Volkskunde

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Het is een historisch feit dat de ontdekking en de verdediging van de volkscultuur in het noordelijke deel van het 19de-eeuwse België onverbrekelijk verband houdt met twee belangrijke culturele stromingen die het geestesleven van de 18de-19de eeuw diepgaand hebben beïnvloed, namelijk de Verlichting en de romantiek.

De Verlichting pleitte voor een maximale geestelijke ontplooiing en de gelijkwaardigheid van iedere mens. In de politieke context van na de revolutie van 1830 betekende dit dat de jonge Belgische staat aan de Vlamingen en hun cultuur dezelfde rechten en kansen zou moeten bieden als aan de Franstaligen. De historische realiteit was echter anders. In Vlaanderen werd de volkstaal weliswaar niet verboden, maar ze kreeg geen wettelijk statuut en kwam aldus onder grote druk te staan.

Als reactie tegen de strenge en rationele verlichtingsidealen propageerde de romantiek een geestelijke bevrijding. Een terugkeer naar de natuur was het enige middel om een nieuwe mens te worden. Deze zoektocht leidde vanzelfsprekend naar het verleden en tot de ontdekking dat Vlaanderen vroeger een internationaal gerenommeerde regio was met een grote culturele uitstraling. Wat een tegenstelling tussen verleden en heden! Bij enkele intellectuele Vlamingen ontstond daarom wrevel omtrent het Belgisch liberale staatsnationalisme. Zij zagen meer heil in een volksnationalisme, met name in een natie die steunde op een gemeenschap van afstamming, geaardheid en taal. Dat was in ieder geval de mening van Jan F. Willems. Vertrekkend van het adagium "de taal is gans het volk" (Prudens van Duyse), waren deze gecultiveerde en vaak Franssprekende Vlamingen van mening dat de taal behoort tot het wezen van een volk. Vanaf het begin heeft de V.B. dan ook vooral op het gebied van taal en literatuur een zeer intensieve en uitgebreide activiteit ontwikkeld. Dit streven naar versterking van de nationale zelfstandigheid en naar opwekking van de 'volksgeest' was niet bedoeld om de Belgische staat in diskrediet te brengen of te ondermijnen. Integendeel, deze strijd voor culturele waardering wilde de Vlamingen als goede Belgen bewust maken van hun historische positie in het nieuwe staatsbestel.

Dit was alleszins de bedoeling van de V.B. in haar eerste fase, dat wil zeggen tot aan de onverwachte dood van Willems in 1846. Ferdinand A. Snellaert nam dan, wat de volkscultuur betrof, de fakkel over. Hij was politiek doortastender dan Willems en belichaamde door zijn leven en werk de hele evolutie in de V.B., die van een zuiver taalkundige-literaire naar een meer geprononceerde politieke beweging.

Willems' en Snellaerts belangstelling voor taal en literatuur in het algemeen en voor bepaalde facetten van de volkscultuur in het bijzonder is maar te begrijpen als men rekening houdt met een interessante externe factor, de aanwezigheid van Duitse filologen uit de school van de gebroeders Jacob en Wilhelm Grimm. August Hoffmann von Fallersleben heeft meermaals Vlaanderen bezocht, waar hij vele contacten onderhield met vertegenwoordigers van de V.B. Hoffmann von Fallersleben legde zich vooral toe op het uitgeven van oude literaire teksten en volksliederen. Taalkundig toegelicht en voorzien van gedegen inleidingen verschenen ze in de twaalfdelige reeks Horae Belgicae (1831-1862). Bijzondere vermelding verdient zijn ontdekking en uitgave van het Antwerps liedboek uit 1544 (in Horae Belgicae, XI).

Johann W. Wolf, eveneens een Duitse romanticus, wilde voor Vlaanderen de rol van de Grimms overnemen. Tijdens zijn jarenlang verblijf in Brussel en Gent (1840-1847) verzamelde hij volksverhalen en hij stichtte in 1842 het eerste volkskundig tijdschrift Grootmoederken, dat een jaar later in gereduceerde vorm verscheen onder de titel Wodana. Eveneens in 1843 publiceerde hij te Leipzig de eerste grote Vlaamse volksverhalenverzameling onder de misleidende titel Niederländische Sagen. Deze bundel bevat vooral historische verhalen, die verband houden met regionale of lokale personages, gebouwen en gebeurtenissen. Rekening houdend met de tijdgeest was het niet verwonderlijk dat dit soort verhalen hoog scoorde. Belangrijk in dit verband is dat Wolf heel wat sagen uit de volksmond optekende en dat hij over zijn merkwaardige veldwerkervaringen in de inleiding bericht. Zo deelt hij mee heel wat weerstand te hebben ondervonden wanneer hij de mensen wilde laten vertellen. De informanten voelden zich verlegen. In de steden was de toestand nog erger. Daar verdwenen de sagen helemaal. In Brussel deed Wolf minder positieve ervaringen op: niet alleen kon hij daar maar drie verhalen optekenen, maar de bewoners spotten ook met deze ??bêtsises?? en enfantillages. Uit deze bittere reactie blijken twee zaken, namelijk dat de ijverige Wolf dit volksgoed haast een sacrale waarde toekende, terwijl de dragers van de volkscultuur zelf zich daarvoor schaamden en ze belachelijk vonden. Een duidelijk bewijs dat de elite een heel ander waardeoordeel velde over orale tradities. Tussen de geleerden- en de volkscultuur was er dus niet alleen een enorme kloof qua inhoud, ook qua appreciatie en beleving lagen de zaken ver uiteen. Hier raken we dan aan het probleem van de authenticiteit en van invented traditions, waarover we het verder nog zullen hebben.

