Verhoeven, Willem F.G.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Lier, gedoopt 22 juni 1738 – Mechelen 16 mei 1809).

Genoot lager en middelbaar onderwijs in Lier, waar zijn vader van Brussel was ingeweken en getrouwd. Het laatste jaar van de humaniora volgde Verhoeven aan het jezuïetencollege in Mechelen. In deze stad vestigde hij zich als lakenhandelaar en bekleedde er mettertijd aanzienlijke functies: onderdeken van de Meerseniers-Neeringe, lid van de Brede Raad, armmeester, secretaris van de Academie van Teken- en Bouwkunde.

Voor de Lierse rederijkers schreef hij twee treurspelen en twee blijspelen. Zijn eerste dichtstuk, Proeve van Dichtkunde op de oudtheydt, eer, achtbaerheydt, en voort-gangh der vrye konsten (z.j., wellicht 1774), geschreven bij de verheffing van de tekenacademie tot 'koninklijke' instelling, zingt de lof van de "konsten", vooral van de schilderkunst. Bij het overlijden van Maria-Theresia huldigt hij in een Treur-dicht (z.j., wellicht 1780) de overleden vorstin en haar opvolger, maar wijst hij tegelijkertijd de "pluymstrykery" af ("Zoo lang men neerduytsch schreef was 't vleyen ongeboren, Dat heden onder ons in 't Fransch heel kreupel gaat"): zelfs voor de troon van de keizer toont onze landaard zich open en vrij!

In 1777 werd Verhoeven voor de eerste maal door de Académie impériale et royale de Bruxelles bekroond met een studie over de koophandel in de Nederlanden tijdens de 13de en de 14de eeuw, een onderwerp dat door de geleerde instelling als prijsvraag uitgeschreven was. De vijf volgende jaren zou hij bij diezelfde instelling telkens lauweren behalen, tweemaal voor een antwoord op een natuurwetenschappelijke vraag, driemaal voor een verhandeling over een historisch onderwerp.

Verhoeven was een autodidact, maar een erg belezen man, die zich voor zijn historisch onderzoek losmaakte uit het patroon van de traditionele, lokale en louter politiek-militair gerichte geschiedschrijving. Om zich te documenteren ondernam hij reizen en verrichtte hij opzoekingswerk in archieven. Hij correspondeerde met het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Vlissingen en met de secretaris ervan, de historicus J.W. te Water. Zijn bibliotheek omvatte een 4000-tal boekdelen: veel humanistische geschriften, kronieken, historische publicaties, daarnaast ook de moderne buitenlandse auteurs. Uit de Noord- en Zuid-Nederlandse literatuur had hij oud en nieuw en hij was een van de zeldzame bezitters van het werk van Lambert ten Kate.

Zijn academische geschriften tonen hem als een originele, vrijmoedige en principiële man. De grootheid van het verleden obsedeerde hem: "O wonderlyk Vlaenderen dat zoo menigmael in deze eeuwen omgekeert, in kolen geleyd, gansch verbrand, en dog nog zeeg-haftiger uyt de asschen is opgerezen!" 1302 was voor hem een levend feit. Was die vroegere grootheid in verval geraakt, hun eigen aard zijn de Nederlanders steeds trouw gebleven: "Dikwils gedempt en overwonnen, maer noyt ten onder gebrocht, altyd het zelve volk tot heden toe." Trouw aan eigen aard veronderstelde ook trouw aan de eigen taal. "Déeze Redevoering dan, dunkt my nutter in de Vlaemsche tael, mids déeze voor al onzen Land-aerd onderwyst", schreef hij in de inleiding tot zijn bekroonde studie over de invoering van het Romeinse recht in onze gewesten en hij staafde zijn stelling met een uitvoerig "bewys-stuk": alle beschaafde volken schrijven in hun moedertaal. De Grieken en Romeinen deden het; Tasso, Cervantes, Camoës, Gessner, Milton, de Franse auteurs, ieder voor zijn land, Vondel en Wagenaar voor de Nederlanden.

