Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen (Verdinaso)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

een op 6 oktober 1931 door Joris van Severen opgerichte organisatie, die een einde wilde stellen aan de onmacht van de versplinterde Vlaams-nationalistische groepen en een staats- en maatschappijhervorming in rechts-revolutionaire zin wenste door te drukken, met een Dietse nationaalstaat als einddoel. Het Verdinaso heeft een kortstondige bloei gekend in het midden van de jaren 1930, maar is ten onder gegaan aan de innerlijke onmacht van zijn utopische doelstellingen, de vroegtijdige dood van zijn leider Van Severen en de chaotische toestanden van het eerste oorlogsjaar (tot mei 1941).

Het Grootneerlandisme en de nationalistische chaos van 1928-1932

Na de Eerste Wereldoorlog werd de Groot-Nederlandse stroming versterkt. Vooral in het weekblad Vlaanderen (1922-1933) dat haast ononderbroken het Grootneerlandisme als cultureel en politiek ideaal voorstelde, en bovenal Pieter Geyl met zijn Groot-Nederlandse gedachte, waarvan de eerste bundel in 1925 en de tweede in 1930 verscheen, hebben een bijzondere inbreng gehad in de groei van de Groot-Nederlandse gedachte, die ook een anti-Belgische component bezat en derhalve gemakkelijk doordrong in Vlaams-nationalistische kringen. Van Severen versmolt dit Grootneerlandisme met twee andere elementen, namelijk het antidemocratische solidarisme en de militie. Op het Groot-Nederlands Studentencongres te Gent, op 29 maart 1926, formuleerde hij de nieuwe doelstellingen van de V.B. Hij wilde een politiek Groot-Nederland, radicaal en onmiddellijk.

Het is nochtans niet deze Groot-Nederlandse opstelling van Van Severen die de chaotische toestand van het Vlaams-nationalisme in 1928 heeft verscherpt. De onmiddellijke moeilijkheden lagen op het partijpolitieke vlak. Vrijwel onmiddellijk na zijn Gentse toespraak begon Van Severen aan een weloverwogen sabotage van de nationalistische concentratiepogingen. Vooral het solidarisme als sociaal-politieke doctrine en de vorming van een militie deden vragen rijzen. Toen in 1928 het Algemeen Vlaamsch Nationaal Verbond (AVNV) werd opgericht als overkoepeling van het partijpolitiek Vlaams-nationalisme bleken dit struikelstenen. In de leiding (Directorium) van het AVNV stond een geradicaliseerde Van Severen, die het West-Vlaamse Katholiek Vlaamsch Nationaal Verbond (KVNV) vertegenwoordigde, tegenover de meer gematigden zoals Herman Vos en Hendrik Borginon. Op 25 maart 1931 sprak Van Severen zich uit tegen het Federaal Statuut van Vos. Veel meer dan het Grootneerlandisme, zou de discussie over staats- en maatschappijordening de kloof onoverbrugbaar maken.

Het nationaal solidarisme, "Quadragesimo Anno" en het Verdinaso

Het solidarisme, dat op het einde van de jaren 1920 in vele Vlaamse tijdschriften opdook, was eigenlijk niet nieuw. Het solidaristische en corporatische ideeëngoed was aanwezig in de katholieke sociale beweging en in de christen-democratische aspiraties van de daensisten (Daensistische Beweging). Het solidarisme was evenwel een ideologie met vele kamers. Joris van Severen stootte regelrecht door naar een vernieuwde, autoritaire staatsordening, daar waar het andere boegbeeld van het Katholiek Vlaamsch Nationaal Verbond (KVNV), Jeroom Leuridan, in zijn anti-liberale maatschappijkritiek nog het perspectief openliet van een Vlaams-democratische organisatie. Buitenlandse invloeden met betrekking tot de solidaristische doctrine kunnen worden teruggeleid tot La Tour du Pin, Sorel en Mussolini, en de encycliek Quadragesimo Anno (15 mei 1931), welke op haar beurt schatplichting was aan de Duitse moraaltheoloog Heinrich Pesch.

De allereerste klanken van een solidaristische en corporatistische staatsordening waren te horen in Van Severens drie artikelen in Ter Waarheid, 1924: "Vlaamsch Nationaal". De praktijk vond hij bij een nationalistische arbeidersgroep in Izegem, waar de invloed van Odiel Spruytte groot was. Enkele jaren later verleende Jong Dietschland steun door van juni 1928 tot eind 1932 in bijna elk nummer op solidarisme en fascistische staatsordening terug te komen. Spruytte, Leo Dumoulin en Victor Leemans oriënteerden hun lezers op een vloed van Duitse publicaties over solidarisme en corporatisme. Op 30 augustus 1930 tekende Van Severen te Izegem de grondtrekken van een Vlaams nationaal solidarisme, en op 16 november 1930 wees Emiel Thiers op Franse voorbeelden. Het waren deze toespraken die bij andere Vlaams-nationalistische leiders, ook in Van Severens West-Vlaams KVNV kwaad bloed zetten. Van Severen bereidde de breuk voor. Op 3 mei 1930 nam hij ontslag als Hoofdman en in 1931 verliet hij het KVNV om het Verbond van Dietse Nationaal Solidaristen te stichten.

Een aantal medestanders van Van Severen, als Jef de Langhe, Pol le Roy en Wies Moens schreef in de winter van 1931-1932 koortsachtig enkele brochures om het Verdinaso ook in zijn corporatistische aspecten voor te stellen. Het Verbond zag drie natuurlijke levensgemeenschappen als fundamenten van de solidaristische orde: de familie, de beroepsorganisatie en overkoepelend een gesloten volksgemeenschap. De beroepsvereniging, waar het toen meer om draaide, gold als de organische grondslag van het maatschappelijk bestel. Vandaar dat de sinds enkele decennia gegroeide vakbonden als verderfelijke apparaten van de klassenstrijd overbodig waren. De corporatieve opbouw van de maatschappij zou bovendien de politieke democratie overbodig maken en aanleiding geven tot een nieuwe vorm van lokale medezeggenschap, elk in zijn eigen beroepsvereniging.

Al deze brochures losten de Babylonische spraakverwarring niet op. In zijn aflevering van 29 januari 1932 schreef Jong Dietschland over het hybridische lapwerk van Van Severen. Het weekblad vroeg wat Moens wilde beduiden met publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, Thiers met beroepsstaat (letterlijke vertaling van het Duitse berufsständische Ordnung), Van Severen zelf met fascistische gezagsstaat "terwijl nog niet eens aandacht werd geschonken aan het zeer belangrijke vraagstuk der goederenverdeling of van de loon- en renteregeling". Over het algemeen hadden de Vlaams-nationalisten onvoldoende aandacht gehad voor de specifieke sociale en economische vraagstukken. Daarom poogden Jong Dietschland en het Verdinaso in de rangorde van doelstellingen ook het maatschappelijke te verdisconteren. Het nummer van 11 maart 1932 zette de gehele solidaristische problematiek nog eens uiteen: "(...) het wil de echte organische samenhang van de maatschappij, van de staat, van de economie weder herstellen (...). Daarom moet opgeruimd worden met de liberaal-democratische geest en met de liberaal-democratische vormen: het parlementarisme, de massademocratie, de partijenstaat (...). Het solidarisme is gericht tegen de klassenkamp van links, dit is de dictatuur van het proletariaat en tegen de klassenkamp van rechts, dit is de dictatuur van de geldmachten."

Het Verdinaso heeft gepoogd om deze solidaristische en corporatistische doctrine, die vooral negatieve kritiek uitte op het bestaande en niet echt gebouwd was op een realistische constructie, om te zetten in sociaal-economische en politieke organisaties.