De succesrijke verzamelactiviteiten en uitgaven van Hoffmann von Fallersleben en Wolf hadden een dubbel gevolg. Hun aanwezigheid in Vlaanderen werkte vooreerst inspirerend en spoorde bovendien sommige Vlamingen aan zich voortaan intensiever met oudere literatuur, liederen en volksverhalen bezig te houden. Omdat zij de resultaten van hun opzoekingen in het Duits en in Duitsland publiceerden, onderkenden de Duitse filologen meteen het belang van Hoffmann von Fallerslebens en Wolfs publicaties. Heel vlug en spontaan groeide dan ook sympathie voor het broedervolk in België, dat het op taalgebied niet gemakkelijk had. In dat opzicht deelde Wolf het pessimisme van Hoffmann niet, die in de inleiding tot het zesde deel van zijn Horae Belgicae schreef dat overal in Vlaanderen door iedereen Frans werd gesproken. Wolf had veel positievere ervaringen opgedaan. Wel was het voor hem duidelijk dat de taalstrijd van de Vlamingen nog niet ten einde was. Maar dat ze hem zouden winnen, daaraan twijfelde hij niet, want de Vlamingen konden op Duitsland rekenen. Deze visie laat er geen twijfel over bestaan dat Vlaanderen in de ogen van sommige Duitse romantische germanisten een cultureel bedreigde regio was, waar de tegenstelling Vlaanderen-Wallonië onoverbrugbaar leek. Wolf merkte daarover het volgende op: voor zijn opzoekingen had hij veel steun en hulp gevonden bij de Vlamingen, die cultureel leden onder de Franse druk.

Willems was de eerste die alert reageerde op het Duitse verzoek tot medewerking. In het spoor van Hoffmann von Fallersleben publiceerde hij op het einde van de jaren 1920 drie oude minneliederen. Hij wilde aldus de aandacht vestigen op waardevol cultuurgoed van eigen bodem, waarvoor de Vlamingen op dat moment weinig of geen belangstelling toonden. Deze korte bijdrage bewijst dat Willems op dat ogenblik reeds bezig was met zijn liederenverzameling, waarvan de eerste aflevering pas verscheen in 1846 onder de titel Oude Vlaemsche Liederen. Aanvankelijk had Willems een andere titel voorzien, namelijk Oude Belgische Liederen, waarop de Belgische regering in 1842 voor vijfenzeventig exemplaren had ingetekend. De keuze van het bijvoeglijk naamwoord Belgisch in de titel kan erop wijzen dat Willems hierin geen tegenstelling zag.

Willems was met de voorbereiding van de tweede aflevering bezig toen hij totaal onverwachts overleed op 24 juni 1846. Zijn medestander en vriend Snellaert voltooide Willems' levenswerk en schreef er een interessante maar kritische inleiding voor, aangevuld met een belangrijke liedbibliografie. In 1848 verschenen de Oude Vlaemsche Liederen in boekvorm op naam van Willems, hoewel Snellaert ruim drie vierde van de verzameling redactioneel en inhoudelijk heeft afgewerkt.

Willems' liedboek telt op het eerste gezicht 258 nummers, maar na controle gaat het om 255 liederen, die tot verschillende genres behoren. Er zijn historische liederen, verhalende liederen, geestelijke liederen, minne- en drinkliederen. De meeste liederen heeft Willems ontleend aan oude Nederlandse en Vlaamse gedrukte bundels en manuscripten uit publieke en privé-collecties. Een aantal liederen gaat terug op 19de-eeuwse liedbladen; slechts bij een paar teksten wordt vermeld dat ze uit de mondelinge traditie komen of dat ze nog geregeld gezongen worden. Dit verklaart wellicht waarom er in de titel geen sprake is van 'volksliederen'. Volledigheidshalve merken we op dat niet alle liederen even gaaf zijn opgenomen, want Willems geeft zelf toe af en toe met tekstonderdelen te hebben geschoven. Hetzelfde geldt enigszins voor de 106 melodieën. Dit alles doet echter niets af aan de waarde en de betekenis van Willems' verzameling voor de Vlaamse volksliedstudie in de 19de eeuw en later. Zijn werk vormt hoe dan ook een mijlpaal, die op anderen een stimulerend effect heeft uitgeoefend.

