Vlaanderen: Etymologie en betekenisevolutie

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Etymologieën van namen dienen steeds te steunen op de oudste vormen en eventueel de dialectische uitspraak. Voor "Vlaanderen" zijn de vroegste gelatiniseerde vermeldingen: in Flandris, adjectief Flandrensis (1ste kwart 8ste eeuw, in kopie 10de eeuw), ter aanduiding van de bewoners Flanderenses (in Vita sancti Eligii) en Flandria (pas in 1014, kopie midden 11de eeuw). De vroegste Middelnederlandse vermeldingen zijn: Flandern (± 1138), Vlandren (± 1240-1260), Vlaendren (1275). De vroegste Oudengelse vermeldingen, terug te vinden in de Angelsaksische Kroniek, zijn: Flandran (1075, kopie 1121), Flandron (1079, kopie ± 1100), Flandra (1102, kopie 1121). Andere vroegste vermeldingen zijn: in het Oudfrans, Flandres (1225), uit het Frans Oudengels, Flandres (1102, kopie 1121) en uit het Middelengels, Flaunders. In de oudste vormen staat de naam altijd in het meervoud: datief in het Nederlands en Engels, accusatief in het Frans. Een enkelvoud, zoals in het huidige Frans Flandre, verschijnt pas in 1102. Flandria is een geleerde constructie.

1. Voor "Vlaming" zijn de vroegste vermeldingen: Flamingos in de te Atrecht geschreven Annales Vedastini (883, kopie 11de eeuw); Flemingos in een oorkonde van de hertog van Limburg (1170-1221), telkens accusatief meervoud; in persoonsnamen zoals Gozuinus Flaminc (1124-1138, kopie ± 1177), Walterus le Flamench (1169), Arnoude den Vleminc (1283, datief, te Geraardsbergen); of Fleminga lande (Oudengels, 1075, kopie ± 1100); Flæmingjar, Flæmingjaland (Oudnoords); des Flamengs (Oudfrans in de Chanson de Roland, ± 1110, kopie ± 1170); Thans: Flamin (Picardisch en Waals), Flamand met "d" zoals in Allemand en Normand (Centraalfrans).

Voor "Vlaams" zijn de vroegste vermeldingen: Flemisce (1080, kopie 1121) in het Oudengels. In het Middelnederlands werden de vermeldingen flamsgher penninge (1236), vlamsce peneghe (± 1240-1260), vlaemsche peneghe (1266) te Gent teruggevonden en vlemscher penincghe (1283) te Geraardsbergen. In het Frans gaat het adjectief terug op de volksnaam. De vormen vleming en vlemsch, vleemsch worden aangetroffen vanaf de Denderstreek oostwaarts.

Omdat de gouw Vlaanderen slechts de polders samen met een zoom van zandgrond omvatte en de Vlamingen oorspronkelijk de bewoners daarvan waren, is het zogoed als zeker dat de drie woorden afgeleid zijn van een Germaans woord flauma-. Dit woord is bewaard in het Middelengels flem (stroom, rivier), in het Engelse dialect flam (moerassige plek naast een rivier, molenbeek, afwateringssloot) en to fleam (stromen), in het Oud-Noords flaumr (stroming), in het Noorse flaum, flom en in het Deense flom (stroming, vloed, overstroming), in het Oudhoogduits floum (modder). Het hoort bij het Indo-europees pel-ew-, plew- (vloeien), waarvan eveneens afgeleid zijn: het Latijnse palus (moeras), het Litauwse plûdi (vloed, overstroming) en het Nederlandse vlieten. De betekenis "overstroming, overstroomd land" is voortreffelijk toepasselijk op het Vlaamse kustgebied dat vanaf het einde van de 3de tot de 8ste-9de eeuw tweemaal daags bij vloed werd overstroomd.

In de naam "Vlaanderen" schuilt denkelijk het suffix "-dra-"; voor de letter "d" is de "m" tot "n" geworden. Men mag dus reconstrueren Flaumdrum (datief meervoud), Flauming en Flaumisk. Vervolgens is de "au", zoals in het Fries en in een aantal plaatsnamen uit de kuststreek, landinwaarts tot in de streek van Gent, een (lange) "â" geworden: Flândrum, Flâming, Flâmisk. Dit verschijnsel mag, parallel met de evolutie van "au" naar "ô" in het binnenland, in de 7de-8ste eeuw worden gedateerd. Ten slotte is, vanaf de Denderstreek oostwaarts, "â" onder invloed van de "i" uit de volgende lettergreep,"ê" geworden: Flêming, Flêmisk.

