Uitgeverij en boekhandel

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Het boek lijkt in de V.B. een vanzelfsprekend gegeven te zijn. Een van de eerste grote 'manifesten' van de V.B. is een roman, De Leeuw van Vlaenderen, en de hele 19de eeuw door staat de literatuur in meerdere of mindere mate in dienst van de emancipatie van het Vlaamse volk. De conclusie dat er in die periode dus wel een schare (al dan niet "Vlaamsgezinde") uitgevers en dito boekhandelaren zal hebben bestaan om de geschriften van de Vlaamse schrijvers en voormannen op de markt en aan de man te brengen, berust evenwel op optisch bedrog. Pas in de loop van de 20ste eeuw, en met name in het interbellum, lukt het in Vlaanderen een enigszins volwaardig uitgeversbedrijf en een beperkt aantal professionele boekhandels van de grond te krijgen. Zij bleken niet allemaal even succesvol en tot op heden is het boekbedrijf in Vlaanderen het zwakkere broertje van het florissante Nederlandse uitgevers- en boekhandelsbestel. In deze bijdrage zal worden gepoogd de ontwikkeling van uitgeverij en boekhandel in Vlaanderen gedurende de jongste twee eeuwen te schetsen, met bijzondere aandacht voor die uitgeverijen waarvan de productie een nauwe band heeft met de V.B. of daar althans merkbare raakpunten mee vertoont.

Tot 1892

De Gentse flaminganten, de Antwerpse literatoren en zij die weldra in Brussel, in Leuven en in de provinciesteden door middel van hun geschriften de Vlaamse zaak zullen gaan dienen, vinden in de jaren na de Belgische onafhankelijkheid geen uitgevers die op eigen risico het nieuwe gedachtegoed onder het volk willen of kunnen verspreiden. Op het einde van de 18de eeuw waren er de dwangmaatregelen van de Franse bezetter, die het laatste restje 'Nederlands' uit het openbare leven trachtte te verbannen. Het anderhalve decennium onder koning Willem I was onvoldoende lang om de letteren in het Zuiden weer te doen opleven. Overigens is het analfabetisme omstreeks 1830 schrikbarend hoog, zodat er van een lezers-'publiek' al helemaal geen sprake kan zijn. De massa leest niet omdat ze het nooit heeft geleerd; de socio-culturele bovenlaag leest Frans, omdat dat de taal is van de dingen des geestes. Daartussen is er de kleine middenmoot van lieden die enige ontwikkeling hebben genoten, bijvoorbeeld in de scholen van koning Willem, en die niet gemeend hebben hun moedertaal zo snel mogelijk te moeten verloochenen om in de jonge Belgische staat carrière te maken. Het gaat veelal om kleine burgerij en middenstanders, de sociale laag die de V.B. zal gaan dragen.

Er zijn in de 18de eeuw, bijvoorbeeld in Gent en Antwerpen, wel drukkers geweest die men desgewenst uitgevers kan noemen. Zij drukten en verspreidden, soms in grote aantallen, stichtelijke en vermakelijke boeken en gingen daar tot in de 19de eeuw mee door. Het ging om volksboeken en almanakken die, simpel van inhoud en nog simpeler van voorkomen, aan de eenvoudigsten enige afleiding verschaften na de vermoeiende dagtaak. Er werd in gelezen – gespeld is misschien een juister woord – en vooral uit voorgelezen. Op het ogenblik dat in het Noorden luxueuze en smaakvol geïllustreerde boeken zoals natuurhistorische en geografische folianten het licht zien, alsmede vertalingen die de buitenlandse productie vaak op de voet volgen, zijn de "blauwboeken" uit het Zuiden symptomatisch voor de intellectuele verarming van een gedenationaliseerde en het lezen van Nederlandse bellettrie ontwende bevolking. Zo bestaat er bijvoorbeeld te Gent een lange traditie van Uilenspiegel-uitgaven bij drukkers als de gebroeders Gimblet (circa 1780), de weduwe Jan Gimblet (circa 1800), hun dochter Isabella C. van Paemel (circa 1850) en haar zoon Henri de Ceuninck (circa 1875). Ook de bekende uitgever van almanakken Snoeck-Ducaju hield zich in de 19de eeuw bezig met Uilenspiegel-uitgaven. Het is in een uitgave van Van Paemel dat Charles de Coster het volksverhaal leert kennen. Een vergelijkbare traditie floreert in Antwerpen, waar Uilenspiegel-drukken bekend zijn van Joannes H. Verdussen (gestorven 1782), van Petrus J. Rymers (circa 1770) en diens schoonzoon Josephus H. Heyliger (circa 1800), van Franciscus I. Vinck (circa 1770) en van diens broer Joannes N. Vinck (circa 1795), van Josephus de Cort (circa 1785) en van Josephus Thys (1829, 1845). Bij de laatstgenoemde kochten de jonge Hendrik Conscience en de jonge Domien Sleeckx hun blauwboekjes. Overigens, schrijft Sleeckx in zijn Indrukken en ervaringen (1903), waren "Vlaamse en Hollandse boeken (...) in die tijd (...) zo zeldzaam onder de kleine burgerij en de werkende klas dat een gezin, dat andere dan godsdienstige boeken bezat, een uitzondering kon heten" (1982<sup>2</sup>, p. 15).

