Vlaamsch Verbond (1861-1862)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

flamingantische politieke drukkingsgroep in Gent (1861-1862).

Na de eerste, literair-filologische fase in de V.B., meenden meerdere flaminganten na 1850 dat ze hun eisen ook politiek moesten vertalen. Ze ergerden zich aan de onverschilligheid van de regering voor hun eisen, zoals rond het werk van de Grievencommissie was gebleken. Bovendien bracht de kiescijnsverlaging van 1848 het stemrecht in het bereik van de kleine burgerij, die zich gevoelig toonde voor de V.B. Tegelijk groeiden andere 'radicale' aspiraties, zoals die van democraten, antimilitaristen, de arbeiders- of de vrijhandelsbeweging. Het flamingantisme werd het brandpunt waarrond dit radicalisme zich verstrengelde tot een brede maar weinig gestructureerde oppositie.

Deze nieuwe politieke groepen herkenden zich niet in de twee bestaande, overwegend burgerlijke politieke stromingen, de katholieke en de liberale. De liberalen hadden al in 1847 een partij opgericht en beheersten vanaf 1857 de regering en meerdere stadsbesturen. Rond 1857-1864 experimenteerden de radicalen, grotendeels met steun van de klerikale oppositie, met eigen kandidaten bij verkiezingen, meestal met slechts beperkt en kortstondig succes, op de Meetingpartij in Antwerpen na. Gebrek aan onderlinge coherentie verhinderde de oprichting van een eigen, 'derde' partij, ook omdat het kiesstelsel een tweepartijensysteem bevorderde. Daaruit groeide de idee om de bestaande partijen voor het radicale programma te winnen via pressie op hun kandidaten bij verkiezingen. Toen ook prominente liberale flaminganten als Ferdinand A. Snellaert gefrustreerd raakten over de liberale onwil tegenover de V.B., kwam schot in de zaak: de flaminganten zouden de bestaande partijen 'vervlaamsen'.

Op 5 april 1861 verscheen daartoe een oproep in Het Zondagsblad, het Gentse volksweekblad van de progressieve liberaal Constant Leirens: een Vlaemsch Verbond zou bij haar leden-kiezers alleen kandidaten aanbevelen die de Vlaamse eisen onderschreven. Op 13 mei startte Leirens daartoe het tijdschrift Het Vlaemsch Verbond (spoedig gespeld als: Het Vlaamsch Verbond, een spelling die vervolgens ook voor de organisatie werd gevolgd). De praktische werking van het Verbond werd op 19 mei vastgelegd in een door de Brusselse maatschappij Vlamingen Vooruit (waar Leirens in actief was) georganiseerd overleg. Het Verbond zou in elke kiesomschrijving een afdeling tellen, waarbinnen commissies elk een partij zouden 'bewerken'.

Het Verbond kwam alleen in Gent van de grond. Het bundelde de meeste flamingantische verenigingen, maar ook de vier belangrijkste arbeidersorganisaties. Meteen ontstond een Vlaamsch Liberaal Komiteit, met Leirens als voorzitter en de antiklerikale, democratisch-flamingantische, jonge advocaat Julius Vuylsteke als secretaris. Snellaert besloot, voorlopig en tegen het liberale comité in, een overkoepelende Gentse afdeling op te richten. Voorlopig, want de Kamerverkiezingen van 11 juni stonden voor de deur. Het liberale comité bewerkte de (allerminst enthousiaste) liberale kandidaten, Snellaerts afdeling richtte zich tot de onafhankelijken en de klerikalen. Drie liberalen werden verkozen, tegen vier kandidaten van de oppositie, onder wie de flamingant Pieter de Baets.

Al op 12 juli richtten Leirens en Vuylsteke de Liberale Afdeeling van het Verbond op. Begin september wilden Snellaert en Karel F. van Acker een overkoepelende Algemeene Afdeeling oprichten, maar Leirens en Vuylsteke namen er de macht in over en neutraliseerden haar. Op 30 september reageerde de groep-Snellaert met de oprichting van een Hoofd-Afdeeling van het Vlaamsch Verbond, voorgezeten door de oud-leraar Lodewijk de Potter, die de steun kreeg van de arbeidersorganisaties en van de presocialistische flamingant Emiel Moyson; ze werd door de liberalen als klerikaal gedoodverfd.

Leirens verdween uit het Gentse geharrewar en de groep-Vuylsteke stond voorgoed lijnrecht tegen de groep-Snellaert. Deze laatste ging ervan uit dat de V.B. één moest blijven, los van de partijenstrijd, en dat verkiezingen alleen dienden om het radicale Vlaamse programma via de bestaande partijen te realiseren. De jonge liberalen rond Vuylsteke geloofden niet in zo'n 'onzijdig', boven alle andere politieke belangen verheven Vlaams programma. Voor hen maakte het radicale project deel uit van 'het ware' liberalisme en was het zaak een bijgestuurde en dus ook Vlaamsgezinde liberale partij te helpen overwinnen. Daarom achtten zij een coördinerende, boven de partijen staande, Hoofd-Afdeeling van het Vlaamsch Verbond, zoals Snellaert voorstond, overbodig.

Zo stierf het Vlaamsch Verbond nog voor het was geboren; eind mei 1862 verdween het blad Het Vlaamsch Verbond. Vuylstekes Liberale Afdeeling vormde zich om tot de Vlaamsche Liberale Vereeniging, een flamingantische drukkingsgroep binnen de liberale partij. De Hoofd-Afdeeling bleef zeker tot 1869 voortbestaan, maar bleef minoritair in het toch overwegend liberale Gentse flamingantisme en speelde geen politieke rol meer. Haar basis in de arbeidersbeweging verschrompelde toen deze laatste door de katoencrisis (1861-1865) werd getroffen, terwijl de volgende generatie arbeidersleiders zich veel minder thuis voelden in de V.B.

Literatuur

L. Wils, Het onstaan van de Meetingpartij te Antwerpen en haar invloed op de Belgische politiek, 1963; 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse gedachte, II-III, 1971; 
A. Deprez, Kroniek van dr. F.A. Snellaert, 1809-1872, 1972; 
M. Reynebeau, 'Het Vlaemsch Verbond als politiek experiment (Gent, 1861-1862)', in BMGN, jg. 96 (1981), p. 491-508 
J. Verschaeren, Julius Vuylsteke (1836-1903). Klauwaard en Geus, 1984.

Verwijzingen

zie: Gent.

Auteur(s)

Marc Reynebeau