De naam "Vlaanderen" betekent dus: de overstroomde landen.

2. De gouw en het graafschap Vlaanderen

In bronnen van vóór de oprichting omstreeks 890 van het gelijknamige graafschap worden in Flandris alleen Oudenburg (866) en in pago Flandrinse alleen Roksem (745) en een niet geïdentificeerd Fraxerias (838) vermeld. Uit talrijke bronnen blijkt bovendien dat Vlaanderen aan de kust lag (bijvoorbeeld in Flandrensi litore, 820).

De oprichting van het graafschap Vlaanderen is een onrechtstreeks gevolg van de Noormannen-invallen. Boudewijn I had reeds als graaf (= koninklijk ambtenaar) niet alleen de gouw Vlaanderen maar ook andere gouwen, onder meer Gent en Waas, bestuurd. Tijdens de bezetting door de Noormannen in 879-883 hield zijn zoon Boudewijn II zich schuil in zijn burcht te Brugge. Na de aftocht van de Noormannen overweldigde Boudewijn II het heerloze land tot aan de Schelde. De naam van de gouw waarin zijn uitvalsbasis lag, werd de naam van het gehele gebied waarover hij voortaan, niet meer in naam van de koning maar in eigen naam, als graaf regeerde. Het graafschap met zijn wisselende grenzen wordt reeds in de kroniek van Regino van Prüm (907-908) met in Flandris aangeduid. Bij het afhaken van de zuidelijke gewesten blijft het grote noordelijke deel de naam Flandria, Flandres, Vlaendren dragen.

Na de oprichting van het graafschap Vlaanderen blijven de gouwen nog ruim een eeuw als bestuurlijke omschrijving bewaard. Tussen 840 en 941 heeft de gouw Vlaanderen ook de pagus Rodanensis (volgens vermeldingen tussen 737 en 840 bestaande uit Adegem en plaatsen bij Westkapelle, Aardenburg, Oostburg en Maldegem) opgeslorpt. Vermoedelijk houdt deze samenvoeging verband met de kustverdediging tegen de Noormannen en de oprichting van de burcht te Brugge (midden 9de eeuw).

Van 941 tot 1003 worden in de gouw Vlaanderen vermeld: Oostburg, Snellegem, Aardenburg, Uksem, Bourbourg, Vladslo, Zoutenaaie, Houtave, Varsenare, Klemskerke, Jabbeke en plaatsen bij Zuienkerke, Sint-Winoksbergen en Sint-Kruis. Al deze plaatsen zijn gelegen in de polders of op een smalle diluviale zoom. Plaatsen die vóór 1000 in andere gouwen gelokaliseerd worden, naderen soms zeer dicht de polders: bijvoorbeeld Ruminghem, Krombeke, West- en Oostvleteren, Koekelare, Beernem. De gouw Vlaanderen omvatte bijgevolg oorspronkelijk alleen de polders met een zoom zandgrond. De oostgrens lijkt de toen belangrijke kreek van Zeebrugge naar Brugge geweest te zijn. Omdat in het bisdom Terwaan het wellicht kort vóór 1026 opgerichte aartsdiaconaat Flandria niet alleen de landdekenijen ten oosten van de Aa maar ook de ten westen daarvan gelegen landdekenij Marck (waarin onder meer Calais en Audruicq waren gelegen) omvatte, mag aangenomen worden dat de gouw Vlaanderen, zeker in de 10de eeuw, tot de westelijke rand van de Aa-golf reikte.

Maar reeds in 1017 worden Boterzande en in 1038 Aksel (beide in de pas in 1012 bij het graafschap Vlaanderen ingelijfde Vier Ambachten) alsmede Ruminghem in de gouw Vlaanderen gelokaliseerd. De contouren van de alleen nog in de herinnering voortlevende gouw Vlaanderen vervaagden dus. Die vervaging houdt verband met de herindeling van het graafschap in kasselrijen als gevolg van het stijgend belang van de centrale burchten.