Het was uiteraard geen toeval dat Snellaert als tweede in de rij met een aparte liederenverzameling uitpakte. Zijn Oude en nieuwe liedjes verscheen in 1852 te Gent. In de inleiding tot zijn eigen verzameling slaat Snellaert een heel andere toon aan. Vooreerst beklemtoont hij het belang van liederen, die volgens hem het hele leven van een volk "veropenbaren". Het lied is dan ook bij elk volk "onderscheiden". Vervolgens merkt hij op dat het Vlaamse lied uitzonderlijk "gezond" is gebleven en dit niettegenstaande de vele jaren van vernedering die de Vlamingen hebben moeten ondergaan. En waarop Willems reeds de aandacht heeft gevestigd wordt door Snellaert volmondig beaamd, namelijk dat Vlaanderen mooie oude liederen bezit, maar dat men zich daarvan helaas niet of onvoldoende bewust is.

Snellaerts Vlaams zelfbewustzijn verklaart waarom de achttien eerste liederen van zijn verzameling feitelijke strijdliederen zijn of liederen die op de een of andere manier hulde brengen aan de Nederlanden, België, Vlaanderen en de Vlaamse leeuw. De meeste van deze teksten dateren uit het midden van de 19de eeuw en zijn van de hand van strijdbare Vlamingen, allen actief in de V.B. zoals Theodoor van Ryswyck, Jan J. de Laet, Karel L. Ledeganck, Snellaert, Hippoliet van Peene. Lied nummer acht is De Vlaemsche Leeuw, dat Van Peene in 1847 zou hebben geschreven en dat sedert 1900 algemeen aanvaard is als nationaal lied (De Vlaamse Leeuw). Op 6 juli 1973 keurde de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap een decreet goed, waarin de eerste twee strofen van dit strijdlied erkend worden als officieel volkslied van de Vlaamse gemeenschap.

De eerste editie van Oude en nieuwe liedjes (Gent, 1852) telt 93 liederen, waarvan er 73 voorzien zijn van muziekannotatie. In tegenstelling tot Willems' verzameling ontbreken bij Snellaert taalkundige aantekeningen, tekstvarianten en exacte bronvermeldingen. Belangrijk om signaleren is dat het Willemsfonds, opgericht te Gent op 23 februari 1851, de eerste editie van Snellaerts verzameling heeft uitgegeven. Door het publiceren van volksalmanakken, volksboeken en liedboeken, het organiseren van volksvoordrachten, muziekwedstrijden en liederavonden en het oprichten van volksbibliotheken en dito onderwijs heeft het Willemsfonds niet alleen de volkscultuur gepromoot maar ook fundamenteel bijgedragen tot de culturele verheffing en de politieke bewustwording van het Vlaamse volk in de tweede helft van de 19de eeuw.

De filologische bedrijvigheid van Willems, Snellaert en anderen, en de voorkeur van Willems en Snellaert voor het oude, betere liedgoed uit de Nederlanden laten vermoeden dat literatuur en V.B. onderling zeer sterk verbonden waren. Een verklaring hiervoor levert ongetwijfeld het literaire werk van Hendrik Conscience en vooral zijn historische roman De Leeuw van Vlaenderen met zijn opzienbarend voorwoord (Antwerpen, 1838). Maar ook de literaire producties van Domien Sleeckx met zijn Kronyken der straten van Antwerpen (1843) en van Prudens van Duyse met Het klaverblad. Romancen, legenden, sagen (1848) hebben een grote invloed uitgeoefend op de popularisering van volksliteraire thema's zoals "Lange Wapper", "De brandende scheper" en andere sagengestalten.

Tot het wezen van de V.B., die ijverde voor Vlaamse eigenwaarde, behoorde ook de zorg voor de volkstaal. In deze context vermelden we Jan-Baptist Davids oproep in 1850 op het Nederlandsch Letterkundig Congres te Amsterdam om afzonderlijke lijsten van gewesttalen en eigenaardige uitdrukkingen op te stellen. Zo ontstonden in alle Vlaamse provincies gewestwoordenboeken, idiotica, die vier zaken wilden bewijzen: dat het Vlaams een oude taal was, dat het Vlaams als moedertaal nog zeer levendig was, dat de (gesproken) volkstaal even belangrijk was als de schrijftaal, dat het dialect een indrukwekkende linguïstische rijkdom illustreerde die ontbrak in de officiële woordenboeken: de volkstaal als verwoorder van een stuk orale volkscultuur.

In de marge van de algemene taalstrijd tussen het Frans en een algemene cultuurtaal in Vlaanderen ontwikkelde zich in West-Vlaanderen een tendens om de eigen cultuur en de regionale taal extra in bescherming te nemen tegenover enerzijds het Frans, maar anderzijds ook het Nederlands en het Brabants. Deze in zichzelf gekeerde reflex, particularisme genaamd, heeft in West-Vlaanderen geleid tot een zekere subcultuur, uitgedragen en verdedigd door vooraanstaande priesters. Deze hadden een grote waardering voor de volkscultuur in het algemeen en de volkstaal in het bijzonder. Het boegbeeld van deze beweging is de begenadigde priester-dichter Guido Gezelle. Op 2 december 1865 sticht hij naar een Engels voorbeeld (The Catholic Fireside) het weekblad Rond den Heerd, "een lees- en leerblad voor alle lieden".

