Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Vlaams-nationalistische partij (1933-1945).

Na de voor de Vlaams-nationalistische partijen ongunstig verlopen verkiezing van 1932 kreeg de Brabantse voorman Staf de Clercq de opdracht een nieuwe eenheidspartij te vormen. De Clercq zocht naar een programma dat aanvaardbaar was voor de regionale tenoren van het verbrokkelde partijpolitieke Vlaams-nationalisme. Twee met elkaar verweven kwesties leidden tot moeilijk te verzoenen uitgangspunten. Sommigen koesterden revolutionaire doelstellingen: namelijk de vorming van een Groot-Nederlandse 'Dietse' staat met autoritair geleide 'organische' instellingen. Anderen wensten België te hervormen langs parlementair-democratische weg om een onafhankelijke Vlaamse (deel)staat te bekomen met democratische instellingen. Voor de enen moest de nieuwe partij een revolutionair-strijdbaar imago hebben wars van elk compromis met andersdenkenden, voor de anderen was een coalitie met Vlaamsgezinden in andere partijen de voorwaarde tot een geslaagde parlementaire strategie. De economische crisis en het aan de macht komen van het nationaal-socialisme in Duitsland dompelde de parlementaire democratie in een vertrouwenscrisis die het gematigde Vlaams-nationalisme in het defensief drong. Het op 8 oktober 1933 openbaar gemaakte programma van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) was een compromis dat vooral tegemoetkwam aan de radicalen. Het VNV streefde onverkort naar de Dietse Volksstaat en het beschouwde zichzelf als het instrument daartoe. Het VNV was de voorafspiegeling van een anti-marxistische, anti-liberale autoritair-corporatieve staat en zijn belangrijkste opdracht was de Vlamingen 'op te leiden' tot volwaardige Dietsers. De partij bleef wel deelnemen aan verkiezingen en de parlementaire politiek, wat de enige tegemoetkoming was aan de gematigden en wat het VNV onderscheidde van het Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen (Verdinaso), dat sommige radicalen als model voor ogen zweefde. Een ander onderscheid met Joris van Severens organisatie was het optreden van de leider. De Clercq werd aangesteld als een autoritaire leider, maar hij trad uiterst pragmatisch op, schipperend tussen de twee vleugels van zijn partij. Zijn eerste zorg was de partijorganisaties van enkele gematigde tenoren daadwerkelijk te integreren in het VNV. De voormannen van de Limburgse en Turnhoutse Katholieke Vlaamsche Volkspartij (KVV) en van de Aalsterse organisatie hadden wel lippendienst bewezen aan De Clercqs initiatief, maar ze bleken niet bereid zich te engageren toen hij daadwerkelijk van start ging.

Het ter elfder uur schrappen van het programmapunt dat "werkelijke volksmedezeggenschap" als streefdoel stelde, deed hen terugkrabbelen. Voor de Antwerpse Frontpartij en het Aalsterse Kamerlid Karel-Leopold van Opdenbosch was dit het bewijs dat het VNV in wezen fascistische doelstellingen koesterde. De Clercq kon behalve op zijn eigen Brabantse organisatie aanvankelijk alleen rekenen op Hendrik Elias die met zijn Vlaamsch Nationale Volkspartij (VNVP) toetrad en het West-Vlaamse Katholiek Vlaamsch Nationaal Verbond, dat de grootste invloed had uitgeoefend op de totstandkoming van het programma. Met de verkiezingen van 1936 in zicht slaagde De Clercq erin met alle groepen een akkoord te bereiken. Het feit dat De Clercq de kiesstrijd aanging onder de benaming Vlaamsch Nationaal Blok (VNB), een gelegenheidsformatie met een gematigd Vlaams-nationalistisch programma, vergemakkelijkte de toenadering. Zelfs de Antwerpse Frontpartij was bereid tot de vorming van een kartellijst getrokken door Hendrik Borginon, de leider van de Vlaamsch Nationale Kamergroep, die geen functie in het VNV aanvaardde uit onvrede met het te rechtse programma. De Antwerpse Fronters en Borginon meenden het VNV naar hun hand te kunnen zetten. De succesvolle stembusgang die het VNB 13,6% (+2,8%) van de Vlaamse stemmen opleverde, consacreerde integendeel De Clercq als leider en bezegelde de integratie van alle regionale groepen zonder dat het oorspronkelijke programma werd afgezwakt. De Clercq was wel bereid 'zelfregering' als 'wachthalle' tot de Dietse Volksstaat te aanvaarden, hij bleef ervan overtuigd dat het VNV de totale macht moest verwerven. Vanuit die opvatting torpedeerde hij de samenwerking met de KVV in een Vlaamsche Concentratie van federalistischgezinde Vlaamsgezinden omdat dat een machtsdeling in Vlaanderen impliceerde, terwijl hij wél wilde samenwerken met Rex van Léon Degrelle vanuit het perspectief van een machtsdeling in België en de alleenheerschappij van het VNV in Vlaanderen. Die opvattingen isoleerden het VNV. De partij werd aangevallen als een Duitse vijfde colonne. Radicale VNV'ers maakten geen geheim van hun sympathie voor het regime dat met de slogan Ein Volk, ein Reich, ein Führer naadloos aansloot bij hun opvattingen. Gematigde VNV'ers wezen de vereenzelviging van de hand, maar accepteerden de samenwerking met hun nationaal-socialistische partijgenoten. De Clercq bewaakte het evenwicht en onderhandelde in het geheim met vertegenwoordigers van het Derde Rijk met het oog op een mogelijke nieuwe oorlog en Duitse bezetting. Officieel steunde het VNV de onafhankelijkheidspolitiek, al werd beklemtoond dat de pro- Franse krachten in het Belgisch establishment België wilden meesleuren in een oorlog voor Franse belangen. Zo kon het VNV zich als vredespartij voorstellen, zij aan zij met het antimilitaristische Verbond der Vlaamse Oud-strijders (VOS).