In de Vita sancti Eligii (1ste kwart 8ste eeuw) zijn de Flanderenses de bewoners van de gouw Vlaanderen. Zo ook wonen in 883 volgens de Annales Vedastini de Flamingi in de maritima loca. Een oorkonde van 1076 betreffende de schenking van een bercaria te Gijvelde aan Saint-Amé te Douai maakt in de getuigenlijst nog een onderscheid tussen de Flandrenses (lieden uit de streek van Sint-Winoksbergen) en de Duacenses (lieden uit Douai). Maar in het algemeen slaat Flandrensis op het gehele graafschap.

In successit frater eius Rotbertus, interfecto a Flamingis nepote eius Arnulfo (Annales Blandinienses, 1071) worden met Flamingi de Dietssprekende bewoners van het graafschap bedoeld. De Gentse auteur heeft blijkbaar met opzet de in Latijnse teksten ongebruikelijke Nederlandse benaming gekozen om het leger van Robrecht de Fries, gelicht in het Dietse deel van het graafschap, te onderscheiden van de troepen uit het Romaanse zuiden die de Henegouwse gravin Richildis steunden.

Dietse immigranten in het Romaanse zuiden worden ook zo genoemd. In 1094 schenkt Boudewijn II, graaf van Henegouwen, aan de abdij Crespin de Theutonicos omnes hoc est Flandrenses die in Crespin ingeweken zijn. In een kort vóór 1227 te Arras in het Frans geschreven spotdicht op deze Dietse inwijkelingen en hun gebrekkig, met Vlaamse woorden doorspekt Frans, worden zij le Flamenc genoemd en hun woonkwartier de Flamengherie. Daarnaast gingen de inwoners van het Romaanse zuiden van het graafschap zich eveneens zo noemen. "Tos Flamens estons," riepen de inwoners van Douai in 1302 in een opwelling van patriottisme.

Die dubbele betekenis van het woord noopte de Franstaligen tot het creëren van een differentiërende terminologie. In een akte van 1369 wordt bepaald dat de burggraaf van Rijsel dient te zijn flamens, flamengans nés de Flandres. Dit leidt tot Flandre flamengante als naam van het territorium, voor het eerst geattesteerd in een verzoekschrift van de stad Brugge aan het parlement van Parijs (1434), waarin gezegd wordt dat Brugge, Gent en Ieper liggen en Flandres flaminguant, Rijsel en Douai en Flandres non flaminguant. Dit wordt op zijn beurt overgenomen in het Vlaams. In het uit het Frans vertaalde tractaet van den leenrechten van Wielant (1554) staat Vlaendren flamingant. Guicciardini vertaalt dit in 1567 in het Italiaans als Fiandra Fiammigante en creëert als tegenhanger Fiandra Gallicante, hetgeen in de Franse vertaling van zijn werk (1568) omgezet wordt in Flandre Gallicante. Daarnaast kwam vanaf 1628 ook Flandre Wallonne in gebruik, en vanaf 1599 Walsch-Vlaenderen (bij Kiliaan).

De naam van het voormalige graafschap Vlaanderen leeft niet alleen voort in die van de Belgische provincies West- en Oost-Vlaanderen (vanaf 1815) maar ook in Staats-Vlaanderen (vanaf 1815 voor Zeeuws-Vlaanderen) en in la Flandre française, omvattend la Flandre Maritime (= Frans-Vlaanderen) en la Flandre Wallonne (= Waals-Vlaanderen).

3. Fiandra, Flandes = de Nederlanden

De term Niderlant (aldus vanaf 1222), in het Latijn doorgaans vertaald als inferiores partes (vanaf 1123: in inferioribus partibus, doch in de Vita Meinwerci van midden 12de eeuw in inferiori terra) verschijnt in de Middeleeuwen in hoofdzaak in teksten uit het Rijnland (vooral Keulen) en verder uit Duitsland. Hij drukt een tegenstelling uit met Overland, Oberland, in het Latijn superiores partes, hetgeen vooral in Nederlandse (Jan van Heelu, Melis Stoke enz.) en Rijnlandse (vooral Keulse) geschriften aangetroffen wordt. Het best bekende voorbeeld is dat uit het Nibelungenlied, waar Siegfried, van Xanten, helt, herre of künic van Niederlant genoemd wordt. In het Nederlands komt de vroegste vermelding, den here van Nederland, voor in de Brabantse vertaling van het Nibelungenlied (schrift van 1260-1280).

