Vlaamse Volksbeweging (VVB)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Vlaams-nationale drukkingsgroep opgericht in 1952.

De stichtingsjaren: twee doodgeboren kinderen (1949-1956)

Binnen het nationalistisch milieu in Vlaanderen rees eind de jaren 1940 de vraag hoe men het Vlaams-nationalisme, uiteengeslagen door de collaboratie en repressie, en de V.B. in het algemeen weer kon doen herleven. Een groot twistpunt in de discussies die in kleine en besloten kringen plaatsvonden was de vraag of het Vlaams-nationalisme zich na de oorlog opnieuw partijpolitiek moest organiseren. Velen meenden dat het beter was om een algemene beweging op te starten die dan druk zou kunnen uitoefenen op de traditionele partijen, met name op de Christelijke Volkspartij (CVP). Vooral Hendrik Borginon wierp zich op als een zeer actief pleitbezorger van deze idee.

Toen een aantal nationalisten naar aanleiding van de verkiezingen van 1949 opteerde om met de Vlaamse Concentratie van start te gaan, viel die beslissing bij een aantal vooroorlogse Vlaams-nationalistische kopstukken niet in goede aarde: mensen als Hilaire Gravez en Ernest van den Berghe veroordeelden de lijsten, Gerard Romsée en Borginon steunden openlijk de toenmalige CVP-verruiming. De verkiezingsuitslag van de Vlaamse Concentratie bleef ver beneden de verwachtingen. Een aantal initiatiefnemers besloot om er toch mee door te gaan, maar zelfs binnen de partijrangen bleef de twistvraag tussen partij of beweging spelen.

Nadat de Vlaamse Concentratie bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1952 haar onmacht had getoond, ging op 30 november 1952 een aantal voorstanders van de bewegingsformule over tot de stichting van de VVB. De oprichting ervan werd sinds 1951 besproken, met name in kringen van de Brusselse afdeling van het Algemeen Vlaams Oud-Hoogstudentenverbond waarvan Paul-Felix Beeckman voorzitter was. Buiten Beeckman waren bij de stichting onder meer betrokken: Walter Bouchery (secretaris), Borginon, Romsée, Edmond van Dieren, Hendrik Ballet, Jan Timmermans, Adiel Debeuckelaere, Edward Brieven, Piet Tommissen, Wim Jorissen, Eugeen de Facq, Frans van der Elst, Filip de Pillecyn en Leo Wouters. Inhoudelijk pleitte de nieuwe vereniging voor een verregaande vorm van federalisme en kwam ze op voor amnestie. Dankzij de betrokkenheid van Bouchery kon de VVB het weekblad Opstanding tot haar orgaan maken, vanaf 4 juli 1953 verscheen het blad onder de titel De Volksbeweging; de eerste editie bevatte artikels van onder anderen Beeckman, Jorissen, Van Dieren en Tommissen; hoofdredacteur bleef Antoon Mermans. Toch werd deze eerste VVB een doodgeboren kind. De maandelijkse vergaderingen lokten niet veel meer dan een tiental personen en de vorming van kaders raakte niet van de grond. De parlementsverkiezingen van 1954 zouden aan de eerste VVB de doodsteek geven.

De VVB raakte begin 1954 betrokken bij de gesprekken om tot een nieuw partijpolitiek initiatief te komen. De organisatie als dusdanig engageerde zich niet, maar een aantal bestuursleden – vooral Jorissen – raakte persoonlijk betrokken bij de oprichting van de Christelijke Vlaamse Volksunie (CVV) en zou zich ook kandidaat stellen. In de aanloop tot de verkiezingen nam De Volksbeweging een dubbelzinnige houding aan tegenover de CVV. Na de nederlaag van de partij keerde men evenwel terug naar het volledig niet-partijpolitiek standpunt en werd de degelijkheid van de VVB-formule onderstreept. Een aantal belangrijke bestuursleden had echter de overstap naar de partijpolitiek gemaakt en zou in het najaar van 1954 mee aan de basis staan van de Volksunie (VU).