Rond den Heerd, waaraan ook nog Pol de Mont heeft meegewerkt (1876-1879) bevatte een goudmijn van beschrijvingen van kalenderfeesten en gebruiken. Het besteedde aandacht aan planten en dieren, het publiceerde volkse lectuur (eigen volksverhalen of vertalingen uit het Engels) en had speciaal oog voor de volkse taal in al haar schakeringen. De inhoud van het tijdschrift, dat in 1902 ophield te bestaan, beantwoordde dan ook volledig aan de doelstellingen zoals die in 1889 op bladzijde 256 werden geformuleerd naar aanleiding van het verschijnen van een ander regionaal tijdschrift (Volk en Taal): "1/ Het bewaren of doen herleven van de gebruiken die sedert eeuwen de Vlaamsche gouwen kenmerkten en het opspeuren van al 't gene waarin de eigene aard van het Dietsche volk bestaat; 2/ Het zuiveren en verrijken van onzen taalschat met de duizenden woorden, die nooit te boeke en kwamen, maar niettemin schoon en nauwkeurig voortleven in den mond van het Vlaamschsprekende volk; En 3/ Het aan 't licht brengen van de bijzonderheden over stede- en dorpsgeschiedenis, die zoo veelvuldig uit oude pergamenten, oorkonden en schriften van allen aard nog te rapen liggen."

Hieruit blijkt dat Rond den Heerd vooral een conserverende rol wilde spelen op het gebied van volkstaal en volkscultuur. Deze laatste fungeerde als middel tot identificatie van de eigen aard van de Vlamingen. Een dergelijke verheven opdracht refereerde rechtstreeks aan de gebroeders Grimm en hun navolgers, met dien verstande dat het nationaal bewustzijn plaats heeft geruimd voor regionale reflexen. De invloed van Rond den Heerd mag men niet onderschatten, want in een periode van ruim twintig jaar ontstonden in diverse Vlaamse provincies gelijkaardige regionale tijdschriften. We vermelden onder meer 't Daghet in den Oosten (1885-1914), opgericht door Jacob Lenaerts met de steun van Gezelle, en Ons Volksleven (1889-1900), op aandringen van voormelde Lenaerts opgericht door Jozef Cornelissen (1866-1942) en Jan B. Vervliet (1885-1942). Onderwijzers en priesters hadden de redactionele leiding en streefden met hun geschriften nobele doelstellingen na. Met lede ogen constateerden zij dat de tijden fel veranderd waren en dat heel wat waardevolle tradities definitief verloren dreigden te gaan. Het zingen van liederen en het vertellen van verhalen was vroeger "het tijdverdrijf der vaderen, en sedert de zonen dat al vergeten hebben, zijn zij beginnen te verbasteren. Help ons dan allen, die aan het heropbeuren der oude Vlaamsche zeden arbeiden wilt. Uw werk zal dienstig zijn voor ons volk en voor de samenleving; – en verdienstelijk voor den Hemel", aldus Kamiel van Caeneghem in Volk en Taal (1888; aflevering 3, 18). Het registreren van volkscultuur kreeg er aldus een nieuwe dimensie bij: het was een educatieve taak van maatschappelijk belang, die gezien de tijdsomstandigheden zeer dringend was. Dat in het katholieke Vlaanderen van de 19de eeuw meteen de link werd gelegd naar de 'Hemel', mag geen verwondering wekken. De macht van de Kerk en haar bedienaars was toen inderdaad nog bijzonder sterk, zodat het religieuze te pas en te onpas als argument werd gebruikt. Amaat Joos, een andere invloedrijke priester-verzamelaar van volkstaal en volksverhalen, had het over de teloorgang van de 'familiegeest'. Hij bedoelde daarmee het verdwijnen van de aan de haard vertellende vader, de zorgzame moeder, de onderdanige en dankbare kinderen, het dagelijks gebed en de wekelijkse zondagsrust. De oorzaken van deze verloedering konden worden gevonden in de nijverheid (het buitenshuis werken van de man), de lichtzinnigheid (het huwelijksleven is "niet een persoonlijk, maar een gemeenschappelijk leven waar het zuur, als een koek, in gelijke stukken onder malkander dient gedeeld"), de zorgeloosheid en luiheid van sommige moeders, en de herbergen. Met de publicatie van zijn Raadsels van het Vlaamsche volk (Gent, 1888) wenste hij dan ook "uit der herte dat het (boek) overal doordringe waar kinderen zijn en het medehelpe om den familiegeest te behouden waar hij gelukkig nog leeft, hem herop te beuren waar hij aan het kwijnen viel, hem te doen verrijzen waar hij uitgestorven is". Dit beklag over de complete ondergang van alle traditionele waarden weerklonk herhaaldelijk. Ook de vinnige Jan Bols (1842-1921) hoopte met de publicatie van zijn Honderd oude Vlaamsche liederen (Namen, 1898) het triestige tij te keren.