Godsdienstige boeken verschenen in duizenden, later tienduizenden en soms honderdduizenden exemplaren – want ze waren ook voor de katholieken in Nederland bestemd – bij uitgevers als Hanicq, later Dessain te Mechelen en Brepols in Turnhout. Werken met een uitgesproken Vlaams accent zijn vooralsnog zeldzaam. Als een vroeg manifest van herlevend taalbewustzijn na de Franse overheersing geldt de brochure Nadeelige gevolgen van de onverschilligheid der Vlamingen en Brabanders omtrent hunne moedertael, en noodzakelijkheid dat zij dezelve beoefenen. Dit Vlaamsgezind pamflet van Petrus A. van den Broeck verscheen in 1817 als een verre echo van Jan B. Verlooys beroemde Onacht van 1788. Het werd uitgegeven te Aalst door Jozef Sacré, die een overigens bescheiden drukker van almanakken, blijspelen en godsdienstige werken was. Van grotere betekenis was de activiteit van het Antwerpsch Tael- en Dichtkundig Genootschap Tot Nut der Jeugd, dat van 1815 tot 1822 een Antwerpschen Almanach van Nut en Vermaek uitgaf, geredigeerd door Jan F. Willems. De huisdrukker van Tot Nut der Jeugd was Jakob S. Schoesetters, die ook voor Willems een groot aantal van diens werken drukte, zoals de ode Aen de Belgen/Aux Belges (1818) met de beroemde aanhef: "Ik ook ik ben een Belg en mag tot Belgen spreéken" en zijn al even befaamde Verhandeling over de Nederduytsche Tael- en Letterkunde (1819-1824). Beide werken werden gefinancierd door de auteur, die via Nederlandse boekhandelaren ook de verspreiding van zijn publicaties in het Noorden trachtte te organiseren. In een brief aan een van hen beklaagde Willems zich erover dat het Zuiden overspoeld werd door goedkope Franse boeken, terwijl Hollande publicaties, zelfs van gerenommeerde auteurs als Helmers en Tollens, in het Zuiden als gevolg van hun hoge prijs geheel onbekend bleven. Dat euvel zullen de Vlamingen in de jaren 1840 en 1850 zelf trachten te verhelpen door werk van Helmers, Tollens, Jacob van Lennep, Beets en anderen in goedkope nadrukken op de markt te brengen. Tegen deze praktijk vermocht het toen vigerende auteursrecht nagenoeg niets. Overigens werd deze handelwijze verdedigd door voormannen van de V.B. als Ferdinand A. Snellaert, Jacob F. Heremans en Pieter Ecrevisse, als het enige haalbare middel om het Zuiden kennis te laten nemen van de geestesproducten uit het Noorden. In 1859 kwam hieraan een eind door een bilaterale overeenkomst tussen Nederland en België, die nadrukken strafbaar stelde.

Terug naar 1830. Voor diegenen die na dat jaar als "taelminnaer" of als literator boeken in het "Vlaemsch" gingen produceren, was de situatie op de boekenmarkt vanzelfsprekend niet anders dan in de daaraan voorafgaande periode. Uitgevers waren er niet, boekhandelaars nauwelijks, drukkers daarentegen wel. Wie een (Nederlandstalig) boek wilde uitgeven, moest zelf de kosten dragen.

Zo bijvoorbeeld behielp Willems zich in 1834 in zijn 'ballingsoord' Eeklo voor de uitgave van zijn omdichting van Reinaert de Vos, met de bekende Vlaamsgezinde voorrede, met de kleine plaatselijke drukker A.B. van Han. Nadien, in Gent, stapte hij onder meer met zijn tijdschrift Belgisch Museum naar de drukkerij van de gebroeders Gyselinck, die ook drukte voor de meesten van Willems' Gentse tijdgenoten zoals Philip M. Blommaert, Prudens van Duyse en anderen. Een andere bekende Gentse drukker was Désiré-Jean Vanderhaeghen, die in 1832 Blommaerts Aenmerkingen over de verwaerlozing der Nederduitsche tael had gedrukt, het eerste programmatische manifest uit de V.B. na 1830. Vanderhaeghen werd ook de eerste drukker van de Maetschappy der Vlaemsche Bibliophilen en de Maetschappy van Vlaemsche Letteroefening met de kenspreuk: De Tael is gan(t)sch het Volk. Andere Gentse drukkers van Vlaamsgezinde tijdschriften en boeken waren L. Hebbelynck (Kunst- en Letterblad), de gebroeders Michiels (De Eendragt), I.S. van Doosselaere (Het Volksbelang) en C. Annoot-Braeckman (Vaderlandsch Museum).

Het feit dat een drukker als Vanderhaeghen erelid was van De Tael is gan(t)sch het Volk laat vermoeden dat hij in het drukken van bijvoorbeeld de Bydragen der Gazette van Gend voor Letteren, Kunsten en Wetenschappen, een initiatief van het genootschap, meer dan alleen beroepsmatig geïnteresseerd was. Toch stempelt dit hem nog niet tot een 'uitgever'. Dan was Hendrik Hoste – naar het woord van zijn zoon Adolf de "Nestor der Gentsche boekhandelaren" – vermoedelijk al actiever betrokken bij de distributie van werk dat met zijn uitgeversadres verscheen. In die richting wijst bijvoorbeeld het feit dat Karel L. Ledegancks trilogie in verzen De drie zustersteden, door Max Rooses "het dichterlijk evangelie van de Vlaamsche Beweging" genoemd, in 1846 gedrukt werd bij Annoot-Braeckman, maar werd uitgegeven door Hoste in samenwerking met de Rotterdamse boekhandelaar Sybrandi. Toen zijn zoon en opvolger A. Hoste in 1881 trouwde met de weduwe Annoot, werd aan de boekhandel een belangrijke drukkerij toegevoegd. Daardoor ging deze zich ontplooien als uitgever van (liberale) tijdschriften als het Nederlandsch Museum en het onderwijzersblad De Toekomst (1857-1898), maar ook van auteurs als de gezusters Rosalie en Virginie Loveling, Tony Bergmann, de jonge Cyriel Buysse en vele anderen. Ook het (in Antwerpen bekroonde) toneelstuk Gudrun van Albrecht Rodenbach verscheen postuum (1882) bij Hoste; uit het nog door Rodenbach zelf afgesloten contract blijkt dat de uitgever alle kosten voor zijn rekening nam en aan de auteur een honorarium van 0,30 frank per exemplaar zou uitkeren, ongeacht de verkoop.