De VVB bleef gedecimeerd achter en Beeckman stelde aan Alex Donckerwolcke voor om de VVB en de restanten van de Vlaamse Concentratie samen te voegen tot een nieuwe uitgave van de VVB. Eind 1954 ging deze tweede VVB van start met beide heren als voorzitters en Carlo Reiners als secretaris. De organisatie zou vanaf januari 1955 de naam van haar weekblad veranderen in Vlaanderen dat zou verschijnen met een nieuwe redactie. Bouchery zag deze operatie echter niet zitten en ging zelfstandig door met de uitgave van De Volksbeweging. Hierdoor kwam Vlaanderen al snel in de financiële problemen, het laatste nummer verscheen in augustus 1955. Inmiddels hadden velen van de nieuwe bestuursleden de facto afgehaakt en stierf ook de tweede VVB op die manier een wiegendood.

Om de VVB uit het slop te halen begon Reiners onderhandelingen met Flor Grammens over een samenwerking met diens Strijdcentrale. Eind 1955 kwam het tot een akkoord. Inhoudelijk moest de VVB water bij de wijn doen: basis voor de samenwerking werd een Vlaams urgentieprogramma waarin de eis tot federalisme niet voorkwam en waarin ook de amnestie-eis werd afgezwakt. Dit feit bracht het al niet overdreven enthousiasme van de weinige overgebleven actieve VVB-leden onder het nulpunt. Men begon aan de uitgave van een gezamenlijk weekblad onder de titel Vrij dat vooral door Reiners werd volgeschreven, het kende een onregelmatige verschijning en verdween in mei 1956.

Derde keer goede keer: de VVB als motor van de V.B.

In het voorjaar van 1956 werd opnieuw een impuls gegeven door het aanzoeken van nieuwe mensen. Tijdens een voorlichtingsvergadering op 4 maart 1956, met voor het eerst Maurits Coppieters als spreker, werd afgesproken om binnen de drie maanden een VVB-raad samen te stellen met vooraanstaande Vlaamsgezinden van alle strekkingen. Op 17 mei 1956 kwam deze raad voor het eerst samen, met onder meer: Marcel Boey, Edmond Sintobin, Paul-Felix Beeckman, Leo Lindemans, Edgard van Cauwelaert, Edmond van Dieren, Jaak van Waeg, Clemens Daenen, J.R. de Smedt, Flor Grammens, Theo Weymans, Carlo Reiners, Maurits Coppieters, Ferdinand de Bondt, Daniël Merlevede en Lode Wils. Men was erin geslaagd mensen te vinden uit alle Vlaamse provincies, maar de pogingen om figuren uit links-vrijzinnige hoek te overtuigen bleven vooralsnog zonder resultaat. De verruiming van de raad bleef een zorg.

Op 8 juli 1956 pakte de VVB-raad uit met een nieuw Vlaams urgentieprogramma – gebaseerd op de nog ongepubliceerde verslagen van het Centrum-Harmel – waarin alle eisen waren opgenomen die in de jaren 1960 de basis zouden vormen voor de herleving van de V.B.: vastlegging van de taalgrens; culturele autonomie met splitsing van het ministerie van onderwijs en van alle diensten met een taak van opvoeding en voorlichting; verbetering van de taalwetgeving inzake bestuurszaken, onderwijs, gerecht en leger; een tweetalig statuut voor Brussel; de vernederlandsing van het bedrijfsleven; zetelaanpassing; een regionaal economisch beleid. De amnestie-eis werd in gematigde termen opgenomen en het begrip federalisme werd vooralsnog niet gebruikt: het was het begin van het zogeheten 'idealistisch realisme' in de VVB. De sociaal-economische klemtonen in het programma waren toen vernieuwend. De strijdpunten van de VVB weken niet veel af van deze van de Stichting-Lodewijk de Raet en het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond-ACW (Vlaams Manifest, 1958). Het VVB-programma kon dus de basis vormen voor een brede (christelijke) mobilisatie. Contacten tussen de VVB en het ACW bleven dan ook niet uit. Herman Deleeck, directeur van de ACW- studiedienst, werd eind 1957 in de VVB-raad opgenomen. Ook de steun van de katholiek-flamingantische pers bleef niet achterwege. Eind 1957 werd ook De Standaard- redacteur Jozef Dupré lid van de VVB-raad. Mogelijk zagen sommigen in katholiek-flamingantische middens in de VVB een wapen om de mogelijke heropstanding van een Vlaams-nationale partij, in casu de Volksunie (VU), tegen te gaan. Buiten de concurrentiepositie van de VVB (qua werving van militanten) en de twistvraag tussen partij of beweging, verklaart dit mede waarom er vanwege de VU met zeer weinig enthousiasme op de VVB werd gereageerd. Anderzijds werd de VVB door buitenstaanders of tegenstanders vaak afgeschilderd als een dekmantel van diezelfde VU. Tussen de VVB en de Vlaams-nationale partijpolitiek zou er steeds een haat-liefderelatie blijven bestaan.