Wat de studie van de 'folklore' en het volksleven betreft vallen er in de loop van de 19de eeuw duidelijke verschuivingen waar te nemen. Terwijl figuren als Willems, Snellaert, Hoffmann von Fallersleben en Wolf dachten in termen van nationaal belang, ijverden voor algemene, neutrale en culturele waarden en terwijl zij allerlei inspanningen leverden om aan volksontwikkeling te doen, doken er in de tweede helft van de 19de eeuw overal krachten op die de hele cultuurproblematiek van de V.B. enerzijds gingen depolitiseren (namelijk het verminderen van het nationale, dus politieke belang van volkskundige uitingen), maar deze anderzijds met eigen waarden gingen inkleuren. Moraal en religie bleken plots een wapen om de aftakeling van een veranderd maatschappijbeeld tegen te gaan. De volkscultuur als behoeder van eeuwige waarden werd bedreigd en moest door een bewuste revival van volkse tradities gevrijwaard worden. Om dit beschavingsoffensief te doen slagen waren vele handen nodig, die elk in hun eigen geografisch gebied aan de slag moesten.

Wie het verzamelde en gepubliceerde volkskundig materiaal uit de 19de-eeuwse bronnen kritisch en wetenschappelijk onderzoekt en daarbij rekening houdt met de toenmalige motieven en manieren van registreren, komt tot de bevinding dat heel veel folkloristica nauwelijks de status van 'curiosa' verdienen. In sommige gevallen moet men zelfs verder gaan en zich afvragen of sommige verhalen, liederen of beschrijvingen geen falsificaties zijn. De liederenverzameling van Willems telt er alleszins twee (de nummers 78 en 95). Het is immers niet uitgesloten dat ijverige conservatieve folkloristen ze al dan niet opzettelijk vervalst of zelfs helemaal verzonnen hebben om hun 'schatten', want zo noemt De Mont deze 'vondsten', een uitzonderlijke meerwaarde toe te kennen. Gebrek aan achtergrondinformatie, contextuele gegevens en precieze aanduidingen omtrent bron en lokalisering maken controle bijzonder lastig en moeilijk. Feit is dat een aantal data elders niet blijken voor te komen, wat de betrouwbaarheid uiteraard niet verhoogt. Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat zich in de rijke 19de-eeuwse volkskundige oogst nogal wat dor hout bevindt. Volkscultuur is op zichzelf al delicaat om te testen op haar authenticiteit en daarnaast stamt ze uit een tijd waarin tendentieus met tradities werd omgegaan. De oudere gegevens moeten daarom met kritische zin benaderd worden, want invented traditions waren en zijn geen verzinsel. Ook vandaag de dag kunnen we trouwens geregeld vaststellen hoe zogenaamd nieuwe tradities ontstaan, andere artificieel in leven worden gehouden en sommige plots in een nieuw kleedje verrijzen om een tweede bestaan te gaan leiden.

In het geheel van de 19de-eeuwse volkskundige bedrijvigheid traden in de jaren 1880 twee markante figuren naar voren, die in het begin van 1888 het tijdschrift Volkskunde oprichtten. De dichter Pol de Mont en de leraar August Gittée hadden een grote waardering voor volkscultuur en wilden dat er op een andere manier dan tot nu toe mee omgegaan werd. In het openingsartikel in Volkskunde roept De Mont de leerkrachten van het basisonderwijs op eigen volksgoed, in casu liederen en verhalen, in de klassen aan te leren in plaats van vreemde (dat wil zeggen Franse) versjes en rijmen. De Mont argumenteerde zijn stelling als volgt: "Indien men met recht kan zeggen, dat de taal eens volks de getrouwste uitdrukking is van eigen geest, met evenveel recht kan men beweren, dat de geheele schat der gesproken of mondelinge letterkunde eener natie het trouwste beeld oplevert van hare phantasie, haren aesthetischen zin, haar innerlijk gevoel!" Dit citaat herinnert aan wat de tenoren van de V.B. een halve eeuw vroeger al hebben geformuleerd. Met De Mont zijn we dus terug bij af, wat nog duidelijker blijkt uit de laatste zin van het bewuste artikel: "Meer dan hoog tijd is het, het heerlijkste en volmaakste (sic), dat de folkloristische schat van Noord- en Zuid-Nederland oplevert, zoo ruim mogelijk aan te wenden, tot handhaving van ons nationaal karakter, daar onze eigen Vlaamsche volksaard arglistiger en hardnekkiger dan ooit door de handlangers der verfoeielijkste van alle verbasteringen bestookt wordt!" Vlaanderen verkeert nog steeds duidelijk in nood, alleen onze 'folklore' kan redding brengen.