Het gebied dat in deze bronnen met Niderland en zijn Latijnse vertalingen aangeduid wordt, omvat het aartsbisdom Keulen ten westen van de Rijn, Berg, Kleef, Gelderland, Utrecht met Overijsel, Holland en Brabant. Overland daarentegen is het aartsbisdom Trier en het verdere Hoogduitse gebied.

In een Keulse tekst van 1259 wordt mogelijk ook Vlaanderen tot Nederland gerekend: neque etiam ullus Flamingus vel Brabantinus aut alius quicumque de ultra Mosam vel aliarum parcium inferiorum. Daarnaast is sedert de 13de eeuw te Keulen een secundair taalgebruik waarneembaar, waarbij Keulen wordt beschouwd als liggende in neutraal gebied tussen Nederland (waartoe zeker nog Kleef behoort) en Overland (zie ook een brief van 1402 van Dordrecht bestemd voor Keulen: "dat uwen borgeren ende coipluden die die Nederlanden te verzueken plegen").

In Franse (hoofdzakelijk letterkundige) teksten komt met dezelfde betekenis Avalterre, Avauterre en voor de inwoners ervan Avalois voor. Keulen behoort nog tot Avalterre ("li Avalois hucent Coulogne", Philippe Mouskes, vers 21849). Flamenc en Avalois staan tegenover elkaar. Volgens een tekst van 1270 uit Sint-Omaars behoort Vlaanderen niet tot Avalterre: "nus ne voist en Avautere pour markander devant chou k'il n'ait se hanse".

De Latijnse vertaling advallenses partes voor het land, advallenses voor zijn bewoners, komt herhaaldelijk voor in de kroniek van Gislebert de Mons (1196). Volgens deze Henegouwse kroniekschrijver liggen Brabant (onder meer Asse), Gelderland (onder meer Dodewaard) en Kaiserswerth in de Advallenses partes. Vlaanderen, Henegouwen en de stad Luik liggen erbuiten. Het begrip Nederland beantwoordt bijgevolg aan het oude hertogdom Neder-Lotharingen zonder de Waalse gewesten en zonder Friesland-Groningen.

Ten gevolge van de stichting van de Bourgondische staat wordt het begrip Nederland eerst verruimd en daarna verengd.

Eberhard Windecke (1382-1442) begrijpt in zijn Denkwürdigkeiten onder Niderlant niet alleen het voormalige Nederland, maar ook Vlaanderen en de Waalse gewesten. Maximiliaan van Oostenrijk noemt in brieven van 1496 tot 1507 zijn bezittingen in de Nederlanden nos pays d'embas. Volgens Aventinus (= J. Turmayr, 1477-1534) liggen in Niderland onder meer Bonn, Keulen, Düsseldorf, Kleef, Brabant, Vlaanderen, Doornik, Kamerijk en Luik.

Na de oprichting van de Bourgondische kreits (1548) wordt onder Nederland(en) haast altijd deze nieuwe staat (de 17 Provinciën) verstaan. Voorbeelden uit Nederlandse teksten: "confederatie by der Keyserlycke Majesteyt ghemaect van desen zynnen Nederlanden en van Bourgoignien" (1549), "des conincx van Spaengien Nederlanden" (1568), "de Generaele Unie van alle de provincien van gans Nederlant" (1578).

Vanaf de 16de eeuw is Nederland of Nederlanden, les Pays-Bas, de gewone benaming. Daarnaast treedt in Italiaanse en Spaanse teksten uit de 16de-17de eeuw veelvuldig de naam Fiandra, Flandes voor hetzelfde gebied op. De Italiaan Antonio de Beatis, die in 1517 een reis onderneemt door Zuid-Duitsland, de Nederlanden en Frankrijk, maakt een onderscheid tussen la Magna (uit Alamagna), la Magna Alta (dat is het Hoogduitse gebied tot dicht bij Keulen) en la Magna Bassa of de gebruikelijke naam Fiandre (dat onder meer Keulen, Aken, Maastricht, Brabant, Holland en Vlaanderen of Fiandre omvat en waarvan de bewoners Fiamenghi zijn).

De Spanjaard J.Chr. Calvete de Estrella, die in 1552 de reis van kroonprins Filips II naar de Nederlanden te boek stelt, schrijft dat deze comunmente se llaman Tierras baxas o Estados de Flandes. Hij wijkt van het gewone taalgebruik af door la Baxa Alemaña tussen Rijn en Weser te situeren.