Op 7 oktober 1956 volgde ten slotte de stichtingsvergadering van de VVB. Bij gebrek aan een consensuskandidaat trad Weymans voorlopig op als dienstdoend voorzitter, verder zaten Coppieters, Daenen, De Bondt, Beeckman, Grammens en Reiners in het bestuur. Voorlopig werd er geen tijdschrift uitgegeven. De kosten van het secretariaat werden gedragen door het Grammensfonds. Toch kwam de werking van de VVB niet meteen van de grond: het plan om een aantal grote voorlichtingsvergaderingen te organiseren moest zelfs worden afgelast wegens gebrek aan belangstelling. Tevens ontstond er binnen de VVB een scherp geschil over de aanstelling van een bezoldigd secretaris. Grammens hoopte deze functie te krijgen, maar uiteindelijk werd – na een weigering van Clem de Ridder – Robert van Mieghem op 25 april 1957 benoemd. Toen de VVB-raad op 14 oktober 1957 Coppieters tot VVB-voorzitter verkoos, gebeurde dit opnieuw tegen de zin van Grammens die niet veel later definitief met de VVB zou breken. Desondanks kon de VVB nu eindelijk echt van start gaan.

Een eerste groot succes boekte de VVB met haar actie tegen het Franstalig karakter van de wereldtentoonstelling van 1958. Van een door De Ridder geschreven brochure hierover werden 7000 exemplaren verkocht en de VVB kreeg door allerhande acties bekendheid bij het grote publiek. Tevens kwam er een vruchtbare samenwerking tot stand tussen de VVB en het Vlaams Jeugdkomitee voor de wereldtentoonstelling; op die manier vond een aantal jonge en getalenteerde mensen hun weg naar de VVB, onder meer Wilfried Martens, Staf Verrept, Paul Daels en Paul Kempynck. Een verdere doorbraak bereikte de VVB met haar agitatie tegen de geplande talentelling. Eind 1958 werd daartoe een werkgroep opgericht onder voorzitterschap van Borginon die een manifest opstelde tegen de talentelling dat onder de andere Vlaamsgezinde verenigingen werd verspreid. Op 24 maart 1959 verenigden zich op uitnodiging van het Davidsfonds 25 verenigingen tegen de plannen voor een nieuwe talentelling, daarbij naast de VVB ook het socialistische August Vermeylenfonds en het liberale Willemsfonds. Daarmee was het Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en Taalgrens (VABT) geboren dat organisatorisch werd overheerst door de VVB. Het VABT slaagde erin de talentelling in Vlaanderen te saboteren en organiseerde in 1961 en 1962 met een groot succes de Marsen op Brussel.