De uitbouw van het Verdinaso

De nieuwe beweging van Van Severen was aanvankelijk een amalgaam van allerhande groepen die in 1931-1932 aansluiting zochten. Het dichtst stond het Vlaamsch Nationaal Verbond van Wies Moens en Jef François. Daarnaast vond Van Severen onmiddellijk gehoor bij het door Juul de Clercq en Pol le Roy gerunde Verbond van Nationale Arbeiderssyndicaten (NAS), waarin nogal wat oud-daensisten zaten. De Clercq stond sterk in zijn Izegemse basis en had in West-Vlaanderen enkele vakbondsgroepjes van christen-democratische allure, die rond Odiel Spruytte en Prosper Moncarey gepoogd hadden een eigen vakbond en eigen politieke vertegenwoordiging op te zetten, aanleunende bij de Frontpartij. Uit Harelbeke trad Jan Rijckoort toe. In Antwerpen sloot de Vlaamsche Militie van Jef Missoorten aan. Van de afkondiging af in oktober 1931 tot midden 1932 kreeg een aantal afdelingen van het Katholiek Vlaamsch Nationaal Verbond (KVNV) aansluiting, alsook groepjes Vlaamsche Wachten en leden van Vlaamsgezinde studiekringen. Dit gebeurde niet alleen in West-Vlaanderen, maar ook in Brussel, Hasselt en het Waasland. Vervolgens was er de begeesterde overstap van vele jongeren uit de rangen van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS) of uit de Gentse universiteit, waar de invloed van Moens groot was. Ten slotte vond ook de nationalistische volksvertegenwoordiger Ward Hermans, die in mei 1932 uit zijn fractie was gesloten, met zijn Mechelse aanhang de weg naar het Verdinaso.

Van Severen had voor zijn beweging, in de toelichting van 6 oktober 1931 voor de gouwraad van het KVNV te Brugge, een volledig organogram voor ogen: het Verdinaso als nieuwe politieke beweging (1), geruggensteund door solidaristische corporaties (2), een eigen jeugdverbond (3) en een eigen militie (4). Van 1931 tot 1937 lag de financiële verantwoordelijkheid bij Pol van Herzeele.

1/ De politieke lijn werd bepaald door het weekblad Hier Dinaso! dat van 3 december 1932 af verscheen. De eerste jaren leidde Van Severen het weekblad; van 1936 af trad een meer onafhankelijke redacteur op, Willem Melis. Tevens werd het maandblad Orde!, orgaan van het Verbond van Dinaso Corporaties als bijlage ingeschoven; ook De Dinaso Student versmolt in januari 1937 met het weekblad.

De beweging, die in november 1931 enkele honderden leden telde, groeide traag maar zeker. Ze telde in 1934 naar schatting 2000 leden. Dit aantal zou aangroeien tot een kleine 2500 in 1937, om nadien gestaag te verminderen. Het Verdinaso had wel een ruime kring sympathisanten. De zeven landdagen werkten als blikvangers. De eerste drie werden in de West-Vlaamse achterban van Van Severen georganiseerd (Roeselare, 10 juli 1932; Tielt, 10 september 1933 en 7 oktober 1934). Emiel Thiers en De Clercq waren de grote gangmakers, maar de ideologische inbreng van Moens, die het programma van 10 juli 1932 schreef, mag niet worden onderschat. De landdagen te Brugge (4 augustus 1935 en 9 augustus 1936), waren een spraakmakende illustratie van de eigen militaristische stijl van het Verdinaso. De laatste twee landdagen te Antwerpen op 29 augustus 1937 en te Gent op 11 september 1938 (met 7000 aanwezigen) stonden geheel in het licht van de door Van Severen afgekondigde Nieuwe Marsrichting (zie verder). De achtste landdag, voorzien in Brussel op 10 september 1939 ging omwille van de internationale omstandigheden niet door.

De Dietse nationaalstaat, zoals de Verdinasoleider die bijna week na week in Hier Dinaso! voorspiegelde, moest totstandkomen, niet door een politieke partij maar door een 'orde'. Deze orde keerde zich resoluut tegen het democratisch bestel. Aldus opende het programma van 10 juli 1932 de weg naar het fascisme. Na de onverbloemde bewondering van Van Severen voor het regime van Mussolini in de jaren 1920, uitte Hier Dinaso! geregeld zijn vreugde over het nieuwe tijdperk in Duitsland na de machtsovername door Hitler en vond het blad in het nationaal-socialistische regime vele voorbeelden van nationale herwording en gedurfde sociale rechtvaardigheid. Bij herhaling werd nochtans beklemtoond dat het Verdinaso fascistisch, noch nationaal-socialistisch was. Nog op 24 april 1937 verklaarde Van Severen: "Geen Duitse orde, geen Italiaanse orde, geen Engelse en geen Franse orde, neen. De Dietse orde, en orde aangepast aan ons wezen en aan deze tijd." Spijts deze verklaringen mag de vraag gesteld worden of de vele bewonderende bijdragen zowel in het tijdschrift Dietbrand (sinds oktober 1932 door Moens geleid), dat doorging als het officieuze culturele orgaan van de beweging, als in het weekblad Hier Dinaso! niet gezorgd hebben voor een zekere doorstroming van de nazi-ideologie.

Het Verdinaso was tevens antisemitisch. Vanaf maart 1933 begon Jef de Langhe lezingen te houden over het joodse vraagstuk. Zijn bijdragen verschenen vanaf mei in Hier Dinaso! en vanaf maart 1934 in Dietbrand. De Langhe werd de voornaamste rassentheoreticus binnen het Verdinaso. Hij haalde zijn inspiratie uit Duitsland (H. Günther en E. von Eickstedt) en gaf eind 1933 de brochure De grondbeginselen van het Dietsche nationaalsolidarisme uit, waarin hij de volstrekte congruentie verdedigde tussen de Dietse eenheidsstaat en de volksgemeenschap, die als een gesloten eenheid alle vreemden en in de eerste plaats de joden uitsluit. Aldus verbond De Langhe het Dietse nationaal-solidarisme met het racisme. Hij werd hierin gevolgd door Hermans, die eveneens in 1933 een brochure publiceerde: Jodendom, Marxisme en Wereldheerschappij, maar schatplichtig was aan Franse invloeden.

Het kon niet anders of Van Severen zelf moest zich over dit vraagstuk uitspreken en deed dit in Hier Dinaso! van 25 november 1933: "Het belang der Dietsche volksgemeenschap en de Joden", waarin als besluit te lezen staat: "Het Verdinaso beschouwt de Joden als volksvreemde elementen, als vreemdelingen, en behandelt ze als vreemdelingen, en zal ze morgen, in de Dietse nationaalsolidaristische Staat als vreemdelingen beschouwen." Het Verdinaso had bij monde van De Langhe en Hermans een racistisch karakter. Ook als in latere jaren zowel De Langhe als Hermans uit het Verdinaso verdween, bleven de anti-joodse bijdragen verschijnen, maar nu aangevoerd voornamelijk uit Noord-Nederlandse hoek. Na de landdag van 1937 verdwenen de meest uitgesproken voorstanders van het racisme uit de beweging. Niettemin bleef het gedachtegoed wel aanwezig.

2/ Het tweede deel van Van Severens organogram betrof de corporatistische beroepsorganisatie, die als belangrijk novum aan het Vlaams-nationalisme werd toegevoegd. Het NAS was echter voor de stichting van het Verdinaso hoofdzakelijk een werklozenkas. Onder druk van het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond (ACW), dat zijn ministers in de regering-Charles de Broqueville aansprak, werd in de zomer van 1934 de financiële basis van het NAS ondergraven. Minister Philip van Isacker schrapte op 26 augustus de toelagen en het NAS moest ontbonden worden. Aan Le Roy werd opgedragen een Verbond van Dinaso Corporaties (VDC) op te richten om de corporatieve gedachte te verspreiden en concreet aan de basis uit te bouwen. Het VDC kreeg een ruime organisatorische onafhankelijkheid ten opzichte van de algemene leiding van het Verdinaso, gaf gedurende enige tijd het strijdblad Orde! uit, maar veel corporaties zijn louter papieren constructies gebleven. De corporatistische experimenten zijn duidelijk het zwakste onderdeel van de beweging geweest.

3/ De derde peiler van de beweging werd gevormd door de Dinaso-jongerengroepen, gevormd uit restanten van het AKVS met onder anderen Edgar Boonen en Jef van Bilsen. In 1931 stelde Van Severen Leo Poppe aan als leider van het Verbond van Dinaso Knapenvendels; het jaar daarop stak onder diens redactie Jong Dinaso van wal. Poppe was organisator van de Jong Dinasokampen waar de eigen stijl van de beweging met succes ingeoefend werd. In 1935 werd het Verbond omgedoopt tot Verbond van Jong Dinasovendels. Inmiddels kreeg de Verdinasowerking aan de universiteiten een zekere omvang. Te Gent ontstond in 1935 De Dinaso Student, met Norbert de Witte als hoofdredacteur en Lode Claes als een van de drijvende krachten. In Leuven was er Van Bilsen die in 1936 de propaganda voerde.