Studies die het fenomeen van de risiconemende uitgever in de Vlaamse 19de eeuw onderzoeken zijn er nog nauwelijks, maar we kunnen geredelijk aannemen dat ook Willem Rogghé, een andere succesvolle Gentse boekhandelaar, eigen geld investeerde in zijn uitgaven van het werk van liberale tijdgenoten als mevrouw Johanna Courtmans, Sleeckx, Julius de Geyter, Emanuel Hiel en anderen. In zijn postuum (door Rooses) gepubliceerde memoires, Gedenkbladen (1898), lezen we althans deze verzuchting: "Als uitgever waren mijne ondernemingen minder gelukkig: werken van Sleeckx, mevrouw Courtmans en andere onzer beste schrijvers, brachten nauwelijks genoeg op om de kosten te dragen" (p. 220). Onduidelijker is wat de minder fortuinlijke Julius Vuylsteke deed, die in 1875 de boekhandel van Rogghé overnam. Als voorman van het Willemsfonds, dat onmiddellijk na zijn stichting in 1851 een eigen uitgavenreeks was begonnen, maakte hij niet steeds een duidelijk onderscheid tussen zijn eigen publicaties en die van de vereniging. Dit was een van de verwijten afkomstig uit liberale hoek en leidde in 1895 tot zijn zelf gewild ontslag uit alle bestuursfuncties.

Is Gent aldus de stad van enkele belangrijke boekhandelaren die occasioneel ook als uitgever optreden, dan is Antwerpen tot 1892 een stad zonder boekhandels maar met een paar belangrijke uitgevers, in de eerste plaats Joseph-Ernest Buschmann.

Zijn eerste boeken had Conscience voor eigen rekening – en telkens met verlies – laten drukken bij de weduwe Schoesetters (In 't Wonderjaer, 1837) en bij Laurentius J. de Cort (Phantazy, 1837), nadat hij voor beide werken respectievelijk 241 en 279 intekenaars had gevonden. Meer succes (480 intekenaars) boekte hij met zijn derde werk, geschreven om de schulden van de vorige twee af te betalen: De Leeuw van Vlaenderen, dat in 1838 eveneens bij De Cort verscheen en zijn auteur na afrekening van alle kosten een bonus van 10 frank opleverde. In 1843 vond Conscience evenwel een heuse uitgever voor zijn werk. Dit was de in Luxemburg geboren maar als baby met zijn ouders naar Antwerpen gekomen Buschmann. Tot hij in 1850 ziek werd, gaf hij niet enkel al het werk van Conscience uit, maar ook proza van Pieter F. van Kerckhoven, Ledeganck, Eugeen Zetternam en anderen, naast een aantal tijdschriften (bijvoorbeeld Het Taelverbond). Buschmann sloot contracten af die weliswaar voor zijn Franstalige auteurs (Felix Bogaerts bijvoorbeeld) aanzienlijk gunstiger uitvielen dan voor iemand als Conscience, maar die voor deze laatste na zijn ervaringen met zijn eerste drukker-uitgevers niettemin een hele verademing betekenden. In 1850 stapte Conscience over naar Johannes P. van Dieren – nog een inwijkeling, uit Noord-Brabant ditmaal – met wie hij tot aan zijn dood in 1883 een wederzijds uiterst vruchtbare relatie onderhield. Had Conscience in de Buschmann-periode (1843-1850) jaarlijks ongeveer 570 frank aan honoraria ontvangen, in de jaren 1850-1866 liep dat op tot ongeveer 2650 frank per jaar, en dat was méér dan wat August Snieders verdiende als hoofdredacteur van Het Handelsblad van Antwerpen, de krant die Van Dieren uitgaf. Nadat Van Dieren zich voor de uitgave van Consciences verzamelde werken in 1867 gelieerd had met de Leidse uitgeverij Sijthoff, verdiende Conscience tot aan zijn dood jaarlijks gemiddeld bijna 3300 frank met zijn boeken, de vertalingen niet meegerekend. En dat was het dubbele van wat Sleeckx kreeg als leraar aan de Rijksnormaalschool van Lier.

Conscience was en bleef de grote uitzondering; in zijn reeds geciteerde Gedenkbladen schrijft Rogghé: "De geleidelijke en eenvoudige schrijftrant van Conscience moest wel eene machtige aantrekkelijkheid voor het Vlaamsch publiek hebben, opdat van zijne werken zoovele duizenden werden gevraagd, terwijl de kooplust voor andere schrijvers zoo gering bleef" (p. 220). Naast Buschmann en Van Dieren zijn in Antwerpen tot 1892 dan ook geen namen van rang te vermelden: drukkers als de De Corts (van wie Laurentius J. al werd genoemd), Jan E. Rysheuvels, Hendrik Peeters, Kennes & Gerrits (de tweede vennoot is de bekende flamingant Lodewijk Gerrits), Benedictus J. Mees (ook al een bekende, ditmaal liberale flamingant), Hendrik Sermon (een katholieke dito), Laurent dela Montagne (vader van de dichter Victor A. dela Montagne), Jan Boucherij (zoals Sermon leraar en boekhandelaar) en tal van anderen drukten voor en in opdracht van hun (vooral Antwerpse en veelal gelijkgezinde) tijdgenoten als Jan J. de Laet, Jan van Beers, De Geyter, Constant J. Hansen en anderen. Lodewijk Janssens, die in 1876 een boekhandel oprichtte, beijverde zich in de jaren 1880 voor de heruitgave van Antwerpse klassiekers zoals de Van Ryswycks. Vanaf circa 1890 maakte hij echter vooral naam als uitgever van het satirisch weekblad Tybaert de Kater, dat tot 1960 in het fonds van zijn opvolgers zou blijven bestaan, en van toneelwerk, waar zijn erfgenamen tot vandaag de dag mee doorgaan.