De aandacht voor het verleden belette niet dat nieuwe invloeden hun spoor trokken in zijn werk: dat blijkt onder meer uit zijn streven naar objectiviteit, uit zijn veroordeling van de "bloedige" kruistochten, de inquisitie, vroegere religieuze misbruiken, uit zijn afwijzen van "onnoodige religieuze orden", uit zijn bewondering voor de gotische bouwkunst in haar mooiste scheppingen. De Encyclopédie was een van zijn trouwe informatiebronnen.

Naar de reden van het verzet dat in de Academie tegen zijn kandidatuur heeft bestaan – volgens de geldende regelen had hij na drie bekroningen als lid aanvaard moeten worden – kan men alleen gissen. Zijn verkiezing werd meermaals door het persoonlijk ingrijpen van voorzitter H. de Crumpipen belet. Hijzelf noemde academiesecretaris Jan des Roches als de schuldige. Zijn bewuste, zelfstandige houding en onverbloemde taal ("Zoo hebben wy veel tyds de aepen van de Fransche geweest!") moeten het dociele Academiemilieu zeker hebben afgeschrikt.

Ambitieus als hij blijkt te zijn geweest, heeft Verhoeven ook gedacht aan deelneming aan buitenlandse wedstrijden. De Koninklijke Bibliotheek te Brussel bewaart fragmenten van antwoorden op prijsvragen van de academies van Berlijn en Besançon.

In 1780 bezorgde Verhoeven aan graaf de Neny, voorzitter van de Geheime Raad, zijn Oordeelkundige Verhandelingen op de noodzaekelijkheijd van het behouden der nederduijtsche taele, en de noodige hervormingen in de schoolen (manuscript, 30 foliobladen). Over de concrete omstandigheden die aanleiding waren tot dit rapport, tast men in het duister. Wel moet het gesitueerd worden in het kader van de onderwijshervorming die het Oostenrijkse regime na de opheffing van de jezuïetenorde poogde in te voeren. Met argumenten die hij, handig genoeg, aan d'Alembert en Voltaire ontleende, waarschuwde hij erin tegen de steeds maar groeiende verfransing. Minachting voor de eigen taal, stelde hij, leidt tot minachting voor eigen aard, want "niets heeft meer gemeijns op de zeden als de tael". Degelijk onderwijs, gebaseerd op de moedertaal en gegeven door bekwame leermeesters, niet aan de hand van verouderde volksromans, maar aan de hand van auteurs als onder anderen Poirters en Vondel, was het middel om die ont-aarding te keren. In een apart hoofdstuk hekelde hij op felle toon en met spitse anekdotes de verfranste opvoeding op de "schoolen voor de dogters": de basis van de taal wordt in de eerste kinderjaren gelegd en de meisjes zijn de moeders van morgen. In zijn "besluyt" schetste hij het verfransingsproces in onze gewesten: terwijl de Noord-Nederlanders hun taal naar de volmaaktheid voerden en de taal van de Prinsen van Oranje die van het volk was, volgde aan het Brusselse hof het Frans op het Spaans. Het toppunt van de Fransdolheid is nu bereikt en het staatsgezag dient in te grijpen.

De Verhandelingen – die niet verbreid werden en waarvan het handschrift pas in 1923 werd ontdekt – hebben geen invloed gehad op het Oostenrijkse onderwijsbestel. De argumentatie ad rem en de soms krasse uitspraken (zoals die waarin de Brusselse Academie met haar voor een gedeelte Nederlandsonkundige leden een zo ongewoon geval genoemd wordt als een gelijksoortig Parijs' genootschap waarvan evenveel academici geen Frans zouden kennen) zullen veeleer een averechts effect bewerkt hebben. In de wordingsgeschiedenis van de Vlaamse gedachte in de late 18de eeuw blijven ze echter, na de Onacht van Jan B. Verlooy, het belangrijkste document, al missen ze het revolutionaire en moderne elan van het werkstuk van de Brusselse advocaat. De opzet was ook beperkter, maar vooral was de visie traditionalistischer, sterk geworteld in de humanistische opvattingen over taal en volk, al ontbrak de invloed van de Aufklärung niet. Hebben oud en nieuw Verhoeven geïnspireerd, dan waren ze bij hem nog niet, zoals bij Verlooy, vergroeid tot één krachtige, naar de toekomst gerichte synthese.

