Vlaamsche Front, Het

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Vlaams-nationalistische partij gesticht in 1919 en ook bekend onder de couranter officieuze benaming Frontpartij.

Beide benamingen verwijzen naar de oorsprong van de partij, namelijk de Frontbeweging waarvan aanvankelijk ook het kernprogramma "Zelfbestuur, Nooit meer oorlog en Godsvrede" als programma werd aanvaard. Bij de parlementsverkiezingen van 1919 werden met Adiel Debeuckelaere en Hendrik Borginon twee leiders van de Frontbeweging verkozen voor de Frontpartij. Van meet af aan werden ook activisten in de partij opgenomen (activisme). In 1925 werd zo met Herman Vos de eerste activist in het parlement verkozen. Het gemeenschappelijk oorlogsverleden bleek evenwel onvoldoende om een coherente partij te vormen. Vrijwel onmiddellijk tekenden zich diverse breuklijnen af.

1/ Ten eerste was er een breuklijn tussen een reformistische pool die Vlaams zelfbestuur wilde realiseren langs wettelijke weg en een radicale die een revolutionaire strategie wilde voeren. De laatste strekking was dominant in de Opperste Raad die na de wapenstilstand werd gevormd en die de leiding van de Frontpartij claimde. De reformistische strekking had aanvankelijk de sterkste troeven doordat ze kon rekenen op de historische leiders Borginon en Debeuckelaere en op de sterkste partijafdelingen: de Antwerpse met onder meer Vos, Herman van Puymbrouck en Hendrik Picard, die beschikte over de krant De Schelde (1919-1936) en het weekblad De Ploeg; de Aalsterse, die fuseerde met de resten van de Daensistische Beweging en zo kon rekenen op een verkozene, de daensist Karel-Leopold van Opdenbosch, en op een netwerk van organisaties, met onder meer een moderne drukkerij-uitgeverij; de Brabantse met de verkozen Staf de Clercq die in 1920 een jaarlijkse Vlaamsch Nationale Landdag organiseerde en gaandeweg een nationaal secretariaat op poten zette. Met uitzondering van de radicale Gentse verkozene Boudewijn Maes behoorde de eerste lichting mandatarissen tot de gematigde strekking. Mede doordat de Opperste Raad niet over eigen structuren beschikte, moest ze deze feitelijke ontwikkeling ondergaan. Enkele leden van de Raad, met op kop de activistische priester Robrecht de Smet, ontwikkelden toen een strategie die erop was gericht via geheime organisaties vat te krijgen op de leiding. Uit de Opperste Raad ontstond het Veem ick wijck niet af en einde 1921 werd onder leiding van De Smet het Verbond van Vlaamsche Nationalisten De Blauwvoet opgericht, met de steun van naar Nederland uitgeweken activisten en van het in 1922 opgerichte weekblad Vlaanderen. In 1924 werd vanuit dezelfde hoek een Vlaamsch Nationaal Secretariaat opgericht.

Deze efemere initiatieven waren niet van aard om een goedgeorganiseerde partij in moeilijkheden te brengen. Maar precies op dat punt stond de Frontpartij bijzonder zwak. De nationale partijstructuren ontgroeiden nooit het embryonale stadium. De partij was niet in staat de Fronterskrant Ons Vaderland in leven te houden. Er was geen krachtige nationale leiding. De eerste voorzitter van de Frontpartij Debeuckelaere verdween van het politieke voorplan toen hij in 1921 negen maanden in voorarrest werd genomen op beschuldiging van hoogverraad tijdens de oorlog omwille van vermeende betrokkenheid bij de zaak van de Sublieme Deserteurs. Debeuckelaeres strategie om elke betrokkenheid te ontkennen, leidde wel tot zijn vrijspraak, maar bezegelde meteen zijn zwak imago bij de radicale achterban. Borginon verdween bij zijn niet herverkiezing in 1921 van het voorplan. Hun rol werd overgenomen door Van Puymbrouck die in 1921 de nationale voorzitter werd en door Vos die van 1925 af de feitelijk parlementaire leider werd. Beiden waren vrijzinnige Antwerpenaars. Hun posities bevestigden enerzijds de groeiende macht van de Antwerpse Frontpartij en anderzijds het teloorgaan van een algemeen aanvaarde nationale leiding. Voor het laatste was een tweede breuklijn verantwoordelijk.