De Vlaamsgezinden in Brussel hadden het veel moeilijker dan auteurs in Gent of Antwerpen om hun Nederlandstalige werken gedrukt te krijgen. Als dat al lukte, waren er problemen om ze via de boekhandel te verspreiden. Brussel barstte weliswaar van de drukkerijen (52 in 1838), maar ze waren wel allemaal Franstalig en nagenoeg uitsluitend gericht op de contrefaçon – het nadrukken van succesromans uit Frankrijk. Hetzelfde gold voor de boekhandels. Op zijn reis door België in 1846 moet de Hagenaar S.J. van den Bergh noteren dat "een vlaamsch boek in Brussel een witte raaf is": hij heeft er "bij geen boekhandelaar één voor de glazen gezien". Tot circa 1850 zijn er enkele van oorsprong Duitse boekhandelaren (Kiessling & Comp., C. Muquardt) die enige belangstelling hebben voor het uitgeven van Vlaams werk; daarnaast is er alleen de Namenaar Charles J.A. Greuse. Hij drukte de eerste Vlaamse krant (Vlaemsch België, 1844), een aantal Vlaamse tijdschriften en werk van (ingeweken) Brusselaars zoals Geeraard-Jan Dodd en Sleeckx. Na 1850 duiken de namen op van G. Adriaens, L. Truyts en J. Nys met tijdschriften en werk van onder meer Frans de Cort en Hiel. Daarnaast waren er drie andere belangrijke drukkers: Jean-Henri de Hou (of Dehou), een zwager van Jacob Kats en een van de heel weinige autochtone Brusselaars die zich in deze periode als flamingant profileerden, de ingeweken Antwerpenaar Cornelis Verbruggen en de uit Geel afkomstige Xavier Havermans. De Hou drukte onder meer voor Julius Hoste (sr.) een aantal jaargangen van het flamingantische weekblad De Zweep; Verbruggen was een nauwe medewerker van Michiel van der Voort en in 1859 de uitgever van het (officieuze) verslag van de zogenaamde Grievencommissie, wat hem een verlies van 1000 frank opleverde. Havermans, eveneens een actieve flamingant, gaf een Brusselsch Zondagsblad uit en het vroege werk van Isidoor Teirlinck en Reimond Stijns. In de omgeving van Verbruggen en Havermans, twee steunpilaren van het Vlaamsgezinde leven in de hoofdstad, is ook nog de uit Moerzeke ingeweken Désiré van Doorslaer te noemen. Hij was de uitgever van het liberale blad Flandria (1885-1889) en van werk van onder meer Hiel.

Drukkers in West-Vlaanderen waren uiteraard minder actief in de strijdende V.B. gemengd dan hun Vlaamse collega's in Brussel. Te Kortrijk en te Brugge waren verschillende leden van de familie Beyaert bedrijvig. De Bruggeling Karel Beyaert was de uitgever van heel wat West-Vlaamse taalparticularisten: Victor Huys, Karel Callebert, Adolf Duclos en anderen. Het werk van de "Heer ende Meester" zelf, Guido Gezelle, verscheen in de eerste jaren bij kleine plaatselijke drukkers zoals David Vanhee en L. Stock-Werbrouck te Roeselare; de financiering en de verspreiding ervan werden vooral door zijn leerlingen en oud-leerlingen behartigd. Het drukken van de Vlaemsche Dichtoefeningen van 1858 kostte 1360 frank voor 1000 exemplaren. Stock-Werbrouck stuurde een (door de dichter opgesteld) prospectus rond waarin het werk bij intekening te koop werd aangeboden tegen 2,50 frank, nadien tegen 3 frank; bovendien zocht hij een mede-uitgever buiten West-Vlaanderen, en dat werd dan de pauselijke drukker Henri Goemaere, een geboren Menenaar die in Brussel woonde. De Gedichten, Gezangen en Gebeden van 1862 verschenen bij Edward Gailliard te Brugge; oud-leerlingen als Eugeen van Oye, op dat ogenblik student te Leuven, trachtten intekenaars te vinden om de drukkosten te bestrijden. De 'definitieve' uitgever van Gezelle na 1878 was evenwel de Roeselaarse uitgever Jules de Meester, een leerling van Hugo Verriest en een klasmakker van Albrecht Rodenbach aan het Klein Seminarie van Roeselare. Hij werd boekhandelaar en later ook drukker in zijn geboortestad en gaf behalve de Verzamelde Werken van Gezelle ook de Eerste Gedichten van Rodenbach en diverse prozabundels van Verriest uit. Zijn liberale stadsgenoot Hendrik de Seyn-Verhougstraete, opgeleid als onderwijzer, bouwde in dezelfde jaren als uitgever een eclectisch fonds uit met werk van vrijzinnige auteurs zoals Teirlinck en Stijns (Arm Vlaanderen, 1884), evengoed als van belijdende katholieken als Maria Belpaire of de norbertijn Servaas Daems. Publicaties zoals het Vlaamsch Letterkundig Album (1881) of de bloemlezing Onze Vlaamsche dichters van 1830 tot 1905 vonden in ruime kring weerklank. Zijn – veelal in Nederland gedrukte en vaak in samenwerking met Nederlandse uitgevers totstandgekomen – uitgaven waren de eerste Vlaamse boeken die sinds de dood van Buschmann weer volop met esthetische oogmerken werden vervaardigd. De Seyn-Verhougstraete verwierf er internationale erkenning en de waardering van koning Leopold II mee. Toen deze laatste hem op de Antwerpse wereldtentoonstelling van 1894 vroeg of een Vlaamse uitgever van zijn werk kon leven, zou De Seyn, volgens zijn zoon Eugène, geantwoord hebben: "Sire, les Flamands se contentent de peu!"

