Vlaamse Filologencongressen

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

naam van zowel de organiserende vereniging als van de congressen, die van 1910 tot 1983 in principe om de twee jaar in een Vlaamse stad werden gehouden.

De naam Vlaamsch Philologencongres verscheen voor het eerst in 1913 in de Handelingen van een congres in Gent dat was aangekondigd als het tweede Vlaamsch Taal- en Geschiedkundig Congres, maar tijdens de werkzaamheden het tweede Vlaamsch Philologencongres werd genoemd. Met terugwerkende kracht werd daarom het eerste Vlaamsch Taal- en Geschiedkundig Congres van Antwerpen in 1910 het stichtingscongres van de Vlaamse Filologencongressen. Bovendien was inmiddels ook een vereniging voor taalkunde, geschiedenis en aanverwante vakken opgericht. Door publicatie in de Handelingen van 1913 van wat 'de Wet' werd genoemd, verkreeg deze vereniging een eigen identiteit en een eigen doelstelling, namelijk de wetenschappelijke beoefening van filologie en geschiedenis in het Nederlands.

De Vlaamsche Philologencongressen bouwden voort op de Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen, die van 1849 tot 1912 beurtelings in Noord en Zuid hadden plaatsgevonden, maar de nadruk legden op de taalpolitiek. Bovendien kreeg vooral door de strijd voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit de eis voor wetenschapsbeoefening in eigen taal in brede kringen aanhangers.

Organisatorische samenwerking vanaf 1910 met het Natuur- en Geneeskundig Congres en met het Rechtskundig Congres, die allebei al enige traditie hadden, leidde ertoe dat tot 1940 het Vlaamsch Philologencongres een deelcongres werd onder de koepel van de Vlaamsche Wetenschappelijke Congressen. De stuwende kracht in die groots opgezette manifestatie was Jozef Goossenaerts, die het secretariaat van het Philologencongres op zich nam tot hij in 1930 die taak doorgaf aan dr. E. Tieleman.

Aangenomen wordt dat de benaming 'Vlaamsch Philologencongres' was gekozen naar analogie van de naam van de vereniging die in Nederland sedert 1898 tweejaarlijks, van 1910 tot 1925 driejaarlijks, een Nederlands Filologencongres organiseerde. Met die vereniging kwam in 1924 een regeling tot stand waardoor alternerend kon worden gecongresseerd in Noord en Zuid.

Pas in 1936 voelden de Vlaamsche Philologencongressen de noodzaak van een wettelijk bestaan als vereniging zonder winstoogmerk aan. De statuten werden afgedrukt in de Handelingen van het dertiende congres (p. 167-173, 1936).

De promotoren, referenten en leden van de vereniging beschouwden elk congres als een bevestiging van Vlaams wetenschappelijk leven en als een bijdrage tot de V.B.

De tweede periode in de geschiedenis van de Vlaamse Filologencongressen begint na de Tweede Wereldoorlog. Leuvense professoren van de toenmalige faculteit wijsbegeerte en letteren waren van oordeel, dat de Vlaamse Filologencongressen in elk geval moesten blijven bestaan. Professor J.L. Pauwels aanvaardde als algemeen secretaris op te treden en hij organiseerde meteen een sterke Vlaamse deelname aan het 19de Nederlands Filologencongres in 1946 in Amsterdam. Van 1947 af volgden de congressen elkaar om de twee jaar op, met uitzondering van 1965. De Handelingen maken duidelijk dat aan het begrip filologie een wel heel ruime betekenis werd gegeven. In 1975 en in 1977 maakte een sectie Geschiedenis van de Vlaamse Beweging deel uit van het congresprogramma, wat ook al in 1930 het geval was geweest. Met de Nederlandse zustervereniging bleef een goede verstandhouding bestaan. En als organen van samenwerking tussen Noord en Zuid hebben beide verenigingen een rol van betekenis gespeeld. Bij toerbeurt was het congres te gast aan de universiteiten in Gent, Brussel, Leuven en Antwerpen en er werd telkens dankbaar gebruikgemaakt van het forum dat de Filologencongressen aan hun professoren, aan hun jonge doctores en doctorandi boden. Het congresbestuur wisselde bij elk congres, op de algemene secretaris na, die voor de permanentie van de congressen moest zorgen: Pauwels werd opgevolgd door de professoren Arm.J. Janssens (1954-1964), Jozef van Haver (1964-1977) en W. Martin (1978-1983).

De toenemende specialiseringen in de letterenfaculteiten en de kritiek op de congresformule, die voorbijgestreefd werd genoemd, maakte begin de jaren tachtig nogal abrupt een einde aan de vereniging en haar congressen.

Literatuur

F. Camerlinckx, 'De Vlaamse Filologencongressen, hun verleden, hun toekomst', in Handelingen van het 25ste Vlaams Filologencongres, (1963), p. 17-29.

Auteur(s)

Jozef van Haver