2/ De breuklijn tussen een katholieke pool en een pluralistische zette van meet af aan het Godsvredestandpunt onder druk. In West-Vlaanderen rijpten onder invloed van het traditionalisme en de ideeën van Lodewijk Dosfel het vroegst de idee tot de vorming van een katholieke Vlaams- nationalistische organisatie. Ook elders ervoeren de kandidaten van de Frontpartij het pluralistisch programma als een obstakel om steun te verwerven op het katholieke platteland. Al in 1923 besliste de Frontpartij op dit punt te decentraliseren. Zo ontstonden van dat moment af regionale Vlaams-nationalistische groeperingen met een uitgesproken katholiek karakter, dat vaak ook werd weerspiegeld in een nieuwe benaming. In West-Vlaanderen ontstonden in 1924 de Roomsch Katholieke Vlaamsch Nationale Vereeniging en de Roomsch Katholieke Vlaamsch Nationale Groep die in 1925 fuseerden tot het Katholiek Vlaamsch Nationaal Verbond (KVNV). In Aalst zorgde de fusie met de daensisten voor een christelijk imago. De partij trad er van 1923 af naar buiten onder de benaming Christene Volkspartij-Vlaamsche Front. Elders bleek het water voor samenwerking te diep. In Gent-Eeklo werd in 1925 een Katholieke Christelijke Volkspartij voor Vlaanderen opgericht tegen de vrijzinnige Maes die het onderspit moest delven. In Antwerpen kreeg de Frontpartij in 1925 concurrentie van de Kristene Vlaamsche Volkspartij. In Turnhout scheurden dat jaar radicale Vlaamsgezinden onder leiding van Thomas Debacker zich af van de katholieke partij en stichtten een Katholieke Vlaamsche Volkspartij die meteen de lokale afdeling van de Frontpartij opslorpte. In Limburg voltrok zich in 1929 een identiek scenario. Kortom in de tweede helft van de jaren 1920 ziet men stelselmatig de benaming Frontpartij verdwijnen. Ze overleeft in Antwerpen en Mechelen, in het Waasland, in Aalst en Brabant. Achter deze naamsverandering gaat een ideologische discussie rond de opportuniteit van een pluralistisch politiek imago schuil.

De verdere evolutie van het Vlaams-nationalisme wordt bepaald door de verstrengeling van de twee vermelde breuklijnen. Belangrijk voor de hier ontwikkelde invalshoek is dat enerzijds de benaming Frontpartij steeds meer vereenzelvigd werd met de gecombineerde opties pluralisme en reformisme en dat anderzijds deze combinatie uitsluitend nog enige slagkracht behield via de Antwerpse partijorganisatie. Met andere woorden de notie Frontpartij verandert van een overkoepelende benaming van de nationale Vlaams- nationalistische partij in de benaming van één welbepaalde regionaal en ideologisch afgebakende groep in het Vlaams- nationalisme. Vele tijdgenoten bleven hét partijpolitieke Vlaams-nationalisme aanduiden als de Frontpartij. In het parlement bijvoorbeeld overleefde de notie 'fronters' lange tijd de nationale Frontpartij. Ook vele historici en publicisten, geconfronteerd met de groeiende verwarring in het Vlaams-nationalisme, gebruiken de benaming Frontpartij als overkoepelend begrip voor de periode tot 1933 wanneer de stichting van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) opnieuw enig terminologisch houvast biedt. Zo ontstond ook de misvatting dat het partijpolitieke Vlaams-nationalisme tot 1933 gedomineerd werd door pluralisme en reformisme. In werkelijkheid zaten deze ideologische opties al lang voor 1933 in het defensief. De geschiedenis van de (Antwerpse) Frontpartij toont dat aan.