Het Willemsfonds, dat vanuit Gent opereerde, werd al even vermeld. Dit fonds trachtte zijn doel – "de nederduitsche tael- en letterkunde en al wat haer aengaet krachtdadig ondersteunen en aenmoedigen, ter versterking van den algemeenen nationalen geest in België" – onder meer te bereiken door het uitgeven van boeken op het terrein van de letterkunde en de V.B., maar evengoed van boeken over scheikunde, natuurkunde, gezondheidsleer enzovoort. Toen het Willemsfonds onder impuls van Vuylsteke meer en meer in vrijzinnige en antiklerikale richting evolueerde, riposteerden de katholieken in 1875 met de stichting van het Davidsfonds te Leuven. Van daaruit zou het een stroom boeken gaan verspreiden die de schadelijke invloeden van het Willemsfonds moesten tegengaan. Een succesauteur was bijvoorbeeld Jan R. Snieders met titels als De Geuzen in de Kempen (1875), De goochelaar. Uit het bestaan der vrijdenkers onzer eeuw (1878) en Zonder God (1885).

Een belangrijke voorman van het Davidsfonds was de Gentse politicus, drukker, boekhandelaar en uitgever Alfons Siffer, die het eerste Jaarboek van het Davidsfonds (1880) uitgaf, maar ook de tijdschriften Het Belfort en Dietsche Warande, de studentenalmanak De Vlaamsche Keikop en de eerste publicaties van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.

De minst bedeelde regio in de 19de eeuw was de provincie Limburg. Drukkers als P.F. Milis te Hasselt en Willem Vanwest-Pluymers te Sint-Truiden gaven tijdschriften met een Vlaamsgezinde inslag uit (respectievelijk Hekel en Luim en De School- en Letterbode). Samen met H. Jos Ceysens richtte Milis in 1858 de vereniging De Vlaemsche Broeders van Limburg op, die de V.B. in Limburg zou activeren. Michiel Ceysens, de broer van Jos en een van de "Broeders", werd de uitgever van de tijdschriften 't Daghet in den Oosten, Gezelliaans geïnspireerd, en het sterk flamingantische De Kabouter uit het Land van Loon. Bij Ceysens debuteerde ook, als proza- en toneelschrijver, de jonge ambtenaar Nicolas Theelen, die in 1880 in Tongeren een eigen drukkerij-uitgeverij oprichtte, een Vlaams literair weekblad en een Vlaamse romanreeks opzette en de grondlegger werd van het krantenimperium van Het Belang van Limburg. Het enige liberale weerwerk in de provincie werd geleverd door de drukker Winand Klock te Hasselt, uitgever van werk van Pol de Mont, Nestor de Tière en enkele andere schrijvers van vrijzinnige signatuur.

Van 1893 tot heden

Omstreeks 1890 bleek de constellatie in Vlaanderen rijp voor de oprichting van een professionele, Nederlandstalige boekhandel in Antwerpen. Het initiatief daartoe werd genomen door een gezaghebbend liberaal flamingant, Max Rooses; het kapitaal en de knowhow werden door Nederlanders geleverd. Begin 1893 ging De Nederlandsche Boekhandel van start aan de Antwerpse Sint-Jacobsmarkt. De nieuwe boekhandel verkocht in grote aantallen de jubileumuitgave van het verzameld werk van Hendrik Conscience (1912), de Winkler Prins Encylopedie, de boeken van de nieuwe generatie van schrijvers uit de periode van De Nieuwe Gids en Van Nu en Straks. Dit gebeurde niet alleen in de winkel zelf, maar ook via vertegenwoordigers die het land afreisden met boeken en van wie de Nederlander Jos. Goudswaard levend in de legende trad door de publicatie van zijn memoires Uit 't leven van een leurder (1915). Bovendien richtten oudgedienden van De Nederlandsche Boekhandel elders in het land eigen zaken op: de Nederlanders G. van Oest en Jan van der Leest en de Vlaming Leo Kryn in Brussel, de Vlaming Edward Joris in Antwerpen. Als uitgever trad De Nederlandsche Boekhandel niet meteen op de voorgrond; wel verbond hij zijn naam aan enkele boekuitgaven van Van Nu en Straksers (Emmanuel de Bom, Wrakken, 1898; Alfred Hegenscheidt, Starkadd, 1898; Prosper van Langendonck (1862-1920), Verzen, 1900) en hun tijdgenoten (Victor de Meyere, Verzen, 1894; Maurits Sabbe, Aan het Minnewater, 1898), maar het toonaangevende werk van de groten onder hen verscheen bij uitgevers in Nederland. Het werk van Stijn Streuvels verscheen bij L.J. Veen in Amsterdam, dat van Karel van de Woestijne, August Vermeylen, Herman Teirlinck, Cyriel Buysse bij Cornelis A. van Dishoeck te Bussum en elders (Holkema en Warendorf, Van Kampen, Becht, Meindert Boogaerdt, Querido, Van Stockum, de Wereldbibliotheek...). Deze situatie was het gevolg van de technische onvolkomenheden, de gebrekkige distributie en de vaak onbestaande honorering die het 'Vlaamse' boek in de 19de eeuw en in de eerste decennia van de 20ste eeuw, op een voor vele schrijvers pijnlijke wijze, onderscheidden van het 'Nederlandse' boek. Tot op heden is de hoogontwikkelde literaire uitgeverij in Nederland een magneet die vele prozaïsten en dichters uit Vlaanderen blijft aantrekken.