4/ De vierde en wellicht de meest betwiste, ook de meest fascistoïde peiler van de organisatie was de militie. Van Severen had zich reeds in 1926 en 1929 onomwonden voor de vorming van een militie uitgesproken. De eerste groepen werden samengesteld onder leiding van Jef Missoorten. Van 1932 af waren er knokpartijen met socialistische tegenbetogers, die de militie als een kopie van de nazistische organisaties zagen. Op 1 augustus 1934 werd de Dietsche Militie omgevormd tot Dinaso Militanten Orde (DMO), als gevolg van de bepalingen van de wet van 29 juli 1934, inzake verbod van privé-milities. Langzamerhand groeide boven Missoorten en Paul Persyn de invloed van Jef François, die in februari 1937 de leiding van de DMO overnam en in mei 1938 het maandblad Recht en Trouw uitgaf, met medewerking van M.H. Seys en Luc Delafortrie.

Het Verdinaso ontwikkelde een geheel eigen stijl die grondig verschilde van die van andere Vlaams-nationalistische organisaties. Deze stijl kwam het meest tot uitdrukking in de DMO die steeds meer gewicht in de schaal van het Verdinaso legde. De strijdorganisatie kon zich evenwel moeilijk bij de ideologische evolutie in het Verbond neerleggen (zie verder). Naarmate de beweging meer een burgerlijke allure kreeg en Van Severen zijn contacten uitbreidde tot de adel en tot verschillende politieke figuren, groeide de spanning tussen de politieke en militaire vleugel, een voorbode van de crisis van 1940-1941. De nieuwe wet van 4 mei 1936 stelde ook het dragen van uniformen strafbaar. De oude DMO-uniformen verdwenen meteen.

De reactie op het Verdinaso

De stichting van het Verdinaso op 6 oktober 1931 vergrootte, als dat nog kon, de verwarring in het Vlaams-nationalistische kamp. Eind 1931 werd een ultieme verzoeningscommissie door het Katholiek Vlaamsch Nationaal Verbond (KVNV) ingesteld, met Berten Catry, Kamiel de Vleeschauwer, Jeroom Leuridan en Emiel Thiers, dus nog binnen West-Vlaanderen. Volgens deze laatste was Joris van Severen aan geen enkel besluit gebonden. Bij deze gelegenheid besliste Thiers zijn politiek mandaat in de West-Vlaamse provincieraad bij de eerstvolgende verkiezingen op te geven en koos definitief voor het Verdinaso. De strijd verlegde zich naar het parlementaire vlak, waar de Vlaams-nationale groep in mei 1932 ostentatief met Van Severen brak. Ward Hermans deed dit niet en zocht nu toenadering.

Bijzonder Hendrik Elias reageerde in 1932 scherp op de stichting van het Verdinaso. In een memorandum over een nieuw unificatie-initiatief, de Vlaamsch Nationale Volkspartij, verzette hij zich heftig tegen het nationaal-solidarisme, dat hij als camouflage van fascisme, nationaal-socialisme en Action française beschouwde. Elias zag vooralsnog een democratische partij en niet een dictatoriaal 'Verbond'. "Deze nieuwe nationalistische theorie – waarvan de aanhangers zich (...) kenmerken door een fanatieke onverdraagzaamheid en niet verbergen dat zij geweld zullen gebruiken om hun gedachten door te drijven en aan iedereen op te leggen – brengt aldus nieuwe opvattingen van de identiteit natie-staat." Deze scherpe stellingname van Elias werd niet geheel gevolgd: het KVNV weigerde op zijn memorandum in te gaan. Bij de Vlaams-nationalistische leiders rijpte het besef dat het gedachtegoed en het imago van het Verdinaso aansloegen bij hun achterban. De onderhandelingen die in oktober 1933 zouden leiden tot de stichting van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) van Staf de Clercq werden erdoor overschaduwd. Het VNV nam tot op zekere hoogte het Dietse en antidemocratische gedachtegoed van het Verdinaso over, maar koos tegelijkertijd voor een pragmatische koers die een deelname aan het democratisch proces niet in de weg stond. En dat sprak vele Vlaams-nationalisten aan. De stichting van het VNV betekende aldus een grote klap voor de werfkracht van het Verdinaso. Toch waren er groepjes rond Reimond Tollenaere, Leo Wouters en Luc Matthys, die in het VNV stonden en in de jaren 1931-1934 met hun sociale opvattingen bij het nationaal-solidarisme aanleunden. Daarom pleitte Jong Dietschland in zijn nummer van 27 oktober 1933 voor een algehele verzoening. Er waren ook nationalisten die – meer links opgesteld – de felste kritiek op het Verdinaso leverden, zoals Roza de Guchtenaere, Boudewijn Maes en Gustaaf Doussy, rond De Dietsche Voorpost. Doch dit waren randfenomenen.

Niet alleen de stichting van het VNV betekende een ernstige bedreiging, ook uit vele andere hoeken in 1933 en volgende jaren ontplooide men een krachtdadige kritiek en tegenwerking. De liberale pers, met name De Nieuwe Gazet en La Dernière Heure, de bijdragen van J. Peeters in het tijdschrift De Vlaamse Gids (1932 en 1933) hielden een waarschuwing in. De aanvankelijke aandacht voor nationale en solidaristische problemen bij Hendrik de Man, Nationalisme en Socialisme (1932) en bij Alfons Vranckx, Gemeenschap en klassenstrijd (1932) verzwond in een frontale aanval tegen het Verdinaso in de uitgave van een andere socialist, Jef Rens, Het fascisme in Vlaanderen (1936). Herman Vos, die naar het socialisme overgegaan was, betitelde het Verdinaso als machtsnationalisme, volstrekt in tegenstrijd met het vrijheidsnationalisme van De Man. Auteurs als Max Lamberty, sinds 1929 medewerker van Camille Huysmans aan Ontwikkeling, en André Demedts met zijn polemische bijdragen in Tijdstroom (III, 1933) over fascisme en nationaal-socialisme, deden de mensen nadenken.

Ook de christelijke arbeidersbeweging kon het Verdinaso onmogelijk aanvaarden. Niet alleen reageerde het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond terughoudend op een aantal solidaristische passussen uit de encycliek Quadragesimo Anno, haar belangrijkste vertegenwoordigers zaten op de regeringsbanken en het kabinet-Charles de Broqueville (22 oktober 1932 – 13 november 1934) nam onverbloemde maatregelen. In november 1933 kregen staatsambtenaren verbod lid te worden van het Verdinaso en de wet van 29 juli 1934 wilde de privé-milities neutraliseren. Zoals we zagen sneed minister Philip van Isacker op 26 augustus 1934 de financiële kanalen van het Verbond van Nationale Arbeiderssyndicaten (NAS) af. Het Belgisch establishment was zeker besloten het Verdinaso geen vrij spel te geven. Op dat ogenblik voerde Van Severen een spectaculaire wending uit.

De Nieuwe Marsrichting van 1934 en de Belgische politiek van 1936-1940

Reeds in de zomer van 1933 deden geruchten de ronde dat Joris van Severen van het radicale anti-belgicisme af zou stappen. De landdag van 10 september ging niet voorbij zonder enige wrijving met Wies Moens die verklaarde: "Ik propageer niet wat tégen de volkse gedachte, waarop het Verdinaso werd gevestigd, indruist."