Aan de vooravond van de bezetting telde het VNV circa 30.000 leden. Eén op drie verkoos een geheim lidmaatschap. Naast de mannenorganisatie, beschikte de partij over een aantal nevenorganisaties. Het Vlaamsch Nationaal Syndicaat (VNS) was een vakbondsorganisatie die met zijn vrijgestelden en secretariaten een belangrijke rol speelde in de beginjaren van het VNV. Het Algemeen Vlaamsch Nationaal Jeugdverbond (AVNJ) was aanvankelijk een combinatie van een klassieke jeugdbeweging en een militie onder leiding van Hilaire Gravez. In 1936 splitste de Grijze Brigade, van 1937 af Werfbrigade geheten, zich af. Het was een geüniformeerde ordedienst die optrad bij grote VNV- manifestaties zoals de jaarlijkse Vlaamsch Nationale Landdagen. Van 1935 af werden die op een martiale manier georganiseerd, met de rede van de Leider als hoogtepunt. Het VNV had een eigen vlag: oranje met in het midden een blauwe driehoek (Delta-teken) op witte ondergrond met blauwe cirkel. De strijdkreet van het VNV was: "Hou-zee!". Het Vlaamsch Nationaal Vrouwenverbond (VNVV) onder leiding van Magda Haegens was een combinatie van volwassenenwerking en meisjesjeugdbeweging, de Kerlinnekensbonden. De nevenorganisaties waren in principe alleen via hun hoogste leiding verbonden met de VNV-leiding. In de praktijk waren het ondergeschikte organisaties. Toen Gravez en Haegens acties ondernamen tegen de VNV-leiding, werden ze respectievelijk in 1938 en 1940 afgezet en vervangen door VNV-getrouwen, respectievelijk Edgar Lehembre en Odile van den Berghe. Ook de VNS-leiding moest inbinden toen ze het door het VNV verkondigde principe van depolitisering inzake vakbondswerking te letterlijk interpreteerde. In 1936 besliste de VNV-leiding dat het VNS samen met de syndicaten van Rex moest samensmelten in de Vlaamsche Arbeidsorde onder leiding van Victor Leemans. De wil om op alle maatschappelijke terreinen VNV- organisaties uit te bouwen hing samen met een strategie die voorzag in de vorming van een Vlaams-nationalistische zuil. Ideologisch had het een ruimere betekenis. Elke organisatie pretendeerde op haar terrein de voorafspiegeling te zijn van de Dietse Volksstaat. In het VNV-programma werden ze 'Centrales' genoemd die de taak hadden het Vlaamse volk in het VNV 'in te lijven'. Er waren ook nog een Pers- en een Cultuurcentrale voorzien. De leiders van de Centrales maakten deel uit van de Hoofdraad van het VNV waarin voorts naast de VNV-leider zelf, ook nog een algemeen propagandaleider, een algemeen secretaris en vijf gouwleiders, één voor elke provincie, zetelden. Zo zag de hoogste VNV-leiding er in theorie uit tot 1936. Daaronder functioneerde occasioneel een Algemene Raad waarin alle kaders tot op het arrondissementeel niveau zetelden. In de praktijk was er een kleine groep die de werkelijke macht had. In 1936 vormde zij een 'Politieke Staf' die de Hoofdraad verving. Naast De Clercq zelf, ging het om de volgende personen: propagandaleider Reimond Tollenaere, een jonge advocaat met uitgesproken nationaal-socialistische opvattingen die door De Clercq persoonlijk werd aangetrokken; algemeen secretaris Ernest van den Berghe die ook de sterke Aalsterse organisatie met haar pers en sociale organisaties vertegenwoordigde; Elias, de belangrijkste ideoloog met gematigde opvattingen en opsteller van de programmatische teksten De Dietsche Volksstaat (1935) en Hier is het Vlaamsch Nationaal Verbond (1937); Gerard Romsée de zeer gematigde gewezen leider van de Limburgse KVV; Herman van Puymbrouck, de nationaal-socialistischgezinde hoofdredacteur en mede-eigenaar van de Antwerpse VNV- krant De ScheldeVolk en Staat. De samenstelling weerspiegelde het ideologische evenwicht, dat soms uiterst moeizaam in stand kon worden gehouden. Zo verschenen Elias' programmatorische teksten anoniem omdat hij het oneens was met de amendementen die werden aangebracht door De Clercq en de radicalen. De Clercq aarzelde niet om op treden als het evenwicht in gevaar was. Toen Van Puymbrouck in de VNV-krant nazi-Duitsland dermate ophemelde dat een ernstig conflict met de gematigde vleugel niet kon uitblijven, verwijderde De Clercq hem als hoofdredacteur waardoor Van Puymbrouck zijn enige machtsbasis verloor en uit het VNV verdween.