De V.B. bleef intussen in de late jaren 1890 en in het begin van deze eeuw creatieve geesten leveren aan de sector van het boekbedrijf. Zo was er Lode(wijk) Opdebeek, die zich voornamelijk op het jeugd- en kinderboek toelegde (Constant de Kinder, Abraham Hans). Er was Victor de Lille uit Maldegem, die het weekblad 't Getrouwe Maldeghem oprichtte en daar vanaf 1897 een Duimpjesblad aan toevoegde, dat later uitgroeide tot een afzonderlijke Duimpjes-uitgave waarin onder meer Streuvels debuteerde met Lenteleven (1899). In zijn spoor leverde een aantal schrijvers van vooral katholieken huize tot in 1925 voor deze reeks betere (volks)lectuur en vertalingen. Zo was er verder Kryn, die in 1904 de (eerste) Vlaamsche Boekhandel in Brussel vestigde en onder eigen naam werk uitgaf van Lodewijk de Raet (Over Vlaamsche volkskracht, 1906), Lodewijk Dosfel en andere flaminganten, een activiteit die hij na een lange onderbreking ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog hernam met de uitgeverij Onze Tijd.

Voorts was er Hippoliet Meert, de initiatiefnemer van het Algemeen-Nederlands Verbond, van het maandblad Neerlandia en van Flandria's Novellen-Bibliotheek. In 1901 richtte hij te Gent drukkerij-uitgeverij Plantyn op. Daarmee wilde hij een soort centrale drukkerij voor de publicaties van de V.B. scheppen, wat helaas niet lukte. Ernest Siems exploiteerde in Antwerpen boekhandel Flandria, waar de tijdschriften De Boomgaard en De Stroom verschenen. Hij lanceerde in 1917 het idee van een Vlaamsch Boekcentraalhuis, een eveneens ten dode opgeschreven wekroep om het werk van de Vlaamse uitgevers en boekhandelaars te coördineren en te centraliseren. Edward Secelle richtte in Antwerpen drukkerij Plantin op en gaf onder meer het strijdend-Vlaamsgezinde weekblad Carolus uit.

Victor Resseler publiceerde eerst onder de naam 't Kersouwken, dan onder eigen naam en vervolgens onder de firmanaam Lectura tal van weekbladen, tijdschriften en boeken (onder meer van zijn zwager Lode Baekelmans). Joris nam in 1910 boekhandel 't Kersouwken over van Resseler en maakte er de eerste technische vakboekhandel in Vlaanderen van. Alfons de Groeve, die van 1909 af in Brugge onder de firmanamen Kerlinga en Sint-Michiel de eerste uitgever van Cyriel Verschaeve werd, richtte in 1916 te Leiden De Vlaamsche Boekenhalle op. Deze versmolt later met De Vlaamsche Drukkerij te Leuven. Palmer Putman bouwde in Waregem een toneelfonds uit. Jef Hinderdael gaf vóór de oorlog in Temse een aantal Vlaamsgezinde (vak)bladen uit en stichtte later als activistisch balling in Nederland drukkerij Frieda (in Utrecht) en drukkerij Zonneveld (in Soest). Jan van Straelen publiceerde in Kortessem en later in Heers de reeks liederbundels De Vlaamsche zanger van zijn zwager Marinus Coune. Ook de daensistische drukkerijen in Aalst en Brugge mogen hier worden vermeld. De drukkerij van Pieter Daens zelf in Aalst werd nadien door Ernest van den Berghe overgenomen en uitgebreid met uitgeverij Dietschland. In 1940 hield deze na een brand in de drukkerij op te bestaan. Een andere drukkerij was die van Camiel Moeyaert te Brugge. Hij was onder meer uitgever van Hector Plancquaert en priester Florimond-Alphonse Fonteyne.

De Eerste Wereldoorlog schudde de Vlaamse uitgeverij duchtig dooreen. Uitgevers van naam weken uit naar Engeland (Kryn) of Nederland (De Groeve), werden gedeporteerd naar Duitsland (De Lille) of dienden aan het front (Joris Lannoo). Sommige uitgevers kwamen in het activisme terecht (Meert), anderen gingen op non-actief (Willemsfonds, Davidsfonds) of voegden zich bij de actieve passivisten in Nederland (Opdebeek) ('passivisme'). Achter het front verschenen de kranten De Belgische Standaard en het nauwer bij de Frontbeweging aanleunende Ons Vaderland. Te Brussel leefde een uitgeverij met de naam Ons Vaderland na de oorlog in dezelfde geest verder. Daarnaast werden er achter de IJzer tientallen zogenaamde frontblaadjes verspreid. Sommige daarvan werden gedrukt in Noord-Frankrijk, onder meer bij De Vlaamsche Boekhandel in Le Havre, waar ook werk verscheen van Ernest Claes, Jozef Simons en anderen.

In de periode tussen de twee wereldoorlogen werd vooral door oud-frontsoldaten, activisten en overtuigde flaminganten uitgeverijgeschiedenis geschreven. Lannoo, oud-leerling van Verschaeve en sinds 1909 drukker te Tielt, kwam van de IJzer terug, werd lid van Het Vlaamsche Front en publiceerde allereerst werk van gewezen frontmakkers: Ward Hermans, Filip de Pillecyn, Simons en anderen. Daarnaast was hij uitgever van Albrecht Rodenbachs Gudrun (1921) en het Verzameld werk in zeven delen (1927-1932) van de activist Dosfel; uitgerekend in het herdenkingsjaar 1930 publiceerde hij het fel anti-Belgische, driedelige werk De Belgische omwenteling van 1830 van Maurits Josson. In Brussel begon de naamloze vennootschap De Standaard, uitgever van de gelijknamige krant De Standaard, in 1919 met eigen boekuitgaven. In 1924 werd de Standaard Boekhandel een zelfstandige naamloze vennootschap met vestigingen te Brussel en te Antwerpen. De activist Maurits de Meyer stond meer dan 35 jaar aan het hoofd van de firma. In het interbellum bouwde hij een wetenschappelijk fonds uit dat gelijke tred hield met de vernederlandsing van het universitair onderwijs in Vlaanderen en dat aansloot bij de intellectuele en economische emancipatie (economie) van de Vlaamse elite (Geschiedenis van Vlaanderen onder leiding van Robert van Roosbroeck, 6 dln., 1936-1949). Een andere activist, de Antwerpse bibliotheekbeambte Eugène de Bock, richtte na zijn ontslag uit de Antwerpse Stadsbibliotheek uitgeverij De Sikkel op. Deze gaf het tijdschrift Ruimte en de Celbrieven van Wies Moens (1920) uit, maar ook werk van langere adem zoals de Vlaamse Rechtskundige Bibliotheek, onder leiding van René Victor (44 dln., 1933-1958).