De combinatie katholicisme en conservatief revolutionarisme sloeg het vroegst aan in het KVNV. KVNV 'Hoofdman' Joris van Severen, sedert 1921 verkozen, wilde het KVNV over heel Vlaanderen verspreiden. Hij probeerde de Antwerpse Frontpartij doelbewust te isoleren. Zo ontstond in april 1928 het Algemeen Vlaamsch Nationaal Verbond (AVNV), een koepel van de katholieke Vlaams-nationalistische partijen. De Antwerpse Frontpartij onderhandelde vanuit een geïsoleerde positie om tot een federatie te komen met het AVNV. Toen dit in oktober 1928 leek te lukken en Van Puymbrouck tot de leiding van het AVNV toetrad onder de conditie dat het programma zou worden herzien, blies Van Severen het AVNV op middels een revolutionaire Groot-Nederlandse rede in het parlement, waarmee hij meteen de delicate onderhandelingen van de Antwerpse Frontpartij rond de kandidatuur van August Borms bij een tussentijdse verkiezing in Antwerpen in gevaar bracht. Toen de Bormsverkiezing niettemin uitdraaide op een groot succes, probeerde de Frontpartij dit ook in de interne verhoudingen te verzilveren en opnieuw het initiatief in handen te krijgen. Vos werkte een Federaal Statuut uit dat in de eerste plaats de bedoeling had het Vlaams-nationalisme achter een reformistisch programma te verenigen. Het dreef alleen de ideologische discussies op de spits.

In 1932 kreeg de Antwerpse Frontpartij af te rekenen met een Vlaams-nationalistische dissidentie die het pluralisme en het reformisme hekelde met een katholiek en revolutionair Groot- Nederlands programma. Vos verloor zijn Kamerzetel. Van Puymbrouck gaf ontmoedigd ontslag als voorzitter van de Frontpartij en werd opgevolgd door de vrijzinnige Jan Timmermans. Timmermans en Vos namen deel aan de onderhandelingen met de andere Vlaams-nationalistische groepen die uiteindelijk leidden tot de oprichting van het VNV onder leiding van de fel geradicaliseerde De Clercq. Tijdens deze onderhandelingen bleek hoe de Frontpartij wegens haar pluralistisch en reformistisch programma geïsoleerd stond.

Toen het VNV in oktober 1933 van start ging met een uitgesproken antidemocratische en revolutionair Groot- Nederlands programma werd de Frontpartij buitenspel gezet. Vos nam ontslag en stapte over naar de Belgische Werkliedenpartij. Het VNV stichtte een Antwerpse afdeling die geleid werd door Maurits Lambreghts, tot dan bestuurslid van de Frontpartij. Het bestuur van de Frontpartij probeerde als onafhankelijke groep toe te treden tot het VNV maar stuitte op een onverzettelijke De Clercq die de ontbinding van de partij en de onverkorte aanvaarding van het VNV-programma eiste. Daarop probeerde de Frontpartij een Godsvredefederatie tegen het VNV op te zetten, maar ze vond daarbij slechts steun bij enkele geïsoleerde uit het daensisme afkomstige Vlaams-nationalisten zoals Van Opdenbosch.

Naarmate het VNV steviger greep kreeg op het partijpolitieke Vlaams-nationalisme, leek de positie van de Frontpartij hopelozer. Ambitieuze aanhangers bleken bereid hun ideologische reserves opzij te zetten en over te stappen. Van Puymbrouck, na het opstappen van Vos hoofdredacteur en mede- eigenaar van De Schelde, stapte in 1934 over. Zo verloor de Frontpartij haar dagblad. Op hetzelfde moment probeerde Timmermans zijn partij warm te maken voor de toetreding tot het VNV. Toen een algemene ledenvergadering op 9 oktober 1934 zich hier opnieuw tegen kantte nam Timmermans en tweede secretaris Karel Peeters ontslag om naar het VNV over te stappen. Leo Augusteyns, die al voorzitter was van de Godsvredefederatie, werd de nieuwe voorzitter. Hij probeerde een nieuw elan op te wekken door de Godsvrede-idee te vertalen als een positieve keuze voor de democratie tegen het fascistische VNV. In eigen rangen ondervond hij tegenwind van degenen die de Godsvrede zagen als een ideologisch neutralisme en een voorwaarde tot samenwerking met alle Vlaams- nationalisten, ook fascisten. Deze tweespalt werd de Frontpartij ten slotte fataal.