Formeel sprak Van Severen voor het eerst over de Nieuwe Marsrichting te Kemzeke op 14 juli 1934, in aanwezigheid van Jef Missoorten en Willem Melis. De redevoering werd in Hier Dinaso! van 21 juli gepubliceerd. De reactie was matig, vele volgelingen begrepen de draagwijdte niet en aarzelden. Voor Van Severen betekende de Nieuwe Marsrichting de eerste weloverwogen stap naar een fascistische machtsverwerving binnen het Belgisch staatsbestel, met de uiteindelijke vereniging van de Nederlanden (het zogenaamd Bourgondisch ideaal) voor ogen. Een tweede toespraak, ditmaal te Izegem, op 20 augustus (gepubliceerd in Hier Dinaso!, 1 september) maakte meer indruk. De tekst werd in brochure uitgegeven: Van demoliberale volksverscheurdheid naar Dietschland en Orde door het Verdinaso. Een breuk met Moens was nu onvermijdelijk. Emiel Thiers verdedigde Van Severen zo hard hij kon. Hij rekende voorgoed af zowel met de Vlaams-nationale politieke formatie als met de extremistische groepjes rond Vlaanderen-Jong Dietschland. Het conflict trad geheel in het daglicht op de landdag wederom in Tielt op 7 oktober 1934. Moens bezwoer Van Severen vast te houden aan "het organisch volksbeginsel, waarmede het Verdinaso staat of valt" (Dietbrand, november 1934). Van Severen, Thiers, Melis en Moens zagen scherp in dat de kern van het betoog draaide rond de voor vele nationalisten onoverbrugbare tegenstelling tussen volksnationalisme en staatsnationalisme, dit laatste in Vlaanderen bezwaard met ressentiment tegen het Belgisch staatsbestel. Het boegbeeld van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), Hendrik Elias maakte daar gebruik van. Hij hekelde Van Severens richting als "de eerste stap naar een meertalige Dietse natie" (De Dietsche Volksstaat, 1935).

Het historisch onderzoek heeft echter totnogtoe geen uitsluitsel gegeven over de diepere motieven van Van Severens ommezwaai. Ging het hier om een louter tactische koerswijziging, dan wel om een fundamentele, radicale ideologische ommekeer? Zeker is dat het Verdinaso snel drie vijandige krachten had opgeroepen: de Belgische staat, het democratische partijenregime en de socialistische beweging. Teken aan de wand was het door minister van justitie Paul-Emile Janson in oktober 1933 ingediende wetsontwerp op de privé-milities: een signaal dat een regelrechte strijd met het Belgische bestel op komst was. Niet alleen wou Van Severen deze strijd vermijden, hij achtte het ogenblik gekomen om een beslissende stap te zetten naar het uiteindelijke doel dat niets anders kon zijn dan reële politieke machtsverwerving. "Onze vijanden roepen dat we de staat willen omverwerpen", zo schreef hij in Hier Dinaso! van 16 december 1933, "Neen, wij willen de staat niet omverwerpen. Wij willen de staat veroveren. Dat is ons recht." De politieke actie moest volgens Van Severen uitgaan van de werkelijkheid en dat betekende de verovering van de macht binnen het bestel zelf, in volkomen legaliteit. De 'verovering van de staat' hield evenwel geen terugkeer in naar de democratische principes, het Verdinaso bleef autoritair, fascistisch en dacht er nooit aan de nationaal-solidaristische doctrine prijs te geven.

Een ander belangrijk motief betrof de scherpe concurrerende positie van het VNV. Er zijn aanwijzingen dat Van Severen medio 1934 nog gepoogd heeft met de organisatie van Staf de Clercq tot een overeenkomst te komen. Er vond een aantal gesprekken tussen Melis en Bert d'Haese plaats, maar na augustus 1934 werd daar verder niets meer over vernomen. Het duurde tot september 1936 vooraleer een tweede poging ondernomen werd. Toen plaatste Melis een artikel in Hier Dinaso! onder de titel: "Naar het ene Nationale Front". Aan het eind van de maand stuurde de Verdinasoleider een brief aan De Clercq waarin hij vroeg een vergadering te beleggen om de voorwaarden tot samenwerking te bespreken. Er is niets van in huis gekomen. Van Severens visie op de geschiedenis van de Nederlanden stond haaks op de traditionele Vlaams-nationalistische opvatting van De Clercq en Elias. De Verdinasoleider erkende de Belgische ruimte in het bredere perspectief van de Nederlanden en bekleedde het Bourgondische ideaal van de zeventien provinciën met Diets imperiale staatsie. Alles tezamen noemde hij de beslissing van 1934 een "progressie in politieke wijsheid". Ze gaf hem de gelegenheid in binnen- en buitenlandse politieke vraagstukken uitspraken te doen, waar nu met grotere aandacht naar geluisterd werd.

Van Severen wou een ouverture naar de Walen en de Franstalige Vlamingen. In juni 1936 kwam L'Ordre Thiois uit. Korte tijd nadien werd dat Pays-Bas Belgiques, waar Jef van Bilsen en Jacques Boseret aan meewerkten. Bij deze doorbraakpoging moet nog Pol le Roy vermeld worden met Orde in België (1937) en Le Verdinaso et le problème de l'ordre corporatif (1938). Toch kwam een Waalse organisatie eerder traag op gang. Boseret kreeg de steun van Louis Gueuning, die net voor het uitbreken van de oorlog, op 4 mei 1940, leider van de Romaanse gouwen werd.

Centraal in deze ontwikkeling stond de zesde landdag te Antwerpen op 29 augustus 1937. Daar werden niet alleen de Belgische en Nederlandse vlaggen gehesen. Van Severen sprak ook de Walen en de Luxemburgers in het Frans toe en legde duidelijk het accent op een staatsnationalisme binnen het Belgische kader. Het francofone Brusselse milieu merkte dit alles op. De Revue générale belge (september 1938) publiceerde een artikel onder de veelzeggende titel: Le mouvement flamand et le retour à l'état belge. Deze terugkeer naar de Belgische staat hinderde geenszins het corporatisme. De leuze van La Tour du Pin, "de Prins in zijne Raden, het Volk in zijne Staten" prijkte hoog in het decor van de nieuwe landdagen.

Niettemin openbaarde zich in de rangen van het Verdinaso en voornamelijk in de leiding een steeds diepgaandere malaise. De invloed van Jef François steeg voortdurend; dit verontrustte een aantal leidende figuren als Melis, Frantz van Dorpe, Van Bilsen en gaandeweg zelfs Thiers. Van 1937 af controleerde François niet alleen de financies, maar ook de Dinaso Militanten Orde en het weekblad Hier Dinaso!. Toen werd de basis gelegd voor de tweespalt die na 10 mei 1940 zou uitbreken.

Van Severen, die op 4 augustus 1935, op de vierde landdag, indringend op het dreigende oorlogsgevaar en het internationale communisme gewezen had (nog voor de Spaanse burgeroorlog), koos in de volgende maanden de politieke lijn van koning Leopold III, wiens toespraak van 14 oktober 1936 en de daaruit voortvloeiende neutraliteitspolitiek hij geheel onderschreef. Dat leverde hem vanwege minister Paul-Henri Spaak enig begrip op.

Het Verdinaso bleef enigszins in de schaduw tijdens de concentratieonderhandelingen te Leuven, op het congres van 19 juli 1936, waar Van Dorpe het standpunt van het Verbond naar voren bracht (Vlaamsche Concentratie). Het Verdinaso kreeg evenwel geen plaats in het leidinggevend orgaan. De eisen lagen te hoog, althans bij Van Severen die de feitelijke leiding opeiste. Naderhand waren Melis en Van Dorpe wel tot toegevingen bereid. Precies van deze laatste twee ging een sterke impuls uit in de Vereeniging België-Nederland-Luxemburg. Zowat van alle zijden werd weer over Groot-Nederland gesproken en geschreven (Leo van der Essen, Louis de Lichtervelde, B. Poukens, en anderen). Zonder het Verdinaso zou deze aandacht niet zo groot zijn geweest. Een en ander gaf aanleiding tot de publicatie: De Vlaamsche Beweging. België en de gebondenheid der Nederlanden (1938). De nieuwe richting die het Verdinaso uitging kreeg de lof toegezwaaid van De Courant, het dagblad van de leiding van de autonoom geworden Vlaamse katholieke partij (Katholieke Vlaamsche Volkspartij (°1936)), en van Elckerlyc, het weekblad van Frans van Cauwelaert. In Hier Dinaso! bepleitte Van Severen eveneens een militair akkoord tussen België en Nederland (waarin hij door Tony Herbert gevolgd werd). Alleen Floris Prims (De Wording van ons nationaal bewustzijn, 1938) reageerde klein-Belgisch, terwijl vanuit de traditionele nationalistische hoek Jan Brans wees op De Illusie der historische lotsverbondenheid (1938).