Is De Mont nog een volbloed romanticus die aan de orale tradities overdreven waarden toekent, dan neemt de nuchtere Gittée tegenover de folklore een heel andere positie in. Zijn heldere ideeën heeft hij meermaals in het Frans en het Nederlands bekendgemaakt. Samengevat komen die op het volgende neer. Gittée, die goed op de hoogte blijkt te zijn van de folklorestudie in het buitenland (Duitsland, Engeland, Frankrijk), ergert zich aan de achterstand ervan in eigen land. Hij spreekt in dit verband van een schuldige onverschilligheid tegenover de volkscultuur. In een tijd waarin de geschiedenis meer waarde begint te hechten aan de studie van het dagelijks leven, heeft men nood aan andere bronnen, namelijk mondelinge overleveringen, om de "intieme geschiedenis" van een volk te schrijven. Op school gaat momenteel meer aandacht naar de Griekse en Romeinse literatuur dan naar de eigen volksliteratuur: in ons onderwijs is er dan ook duidelijk een tekort aan nationaal gevoel. Hoe geraken we uit dit moeras? Door de handen in elkaar te slaan en in heel België een volkskundig netwerk op te starten. Deze oproep refereert aan Godefroid Kurths pleidooi van 24 augustus 1887 te Brugge, gehouden naar aanleiding van het archeologisch congres. Lokale en persoonlijke initiatieven waren weliswaar niet slecht, maar ze strandden vroegtijdig bij gebrek aan draagkracht. En op de vraag naar een verklaring van de zielige toestand van de 'folklore' in Vlaanderen formuleerde Gittée als hij het heeft over De volkssage en het behoud van den nationalen geest volgend antwoord: "Niets kan beter de verbastering van ons nationaal gevoel schetsen, dan de zoo betreurenswaardige scheuring van 1830, toen de Vlamingen zich bij hun erfvijanden schaarden om stambroeders te bestrijden, die zooveel tot hun herlevende welvaart bijgedragen hadden. En waarom sprongen zij in 't harnas? - Om tegen windmolens te schermen. Achter dat schrikbeeld der 'Hollandsche vreemde taal' stak een paap en een waal!" De vrijzinnige Vlaming Gittée legt hier de vinger in de wonde: omwille van de taal en het geloof – bedoeld zijn hier het Hollands en het protestantisme – hebben de Vlamingen in 1830 op het verkeerde paard gewed. De gevolgen zijn dan ook desastreus. Niets is nochtans verloren, want de studie van de 'folklore' is een "machtig beschavingsmiddel". Er is dus maar één oplossing: "Vlaanderen moet weer zich zelf worden, Vlaamsch van hart, en Vlaamsch van aard! Het leere dus zijn verleden kennen, met al wat op den volksaard zijn bijzonderen stempel drukt."

Bij die terugkeer naar het verleden en de waardering voor de volkscultuur bekritiseerde hij de conservatieve folkloristen van Rond den Heerd en 't Daghet in den Oosten. Elders noemde hij ze "amateurs de folklore": ze voelen zich aangetrokken door de archeologische aard van wat ze opgetekend heben, maar beseffen niet steeds de intrinsieke waarde ervan. Er was nog iets dat hem niet zinde, namelijk een wildgroei aan regionale volkskundige tijdschriften, die vaak dezelfde leesstof brachten, veel geld kostten en meestal oppervlakkige informatie aanreikten. Wat hem vooral dwarszat, was de teneur van Rond den Heerd en de eeuwige klaagzang van het tijdschrift omtrent de teloorgang van de traditionele waarden en de godsdienstzin van de Vlamingen. Een dergelijke klaagmentaliteit doet in de wereld van de nuchtere en verstandige Vlamingen nodeloze spanningen ontstaan, want de mensen van Rond den Heerd en consorten geven de indruk dat wie belangstelling toont voor de volkscultuur, conservatief moet zijn en een tegenstander is van elke vorm van verlicht denken. Welnu noteren is één zaak, dat willen bewaren en onder het volk verspreiden is een ander paar mouwen...

Het ziet er dus naar uit dat Gittée een vrij kritische kijk had op het hele volkskundig gebeuren in Vlaanderen. Anderzijds blijkt uit zijn reacties dat ook hij een aantal romantische ideeën aankleefde. Zo had de volkscultuur voor hem een bijzondere waarde. Het loonde dan ook die zaken zinvol te verzamelen en te documenteren. Hij zag niets in het revitaliseren van verdwenen of verdwijnende volksculturele items en het was zeker niet verantwoord achterhaalde voorstellingen (bijvoorbeeld in verband met geesten en volksgeloof) in stand te houden.

Wanneer men de galerij van Vlaamse volkskundigen in de 19de eeuw overschouwt, is Gittée de enige die het bewijs levert over het wezen en de relevantie van de volkscultuur te hebben gereflecteerd. Om de geïnteresseerden te informeren en ze bij hun eventuele medewerking behulpzaam te zijn schreef Gittée in 1888 een Vraagboek tot het zamelen van Vlaamsche folklore of volkskunde. Dit historisch document werd eveneens door het Willemsfonds gepubliceerd. Met deze theoretische en praktische handleiding hoopte Gittée dat hij "hier en daar een vaderlander voor de zoo nationale zaak der folklore zal winnen. De onverschilligheid der Vlamingen voor eigen nationaliteit zal hun toch niet eeuwig als een smet kunnen aangewreven worden. Wij zijn overtuigd, dat ons boekje zal bijdragen om te doen inzien, hoe veel gewicht de studie der folklore heeft voor de nationaliteit." Met een figuur als Gittée doorbrak de volkskunde in Vlaanderen definitief haar bekrompen regionalisme en navelstaarderij. Alfons de Cock deelde het ideeëngoed van Gittée voor honderd procent en door zijn opgemerkte publicaties (verzamelingen en studies van volksverhalen, spreekwoorden, volksgeneeskunde) loodste hij de Vlaamse volkskunde voor altijd uit het romantische dal van de 19de eeuw. Bij De Cock geen nationalistische en/of regionalistische ontboezemingen, maar goed gedocumenteerde en wetenschappelijk verantwoorde volkskundige studies. De Cock is dan ook de gedroomde synthese van de 19de-eeuwse volkskunde in Vlaanderen.