Samen met de veranderende politieke toestand begin de jaren 1960, zorgde een en ander ervoor dat de VVB organisatorisch grote vooruitgang boekte. Het ledenaantal steeg fors van 1265 eind 1958 naar ongeveer 4000 eind 1961 en 8702 eind 1962. Ook het lokale afdelingsleven van de VVB kwam in dezelfde periode van de grond. Talloze nationale, gewestelijke en plaatselijke acties werden op het getouw gezet, onder meer de jarenlange acties voor de vernederlandsing van de Vlaamse kust. Tevens werd er aan de vereniging statutair en structureel meer vorm gegeven. Hoogste orgaan van de VVB was de Algemene Raad waarvan de leden per arrondissement werden verkozen door alle VVB-leden van de plaatselijke afdelingen. Deze VVB-raad verkoos in zijn schoot het Hoofdbestuur van de VVB, uitvoerend orgaan daarvan was het Politiek Bureau. Deze structuur zou tot heden niet meer fundamenteel veranderen. Daarnaast werkten er binnen de VVB nog allerlei, al dan niet tijdelijke, diensten en werkgroepen. Tevens werden er vanaf 1960 regelmatig echte congressen georganiseerd. Een bestuursfunctie in de VVB was onverenigbaar met een politiek mandaat. De VVB begon in 1958 met de uitgave van het bescheiden Berichtenblad voor "werkende en steunende" leden. In het voorjaar van 1961 kwam de leiding daarvan in handen van Martens onder wiens impuls het groeide tot een volwaardig ledenblad dat vanaf 1962 begon te verschijnen onder de titel Doorbraak. Daarnaast werd in januari 1959 gestart met de uitgave van een Documentatieblad van de Vlaamse Volksbeweging waarin een breed persoverzicht werd gegeven van allerlei binnen- en buitenlandse kranten en tijdschriften. Eind 1964 was de VVB niet langer in staat het blad voort te zetten en werd de uitgave ervan overgedragen aan de Kultuurraad voor Vlaanderen. De doorbraak van de VVB stelde het specifiek probleem dat heel wat dynamische bestuursleden op het VVB-elan de overstap maakten naar de partijpolitiek, om niet te zeggen dat ze soms werden weggekaapt door de Christelijke Volkspartij (CVP) of de VU. Dat gebeurde onder meer met Coppieters (1964), Martens (1965), De Bondt (1968), Edgard Bouwens (1968), Frans Baert (1968), Willy Kuijpers (1970) en Robert Vandezande (1971). Daarnaast zouden nog vele andere VVB-raadsleden een politiek mandaat opnemen, bijvoorbeeld Lindemans (1958), Ballet (1965) en Frans van Mechelen (1965). Coppieters werd als algemeen voorzitter in 1963 opgevolgd door Daels.

De opname van mensen uit links-vrijzinnige hoek bleef problematisch voor de VVB, hoewel zowel Coppieters als Daels er het grootste belang aan hechtte. De VVB weerhield zich aanvankelijk van een duidelijke stellingname voor federalisme om de aantrekking op mensen uit die hoek te vergroten. Tevens werd om die reden ook het amnestiethema op het eerste congres in 1960 niet echt beklemtoond. Slechts een handvol prominente vrijzinnigen uit socialistische of liberale hoek trad na het sluiten van het Schoolpact toe tot de VVB, onder meer Renaat Merecy, Georges Jassogne en Emiel Janssens. Velen onder hen namen echter ontslag toen de VVB op haar congres van februari 1962 zich bij monde van Martens duidelijk uitsprak voor 'unionistisch federalisme'. Ongetwijfeld had men de tijd hiertoe rijp geacht gezien vanuit socialistische hoek in Wallonië toen ook voor federalisme werd gepleit. De radicalisering van de VVB zorgde eveneens voor grote spanningen in het VABT. Vele organisaties mobiliseerden niet meer voor de tweede Mars op Brussel. In de aanloop tot de derde Mars in 1963, die uiteindelijk doorging in Antwerpen, verdwenen nog heel wat verenigingen – onder meer alle linkse – uit het VABT dat daarmee aan zijn einde kwam. Op haar congres van maart 1963 trachtte de VVB wel nog om het tij te keren door de federalistische stellingname bij monde van Raymond Derine te laten afzwakken tot 'pragmatisch federalisme', maar dit sorteerde geen effect en werd evenmin lang volgehouden aangezien de houding van de VVB na Hertoginnedal weer verstrakte.