Eveneens in de schaduw bleef het aandeel van Thiers, Lode Claes en Le Roy in de besprekingen in het Studiecentrum tot Hervorming van de Staat. Ter inleiding op deze belangrijke werkzaamheden hield Van Severen te Gent op 29 oktober 1936 een redevoering: "Waarheen gaat het land? Het voorstel van den Leider van het Verdinaso aan al de leiders van al de groepen die in België willen samenwerken om de noodzakelijke nieuwe staatsorde te vestigen." Vooral Thiers maakte zich daarbij verdienstelijk. De mobilisatie, naar aanleiding van de verslechterende internationale situatie, maakte echter de onderlinge contacten moeilijker. Luc Delafortrie poogde Van Severen, die enkele maanden ziek was, bij te springen. Binnen het Verdinaso ontstond onenigheid over de te volgen gedragslijn bij de verkiezingen van 2 april 1939. Thiers drukte de oude lijn van het anti-parlementarisme en de boycot door. Van Dorpe, Van Bilsen en Paul Persyn wilden het anders. Een bijna stuurloze beweging begon ledenverlies te lijden. Van Dorpe besliste bij het uitbreken van de oorlog op 3 september 1939 ontslag te nemen. Korte tijd nadien hervatte de Leider zich. Loyauteitsverklaringen, hartstochtelijke sympathiebetuigingen aan het adres van Leopold III en een nadrukkelijke verdediging van de neutraliteitspolitiek volgden elkaar op, tot eind april 1940. Het was duidelijk dat de meerderheid van de Verdinasoleden deze loyauteitspolitiek ook na 10 mei 1940 zouden volgen.

Bekijken we de positie van het Verdinaso in de maanden van de grote internationale spanningen van 1938-1939, dan valt een zekere ambiguïteit op. De steun aan de Belgische neutraliteitspolitiek ging gepaard met een felle antidemocratische bekentenis, beide verwerkt in een uitgesproken verlangen naar een autoritair koninklijk regime. Aan koning Leopold III werd gevraagd, 4 maart 1939, een einde te stellen aan het traditionele politieke systeem, dat het land "moreel en financieel aan de rand van de afgrond (heeft) gebracht", enkele maanden later nog versterkt door een formele oproep "volmacht aan de Koning!". Ook nam het Verdinaso enige afstand van nazi-Duitsland. De Antwerpse gouwleider Persyn, wiens invloed in de volgende maanden nog zou stijgen, verklaarde te dien aanzien dat de beweging "met de opvattingen van ras en bodem niet te maken" had. "Die theorieën passen in het Verdinaso niet!" De sterkste uitspraak stond te lezen in Hier Dinaso! van 15 juli 1939, waarin het Hitlerregime aangeklaagd werd en de verzekering gegeven dat als Hitler de oorlog begon, de inlijving van België onvermijdelijk zal zijn. Maar vele commentaren op de internationale gebeurtenissen hadden een anti-geallieerde strekking. Misschien daardoor bleef het Verdinaso bij sommige regeringsleiders in een slecht daglicht staan. Op 30 september 1939 protesteerde Van Severen tegen de huiszoekingen die bij hem, een aantal vooraanstaanden en in Dinaso huizen gedaan waren. Hij protesteerde opnieuw, 10 februari 1940, toen het Verdinaso, in naam van de nationale veiligheid, op een lijst van onbetrouwbare verenigingen geplaatst werd, maatregel die door tussenkomst van de Waalse senator Pierre Nothomb ongedaan werd gemaakt. Het was een voorafschaduwing van de tragedie die zich enkele maanden later zou afspelen.

Het Verdinaso in Nederland

Op 17 november 1932 vermeldde De Westvlaming voor het eerst de mogelijkheid van een uitbreiding van het Verdinaso in Noord-Nederland. In de herfst van 1933 kwam Anton Mussert, leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) op bezoek in Sint-Michiels, maar deze gesprekken leidden tot niets. Dat jaar echter vormden zich, voornamelijk in Nijmegen en Amsterdam, enkele studentengroepjes tot Verdinaso. Bij deze groepjes bestond een uitgesproken sympathie voor de Dietse gedachte. Deze kleine beweging werd geleid door de uitgeweken Vlaamse dominicaan Carlos van Sante (een goede bekende van Cyriel Verschaeve) en kenmerkte zich door een scherp integralistisch-katholieke houding, waardoor een conflict met het Nederlandse episcopaat ontstaan was in 1932 en dat nadien aanleiding zou geven tot Van Sante's overplaatsing naar Duitsland. In zijn woonplaats Groesbeek richtte de beeldhouwer Ernst Voorhoeve onder de verpauperde arbeidersbevolking eveneens een afdeling op. Van Sante, die sympathieën had voor het nationaal-socialisme, leidde het anti-modernistische tijdschrift Christophore, met Henri Bruning, Ernest Michel en Voorhoeve. De redactie van het tijdschrift onderwierp zich aan Van Severen die samen met Thiers in januari 1934 een bezoek bracht aan Nederland. Op de derde landdag te Tielt, 7 oktober van datzelfde jaar, trad Voorhoeve op als gastspreker. Een tweede bezoek volgde in november. Bij deze gelegenheid benoemde Van Severen Michel tot propagandaleider en Voorhoeve tot organisatieleider, gevolmachtigde voor het Verdinaso in Nederland. Spanningen leidden ertoe dat in de loop van 1935 Michel aan de kant werd geschoven. Daardoor kreeg Voorhoeve het alleen voor het zeggen. Van Severen, die in theorie de Verdinasoleider was voor heel Dietsland, leefde te ver af om de zaken in de hand te houden en was overgeleverd aan de voorstellen van een zeer autoritair optredende Voorhoeve.

In Nederland was de beweging dus onbeduidend. Het feit echter dat ze bestond had in Vlaanderen een propagandistische waarde die in de bewegingsbladen breedvoerig ter sprake kwam. De noordelijke inbreng in Hier Dinaso! had een uitgesproken antisemitisch karakter. Voorhoeve verstrekte richtlijnen voor publicatie van anti-joodse bijdragen, ook na 1937 (antisemitisme).

Van Severen en Voorhoeve overlegden voortdurend om het Verdinaso in Nederland uit zijn enge positie op te trekken. Daarom werd in 1938 de afdeling Rijksnederland onafhankelijk gemaakt; ze zou nog slechts 'vriendschappelijke relaties' onderhouden met het Verdinaso in België. Deze schikking was het gevolg van beperkende maatregelen die de Nederlandse regering trof: een politieke beweging onder buitenlandse invloed werd verboden. In de praktijk veranderde er echter niets. Vanaf die periode poogde Voorhoeve ook samenwerking tot stand te brengen met andere fascistische organisaties. In juni 1939 wilde hij, onder invloed van Bruning zowel met Mussert (NSB) als met Arnold Meijer (Zwart Front) een gesprek aangaan. Er kwam inderdaad een akkoord op 7 augustus 1939, het zogenaamde Verbond der Nederlanders. In juni 1940 drong Michel, die teruggekomen was, ten zeerste aan op een fusie met de NSB, die op 19 november voltrokken werd. Voorhoeve werd propagandaleider van de NSB.

Het einde van het Verdinaso

De gebeurtenissen van mei 1940 hebben het Verdinaso volledig ontredderd. Joris van Severen werd als staatsgevaarlijk element opgepakt en weggevoerd naar Frankrijk waar hij door een Frans militair werd vermoord op 20 mei (Spooktreinen). Het duurde nog tot juni eer dit nieuws in Vlaanderen doordrong. Normaal kwam de leiding van het Verbond toe aan Emiel Thiers. Hij bleef eerst bewust afzijdig toen de eerste zomerweken een aantal politieke en sociaal-economische besprekingen gevoerd werden, waarbij het manifest van Hendrik de Man (eind juni) en de gesprekken tussen graaf Lippens en graaf Robert Capelle, secretaris van de koning (6 juli), de aanleiding waren. Op 20 augustus werd Thiers opnieuw betrokken bij het studiewerk over de staatshervorming. Vanaf dat ogenblik en tot eind november zette hij zich onverdroten in bij allerlei onderhandelingen.