In de eerste helft van de 20ste eeuw kwam een interessante en belangrijke aanvulling van de studie van de volkscultuur. Dat gebeurde vanuit het onderwijsmilieu, waarin leidende figuren, onder meer inspecteur-generaal Leo Roels, in het midden van de jaren 1930 ijverden voor de integratie van het vak milieustudie in het vernieuwde leerplan voor de lagere scholen. Pedagogische aandacht voor het kleinschalige, het lokale in al zijn facetten, klonk nieuw in de oren en genoot de belangstelling van heel wat onderwijzers. De heemkunde (naar het Duitse voorbeeld Heimatkunde) was geboren en leidde in de Antwerpse Kempen het eerst tot concrete resultaten. Inspecteur Leo Michielsen was daar de motor. Hij vond steun bij journalist (onderwijzer) Karel C. Peeters en leraar Edmond Tieleman. Met z'n drieën namen ze het initiatief tot de oprichting van de Werkgroep voor Heemkunde, die op 6 mei 1939 te Brussel werd gesticht en onder meer kon rekenen op de steun van het Davidsfonds en de Vlaamse Toeristenbond (VTB).

De oorlogsomstandigheden, een verschillende benadering en evaluatie van het neologisme heemkunde – een meer historische, academische tegenover een meer algemene aanpak – en de rivaliteit tussen het Davidsfonds en de VTB oefenden een remmende invloed uit op de Werkgemeenschap, die op 22 maart 1941 door de VTB werd ontbonden. Enkele maanden later nam Jozef van Overstraeten, toenmalig ondervoorzitter en afgevaardigd beheerder van VTB en hoofdredacteur van Toerisme, een nieuw initiatief. Op 21 september 1941 werd dan te Brussel het Verbond van de V.T.B. – Studiekringen voor Heemkunde, het latere Verbond voor Heemkunde, gesticht als afdeling van de VTB. Het wordt een stevig gestructureerde vereniging met provinciale vertegenwoordiger-consulenten en een tijdschrift Heemkunde, waaraan onder meer de volkskundigen Paul de Keyser en Maurits de Meyer, meewerken. Laatstgenoemde publiceerde er in 1944 het artikel "Heemkunde en volkskunde" in en beantwoordde daarmee de vraag wat de heemkundige kan doen ten bate van de volkskunde, die het volk in zijn traditionele gemeenschapscultuur wil leren kennen. Ook met Oostvlaamsche Zanten, het tijdschrift van de Bond der Oostvlaamsche Folkloristen, bestonden er intensieve contacten en werd er informatie uitgewisseld.

Ondertussen is de heemkundewerking in het Vlaamse culturele landschap niet meer weg te denken en is er een goeie verstandhouding tussen heem- en volkskundigen.

In haar eerste fase, namelijk de 19de eeuw, heeft de volkskunde al af te rekenen gehad met een al te grote ijver van sommige onderzoekers – onder hen de gebroeders Grimm – om bepaalde uitingen van de volkscultuur te verbinden met restanten uit een ver Germaans verleden. Deze werkwijze heeft geleid tot het ontstaan van de zogenaamde mythologische school van volkskundigen, die de volkscultuur herleidden tot overgeërfd aloud cultuurgoed. Dit gedachtegoed werd weer opgenomen in de fascistische ideologie van de jaren 1930.

Tussen de twee wereldoorlogen deed zich, in navolging van wat zich in Duitsland afspeelde, hetzelfde voor in Vlaanderen, zij het in veel bescheidener mate. Een uitgesproken voorbeeld van zo'n werking en visie leverde het maandblad Hamer, het tijdschrift van de Germaansche Werkgemeenschap Vlaanderen. De eerste Vlaamse aflevering van Hamer verscheeen in januari 1943 onder redactie van Clemens Trefois en Emiel Vercammen. In het "woordje vooraf" tot het eerste nummer schrijft Roger Soenen dat de volkskunde in Vlaanderen zich doorheen de jaren uitgebreid en verdiept heeft, zodat ze als het ware geëvolueerd is tot een meer omvattende wetenschap, namelijk de heemkunde. Soenen besloot zijn inleiding als volgt: "De beoefening van de Heemkunde bevredigt dus niet enkel de belangstelling, die in ons leeft voor de historische geplogenheden, waarin nog weerspiegelen de diepe aard, karaktertrekken, deugden, kunstgevoel en religieuse overtuiging onzer voorouders, maar zij brengt ons ook nieuwe waarden, die van een vèrstrekkende beteekenis zijn voor het verder behoud onzer in de Germaansche levensruimte thuishoorende eeuwig hoog en onaantastbaar te houden Vlaamsche kultuur."