Een lotgenoot van De Bock, de Antwerpse stadsbibliothecaris De Bom, werd door zijn vriend Leo Simons, oprichter en directeur van de Wereldbibliotheek, belast met de uitbouw van een Vlaamsche Bibliotheek. Deze gaf evenwel maar enkele werken uit (De Raet, Vlaanderens economische ontwikkeling, 1920). Een frontsoldaat, August van Cauwelaert, richtte in Antwerpen boekhandel en uitgeverij Het Vlaamsche Land op, maar het prille fonds werd al in 1924 overgenomen door De Vlaamsche Boekenhalle te Leuven. In Brussel zette Boekhandel Gudrun, opgericht door Van der Leest, het werk van boekhandel Ons Vaderland voort. In Brugge werd de Kerlinga-traditie na het vertrek van De Groeve naar Nederland overgenomen door Achiel Geerardyn. Zijn uitgeverij Excelsior publiceerde onder meer het tijdschrift Jong Dietschland, een aantal scherpe anti-Belgische geschriften van De Pillecyn, Robert van Genechten en Hermans en al het belangrijke werk van Verschaeve.

Voor de verdere publicatie van het werk van Verschaeve werd in 1934 door Martha vande Walle uitgeverij Zeemeeuw opgericht; een zusteruitgeverij, WiekOp, bekommerde zich om het werk van andere, eveneens voornamelijk Vlaams-nationalistische, auteurs (Moens, Bert Peleman) en essayisten (Edgard Delvo, Desiderius A. Stracke, Jean-Marie Gantois). Nog te Brugge was uitgeverij Cultura van Hendrik Cayman, een zwager van Raymond Brulez, actief. Bij hem verscheen werk van Victor Leemans en Max Lamberty (Philosophie der Vlaamsche Beweging, 1933) en een groot aantal literaire werken. Uitsluitend literair georiënteerd was uitgeverij en boekengilde Die Poorte, in 1933 opgericht door de naar Vlaanderen teruggekeerde activist Antoon Thiry. Deze bracht een belangrijk fonds van oorspronkelijke en vertaalde werken tot stand en gaf tijdens de Tweede Wereldoorlog het (collaboratiegezinde) culturele tijdschrift Westland uit. Eveneens flamingantisch geïnspireerd was de Mechelse uitgeverij Het Kompas van Korneel Goossens, die, met de bedoeling "de belangen van het geestelijk leven van ons Vlaamsche Volk" te dienen, onder meer de prestigieuze Feniksreeks oprichtte, teneinde door de uitgave van "de beste boeken tegen de laagste prijzen" de nadelige invloed van de hoge boekenprijs voor de opbloei van de leescultuur in Vlaanderen tegen te gaan. Het aantal abonnees klom tot 4000, maar een poging om naast de Feniksreeks ook een Wetenschappelijke Bibliotheek en een reeks monografieën onder de titel Vragen van onze tijd op te zetten bleek te hoog gegrepen, zodat Goossens door zijn (Nederlandse) medeaandeelhouders de laan werd uitgestuurd. Nog te Mechelen werd in 1936 door de dichter René Verbeeck uitgeverij Eenhoorn opgericht; hij werd de uitgever van de Bladen voor Poëzie, maar kwam evenals Goossens tijdens de Tweede Wereldoorlog in de culturele collaboratie terecht en verdween als uitgever van het toneel. In Turnhout gaf Jan van Mierlo, die van 1929 tot 1932 als senator een rol speelde in de Vlaams-nationale politiek, in 1927 onder de naam Lityca en in samenwerking met Boekhandel Gudrun te Brussel de frontroman Eer Vlaanderen vergaat van zijn jeugdvriend Simons uit. Vanaf 1932, onder de firmanaam J. van Mierlo-Proost en onder leiding van Simons, verscheen er de Volksbibliotheek met werk van Richard Dewachter, Thiry en anderen. Overtuigd Vlaamsgezind was ook de Turnhoutenaar Albert Pelckmans. Deze nam in 1934 De Nederlandsche Boekhandel te Antwerpen over en bouwde het bedrijf uit tot een belangrijke uitgeverij van literair, cultuurhistorisch en educatief werk. In zijn fonds verschenen onder meer, in de jaren 1960, de grote synthesen van de Vlaamse gedachte en de V.B. door Hendrik Elias. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog werd door Jos Philippen in Diest de uitgeverij Pro Arte opgericht, die zich toelegde op literair en kunsthistorisch werk. Een buitenbeentje was de Antwerpse muziekuitgeverij De Ring, in 1920 gesticht door Paul Lepage, voorzitter van Het Vlaamsche Front te Berchem, en de componist Jos Watelet. Tussen 1921 en 1937 bracht zij ruim 300 liederen van Vlaamse componisten op de markt. Een vergelijkbaar initiatief was muziekuitgeverij De Crans, die zich evenwel in hoofdzaak beperkte tot het oeuvre van Jef van Hoof. Een buitenbeentje van een andere soort was de uitgeversbedrijvigheid van de liberale flamingant Leo van Hoorick te Brussel, die door de stichting van het Nederlandstalige vakblad De Bouwkroniek (in 1920) en het Vlaamsgezinde maandblad De Brusselse Post (in 1950) grote verdiensten verwierf.