Uit zijn gedragingen en geschriften tijdens de Brabantse Omwenteling en de Franse tijd blijkt overigens hoe hij ook op het politieke vlak tussen oud en nieuw geaarzeld heeft. Een Ode aen den doorlugtigen Heer Henrik Van der Noot (1790) en een sterk anti-Jozefistisch en anti-Encyclopedistisch Mémoire historique, politique et critique sur les Constitutions, la Religion et les Droits de la Nation Belgique (1790) – van beide werkjes ontkende hij achteraf (ten onrechte) het auteurschap – situeren hem in het Van der Nootse kamp, terwijl anonieme pamfletten hem onder de aanhangers van Vonck noemen en hij zich ook meer dan eens te Mechelen op beslissende momenten in hun gezelschap vertoonde. In 1790-1795 vertaalde hij de Déclaration des droits de l'homme et du citoyen, maar hij trad slechts onder dwang tot de Mechelse municipaliteit toe en toen hij tijdens de plechtigheid ter viering van de aanhechting bij Frankrijk (november 1795) de Nederlandse tekst van het desbetreffende decreet moest voorlezen, werd de emotie hem haast te veel.

Van december 1795 af trok Verhoeven zich definitief uit het openbare leven terug en begon hij aan het schrijven van zijn Belgiade ofte Mannus, in de omkeering van den Belgischen en Celtischen staet, een epos dat hem, volgens eigen bekentenis, "twaelfjaerig zweet" zou kosten: het manuscript beslaat 466 pagina's en 22.000 verzen. Zijn dood verhinderde de publicatie. Literair is het werk een onverteerbaar, opgeschroefd gewrocht, maar belangrijk is de inspiratie: dat Verhoeven zich in de donkere Franse tijd gedrongen voelde om zijn hele kennis van onze geschiedenis te vertolken in een epos dat door zijn allure de lezer in bewondering voor dat verleden moest meeslepen, bewijst de intense spanning en de koppigheid van het nationale gevoel bij deze man.

Werken

Twee van zijn academische geschriften verschenen in de Mémoires sur les questions proposées par l'Académie impériale et royale... de Bruxelles; 
zijn Oordeelkundige Verhandelingen berusten in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (nr. 71 D76); 
de Belgiade berust in het Van Hulthemfonds, Koninklijke Bibliotheek te Brussel.

Literatuur

A. Jacob, 'Willem Verhoeven over de Volkstaal en het Schoolwezen aan den drempel van den Franschen tijd', in Van Gansen-Gedenkboek, 1943 (met portret en originele tekst van de Oordeelkundige Verhandelingen); 
W. van den Steene, 'W.F.G. Verhoeven. Een Mechels geestesverwant van J.B.C. Verlooy', in Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen (1951), p. 117-138; 
E. Rombauts, 'Willem Frans Gommaar Verhoeven (1738-1809). Een levensbeeld', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1959), p. 213-228; 
J. Smeyers, De Nederlandse letterkunde in het Zuiden (Geschiedenis van de Letterkunde der Nederlanden, VI, 1975); 
R.F. Lissens, 'In het brongebied van de Vlaamse herleving. De "Oordeelkundige Verhandelingen" van Willem Verhoeven in de context van een tijdvak', in id., Letter en geest. Opstellen over Nederlandse letterkunde, 1982; 
R. de Schryver, 'De "Belgische Historie" (1781) van G.F. Verhoeven', in Cultuurgeschiedenis in de Nederlanden. Liber Amicorum J. Andriessen e.a., 1986; 
J. Smeyers, 'De veilingcatalogus van de bibliotheek van W.F.G. Verhoeven (1738-1809)', in Miscellanea neerlandica. Opstellen voor Dr. J. Deschamps, 1987.

Auteur(s)

Jozef Smeyers