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, bouwde De Clercq in het Belgisch leger een Militaire Organisatie (MO) uit die onder zijn persoonlijk bevel stond. De leden moesten bereid zijn elk bevel van De Clercq uit te voeren, ook als ze daarmee hoogverraad zouden plegen. Het korte verloop van de achttiendaagse veldtocht heeft voorkomen dat de MO werkelijk operationeel werd. Dat verhinderde niet dat De Clercq al in de eerste dagen van de bezetting en wellicht nog voor de wapenstilstand contact had met de Duitse Abwehr, om de verdienste van de MO voor de Duitse oorlogsvoering te laten acteren. Tevens besprak De Clercq de inzet van VNV'ers als vertrouwensmensen op strategisch belangrijke sectoren zoals de spoorwegen. Op 3 juni 1940 ontmoette hij de militaire bevelhebber Alexander von Falkenhausen en diens Militärverwaltungschef Eggert Reeder. De VNV-leider bood hun de medewerking van zijn beweging aan en wees erop dat hij het einde van de vijandelijkheden niet had afgewacht om de Duitse kant te kiezen. Nochtans was De Clercq aanwezig op 14 mei 1940 toen verkozenen van het VNV het parool "geen tweede activisme" onderschreven. Er was in de zomer van 1940 voor zover bekend geen enkele VNV'er die niet bereid was tot collaboratie. Dat enkele tientallen Vlaams- nationalisten waaronder een dertigtal VNV'ers in de meidagen door de Belgische Veiligheid waren opgepakt en weggevoerd naar Franse kampen, heeft zonder twijfel de stap naar de collaboratie vergemakkelijkt (Spooktreinen). In de VNV- top tekenden zich twee strekkingen af. De radicalen met De Clercq op kop meenden dat het uur van het VNV geslagen had. Ze claimden het politieke monopolie en wierpen de Dietse eis op de tafel. De gematigden zagen zich gelanceerd in een sterke onderhandelingspositie met Belgische groepen rond koning Leopold III die een aanwezigheidspolitiek voerden. Beide strekkingen rekenden op een bevoorrechte relatie met de bezetter waaraan ze hun macht ontleenden. De bezettende overheid zette de bakens uit binnen de grenzen die Adolf Hitler bepaalde. De Führer beschouwde een militair bezettingsbestuur als politiek onverantwoordelijk. Het kon geen enkele beslissing nemen aangaande het toekomstige statuut van het bezette land. Vanuit zijn racistische wereldbeschouwing en misschien mede beïnvloed door gunstige rapporten van de Abwehr aangaande de MO, besliste hij, 14 juli 1940, dat de 'Germaanse' Vlamingen op alle manieren gesteund moesten worden terwijl de 'Latijnse' Walen geen begunstigingen mochten genieten. Reeder beschouwde dit als het fiat om met het VNV als bevoorrechte partner scheep te gaan. Hij maakte De Clercq eerst duidelijk dat ook hij het bevel van de Führer op te volgen had. Over een politieke hereniging met Nederland diende te worden gezwegen. Toen het VNV zich hier niet aan hield, liet Reeder de politieke verruimingsoperatie die de partij in augustus 1940 onder de benaming Volksbeweging was opgestart, lamleggen. De VNV-leider plooide. Op 10 november 1940 verklaarde hij dat het VNV de zijde van Duitsland koos omdat het zijn natuurlijk bondgenoot was. De VNV-leider beweerde dat al vóór de oorlog zo gezien te hebben. Hij beklemtoonde dat het VNV voor de oorlog en tijdens de achttiendaagse veldtocht een Duitsvriendelijke houding had aangenomen. Nu legde hij zijn lot en dat van zijn beweging in handen van Hitler. Over grenzen wilde hij niet spreken, want die werden bepaald door de overwinnaar. Maar De Clercq had een onvoorwaardelijk vertrouwen in de Führer. Het VNV stelde zich ten doel het nationaal-socialistische Vlaanderen onder de vleugels van de Duitse overwinnaar te vestigen. Eenieder die het anders zag, verklaarde hij tot vijand. Dat waren diegenen die de zijde van de geallieerden kozen, alsmede diegenen die de Belgische staat wilden redden. Zo loodste De Clercq zijn partij in de onvoorwaardelijke collaboratie en legde hij de basis voor de kloof tussen het VNV en het gros van de Belgische bevolking die in groeiende mate anti-Duits was. Tevens dwarsboomde hij zijn gematigde medestanders die een modus vivendi nastreefden met Belgische groepen rond de koning. Nochtans kwam er uit die hoek geen openlijk protest mede doordat een aantal vooraanstaande VNV'ers met de steun van de bezetter machtsposities had ingenomen in de Belgische staatsstructuur. Uit de VNV-leiding was Romsée bijvoorbeeld in augustus 1940 tot gouverneur van Limburg benoemd. Het was slechts een opstapje tot zijn benoeming als secretaris-generaal van binnenlandse zaken in maart 1941. Elias aanvaardde in december 1940 een aanstelling als commissaris-burgemeester van Gent. Het was slechts het topje van de ijsberg. Honderden VNV'ers werden de volgende maanden en jaren aangesteld op bestuursfuncties, vooral in lokale besturen en controlediensten. Zo verzekerde de bezetter zich van een meewerkend Duitsvriendelijk bestuur, terwijl het VNV de 'greep naar de macht' uitvoerde die de essentie was van de vestiging van een nationaal-socialistisch Vlaanderen.