Na de teloorgang van het VABT, ging de VVB opnieuw een belangrijke rol spelen in het eind 1965 opgerichte Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV). Vaak nam de VVB het initiatief voor het uitbrengen van moties en ze was telkens bijzonder betrokken bij de pogingen om met andere verenigingen in het OVV gelegenheidscomités te vormen voor de organisatie van massabetogingen rond het algemeen eisenpakket van de V.B. Dit was onder meer het geval met het Vijf November Komitee dat in 1967 betoogde te Antwerpen, het 24 novembercomité dat in 1974 betoogde te Halle, het 27 maartcomité dat in 1983 betoogde in Hasselt, het Anti-Egmontkomitee dat in de periode 1977-1980 verscheidene manifestaties organiseerde en het Aktiekomitee Vlaanderen '90 dat in 1990 en 1991 in Brussel betoogde. Daarnaast voerde de VVB doorheen de jaren 1960 talloze eigen acties, bijvoorbeeld rond de sluiting van de steenkoolmijn van Zwartberg, de splitsing van de Leuvense universiteit (onderwijs) en de situatie van de Vlamingen in en rond Brussel.

Jaren 1970 en 1980: terugval

Na het begin van de jaren 1970 begon de VVB op organisatorisch vlak aan een terugval. Het ledenaantal ging in dalende lijn, het lokale afdelingsleven ging achteruit en de beweging gaf blijk van veel minder dynamiek dan voorheen. Het federalistisch VVB-programma was nauwelijks nog veranderd en klonk in de jaren 1970 niet bijzonder radicaal meer. Veel jongeren kozen bijvoorbeeld voor de nieuwe en dynamische beweging Taal Aktiekomitee (TAK) om aan Vlaams-nationale actie te doen. Regelmatig kreeg de VVB vanuit die hoek het verwijt een slappe en lamme vereniging te zijn. Een VVB-betoging op 15 oktober 1972 te Vilvoorde, ter beklemtoning van het Vlaams karakter van de Brusselse Rand, lokte volgens de rijkswacht 15.000 deelnemers; een VVB-kaderdag te Dilbeek op 27 maart 1976 verzamelde nog slechts een honderdtal personen. Vernieuwing en wederopbouw van de vereniging werden er tot een prioriteit verklaard.

De agitatie tegen het Egmontpact gaf de VVB tijdelijk weer een nieuwe dynamiek en plaatste de vereniging op het voorplan. Op 25 augustus 1977 werd het Anti-Egmontkomitee gevormd met Clem de Ridder als algemeen voorzitter en Paul Daels als voorzitter van het uitvoerend bestuur. De VVB-voorzitter speelde een prominente rol in de buitenparlementaire strijd tegen het Egmontpact. De VVB en haar periodiek Doorbraak besteedden daaraan in die periode al hun aandacht. Er werden tal van bijeenkomsten georganiseerd waarop bestuursleden van de VVB optraden als spreker. In de relatie tot de partijpolitiek, in het bijzonder tot de Volksunie (VU), bracht dit voor de VVB een kentering teweeg. Kreeg de VVB vanwege de VU tot dan regelmatig het verwijt te horen dat het een alles behalve radicale en een tamme vereniging was, dan stelde de VVB zich nu radicaler op dan de Vlaams-nationale partij. De wonden die in deze periode werden geslagen zouden nooit volledig helen.

In 1980 gaf Daels zijn bestuursfunctie in de VVB op om voorzitter te worden van het IJzerbedevaartcomité. Er stond echter niemand klaar in de VVB om hem op te volgen. Uit plichtsbesef tegenover zijn goede vriend Daels, nam daarom vanaf 1 september 1981 Jaak van Waeg het voorzitterschap over. De achteruitgang van de VVB begon nu dramatische vormen aan te nemen. Het congres van mei 1981 lokte maar een honderdtal personen; het was meteen het laatste congres van de jaren 1980. Op een academische zitting in september 1982 waren nog geen vijftig aanwezigen. Op vele plaatsen viel het lokale afdelingsleven gewoon stil, enkel in West-Vlaanderen hield de VVB min of meer stand. In oktober 1983 moest Doorbraak erkennen dat het zeer slecht ging met de VVB en hield het blad een pleidooi voor het voortbestaan van de vereniging. Van Waeg was als VVB-voorzitter nog steeds zeer actief in het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen en de VVB verspreidde nog regelmatig persmoties en dergelijke, maar al bij al begon de vereniging stilaan in de vergetelheid te raken.

Na de dood van Daels in 1989, stelde Van Waeg zich niet langer kandidaat voor het voorzitterschap van de VVB. De vereniging telde dan nog een 2000-tal leden.

