Vercnocke, Ferdinand

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Oostende 6 december 1906 – Merchtem 12 mei 1989).

Moest als zoon van een zeeloods tijdens Eerste Wereldoorlog, samen met de loodsdienst, uitwijken naar Engeland, waar hij zijn lagere school doorliep. Tijdens zijn rechtenstudie te Leuven was Vercnocke achtereenvolgens voorzitter van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond-AKVS (1927-1929) en van Amicitia en preses van het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond-KVHV (1929-1930). In het conflict tussen het AKVS en de bisschoppen, dat onder zijn voorzitterschap een aanvang nam, verdedigde hij een ondubbelzinnig Vlaamsgezind standpunt. Hij was ook vertegenwoordiger van de jongeren in het IJzerbedevaartcomité.

Na zijn studies vestigde hij zich als advocaat aan de balie van Brugge, maar zijn ware passie ging uit naar de poëzie. Vanaf zijn eerste bundel (1934) werd hij beschouwd als een voortzetter van de West-Vlaamse romantische traditie rond Albrecht Rodenbach en René de Clercq. De hoofdmotieven in zijn sterk anti-modernistische poëzie, alsook in zijn jeugdverhalen en toneelstukken, zijn de Germaanse heldensagen, het grote 'Dietse' verleden en vooral de zee, als 'boventijdelijk' levensbeginsel. Maar ook de politieke strijdpoëzie vormde een belangrijk bestanddeel van zijn oeuvre. Reeds vanaf 1935 schreef hij spreekkoren en strijdgedichten voor de Vlaamsch Nationale Landdagen van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), de IJzerbedevaarten en de Vlaams Nationale Zangfeesten, waarin het Leiderschap in hoogdravende taal werd bezongen.

In Volk en Staat en in tijdschriften als Voetlicht en Volk (waarvan hij tussen 1938 en 1940 redactielid was) pleitte hij voor een 'volksverbonden' kunst en poëzie en bracht hij zijn bewondering voor Duitse rastheoretici geregeld tot uiting.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Vercnocke mee aan de culturele bladzijden van Volk en Staat en aan Zender Brussel, waar hij de rubriek "Politiek en Gemeenschap" leidde. Hij betoonde zich een vurig voorstander van het nationaal-socialisme, dat volgens hem de "volkse orde" zou verwerkelijken en derhalve de beste waarborg zou bieden voor de "wederopstanding" van de Germaanse Nederlanden. Hij werd een boegbeeld van de culturele collaboratie en er verschenen gedichten van hem in zowat alle collaborerende tijdschriften. In december 1940 nam hij deel aan een door de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap gepatroneerde reis van een groep Vlaamse kunstenaars naar Duitsland, waar zij door Joseph Goebbels ontvangen werden. Er bestaan ook aanwijzingen dat hij begin 1941 zou zijn toegetreden tot de SS-Vlaanderen.

In de loop van 1943 nam hij ontslag bij Zender Brussel, deels om gezondheidsredenen, deels uit onvrede met de bemoeizucht van de bezetter. Ook bij Volk en Staat kwam hij geregeld in conflict met de Duitse censor, maar desondanks bleef hij tot het einde van de bezetting een 'Diets' nationaal-socialisme verdedigen.

Eind 1945 werd hij, tijdens het proces van Volk en Staat, veroordeeld tot 12 jaar celstraf; in januari 1948 werd dit verminderd tot 10 jaar. In september 1949 werd hij vrijgelaten en in januari 1964 kreeg hij eerherstel. Na zijn vrijlating was hij werkzaam in een Brusselse filmonderneming. Hij verzorgde gedurende korte tijd de poëzierubriek van De Vlaamse Linie en schreef tijdens de jaren 1950 nog spreekkoren voor de IJzerbedevaarten en de Vlaams Nationale Zangfeesten. Hoewel zijn poëzie een meer verinnerlijkt karakter gekregen had, bleef de Vlaamse problematiek een belangrijk thema in zijn naoorlogse poëzie, vooral in de bundel De Geuzenpenning (1975). Voor zijn toneelstukken en voor zijn enige roman inspireerde hij zich nog steeds op het Vlaamse verleden. Vanaf de jaren 1970 legde hij zich vooral toe op de schilderkunst.

Werken

artikelen in De Vlaamsche Vlagge; Voetlicht; Volk en Staat; De Vlag; Nieuw Nederland; De Vlaamsche Linie; 
poëzie: Zeeland, 1934; Hansa, 1943; De Geuzenpenning, 1975; De Aardse Staat (Corsendonkreeks, nr. 3, 1987); 
proza: Liebaerts, Sagen voor de Dietsche jeugd, 1937; Onze Adelbrieven, 1942; Vlaanderen in Nood, 1942; 
Kapitein Kruyt, 1960; 
Ridder dood en duivel. Terugblik op mijn gebeurtenissen van 1939 tot 1949, 1966 (onuitgegeven document).

Literatuur

G. Billiet, 'Ferdinand Vercnocke 70', in Dietse Warande en Belfort (1977), p. 690-695; 
J. Haest, Ferdinand Vercnocke, 1980; 
H. van de Vijver, Het cultureel leven tijdens de bezetting (België in de Tweede Wereldoorlog, nr. 8, 1990); 
F.-H. Jespers, 'Het cultureel leven tijdens de bezetting', in Diogenes jg. 6, nr. 5-6 (augustus 1991), p. 95-100; 
E. Brems, 'De Verkondiger van het bloed. De literaire opvattingen van Ferdinand Vercnocke in Volk en Staat (juni 1940-juni 1941)', in Driemaandelijks Tijdschrift van de Auschwitz-Stichting, nr. 50 (januari-maart 1996), p. 5-22.

Verwijzingen

zie: Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond, Mon de Goeyse.

Auteur(s)

Marnix Beyen