Volgens de Italiaan L. Guicciardini (1567) is Fiandra zowel het graafschap als het geheel van de Nederlanden: Chiamasi comunemente questa parte del Re i paesi Bassi. Chiamasi parimente quasi per tutta l'Europa Fiandra, pigliando la parte per il tutto, a causa della potenza & chiarezza di quella Regione. Chiamasi anco Germania inferiore o Alamagna Bassa. Dit gebied omvat mede Luik en Aken.

Bij de Spanjaard A. Vazquez (1614) vinden we eveneens Los Paises-Bajos ó Galia Bélgica, que comunmente llamamos Flandes, son diez y ocho provincias. La más ilustre provincia es el condado de Flandes. Maar Luik maakt er geen deel van uit.

In dezelfde tijd worden te Rome en elders in Italië studenten en kunstenaars uit alle delen van de Nederlanden fiamminghi genoemd: Bernardo Rochet d'Aras fiamengo (1593), Giovanni Desiderio fiamengo di Namur (1617), Simone Hardi fiamengo di Liegi (1638). Te Napels is dit het geval tot het vierde kwart van de 18de eeuw: Anselmo Ludovico Bueut fiamengo di Liegi (1751), Giacomo Ubricht di Fiandra nella diocese di Treveri (1759).

4. Diets, Vlaams, Nederlands

De Nederlandse en Duitse taal heetten aanvankelijk, zonder onderscheid, samen Dietsch of Duutsch. De vorm Dietsch werd gebruikt in Vlaanderen (bijvoorbeeld in Diedsch, 1236 te Gent), Brabant (bijvoorbeeld in Dietsche, 1299 te Mechelen), West-Limburg en Zeeland. Overal elders in het Nederlandse taalgebied en in Duitsland schreef men Duutsch (en soortgelijke vormen). Het woord klimt op tot Germaans theudisk, bij theudô (volk), dus de volkstaal. Hieruit is ook het Franse tiois, en het Luikse tiexhe afgeleid. Met Dietsch land, Duutsch land en tiois pays duidde men zowel het Nederlandse en Duitse taalgebied in zijn geheel als Duitsland alleen aan (bijvoorbeeld van Dutscen lande, 1300 in de grafelijke kanselarij van Holland).

Het adjectief Vlaams sloeg oorspronkelijk niet op de taal, maar op het territorium, zijn bewoners en vooral zijn munt.

In de loop van de 13de-14de eeuw werd in het graafschap Vlaanderen het woord Dietsch als benaming van de eigen taal geleidelijk verdrongen door Vlaemsch. Het vroegste voorbeeld, hoewel in Latijnse vertaling, staat in de kroniek van Willem van Andres (1226-1234): in Gallico tamen et Flandrensi idiomate. In Nederlandse teksten treft men het woord met die betekenis voor het eerst aan bij Jacob van Maerlant. Deze West-Vlaamse auteur woonde een tijdlang op het Zuid-Hollandse eiland Voorne en verhuisde vervolgens naar Damme. Hij gebruikt in zijn omstreeks 1270 gedichte encyclopedie Der Naturen Bloeme (althans volgens het oudste, kort vóór 1287 te Brugge geschreven en nu te Detmold bewaarde handschrift) meestal dietsch, soms dutsch, enkele keren vlamsch (bijvoorbeeld: "Talpa dats in vlamsch de mol, Symia mach in onse vlaemsch een siminkel sijn"). Vroege Franse voorbeelden zijn "uns contes en flamenc" op de rug van een rekening van een grafelijke belasting in het land van Aalst van 1295 (einde 13de eeuw) en "lettre en flamenc, littera in flamingo, lettre en tiesch" op de rug van verdragen tussen de graven van Vlaanderen en Holland van 1299 (begin 14de eeuw).

Als gevolg van de verdringing van Dietsch door Vlaemsch in het graafschap Vlaanderen gaat men daar nu op het einde van de 13de eeuw de vorm Duutsch invoeren met betrekking tot taal en volk van Duitsland. De commanderij van de Duitse Orde te Mechelen heet in 1282 te Gent nog "van den Diexschen huse van Macheline" maar in 1297 te Hulst reeds "van den Duutschen huus te Pitsenborg". In Brabant lijkt Dietsch pas op het einde van de 15de eeuw in onbruik te zijn geraakt. Een laatste sporadisch voorbeeld is Herbarius in Dyetsche, te Antwerpen (1511).