Met de verkiezingen van 1936 in zicht zocht Augusteyns in Antwerpen bondgenoten bij linkse anti-fascistische groepen die hem als lijsttrekker van de Frontpartij wilden steunen. Zijn plan werd doorkruist toen het VNV een kartellijst aanbood met als kopman Borginon. Dit paste in een strategie van de VNV- leiding om in heel Vlaanderen Vlaamsch Nationaal Blok- lijsten in te dienen waarop ook onafhankelijke Vlaams- nationalisten konden plaatsnemen. Aangezien Borginon binnenskamers er geen geheim van maakte dat hij het VNV op een gematigd spoor wilde zetten en in die zin zijn kandidatuur aan voorwaarden verbond, meende het bestuur van de Frontpartij erop te kunnen ingaan. Augusteyns nam daarop ontslag en probeerde tevergeefs een anti-fascistische Volksfrontkartel te vormen. Hoewel nog voor de verkiezingen bleek dat Borginon zijn voorwaarden niet kon hardmaken, ging de Frontpartij in kartel met het VNV naar de kiezer. Picard werd als lijsttrekker voor de Senaat verkozen. Hij werd ook de nieuwe voorzitter. Onder zijn leiding keerde de Frontpartij terug tot een strikt neutralisme.

Zijn blad Vlaamsch Front (1937-1939) schreef met een vriendelijke reserve over het VNV en was voorts vooral de spreekbuis van Picard zelf. Toen hij in november 1937 door Augusteyns werd uitgenodigd toe te treden tot het enkele maanden eerder opgerichte Vlaamsch Blok voor Zelfbestuur en Demokratie, weigerde hij omdat dit tegen de Godsvrede inging. Hoe zwak beiden wel stonden bleek uit de gemeenteraadsverkiezingen van 1938. De Frontpartij slaagde er in de stad Antwerpen niet in de zetel van haar uittredend gemeenteraadslid Antoon Picard te redden. Bij de parlementsverkiezingen van 1939 besloot de Frontpartij Flor Grammens als onafhankelijk kandidaat op de VNB- lijst te steunen. Dat was het laatste teken van leven.

Literatuur

A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, 4 dln., 1969; 
L. Vandeweyer, 'Robrecht De Smet in het Vlaamse Front 1918-1920', in WT, jg. 43, nr. 3 (1984), p. 173-185; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, II, 1985; 
L. Vandeweyer, 'De eerste barsten in het Vlaamse Front', in WT, jg. 44, nr. 2 (1985), p. 78-94; 
id., 'Machtsstrijd in het Vlaamse Front. Het afsterven van "Ons Vaderland", de geboorte van "Vlaanderen"', in WT, jg. 44, nr. 4 (1985), p. 206-224; 
id., 'Het katholiek Vlaams-nationalisme in Antwerpen naast het Vlaamse Front 1925- 1931', in WT, jg. 50, nr. 4 (1991), p. 193-197; jg. 51, nr. 1 (1992), p. 193-197; 
id., 'René Lagrou en het katholieke Vlaams-nationalisme in Antwerpen', in WT, jg. 51, nr. 3 (1992), p. 163-183; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
B. van Causenbroeck, Herman Vos: van Vlaams-nationalisme naar socialisme, 1997.

Verwijzingen

zie: Gent.

Auteur(s)

Bruno de Wever