Inmiddels was de Antwerpse gouwleider Paul Persyn tot het inzicht gekomen dat het Verdinaso zijn activiteiten moest hernemen. Vanaf 20 juni zette hij een reorganisatie en een dynamische ledenwerving op stapel, met zoveel succes dat de argwaan van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) snel groeide. De propaganda tegen de oude partijpolitiek en voor de vestiging van een nieuwe sociale orde, sloeg in het klimaat van de 'wondere zomer' van 1940 redelijk goed aan. Er werd een nieuwe leidinggevende structuur gevormd. Als leider-interimaris kreeg Thiers twee persoonlijke raadgevers, Jef van Bilsen en Julien Verplaetse. De Raad van Leiding telde een aantal departementen: Pol le Roy, leider van het Verbond van Dinaso Corporaties en Verbondssecretaris kreeg sociale zaken; Persyn voerde de Organisatie en Propaganda, tevens gebiedsleider voor het Vlaamse land; Louis Gueuning werd bevestigd in zijn functie van 4 mei 1940 als leider van de Romaanse gouwen; Pol van Herzeele behield administratie en financies; Frantz van Dorpe, die opnieuw lid was geworden, de persdienst en Ast Fonteyne de jeugdafdeling. Aan Jef François, die medio augustus uit Frankrijk terugkeerde, bleef de leiding van de Dinaso Militanten Orde (DMO) toevertrouwd. Het zou, in de eindfase van het Verdinaso, een sleutelpositie worden. Vooralsnog overheerste in de Raad van Leiding de wil om buiten de directe collaboratie te blijven. Van Dorpe verdedigde krachtdadig deze optie.

Die eerste maanden van de bezetting verdedigde de leiding de persoon en de politiek van de koning en verwierp het separatisme en de oprichting van twee staatsgemeenschappen. Op deze wijze werd de politiek van de Nieuwe Marsrichting, die de denkbeelden van de burgerlijke vleugel van het Verdinaso huldigde voortgezet. Dit uitte zich in het beginselakkoord dat rond 10 augustus afgesloten werd met het Légion nationale, een kleine rechtse, Belgisch-nationalistische en Franstalige beweging onder leiding van Paul Hoornaert. Volk en Staat betitelde dit akkoord als "een verbond met de ergste vijanden van de Vlaamse Beweging". In deze conjuctuur verscheen op 24 augustus het eerste oorlogsnummer van Hier Dinaso!, onder leiding van Van Dorpe. Het hoofdartikel van Persyn bevatte een oproep tot samenwerking met de Duitse bezetter om het politieke programma dat in de zomer was geformuleerd uit te voeren. Hij begroette de vestiging van een Nieuwe Orde en zag die in brede Europese context. Hij bepleitte in het kader daarvan de voortzetting van de strijd tegen de joden. Dit artikel dat aanstuurde op een voorwaardelijke collaboratie paste geheel in de onderhandelingsstrategie die Thiers nu opzette. De opvolger van Van Severen voerde besprekingen met industrieel Léon Bekaert en met graaf Capelle over de draagwijdte van de staatshervorming, ontmoette herhaalde keren kardinaal Ernest-Joseph van Roey te Mechelen en kanunnik Karel Dubois over de mogelijke fusie tussen Jong Dinaso en de Katholieke Actie-jeugdgroeperingen. Al deze gesprekken vielen echter stil in de herfst. Nog in augustus diende Thiers een nota in bij de diensten van Militärverwaltungschef Eggert Reeder: Ueber Entstehung und Entwicklung der Dietsch Nationalsolidaristische Bewegung. Daarin bevestigde de nieuwe leider de voorwaarde van een koninklijke goedkeuring tot medewerking in bezettingstijd. De verdere tekst evenwel verduidelijkte niet op welke concrete wijze dit alles moest gebeuren. In elk geval wou Thiers geen aansluiting bij het VNV, zoals hij expliciet verklaarde op de vergadering van het hoofdbestuur van het Davidsfonds te Leuven op 1 september 1940; hij wenste de invloed van het Verdinaso ongeschonden te bewaren.

Nog in de lijn van al die pogingen sloot Persyn, in september, een akkoord af met Rex-Vlaanderen. Maar toen leek de maat vol. De spanning tussen de burgerlijke vleugel en de leiding van de DMO werd alsmaar heviger. François en Le Roy onderhandelden van hun kant met de leiding van het VNV en vanaf oktober ook met de pas opgerichte Algemeene-SS Vlaanderen. Naarmate de herfst vorderde greep een dreigende polarisatie plaats tussen de Gentse groep (François, Le Roy) die gewonnen was voor een onvoorwaardelijke collaboratie, geen belangstelling had voor de Belgische eenheid en terug wou naar een onverkort politiek Vlaams-nationalisme, en de Antwerps-Brusselse groep (Persyn, Van Dorpe, Van Bilsen, Van Herzeele) die vasthield aan de lijnen door Thiers en Persyn uitgezet. Thiers stond voor de moeilijke opdracht deze twee groepen samen te houden. Hij zou er niet in slagen. Bovendien kwam Cyriel Verschaeve uit Alveringem om hem te bezweren het Verdinaso te ontbinden en op te gaan in een grote Vlaamse partij vooraleer de Duitsers dat zouden opleggen. Enige weken later zou pater Desiderius A. Stracke hetzelfde komen zeggen in Tielt.

Uiteindelijk kwam het tussen de beide vleugels van het Verdinaso tot een open machtsstrijd. Thiers ontsloeg op 25 januari 1941 François en Le Roy uit de beweging. Dit gebeurde op een ogenblik dat de Militärverwaltung hem onder verhoogde druk zette. François die met de DMO achter zich over de sterkste troeven beschikte, riposteerde snel. Drie dagen later stuurde hij een uitgebreide delegatie met Luc Delafortrie naar Tielt om het ontslag ongedaan te maken. Reeder van zijn kant kondigde een verschijningsverbod af voor Hier Dinaso! dat precies inging op 28 januari. Thiers begreep dat zijn rol feitelijk was uitgespeeld, maar dat ook Persyn niet verder in aanmerking kwam. Ten overstaan van Persyn verantwoordde Thiers zijn beslissing in een brief van 6 februari. Daaruit bleek dat François en de DMO een ultimatum hadden gesteld. Voor de leider-interimaris was de nieuwe politieke lijn (die van de onvoorwaardelijke collaboratie) van die aard "dat zij, naar mijn oordeel, het essentieelste, dus de eigen Staat voor het eigen volk, als doel der Beweging ging laten verloren gaan". Voor Thiers was de laatste grens overschreden. In de nieuwe gevestigde orde zag hij "de Dietse volksstaat met het Duitse rijk verbonden in een nieuw Europa, waar het Duitse Rijk de leiding heeft". Hij bleef dus vasthouden aan zijn rapport aan Reeder in augustus. François nam de leiding over, zuiverde de Raad van Leiding door alle sleutelposten in handen te geven van DMO-figuren. Hij verbrak tevens de contacten met de Waalse dinaso-groep van Gueuning en liet er aldus geen misverstand over bestaan dat het Verdinaso voortaan een integraal Vlaamse groep was. Nog eenmaal poogden, begin februari 1941, Persyn, Van Dorpe, Van Bilsen en Gueuning een tegenleiding, een Directorium, op te richten. Deze onderneming koste Persyn een door de Duitsers opgelegde gevangenisstraf. De Gentse groep had de overwinning naar zich toegehaald en nu lag de weg open naar de onvoorwaardelijke collaboratie.

Er restte het Verdinaso van François alleen nog de weg te gaan naar de zogenaamde Eenheidsbeweging-VNV zoals de bezettende overheid die voor ogen had. In Hier Dinaso! van 1 en 15 februari 1941 werd hardop gepleit voor een hechte samenwerking met het Duitse Rijk, het geloof beleden in het nationaal-socialisme en ten slotte de strijd aangewakkerd tegen de Belgische staat. Daarmee positionneerde het Verdinaso zich ongeveer op dezelfde lijn als het VNV, maar het water tussen beide was nog diep. Het Verdinaso dacht op 8 maart nog dat het kon doorgaan als de spil van de toekomstige concentratie, maar François werd in de volgende weken gedwongen tot lange en vernederende onderhandelingen met de groep van Staf de Clercq. Delafortrie schreef in Hier Dinaso! van 22 maart dat het Verdinaso bereid was zijn plaats in te nemen in de Eenheidsbeweging; de onderhandelingen geraakten nu in een stroomversnelling. Op 15 april had de topontmoeting plaats tussen François en Reimond Tollenaere over wat een cruciale machtsaangelegenheid was: het meesterschap over de militie. Een week later spartelde François nog eenmaal tegen de opslorping. De Militärverwaltung maakte echter komaf en legde op 5 mei een definitief akkoord op. François en De Clercq tekenden.