Buiten het graafschap Vlaanderen duikt Vlaemsch het eerst te Antwerpen op, waar omstreeks 1500 een Vocabulair pour aprendre romain et flameng, Vocabulaer om te leerne walsch ende vlaemsch wordt gedrukt. Ook de latere, tot de 18de eeuw veeleer zeldzame vermeldingen stammen meestal uit Antwerpen (daarnaast onder meer ook uit Brussel 1596 en uit Mechelen 1666). Pas in de tweede helft van de 18de eeuw wint Vlaemsch vlug veld.

In Holland blijft Duitsch een van de gangbare benamingen van het Nederlands. Denkelijk gaat de invoering van de vorm Duitsch voor de eigen taal in Brabant op Hollandse invloed terug. Het vroegste voorbeeld is in Duytsche te Antwerpen (1515). Duitsch ter aanduiding van zowel Nederlands als Duits blijft courant tot in de 18de eeuw. Ook in Engeland blijft Dutch ingeburgerd als benaming van het Nederlands.

Noord-Nederlanders mijden de term Vlaemsch voor de eigen taal. Het valt bijvoorbeeld op dat, wanneer de Rhetorica van de West-Vlaming Jan van Mussem uit 1553 herdrukt wordt te Gouda in 1607, de door de auteur overvloedig gebruikte benaming Vlaemsch stelselmatig vervangen wordt door Nederlantsch.

Het Frans, dat tot dan toe de volkstaal in Brabant tiois noemde, gaat op het einde van de 15de eeuw de benaming flameng op het gehele Nederlands toepassen. Een vroeg voorbeeld is Puissance sieut la cour du prinche et se tient en Flandres, en Brebant, a Bruges, a Gand, en Hollande et Zelande et en Namur et est trop plus flamengue que walonne, bij Jean Molinet (1481). In 1546 verschijnt te Parijs een Dictionnaire des huict langaiges, waaronder flamang. Ook in het Italiaans (fiamingho, 1517 bij Antonio de Beatis) en in het Spaans (Vocabulario para aprender franches espannol y flaminco, 1520) betekenen fiamingo, flamenco Nederlands. Een alleenstaand vroeg voorbeeld in het Duits is "usz flemscher sprach" (1470).

In de 16de eeuw komen ook Nederduits en Nederlands op als benamingen van de Nederlandse taal. Van Nederduitsch duikt een sporadisch voorbeeld reeds op in een Hollands handschrift van 1457: int nederduutsche. In Latijnse vertalingen verschijnt in het Exercitium puerorum (Antwerpen, 1485) Almanicum seu teutonicum. Et teutonicum iterum diversificatur per altum, bassum et medium...secundum vero modum Almaniae bass. Vanaf 1551 (Antwerpen) komt Nederduitsch overvloedig voor; het verdwijnt, ter aanduiding van het Nederlands, pas geheel in het begin van de 20ste eeuw.

Ook aan de naam Nederlands ligt het territorium ten grondslag. De vroegste vermeldingen zijn: "also wel wt... overlantsche als nederlantsche tale" (1482 te Gouda), "uten overlantschen ghetrocken in den nederlantschen" (1514 te Antwerpen) en "onse ghemeene nederlantsche tale" (1518 te Brussel). De Gentenaar Joos Lambrecht (1550) begrijpt onder Nederlands ook Fries, Gelders, Kleefs en Guliks. In de 18de eeuw wordt de term Nederlandsch zelden gebruikt. Eerst in het begin van de 19de eeuw geraakt hij opnieuw ingeburgerd in Nederland, later ook in België.

5. Vlaanderen = Nederlandstalig België

In de 17de-18de eeuw zijn er al sporadische voorbeelden van Flandria, Flandre ter aanduiding van het Nederlandssprekende deel van de Zuidelijke Nederlanden. In 1612 delen de jezuïeten hun provincie Germania Inferior (omvatte de Zuidelijke Nederlanden en Luik) in twee taalgebieden in: provincia Flandriae en provincia Belgica, in 1615 herdoopt tot Flandro-belgica en Gallo-belgica. In 1776 verzucht Jan des Roches: Si la poésie étoit ici, comme chez nos voisins, le chemin pour parvenir à la plus haute considération, et le moyen de se faire un nom immortel, Apollon auroit des favoris en Flandre comme ailleurs.