Jaren 1990: een nieuwe start

Eind 1989 trad een nieuwe bestuursploeg aan met daarin een aantal nieuwe en jonge leden, onder meer de nieuwe voorzitter Peter de Roover. De meesten onder hen waren gewezen kaderleden van de Volksunie (VU) die het eind de jaren 1980 in die partij voor bekeken hielden.

Het vernieuwde bestuur deed enorme inspanningen om de VVB een nieuw elan te geven. Binnen het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) werden onder impuls van de VVB de meeste nationalistische verenigingen verzameld in het Aktiekomitee Vlaanderen '90 dat in mei 1990 en april 1991 massabetogingen hield rond een radicaal eisenpakket. De radicalisering zorgde overigens voor ernstige moeilijkheden binnen het OVV. De uitgave van het blad Doorbraak werd verbeterd. In april 1991 organiseerde de VVB weer een algemeen congres. De vereniging zette er de stap naar een openlijke, separatistische stellingname: een onafhankelijke Vlaamse staat in Europa werd officieel het hoofddoel van de vereniging. In 1992 werd de campagne "Stop Euro-Brussel" gelanceerd tegen het functioneren van Brussel als hoofdstad van de Europese Unie, met onder meer de vestiging van bemiddelde Europese ambtenaren in de Vlaamse rand tot gevolg. In 1993 startte de VVB een onafhankelijkheidscampagne met een grote meeting in Gent en in 1994 werd er gecongresseerd over een Vlaamse strategie voor Brussel. In 1996 vormde de VVB mee het Aktiekomitee Vlaamse Sociale Zekerheid dat onder meer een grote meeting in Antwerpen op het getouw zette. Over al die thema's gaf de VVB ook een reeks nieuwe boeken en brochures uit. De grote activiteit en de radicalisering van de VVB resulteerde in een ruime verdubbeling van het ledenaantal sinds 1989. Daarbij vonden vooral traditionele nationalisten hun weg terug naar de VVB. Onder hen heel wat leden van de VU, zoals bijvoorbeeld Walter Peeters, die niet langer akkoord gingen met de koers van hun partij. Daarnaast traden ook vele traditionele nationalisten van Vlaams Blok-signatuur toe, in het bijzonder in het Antwerpse. Ondanks het feit dat de VVB zich onthoudt van een sociaal-maatschappelijke stellingname blijft de aantrekkingskracht op mensen van de linkerzijde zeer beperkt.

In de periode van het Aktiekomitee Vlaanderen '90 had de VVB zeer nauw samengewerkt met het Taal Aktiekomitee (TAK). Heel wat mensen van TAK kwamen ook in VVB-bestuur en vice versa. Zo werd TAK-woordvoerder Guido Moons in 1995 VVB- ondervoorzitter. Eind 1991 werd de band officieel gemaakt met de sluiting van een verregaand samenwerkingsakkoord tussen de twee verenigingen. De facto werd TAK zowat de actiegroep van de VVB. In 1995 werd ook de periodiek van TAK voortgezet als een rubriek van het blad Doorbraak.

In 1995 was De Roover een van de initiatiefnemers van het Ijzerbedevaartsforum. Hij was daarvan wel alleen in persoonlijke naam lid, maar de VVB verleende als vereniging haar volle medewerking aan het initiatief en kwam op die manier terecht in de turbulente contestatie van het IJzerbedevaartcomité tijdens de jongste jaren.

Literatuur

M. Boey, P. Daels en L. Vandeneynde, 20 jaar werking Vlaamse Volksbeweging, z.j.; 
M. Coppieters, 'De Vlaamse volksbeweging', in Kultuurleven, jg. 29, nr. 9 (1958), p. 665-673; 
T. van Moerbeke, Voorgeschiedenis en ontstaan van de Vlaamse Volksbeweging (1945-1957), KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1981; 
H. Todts, Hoop en Wanhoop der Vlaamsgezinden, 4 dln., 1961-1982; 
id., Staat in ontbinding?, 1988; 
id., Federalisme, het einde?, 1995; 
'Dossier: 40 jaar VVB', in Doorbraak, jg. 39, nr. 10 (1996).

Verwijzingen

zie: bestuur, Brabant, Europese Unie.

Auteur(s)

Bart de Wever