In het akkoord was voorzien dat Le Roy een zetel kreeg in de Raad van Leiding van de Eenheidsbeweging-VNV. Voor het behoud van Hier Dinaso! was een hardnekkig gevecht geleverd: de redactie bleef in handen van Le Roy maar de naam werd veranderd in De Nationaal-Socialist, orgaan van het VNV, waarin ook Albert Deckmyn en Albert Derbecourt onderdak kregen. De militie, nu Dietsche Militie – Zwarte Brigade geheten, kwam onder leiding van Tollenaere; François nam de tweede plaats in. Al bij al hadden de twee topfiguren zich goed opgewerkt in de Eenheidsbeweging. Het Verdinaso diende wel alle bestaande akkoorden op te zeggen. Vanaf 10 mei 1941 opereerde aldus een belangrijke fractie van het Verdinaso in de onvoorwaardelijke collaboratie. Op de meeting van 22 juni in het Koninklijk Circus te Brussel sprak Deckmyn naast De Clercq, Hendrik Elias en Piet Finné. Hij ging ook naar Tielt om er op 11 juli te spreken over "Vlaanderen tegenover het bolsjewistisch gevaar". Acht dagen later meldde François zich voor het Vlaamsch Legioen, nadat de DMO met de VNV-militie versmolten was en vertrok op 6 augustus met het eerste contingent naar het oostfront.

De laatste nummers van Hier Dinaso! (tot 7 juni 1941) werden bijna volledig aan Van Severen gewijd. Het Joris van Severen Herdenkingskomiteit dat op 5 oktober 1940 in de schoot van de beweging was opgericht om de nagedachtenis van de vermoorde leider in ere te houden, stond onder leiding van François, commandant van de DMO en telde verder onder anderen Fernand Pauwels, Honoré Debusschere, Van Dorpe, Leo Poppe, Louis Beyaert en penningmeester Theophiel Hosten. Afgesproken werd dit Herdenkingscomité buiten alle onderhandelingen te houden die leidden tot de vorming van de Eenheidsbeweging. Het werd op 11 oktober 1941 grondig gewijzigd en kreeg de naam Genootschap Joris van Severen, terwijl François aan het oostfront was. Voorzitter, de industrieel Constant van Raemdonck (Sint-Niklaas), ondervoorzitter Debusschere (Tielt) en Delafortrie, die in september de Eenheidsbeweging had verlaten, aangetrokken als secretaris, vervulden geen enkele rol in de collaborerende bewegingen. Moeilijkheden bleven echter niet uit. Op 17 januari 1942 woonde François, terug van het oostfront, onverwachts de eerste algemene vergadering bij, waarop Delafortrie een volstrekte afwijzing van elke politieke actie bepleitte. François daarentegen wou een aansluiting bij de Eenheidsbeweging en de SS en werd met enkele geestesgenoten tot lid van het Genootschap verkozen. Bovendien eiste hij op 27 maart 1942 het voorzitterschap op. De raad van beheer van 13 april weigerde daar op in te gaan. In juni werd ook vanuit de redactie van De Nationaal-Socialist door Deckmyn en Derbecourt kritiek uitgeoefend op het Genootschap en de positie van Delafortrie. Deze laatste had, buiten de Duitse censuur om, de brochure Van Severen en Wij uitgegeven. Hij werd gedurende een tweetal maanden in de gevangenis opgesloten en gedwongen zijn functie in het Genootschap neer te leggen. Verplaetse volgde hem op en hield op de herdenkingsplechtigheid van 30 mei 1943 te Brussel een grote redevoering. In de loop van 1944, toen Debusschere (die inmiddels lid was geworden van de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap) het voorzitterschap had overgenomen, viel de werking stil.

Gueuning, die grote bewondering had voor Van Severen, poogde eveneens het erfgoed van het Verdinaso in de moeilijke oorlogsomstandigheden te bewaren. In november 1941 stichtte hij een geheim genootschap en hield in Brussel redevoeringen in besloten vergadering op 1 december 1940, 10 mei 1941 en dan, op de verjaardag van Van Severens dood op 20 mei 1943 en 1944.

Na de gebeurtenissen van januari-februari 1941 trokken Van Bilsen en Van Dorpe hun conclusies. Zij beslisten in het verzet te gaan. De groep Demain begon met voort te bouwen op een aantal hervormingsgesprekken van augustus 1940, onder andere over de versterking van het koninklijk gezag. Deze groep werd van Vlaamse zijde gevormd door Tony Herbert, die sedert 1934 af en toe sympathieën voor het Verdinaso had getoond, en die een eigen verzetsnet had opgebouwd. Toen een secretariaat werd geformeerd, dacht men aan Van Bilsen. Ook Van Dorpe die eind 1941 lid was geworden van de verzetsgroep Zero, was in deze groep betrokken.

Besluit

Overschouwen we de belangrijkste historiografische conclusies uit de laatste decennia over de betekenis van het Verdinaso, dan heeft men het bij voorkeur over een 'marginale' organisatie (Manu Ruys, 1972). Hendrik Elias die een harde tegenstander van Joris van Severen was geweest, betwijfelde de politieke relevantie. Arie W. Willemsen, die wees op de vooral destructieve uitwerking van het 'integrale grootneerlandisme in het Vlaams-nationalisme' uit die jaren, stelde dat de "Bourgondische gedachte, zoals die in het Verdinaso in zijn latere fase tot uiting kwam (...) ontdaan van de autoritaire strekking, meer aanknopingspunten met de politieke realiteit (had), vooral aan het einde van de jaren dertig." Willemsen voegde eraan toe: "In het Verdinaso was er een ontwikkeling, waarin gestuurd werd in de richting van een realistische Benelux-politiek avant la lettre, maar deze werd in feite gehinderd door de erfenis van de autoritaire stijl en het militant-soldateske optreden." De vraag hierbij is of de van onmiskenbare grootheid getuigende visie van Van Severen over de toekomst van de Nederlanden, niet is aangetast geworden door een al te opzichtig binden met tijdsgebonden rechts en autoritair ideeëngoed.

Het is duidelijk dat het Verbond fascistische trekken bezat. De antikapitalistische woordenschat, het onmachtig solidaristische experiment, de droom van een nauwelijks door antisocialisme versluierde klassenloze maatschappij, dat alles was niet bestand tegen de toekomst. De ideologische onderbouw bij deze flaminganten wees op ideeën die nog thuishoorden in een pre-industriële cultuur. Dat leidde tot rancune, nog versterkt door integralistische tendensen en bovendien explosief geladen door al de onvervulde Vlaamse revendicaties van na 11 november 1918. Het Verdinaso droeg in zich iets dubbelzinnigs, het appelleerde aan reactionaire neigingen uit het verleden en wou terzelfder tijd aan een revolutionaire toekomst bouwen. Ook in het Verdinaso werd het anti-bolsjewisme gestoeld op integralistische theologie. Van daaruit is een deel van de collaboratie verklaarbaar.

In 1967 oordeelde Jean Willequet nog over het Verdinaso van Van Severen als volgt: (il) est incontestablement le seul chef totalitaire d'extreme droite, en Europe, dont la valeur et le style se soient situées bien au-delà d'un fascisme qui, tous comptes faits, a été pour lui plus un moyen accidental qu'un but en soi.

Dit zachte oordeel werd gaandeweg verscherpt. In de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (1975) en in de twee beknopte maar zorgvuldig opgestelde publicaties van Luc Schepens (1975 en 1979) werd ronduit het fascistische wezen van het Verdinaso onderkend, waardoor een 'ontmythologiserende beoordeling' definitief een aanvang nam. Het onderzoek aan de universiteiten heeft dit in de jaren 1980 bevestigd. Op basis van dit onderzoek en uit internationale vergelijking refereerde Bruno de Wever (1994) aan het programma van 10 juli 1932. "Het Verdinaso werd gesticht als een zuiver fascistische groepering. Een bewijs daarvoor vinden we in het programma dat door Wies Moens op de eerste landdag, 10 juli 1932, in Roeselare werd afgekondigd en dat door Pol le Roy een jaar later in brochurevorm werd uitgegeven. Het Verdinaso was antiliberalistisch, antimarxistisch en anticonservatief. Het was tegen de democratie en tegen het partijenstelsel. Het had een pannationaal doel en ijverde voor een nieuwe staat met een totale transformatie van de sociale relaties: het nationaalsolidarisme (in feite corporatieve staat). 'De vreemden' waren per definitie vijanden van de staat. De stijl van het Verdinaso beantwoordde volledig aan die van een fascistische partij. Militarisme was er de hoofdtrek van. De geweldfactor ontbrak niet." Lode Wils (1994) onderschrijft deze identificatie.