Het ligt voor de hand dat dergelijke formuleringen en de propaganda voor zuivere cultuurvormen de heem- en volkskunde als het ware besmet hebben. Na de Tweede Wereldoorlog is het dan ook niet verwonderlijk dat alles wat naar 'folklore' ruikt, argwanend wordt bekeken. Sinds jaar en dag heeft de toestand zich genormaliseerd en genieten heem- en volkskunde toenemende waardering. In het streven naar Europese eenwording lijkt het bezig-zijn met eigen culturele processen en het daarover reflecteren immers een uiterst zinvolle en respectabele opdracht.

Onder invloed van het buitenland (de Duitse Wandervögelbeweging en de populaire publicaties van Cecil Sharp over Engelse streekdansen en muziek) en als reactie tegen de jazzwoede van de jaren 1930 gaat men bij ons ook op zoek naar liederen, dansen en volksmuziek van eigen bodem. Fred Engelen en Edgard Wauters werden de drijvende figuren van het Vlaamse Instituut voor Volksdans en Volksmuziek (VIVO) (1935), dat voorzag in het uitgeven van het tijdschrift De Speelman, het organiseren van allerlei studiedagen en vormingscursussen voor dansleraars en het zich toeleggen op het populariseren en het opnieuw invoeren van traditionele feesten. De Kempische gilden vormen een uitstekende levende bron voor de VIVO-werking, want de leden van deze schuttersgilden hebben de muzikale danstraditie vrij goed en gaaf bewaard.

Na de oorlog ging de zoektocht naar traditionele dansen en hun muziek verder. Het wordt de hoofdtaak van het Vlaamse Dansarchief van Frans Geens, dat in 1964 wordt opgericht en zich onder de naam van Instituut voor Vlaamse Volkskunst tot vandaag ook actief inzet voor de studie van het vendelen, de streekdrachten en de volkskunst in het algemeen. De Vlaamse Volkskunstbeweging (VVKB), een pluralistische federatie voor volkskunst (1964), legt zich onder leiding van Mon de Clopper toe op het aanleren en bekendmaken van de eigen Vlaamse dansen. De VVKB richt ook jaarlijks de Dag van het Vlaamse Lied in en organiseert volksfeesten in de meimaand en met Sint-Maarten. Maar vooral met de jaarlijkse Europeade voor volkscultuur scoort de VVKB nationaal en vooral internationaal. Voor de uitstraling van het Vlaamse volksdanspatrimonium heeft dit festival een enorme betekenis. Meteen onderstreept de Europeade in het buitenland een specifiek facet van de Vlaamse volkscultuur, wat bijdraagt tot de bevestiging van de eigen culturele identiteit bij de dansers en de toeschouwers.

Al deze initiatieven bewijzen dat de Vlaamse volkscultuur leeft en dat de volkskunde een cultuurhistorische en maatschappelijke relevantie representeert, die het voorwerp vormt van wetenschappelijk onderzoek aan een paar Vlaamse universiteiten.

Literatuur

Artikelen en inleidingen in Nederlandse Volkskundige Bibliografie (1964-); Volkskunde; Rond den Heerd; Grootmoederken/Wodana; Biekorf; 't Daghet in den Oosten; 
A. Gittée, 'De volkssage en het behoud van den nationalen geest', in Nederlandsch Museum, jg. 13, nr. 1 (1887); tweede reeks, jg. 4, p. 49-81; 
M. Moonen, Johann-Wilhelm Wolf. De Grondlegger der Volkskunde in Vlaanderen. Een bloemlezing met Inleiding, 1944; 
G. Schmook, De driehoeksverhouding Pol de Mont-August Gittée-Alfons De Cock, 1950; 
P.H. Nelde, Hoffmann van Fallersleben und Flandern, 1967; 
M. van den Berg, '140 jaar volksverhaalonderzoek in de provincie Antwerpen', in Volkskunde, jg. 84, nr. 2 (april-juni 1983), p. 121-179; 
I. Vermeiren, 'Grimms oproep tot volkskundig onderzoek in het Nederlands taalgebied', in Volkskunde, jg. 84, nr. 2 (april-juni 1983), p. 184-189; 
J. Gerits, 'De pionierstijd van de georganiseerde heemkundige werking in Vlaanderen', in Ons Heem, jg. 45, nr. 6 (1991), p. 190-200; 
id., 'Doorbraak van de 'heem'-gedachte in Vlaanderen', in Heemkunde in Vlaanderen. Huldeboek dr. Jozef Weyns, 1992, p. 35-39; 
'Heemkunde en Vlaamse Beweging', in Ons Heem, jg. 46, nr. 4 (1992), p. 226-294; 
S. Top, 'Anderhalve eeuw studie van de volkscultuur in Vlaanderen', in De Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 288 (december 1995), p. 335-350.

Auteur(s)

Stefaan Top