In de 18de eeuw duiken in het Frans eveneens de eerste voorbeelden op van Flamand ter aanduiding van de Nederlandstalige bewoners van de Oostenrijkse Nederlanden en hun taal. "Je ne suis pas François mais Flamand, né en Brabant," schrijft de Brusselaar J.L. Krafft in zijn Histoire générale de l'auguste maison d'Autriche (1744). De Brusselaar M.F. Vermeren gewaagt in het Franse voorbericht van zijn boek De erlevende Belgica (1749) van "notre nation flamande". In 1770 noteert F.J. de Feller bij zijn bezoek aan Mechelen in zijn Itinéraire: Je trouve que nos Flamands sont encore bons: la contagion Françoise n'a fait qu'effleurer leur coeur. Het reglement voor het internaat van het Theresiaans college te Brussel (1778?) bepaalt: Les Flamands apprendront le français et en échange les Wallons et Français s'exerceront dans le flamand.

De afschaffing van de vorstendommen in 1795 effent de weg voor de jongste betekenisevolutie. Vanaf de 16de eeuw vatte men de Romaanse Nederlanden samen onder de naam les provinces wallonnes. Daartegenover stelt C.T.P. graaf de Thiennes in 1814 les provinces flamandes. Na 1814 werden de Vlaamsche provincien en de Waalsche provincien de officiële benamingen van de twee taalgebieden in het Zuiden. In 1844 verscheen de krant Vlaemsch België.

Vlaanderen met zijn huidige betekenis komt blijkbaar het eerst bij Noord-Nederlanders voor, bijvoorbeeld in 1812 bij Ypeij: "De Nederduitsche taal welke van Litthauen af (...) door het Westfaalsche, door het Nederrhijnsche, door gansch België en dus ook door geheel het namalig Vlaanderen gesproken werd." In 1820 stelt J. Immerzeel te Rotterdam Vlaanderen tegenover Holland. Vijf jaar later doet Visscher hetzelfde.

Het oude onderscheid tussen Vlamingen en Brabanders leeft nog geruime tijd voort. Maar vanaf de vroege 19de eeuw gaan de termen Flamand, Vlaming (onder de pen van Hollanders eerst Vlamingers) en Vlaamsch hoe langer hoe meer toegepast worden op de bewoners van Nederlandstalig België en hun taal.

In een rapport van 1805 schrijft G.J.A. de Stassart: Le Belge flamand est plus éloigné que le Belge wallon des usages et du caractère français (...) La différence de langage influe beaucoup dans les rapports qui doivent exister entre les Flamands et les Français. In 1812 vinden we bij Ypeij het volgende terug: "Uit eene vermenging van deze onderscheiden dialekten, namelijk het Vriesche, Bataafsche, Belgisch of Vlaamsch, en Nederrhijnsche, is ons Nederlandsch ontstaan." Jan F. Willems heeft het over "in de administratien van Braband, oost en west Vlaenderen, Limburg en al waer men nog Vlaemsch spreekt" (1819), en "het taelverschil der Hollanders en Vlamingen, het onderscheid van het Hollandsch en Vlaamsch" (1820). In een verzoekschrift van 1822 van de gemeente Zittert-Lummen gericht aan Willem I staat: "Alle de aenzienlijke inwoonders van Zittaert-Lummen zijn Vlamingen of zijn getrouwt met Vlaemsche, welkers kinderen de Vlaemsche tael spreken." L.G. Visscher onderscheidt in 1825 Hollanders en Vlamingers. Thans zijn Vlaanderen, Vlaming en Nederlands de officiële benamingen.