Vanzelfsprekend werd door bewonderaars en volgelingen, sinds Luc Delafortrie (1942) tot aan het prestigieuze Gedenkboek Joris van Severen (1994) en de recente tweedelige biografie van Antoon van Severen (1995-1998) een meer door subjectieve herinneringen gestoffeerd beeld van het Verdinaso en zijn leider geschetst: een door charisma en visionaire kracht beheerste beweging, gedragen door een ascetische en gedisciplineerde elite, die in een conservatieve revolutie de grenzen van het traditionele en romantische flamingantisme bewust verlegde. Het is natuurlijk speculatief of Van Severen zou hebben gecollaboreerd. Een deel van zijn volgelingen heeft het wel gedaan. Een kleine minderheid is in het verzet gegaan. Velen (zoals Thiers) hebben zich na de lente van 1941 afzijdig gehouden, zonder hun rechts-conservatieve ideeën op te offeren. Over de gehele lijn echter, van 1931 tot 1941, is het Verdinaso in bewust fascistische zin een andere weg gegaan dan de traditionele V.B.

Literatuur

A. de Bruyne, Joris van Severen. Droom en daad, 1961; 
L. Delafortrie, Joris van Severen en de Nederlanden. Een levensbeeld, 1963; 
J. Willequet, 'Les fascismes belges et la seconde guerre mondiale', in Revue d'histoire de la deuxième guerre mondiale (april 1967), p. 85-109; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, III-IV, 1969; 
L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, I, 1969; 
J. Stengers, 'La droite en Belgique avant 1940', in Courrier hebdomadaire du CRISP, nr. 468-469 (januari 1970); 
J. Gérard-Libois en J. Gotovitch, L'An quarante. La Belgique occupée, 1971; 
S.W. Couwenberg, De omstreden staat. Ontwikkeling en problematiek van de staatstheorie in de 20ste eeuw, 1974; 
P. van Hees en A.W. Willemsen, Geyl en Vlaanderen, II, 1974; 
L. Schepens, 'Joris van Severen: een raadsel', in Ons Erfdeel, jg. 18, nr. 2 (1975), p. 221-239; 
G. Provoost, Ward Hermans, 1977; 
L. Vos, 'De ideologische oriëntering van de katholieke studerende jeugd in Vlaanderen 1936-1940. Een voorlopige balans', in BTNG, jg. 8, nr. 1-2 (1977), p. 207-235; 
R. vanden Bossche, De maatschappijleer van het Verdinaso in zijn katholieke achtergrond, 1977; 
I. Schoeffer, Het nationaal-socialistische beeld van de geschiedenis der Nederlanden. Een historiografische en bibliografische studie, 19782; 
E. Defoort, Charles Maurras en de Action Française in België, 1978; 
L. Schepens, 'Joris van Severen', in NBW, VIII, 1979; 
J. Poisson, De nieuwe marsrichting van Joris van Severen, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1980; 
P. de Groote, Collaboratieproblematiek bij het Verdinaso, VUB, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1981; 
H. Michel-Ypma, Levensbeeld van Ernest Michel, 1981; 
L. Wils, 'Gerretson, Geyl en Vos. Spanningen tussen de Groot-Nederlandse beweging en de Vlaams-nationalisten', in WT, jg. 41, nr. 2 (1982), p. 92-120; 
L. Vos, Bloei en ondergang van het AKVS, II, 1982; 
P. Janssens, Les Dinasos wallons 1936-1941, ULg, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1982; 
L. Wils, 'De Grootnederlandse Beweging 1914-1944. Ontstaan, wezen en gevolgen', in Colloquium over de geschiedenis van de Belgisch-Nederlandse betrekkingen tussen 1815 en 1945 (Brussel 10-12/12/1980). Acta, 1982, p. 415-450; 
D. Vanhees, 'Het Verdinaso naar de collaboratie', in WT, jg. 42, nr. 3 (1983), p. 165-175; 
L. Vos, 'Een kritische analyse van de Groot-Nederlandse geschiedschrijving', in WT, jg. 42, nr. 3 (1983), p. 176-192; 
P. Renard, De ideologische en organisatorische problemen van het Vlaams-nationalisme in West-Vlaanderen 1919-1931, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1983; 
G. van Haver, Onmacht der verdeelden. Katholieken in Vlaanderen tussen demokratie en fascisme 1929-1940, 1983; 
K. van Isacker, Mijn land in de kering, II, 1983; 
P. van Boxel, 'Het Diets nationaalsolidarisme in Nederland 1933-1940', in Spiegel Historiael, nr. 2 (1984), p. 97-102; 
J. Werkers, 'Het Diets nationaalsolidarisme in Nederland', in Ter Waarheid over Joris van Severen, nr. 2 (1984), p. 1-10; 
E. Verstraete (e.a.), Gedenkboek Wies Moens, 1984; 
P. Meeus en M. Cailliau, Joris van Severen. Plus est en vous, 1986; 
H. Schippers, Zwart en Nationaal Front. Latijns georiënteerd rechts radicalisme in Nederlands 1922-1945, 1986; 
L. Saerens, 'Het Verdinaso en de Joden 1931-1940', in WT, jg. 46, nrs. 3-4 (1987), p. 155-180 en p. 241-254; 
J. Creve, Recht en trouw. De geschiedenis van het Verdinaso en zijn milities, 1987; 
J.M. Lermyte, Geworteld en vertakt. De christelijke arbeidersbeweging in Izegem tot 1940, 1988; 
S. Verhaeghe, Tony Herbert. Een politieke biografie, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1988; 
L. Delafortrie, Het Genootschap Joris van Severen. Dinaso-acties tijdens de bezetting, 1989; 
L. Wils, Honderd jaar Vlaamse Beweging, II-III, 1985-1989; 
R. Vanlandschoot, 'Modest van Assche. Kersten en Vlaming', in WT, jg. 49, nr. 2 (1990), p. 103-120; 
P.J. Verstraete, Odiel Spruytte. Een priester in dienst van het Vlaams-nationalisme, 1990; 
M. Cailliau, Emiel Thiers. De man naast Van Severen, 1991; 
V. Eggermont, Jules Declercq, de vurige Vlaming, 1992; 
M. Cailliau, 'Joris van Severen en de Katholieke Actie', in Ter Waarheid over Joris van Severen, nr. 3-4 (1993), p. 2-35; 
P. van Hees, 'Over Vlaams-nationalisme en Groot-Nederland', in De geschiedschrijving van de Vlaamse Beweging sinds 1975. Colloquium, 1993, p. 38-78; 
P.J. Verstraete, 'Albert Derbecourt, pleiter voor de nieuwe orde', in De Leiegouw, nr. 1 (1994), p. 3-27; 
J. Werkers, 'Pater Van Sante, zijn 'kerngroepen' en het Verdinaso', in Ter Waarheid over Joris van Severen, nr. 1 (1994), p. 1-17; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994; 
L. Wils, Joris van Severen. Een aristocraat verdwaald in de politiek, 1994; 
L. Delafortrie, Vermoorde Van Severen herleeft, 1994; 
M. Cailliau, 'Joris van Severen en de katholieke leer', in Gedenkboek Joris van Severen, 1994, p. 123-156; 
M. Duyck, 'Het maatschappijbeeld van Joris van Severen. Het Verdinaso en de corporatieve orde', in Gedenkboek Joris van Severen, 1994, p. 157-176; 
H. de Bois en L. Pauwels, 'Joris van Severen en de conservatieve revolutie', in Gedenkboek Joris van Severen, 1994, p. 177-226; 
R. Vanlandschoot, 'Het Van Severen-jaar voorbij', in WT, jg. 54, nrs. 2-4 (1995), p. 114-122 en p. 230-240; 
A. van Severen, Joris van Severen (I), 1995; 
K. Ravyts, 'Het Verdinaso (Verbond van Dietse Nationaal-Solidaristen) in Tielt 1931-1941', in De Roede van Tielt, jg. 27, nr. 3 (1996), p. 110-176; 
P.J. Verstraete, Reimond Tollenaere, 1996.

Verwijzingen

zie: Groot-Nederland, Joris van Severen.

Auteur(s)

Romain Vanlandschoot