De positie van het VNV als bevoorrecht partner van een schijnbaar oppermachtig Duitsland, trok aan. Het VNV zag zijn ledental stijgen tot circa 50.000 in 1941. Een en ander maakte een aanpassing van de structuren noodzakelijk. In september 1940 traden nieuwe mensen toe tot het opperste leidingsorgaan, van toen af Raad van Leiding geheten. Frans Daels, de voorzitter van het IJzerbedevaartcomité symboliseerde de verruiming in de richting van het radicaal Vlaamsgezinde katholieke milieu aan de rand van het VNV, in feite het enige dat het VNV kon aantrekken. Er was wel de toetreding van Edgard Delvo, de algemeen secretaris van de socialistische Centrale voor Arbeidersopvoeding die de doorbraak naar de arbeidersklasse moest symboliseren, essentieel om het hinderlijke imago van de kleinburgerlijke katholieke partij van zich af te werpen. Van een doorbraak in die richting was evenwel geen sprake. Delvo zou trouwens al in 1942 het VNV verlaten om leider te worden van de Unie van Hand- en Geestesarbeiders (UHGA). Reimond Speleers, gewezen professor aan de von Bissing Universiteit, symboliseerde de band met het activisme. De anderen waren hoge VNV-kaders die de regionale vertegenwoordiging waarborgden. Gouwleider Jeroom Leuridan was al lang voor de bezetting de feitelijke leider in West-Vlaanderen. Jan Timmermans was gouwleider van Antwerpen. Romsée woonde de vergaderingen sedert zijn benoeming tot gouverneur niet meer bij, maar bleef wel nominatim lid. Pas met de benoeming van gouwleider Theo Brouns in 1944 kreeg Limburg weer een effectieve vertegenwoordiger.

