Unie van Hand- en Geestesarbeiders (UHGA)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Overeenkomstig de vooroorlogse statutair genomen beslissingen vluchtten de meeste vooraanstaande leiders van het socialistische Belgisch Vakverbond (BVV) en van het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) na de Duitse inval op 10 mei 1940 naar Frankrijk. In strijd met deze beslissingen hernamen sommige achtergebleven leiders de vakbondsactiviteit.

Langs katholieke zijde werd op 24 juni 1940 met instemming van kardinaal Ernest-Joseph van Roey en van Mgr. Belpaire, proost van de Katholieke Arbeiders Vrouwengilde, het ACV onder de benaming Christelijke Beroepsorganisaties van België heropgericht. Hendrik de Man, voorzitter van de door hemzelf ontbonden Belgische Werkliedenpartij, en F.V. Grauls, toegevoegd secretaris bij de Belgische Transportarbeidersbond, richtten op 19 augustus 1940 het Nieuwe BVV op. Op advies van graaf Maurice Lippens herdoopte Alfons Colle zijn Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België in Algemene Centrale der Beroepsverenigingen van België.

Deze actieve syndicale leiders hoopten met hun nieuwe organisaties en antidemocratische principes het latere autoritaire corporatieve en soevereine België rond koning Leopold III te schragen. Deze politieke factor was de stuwende motor achter de vele syndicale initiatieven en zal het sterkst geponeerd worden in de gezamenlijke federatieve Syndicale Unie der Belgische Arbeiders die, onder druk van hofkringen, in oktober 1940 gesticht werd door de christelijke, liberale en socialistische (strekking De Man) vakbonden. Begin november 1940 stelden de Duitsers hun veto tegen deze royalistische en belgicistische federatie. In deze politieke context woedde tussen het ACV, met August Cool, Paul-Willem Segers en kardinaal Van Roey en het Nieuwe BVV een hevige concurrentiestrijd in de hoop op een syndicaal monopolie in Vlaanderen. Beide bonden zagen in een samenwerking met het Verdinaso en het bij het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) aanleunende Arbeidsorde een versterking van de eigen positie, en vice versa een verzwakking van de concurrerende vakbond. In dit kader situeerden zich tevens de gesprekken tussen De Man en Victor Leemans, die mislukten door hun verschillende visie op de Belgische staat en de daarmee verbonden syndicale structuur alsmede door het feit dat Arbeidsorde een verlengstuk was van het VNV dat zelf de totalitaire macht nastreefde als nationaal-socialistische eenheidsformatie.

Het machtsstreven zette elke vakbond aan tot deelname aan de Unie van Hand- en Geestesarbeiders (22 november 1940). Arbeidsorde vormde de vierde pijler van deze latere eenheidsvakbond. De Duitse inmenging en supervisie aanvaardden ze blijkbaar met instemming van de hoogste kringen, die zegden namens de koning en de kardinaal te spreken.

De UHGA zou opgebouwd worden op basis van de gefusioneerde centrales van de verschillende vakbonden. Hoewel er aan de gemeenschappen meer zelfstandigheid werd verleend, bleef de nationale eenheidsstructuur bewaard. De leiding werd toevertrouwd aan het Comité van Acht, onder leiding van Victor Grauls. Toen het duidelijk werd dat een snelle vastlegging van het politiek statuut van België en de respectievelijke machtsaspiraties niet tot de onmiddellijke mogelijkheden behoorden, de kansen op een Duitse zege onzeker werden en de Duitse controle op de vakbonden alsmaar scherper werd, trokken het ACV en enkele socialistische vakbonden zich in de eerste helft van 1941 terug uit het UHGA-avontuur. Toen de zelfstandigheid van de respectievelijke centrales nog meer werd beperkt door de fusies van de centrales en door het reorganisatieplan van 18 oktober 1941 nam de meerderheid van de aangesloten socialistische syndicale leiders ontslag. Per gemeenschap werden 15 machteloze beroepscentrales opgericht die volledig afhankelijk waren van de pas opgerichte gewestelijke interprofessionele bureaus en van de respectievelijke Vlaamse en Waalse secretarissen-generaal (Marcel de Ridder en Paul Garain). Door dit reorganisatieplan hielden de vier oude vakbonden op te bestaan en was de UHGA een feit geworden. Intern sprak de leiding van de UHGA – het Directorium – eind 1941 zich uit voor de uiteindelijke Duitse overwinning. De invloed van Arbeidsorde en dus van het VNV was hier niet vreemd aan. Het VNV beschouwde de UHGA als een instrument om de monopoliepositie op vakbondsgebied te verwerven. Toen op 1 april 1942 de top-VNV'er Edgard Delvo tot nieuwe leider van de UHGA werd aangesteld waren de verwachtingen hooggespannen. Onder Delvo steunde de UHGA openlijk de Duitse nationaal-socialistische politiek, maar Delvo evolueerde weg van het VNV. Hij aanvaardde dat de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) de enig erkende nationaal-socialistische partij in Vlaanderen zou worden en hij zag de UHGA er als sociale organisatie van.

Van bij haar stichting was de Unie een mislukking. Met haar zogezegde 250.000 leden verenigde ze slechts 24,24% van het vooroorlogse aantal vakbondsleden. Na het ontslag van het Vlaams ACV en van enkele socialistische centraleleiders was het ledeneffectief meer dan gehalveerd. In april 1942 telde de UHGA nog circa 112.000 leden van wie 95.478 in Vlaanderen en 16.232 in Wallonië. Dankzij het individueel sociaal dienstbetoon steeg dit aantal terug tot zijn maximum van 164.061 in april 1943. De permanente sociaal-politieke onmacht van de UHGA was frappant. Het was hoofdzakelijk de zorg om het dagelijks materiële belang en het ongeloof in de mogelijkheden op een succesvolle vakbondsactie onder een totalitair regime, die de arbeiders het nutteloze deed inzien van een massale aansluiting bij de UHGA.

Literatuur

W. Steenhaut, De Unie van Hand- en Geestesarbeiders. Een onderzoek naar het optreden van de vakbonden in de bezettingsjaren 1940-1944, RUG, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, 1983.

Verwijzingen

zie: socialistische partij.

Auteur(s)

Wouter Steenhaut