Vlaamsche Kunstenaarsgilde, De

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

vereniging van Vlaamse kunstenaars (1940-1944).

In februari 1940 werd de Federatie van Vlaamsche Kunstenaars opgericht onder voorzitterschap van Emiel Hullebroeck met als doel de Vlaamse kunst te promoten en de belangen van de Vlaamse kunstenaars te verdedigen. Na de Duitse inval, in augustus 1940 deelde de vereniging mee dat ze haar werkzaamheden had hervat en dat met het oog op de Nieuwe Orde de vereniging zou worden hervormd. Begin januari 1941 werd dan het "Plan tot Opbouw en Uitbouw van het Kunstleven" bekendgemaakt. Er werden Plaatselijke Kunstkamers opgericht, verdeeld in verschillende kunsttakken: Letteren, Muziek, Film, Plastische Kunsten en Architectuur. De verschillende Kamers van eenzelfde geografisch gebied vormden de Plaatselijke Gilde; per provincie was er een groepering in Gouwgilden. Als hoogste orgaan werd een Landsgilde ingesteld, die de Gouwgilden overkoepelde. Daarnaast waren alle Plaatselijke Kunstkamers van één kunsttak verenigd in een Gouwkamer. Men kon slechts lid worden van de Vlaamsche Kunstenaarsgilde als men lid was van een Plaatselijke Kunstkamer. Hullebroeck werd algemeen leider. In de Landsgilde hadden Albert Servaes, Lode Monteyne en Maurice Roelants zitting. Gouwleiders waren Urbain van de Voorde (Brabant), Felix Timmermans (Antwerpen), Lieven Duvosel (Oost-Vlaanderen), Sam de Vriendt (West-Vlaanderen) en Jos Simons (Kempen). De Vlaamsche Kunstenaarsgilde organiseerde geregeld kunstmanifestaties in Vlaanderen en Duitsland. Ze wilde actief bijdragen tot de culturele opvoeding van het volk. Maar de organisatie bekommerde zich toch voornamelijk om de materiële belangen van de kunstenaars. Samen met Winterhulp organiseerde de Kunstenaarsgilde acties voor noodlijdende kunstenaars. In tegenstelling tot de Nederlandse en Duitse Kunstenaarsgildes waren de Vlaamse kunstenaars niet verplicht aan te sluiten om verder te mogen werken, publiceren of exposeren. De Kunstenaarsgilde legde wel de nadruk op de volksverbondenheid, maar van een nazificatie was geen sprake. Volgens de bezetter telde de vereniging eind 1942 1300 leden, maar vanaf 1943 daalde het ledenaantal.

Literatuur

L. Laureyssens, Cultuurleven en cultuurbeleid tijdens het Duitse bezettingsregime. Een verkennend en vergelijkend onderzoek van de Antwerpse casus, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1983.

Auteur(s)

Bernard van Causenbroeck