Op lagere niveaus ontplooide het VNV een drukke organisatorische arbeid. Het regende benoemingen allerhande. De partij ontplooide zich in de breedte, mede doordat zij naar het model van de nazi-partij op alle maatschappelijke terreinen partijfunctionarissen wilde hebben. Toen met het keren van de oorlogskansen het VNV massaal leden verloor, was het tevens een manier om een blijvende expansie te suggereren.

Doordat het Duitse militaire bezettingsbestuur het bondgenootschap hoofdzakelijk opportunistisch zag en doordat Hitler imperialistische doelstellingen koesterde en dus de annexatie van België wenste, bleef de 'greep naar de macht' een lege doos. In vitale sectoren zoals de economie kreeg het VNV nauwelijks een voet aan de grond. Het Militaire Bestuur wenste zolang de oorlog duurde en/of Hitler geen openlijke beslissing nam ook geen fundamenteel conflict met Belgische machtscentra. Op justitie had het VNV bijvoorbeeld geen vat evenmin als op de Kerk als hoeder van de Belgische eenheid. Buitendien werd vanuit Berlijn met de machtige steun van SS-leider Heinrich Himmler een Groot-Duitse beweging tegen het VNV in het leven geroepen. Al in september 1940 ontstond de Algemeene-SS-Vlaanderen en circa een jaar later werden de eerste initiatieven genomen om de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) van Jef van de Wiele uit de bouwen tot een annexionistische tegenbeweging. Het Militaire Bestuur dat principieel niet tegen een annexatie was, dwong het VNV tot een modus vivendi die erin gelegen was dat het VNV de Tagespolitik als werkterrein kreeg en de Groot-Duitsers de wereldbeschouwelijke opvoeding van de Vlamingen. Het was een voor het VNV onaanvaarbare regeling, maar de partij stond machteloos. De bezetter was alleen bereid voor hem onbruikbare concurrenten te verbieden. Zo werden het Verdinaso en Rex-Vlaanderen in mei 1941 gedwongen zich te laten opslorpen in de Eenheidsbeweging-VNV. De partij kon met haar nieuwe naam wel het politieke monopolie claimen, de DeVlag was een dagelijks bewijs van het tegendeel en van het feit dat zelfs in het smalle kamp van de collaboratie het VNV niet namens alle Vlamingen kon spreken. Het VNV hoopte met massamanifestaties te kunnen bewijzen dat het in tegenstelling tot zijn Groot-Duitse concurrent over een reële achterban beschikte. Het hoogtepunt was de Dr. Reimond Tollenaere-mars op 12 juli 1942 gehouden ter ere van de aan het oostfront gesneuvelde propagandaleider. Er marcheerden 6700 geüniformeerde VNV'ers door Brussel. Dergelijk machtsvertoon verhoogde het belang van de militie. De Werfbrigade was in 1940 omgevormd tot de Zwarte Brigade die in 1941 fuseerde met de milities van Rex en Verdinaso tot Dietsche Militie – Zwarte Brigade, voorgesteld als de politieke soldaten van het VNV. VNV'ers werden ook echt soldaat. De VNV-leiding hoopte het politieke pleit ook te kunnen winnen door zijn volgelingen in te schakelen in de Duitse oorlogsvoering. Niet alleen hoopte het zo de goodwill van Berlijn af te dwingen, het rekende er ook op een eigen militaire macht op te bouwen. Al in februari 1941 bood De Clercq de vorming van een kustwachteenheid aan tegen de geallieerden. In april 1941 beval hij de werving voor de Waffen-SS. Vooral Tollenaere drong aan op dit engagement. Zelf vertrok hij met de eerste lichting van het Vlaamsch Legioen dat opgericht werd na het uitbreken van de Duits- Russische oorlog en aan het front werd ingezet als een onderdeel van de Waffen-SS. Ook in organisaties als de Vlaamsche Wacht, de Vlaamsche Fabriekswacht en de Hilfsfeldgendarmerie die hulp verleenden aan de Duitse bezettingstroepen in België, schakelde het VNV zijn volgelingen in. Vooral de strijd aan het oostfront had een grote propagandistische waarde. Maar precies daar werd de VNV- leiding geconfronteerd met het failliet van haar strategie toen ze constateerde dat haar volgelingen systematisch werden geïndoctrineerd met de Groot-Duitse gedachte. Ook op de andere gewapende formaties had de VNV-leiding nauwelijks vat. Ze stelde zich de bange vraag of haar volgelingen niet de bloedtol betaalden voor een uitzichtloze opbodpolitiek. De Clercq trachtte dit spookbeeld te bezweren door aan te dringen op politieke garanties. Hij hoopte Hitler zelf te kunnen overtuigen, maar moest het doen met ondergeschikten, vage intentieverklaringen en gebroken afspraken. Hij is nochtans niet afgeweken van de voorbehoudsloze collaboratiepolitiek.

