingscomité in het leven geroepen. Deze organisatie had de voedselvoorziening, via Amerikaanse import, grotendeels in handen. Zij werd gesteund en gefinancierd door de Belgische regering. De leiding van dit comité was in handen van Belgische patriotten uit de burgerij. Het fungeerde op den duur als het belangrijkste Belgische administratieve netwerk en vertegenwoordigde de macht van de uitgeweken regering.

Caritatieve actie werd ook door de flamingantische burgerij gevoerd. Onder meer in Kortrijk waar de daensistischgezinde arts Gustaaf Doussy al heel vroeg begonnen was. Op 13 september 1915 stelde hij in het Gentse Algemeen-Nederlands Verbond (ANV) voor om onder de naam Volksopbeuring een brede waaier van dergelijke activiteiten te ontplooien. De flaminganten voelden zich uitgesloten uit de door de patriottische Gentse burgerij gepatroneerde caritatieve actie. Daarbij werd na een tijd ingezien dat op deze manier een zekere aanhang aan het activisme kon worden gebonden. Hippoliet Meert werd overtuigd en zette de nodige stappen bij de Duitse overheid om een "Vlaamse inrichting" tegenover de "Waalse en Fransgezinde werking" te plaatsen. In de herfst van 1915 gingen ze in Gent van start.

De Duitsers lieten Volksopbeuring toe op 18 april 1916 in het etappengebied en op 2 september 1916 in geheel bezet België. In feite waren de activiteiten reeds maandenlang in volle gang. Het gevolg was dat de organisatie gezien werd als een activistisch propaganda-instrument hetgeen leidde tot wrijvingen met Belgische patriotten. Een van de voornaamste doelgroepen voor toezendingen van hulppakketten en literatuur waren de Vlaamse krijgsgevangenen in Duitse kampen (bijvoorbeeld Göttingen). Daarnaast werd er gewerkt aan kinder- en zuigelingbescherming, volksvoeding en -kleding, financiële hulp, bijstand aan oorlogsverminkten, oorlogsweduwen en -wezen en ten voordele van door de Duitsers opgeëiste arbeiders. Dat was onder meer mogelijk door de financiële steun uit Nederland die georganiseerd werd onder impuls van het Hollandsch Steuncomité, in het leven geroepen op initiatief van de uitgeweken Vlaming Leo Meert en de Nederlander Leo Simons, directeur van de Wereldbibliotheek. Erevoorzitters van dit Hollandsch Steuncomité werden Monseigneur H. van de Wetering, aartsbisschop van Utrecht, A.F. de Savornin Lohman, minister van staat, en Theodorus van Welderen Rengers, lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. In de raad van bijstand zaten tal van vooraanstaande figuren, zoals H. Colijn, W.H. de Beaufort, V.H. Rutgers en A.W.F. Idenburg. Na korte tijd trad Van de Wetering als erevoorzitter af, omdat Volksopbeuring zich hoe langer hoe duidelijker een instrument van de Flamenpolitik toonde.

De Antwerpse graanhandelaar Karel Angermille en de Waaslandse industrieel Meert zouden Volksopbeuring verder uitbouwen tot een uitgebreid netwerk dankzij de steun van de bezetter die onder meer diverse monopolies verzamelde. Medio 1917 had Volksopbeuring 75 kantoren in bezet België. Duizenden pakketten werden verzonden naar krijgsgevangenen in Duitsland. Volksopbeuring stelde heel wat mensen tewerk en was dus ook op die manier een instrument om aanhang aan het activisme te binden. Onder de vleugels van dit netwerk zouden ook nog Kolenverdeeling voor Vlaanderen en Volksontwikkeling opereren.

Literatuur

D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991; 
L. Vandeweyer, '"Kolenverdeeling voor Vlaanderen" en de financiering van het activisme', in WT, jg. 50, nr. 1 (1991), p. 7-27; 
K. van Hoorick, 'De "humanitaire" kant van het activisme: de vereniging Volksopbeuring te Mechelen', in WT, jg. 53, nr. 2 (1994), p. 99-112.

Verwijzingen

zie: Karel Angermille.

Auteur(s)

Luc Vandeweyer