Literatuur

J.Chr. Calvete de Estrella, El felicissimo viaie d'el muy alto y muy poderoso principe don Phelipe..., 1552; 
L. Guicciardini, Descrittione di tutti i paesi bassi, altrimenti detti Germania inferiore, 1567; 
J. des Roches, 'Explication d'une lettre difficile...', in Mémoire de l'Académie Impériale de Bruxelles, I, 1780<sup>2</sup>; 
A. Ypeij, Beknopte geschiedenis der Nederlandsche tale, 1812; 
L.G. Visscher, Over het herstel en de invoering der Nederlandsche taal, 1825; 
H. Beyer, Urkundenbuch ... mittelrheinischen Territorien, I, 1860; 
C. Duvivier, Recherches sur le Hainaut ancien, 1865, preuves; 
L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire des archives de la ville de Bruges, II, 1873; 
F. Brassart, Histoire du château et de la châtellenie de Douai, Preuves, 1877; 
A. Vazquez, 'Los Sucesos de Flandes y Francia del tiempo de Alejandro Farnese', in Colección de documentos inéditos para la historia de España, 72 (1879), p. 11; 
'Willelmi chronica Andrensis', in MGH SS, jg. 24 (1879), p. 692; 
Godefroy, Dictionnaire de l'ancienne langue française, I, 1880; 
J. d'Outremeuse, Ly myreur des hystores, VI, 1880; 
A. Jeanroy et H. Guy, Chansons et dits artésiens du XIIIe siècle, 1898; 
L. Vanderkindere, La chronique de Gislebert de Mons, 1904; 
A. de Beatis, Die Reise des Kardinals Luigi d'Aragona durch Deutschland, die Niederlande, Frankreich und Oberitalien, 1905; 
A. Longnon, Pouillés de la province de Reims, II, 1908; 
W. de Vreese, 'Over de benamingen onzer taal, inzonderheid over "Nederlandsch"', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1909), p. 417-592; 
H. van Werveke, Het bisdom Terwaan, 1924; 
A. Poncelet, Histoire de la Compagnie de Jésus dans les anciens Pays-Bas, I, 1926; 
H. vander Linden, 'De namen België en Nederland door de eeuwen heen', in Académie Royale de Belgique, Bulletins de la Classe des Lettres, 5e série, t. 7 (1931), p. 189-218; 
N. Dupire, Les faictz et dictz de Jean Molinet, I, 1936; 
P. Grierson, Les annales de Saint-Pierre de Gand et de Saint-Amand, 1937; 
F. Prims, 'De naam onzer taal in de jaren 1480-1540, inzonderheid te Antwerpen', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL, (1939), p. 275-282; 
M. van Hamme, 'La question des langues dans l'éducation en Belgique au XVIIIe siècle', in Revue des sciences pédagogiques, jg. 6 (1939), p. 24-32; 
L. van der Essen en G.J. Hoogewerff, De historische gebondenheid der Nederlanden, 1944; 
J. Dhondt en M. Gysseling, 'Vlaanderen, oorspronkelijke ligging en etymologie', in Album Prof. Dr. Frank Baur, I, 1948, p. 192-220; 
T. Weevers, 'The Use of dietsch and Duutsch in Middle Dutch Historical Works between 1280 and 1450', in London Mediaeval Studies, jg. 1 (1948), p. 355-381; 
K. Meisen, 'Niederland und Oberland', in Rheinische Vierteljahrsblätter, jg. 15-16 (1950-1951), p. 417-464; 
M. Gysseling, Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226), 1960; 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse gedachte, I, 1963; 
A. Deprez, Brieven van, aan en over Jan Frans Willems, I, 1966; 
A. de Jonghe, De taalpolitiek van koning Willem I in de Zuidelijke Nederlanden (1814-1830), 1967; 
R. Berger, Le nécrologe de la confrérie des jongleurs et des bourgeois d'Arras (1194-1361), Introduction, 1970; 
F. Claes, 'De benaming van onze taal in woordenboeken en andere vertaalwerken uit de zestiende eeuw', in Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, jg. 86 (1970), p. 288-301; 
A. Viaene, 'Veelnamig Vlaanderen', in Biekorf, jg. 72 (1971), p. 98-106; 
G.A.R. de Smet, 'Die Bezeichnungen der niederländischen Sprache im Laufe ihrer Geschichte', in Rheinische Vierteljahrsblätter, jg. 37 (1973), p. 315-327; 
M. Gysseling, Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300), reeks I-II, 1977-1980; 
J.F. Vanderheyden, 'Verkenningen in vroeger vertaalwerk 1450-1600. Benamingen van de landstalen', in Verslagen en Mededelingen van de KANTL (1983), p. 243-279; 
R. de Schryver, 'Het vroege gebruik van "Vlaanderen" in zijn moderne betekenis', in Handelingen van de KZMTLG, jg. 41 (1987), p. 45-54; 
J. Smeyers, 'Achttiende-eeuwse benamingen voor taal, volk en land in Zuidnederlandse bronnen', in Handelingen van de KZMTLG, jg. 41 (1987), p. 181-193; 
A. Henry, Histoire des mots Wallon et Wallonie, 1990<sup>3</sup>.

Auteur(s)

Maurits Gysseling