Toen de VNV-leider op 22 oktober 1942 overleed, woekerde de twijfel al volop in brede VNV-gelederen. Velen rekenden erop dat Elias als De Clercqs opvolger een doorbraak zou kunnen forceren. De nieuwe VNV-leider voerde enerzijds een confrontatiepolitiek met de DeVlag en haar beschermheren. Op een VNV-kaderdag, 6 juni 1943 verbood hij dat kaderleden nog lid zouden zijn van de DeVlag. Op de Algemene Raad van 14 augustus 1943 verbood hij elke samenwerking met de SS, incluis de werving voor de Waffen-SS, waarin het Vlaamsch Legioen inmiddels tegen de zin van het VNV en vele VNV-gezinde vrijwilligers formeel was geïntegreerd. Op 17 oktober 1943 verklaarde hij het lidmaatschap van VNV en DeVlag onverenigbaar. Het was een regelrechte uitdaging aan de SS-top in Berlijn en in het bijzonder aan Gottlob Berger, de machtige chef van het SS-Hauptamt en tevens 'Präsident' van de DeVlag. Elias was anderzijds bereid toegevingen te doen om politieke waarborgen te verkrijgen in een rechtstreekse onderhandeling met de machthebbers in Berlijn. Op dezelfde dag dat hij het DeVlag-lidmaatschap onverenigbaar verklaarde, verbood hij VNV'ers nog lid te zijn van dissidente Groot- Nederlandse groepen als Nederland Eén! en het Dietsch Eedverbond. Hij wist nochtans dat in zijn eigen Raad van Leiding sympathisanten van deze groepen zaten zoals Leuridan en Daels. De laatste had al einde 1942 ontslag genomen uit de leiding en zou op 4 december 1943 ontslag nemen als gewoon lid. Ook Van den Berghe had begin 1943 'onbepaald verlof' gekregen uit zijn functies, mede doordat hij het niet eens was met de gevolgde strategie. Elias riep de Raad van Leiding niet meer samen. Hij droeg als leider de volledige verantwoordelijkheid voor het beleid. Elias liet aan de SS-top weten dat hij geen Groot-Nederlander was. Hij plaatste de toekomst van Vlaanderen in een Groot-Germaanse volkeren- en statengemeenschap en sloot het voortbestaan van de Belgische 'ruimte' niet uit. Voor wat dit laatste betreft moest Elias willens nillens rekening houden met de politieke evolutie van Rex. Degrelle bepleitte de opname van Wallonië in het Germaanse Rijk nadat hij erin gelukt was de Walen te laten erkennen als geromaniseerde Germanen. Waar zijn voorganger nog openlijk sprak over Wallonië als Vlaamse 'levensruimte', moest Elias een machtsdeling aanvaarden. In Vlaanderen bleef hij de totale macht claimen zoals hij ook het nationaal-socialisme in al zijn consequenties aanvaardde. Er is ook geen moment sprake van geweest dat hij de loyale samenwerking met Duitsland en de militaire collaboratie zou staken. Zo hoopte Elias een definitieve regeling af te dwingen. Na verscheidene onderhandelingsrondes met het Militaire Bestuur en Berger, ontmoette Elias op 29 februari en 1 maart 1944 Himmler. Hij vroeg de ontbinding van de DeVlag en de erkenning van het Vlaamse volk. Himmler weigerde. Elias keerde met lege handen terug.

Zijn volgelingen droegen inmiddels de zware consequenties van de VNV-politiek. Aan het oostfront sneuvelden honderden VNV'ers. In Vlaanderen waren VNV'ers in militaire of geüniformeerde formaties en de talrijke VNV'ers in openbare functies het doelwit van het gewapende verzet. Vooral in Limburg en Leuven voerde het verzet een ware terreur tegen VNV'ers. Vanuit de basis werd de VNV-leiding gebrek aan doortastendheid verweten. De malaise werd erdoor verdiept. Elias trachtte te sussen maar kon niet verhinderen dat zijn volgelingen betrokken geraakten bij de tegenterreur. Het VNV was een almaar slinkende kleine gehate en belaagde minderheid. In 1944 bleven er nog circa 15.000 leden over. De VNV-leiding slaagde er niet een strategie te ontwikkelen om uit de impasse te geraken. Elias heeft gedacht aan de mogelijkheid dat het VNV nog een rol kon spelen als ordehandhaver bij een machtsvacuüm na een Duitse aftocht, maar meer dan wishful thinking van een machteloze leider was dit niet.

De oorlogsgeschiedenis van de nevenorganisaties van het VNV hing nauw samen met de mislukte 'greep naar de macht' van de moederorganisatie. Alle claimden ze op hun terrein tevergeefs het monopolie van de openbare werking. Arbeidsorde integreerde in de UHGA met de bedoeling de nationaal-socialistische eenheidsvakbond te domineren, wat evenwel door Duitse functionarissen werd verhinderd. De UHGA werd geleid door Delvo die van het VNV weggroeide in de richting van de DeVlag. Het AVNJ werd op 8 juli 1941 opgenomen in de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV), met de Dietsche Blauwvoetvendels (DBV) als jongensafdeling en de Dietsche Meisjesscharen (DMS) als meisjesafdeling. De NSJV werd door de Duitse overheid gesubsidieerd. Het VNV lukte er evenwel in via jeugdleider Lehembre de politieke controle te bewaren en de Groot-Duitse tendensen in de jeugdbeweging te neutraliseren. Dat lukte mede doordat de meeste jongeren zeer Groot-Nederlandsgezind waren, in die mate dat ze op dat gebied kritiek uitoefenden op het VNV. Doordat de Groot-Duitse strekking geen vat kreeg op de NSJV riep ze in oktober 1943 de Hitlerjeugd Vlaanderen in het leven. Dit veroorzaakte in de NSJV een heuse rebellie die leidde tot het ontslag van Lehembre en zowat het hele hogere DBV-kader. Alleen de DMS bleef het VNV trouw. DMS-leidster Jetje Claessens werd in 1944 nog opgenomen in de Raad van Leiding. Het VNVV moest de concurrentie dulden van de DeVlag-Vrouwenwerken.

Hitlers beslissing, 12 juli 1944, om Vlaanderen te annexeren bij Duitsland bezegelde het failliet van de VNV-politiek nog voor de geallieerde bevrijding een maand later de partij van de kaart veegde. De meeste VNV-kaders en duizenden partijleden vluchtten naar Duitsland. Elias weigerde nog mee te werken met de Vlaamsche Landsleiding van Van de Wiele. Hij werd op 9 januari 1945 geïnterneerd door de Duitse overheid. In het bevrijde België werden zijn volgelingen die niet gevlucht waren inmiddels vervolgd wegens politieke collaboratie. Diegenen die verantwoordelijke posten hadden aanvaard of zich aan andere vormen van collaboratie hadden schuldig gemaakt, werden voor militaire rechtbanken gedaagd en liepen vaak celstraffen op. Gewone leden werden geïnterneerd en verloren vrijwel steeds voor een tijd hun burgerrechten. Velen werden ontslagen en leden financiële schade door boetes en verbeurdverklaringen. Velen hadden ook te lijden van de straatrepressie. De hoogste VNV-kaders werden meestal ter dood veroordeeld. De meesten ontvingen gratie. Uit de VNV- leiding werd alleen Brouns geëxecuteerd wegens zijn aandeel in de tegenterreur. Ook enkele andere VNV'ers werden wegens verklikking of militaire collaboratie ter dood gebracht.

Literatuur

B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams- nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994.

Verwijzingen

zie: christelijke arbeidersbeweging, links-radicalisme, Vlaams-nationalistische partijen.

Auteur(s)

Bruno de Wever