Niet alle uitgeversinitiatieven van het interbellum ontsproten aan flamingantische inspiratiebronnen. Belangrijk voor de Vlaamse literatuur was de stichting van uitgeverij Manteau door de Waalse Angèle Manteau. In 1941 kreeg deze uitgeverij een katholieke pendant door de oprichting, binnen het al lang bestaande Brugse bedrijf Desclée de Brouwer, van een eigen Nederlandstalig fonds. Initiatiefnemer van dit fonds, aanvankelijk De Kinkhoren genoemd, was Jan François. Uitgesproken religieus geïnspireerd waren uitgeverijen zoals Leeslust en de Vlaamsche Boekcentrale, opgericht door de priester Joris Baers, en De Goede Pers/Altiora, de uitgeverij van de norbertijnenabdij van Averbode. Van bescheidener omvang waren socialistische initiatieven zoals het tweetalige De Wilde Roos/L'Eglantine te Brussel, geleid door Piet Landsvreugt, en De Garve te Brugge, de uitgeverij van Achille van Acker, die lectuur wilde bezorgen "aan honderden menschen die niet kapitaalkrachtig genoeg zijn om duurder boeken te koopen". Alleen uitgeverij Ontwikkeling, die in 1923 werd opgericht, nam, zij het pas na 1945 onder impuls van senator Adolf Molter, een ruimere vlucht. Zij publiceerde de breed opgezette Geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging in België, die onder leiding van Jan Dhondt verscheen in de jaren 1960-1968 en ook voor de V.B. een belangrijk referentiewerk is.

Van grote betekenis was de oprichting in 1929 van een eigen vakorganisatie, de Vereniging ter bevordering van het Vlaamse Boekwezen (VBVB). Zij publiceerde in 1930 de eerste uitgave van Het Boek in Vlaanderen en organiseerde in 1932 in Antwerpen de eerste Boekenbeurs voor Vlaanderen. De vereniging, totstandgekomen onder impuls van Vermeylen en Maurice Roelants, was uitdrukkelijk bedoeld als een antwoord van het zich langzaam ontplooiende Vlaamse boekbedrijf op de sinds lang bestaande Cercle Belge de la Librairie en het officieel tweetalige, maar door Franstaligen geleide Syndicat des Editeurs Belges/Syndicaat der Belgische Uitgevers. De eerste voorzitter van de VBVB was L. Smeding; medeoprichters waren De Meyer, De Bock, Lannoo, L. en Gabriël Opdebeek, Kryn, Geerardyn, Van der Leest en enkele anderen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog beschikte het Vlaamse uitgeversbedrijf relatief over een veel grotere vrijheid dan de uitgeverijen in Nederland. Daar greep het burgerlijk bestuur onder rijkscommissaris A. Seyss-Inquart ook in het culturele leven veel sterker in dan het militair bestuur in België. Het ontbreken van een Kultuurkamer en de inschikkelijkheid van bepaalde Duitse machthebbers – onder meer de voor de literatuur verantwoordelijke Hamburgse germanist Hans Teske – zorgden ervoor dat een essayist als Albert Westerlinck in 1942 ongestoord fundamentele kritiek kon uitbrengen op de 'volkse' literatuuropvattingen van een Moens en dat werk van een schrijver als Louis-Paul Boon in datzelfde jaar ongehinderd bekroond (en in 1943 gepubliceerd) kon worden, ongeacht hoe de collaborerende pers achteraf fulmineerde tegen het "ontaarde" karakter van dit soort literatuur.

Uitgesproken collaborerende uitgeverijen waren Volk en Staat (annex Die Keure) te Antwerpen, uitgever van de gelijknamige krant en van werk van gelijkgezinden (August Borms, Moens en anderen); De Vlijt (annex Het Steen en De Regenboog), die in 1940 de uitgave van de Gazet van Antwerpen had gestaakt en vervolgens door de Duitsers in beslag was genomen; uitgeverij Steenlandt, oorspronkelijk in 1929 te Kortrijk opgericht als een in hoofdzaak literaire uitgeverij met toch ook enkele politieke accenten (Elias, Onze wording tot natie, 1932), maar in 1942 door de zoon van de stichter, Jan Acke, naar Brussel overgebracht om er te fungeren als de uitgeverij van de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) (Jef van de Wiele, Op zoek naar een vaderland, 1942); uitgeverij De Phalanx van de Brusselse journalist Julien Bernaerts, die na de repressie naam maakte als vertaler van Vlaamse poëzie in het Frans onder het pseudoniem van Henry Fagne; De Lage Landen te Brussel, geleid door Guido Eeckels, die als journalist meewerkte aan het dagblad Le nouveau journal van Robert Poulet; uitgeverij Ignis, eveneens te Brussel, geleid door Maurice Vandevelde (Léon Degrelle, Oorlog achter tralies, 1942), en een paar andere, ook Franstalige, uitgeverijen die allemaal bij besluit van de minister van landsverdediging van 20 november 1944 verbod kregen hun werkzaamheden te hervatten. Van de oudere uitgeverijen werden alleen Die Poorte, Cultura en Zeemeeuw/Wiek-Op door de maatregel getroffen, een bewijs hoezeer het gros van het Vlaamse uitgeversbedrijf tijdens de oorlog buiten de actieve collaboratie bleef.

Niettemin kwam een groot aantal schrijvers vaak omwille van andere dan publicistische activiteiten – terecht of ten onrechte – in aanraking met de na-oorlogse repressie. Al in 1947 werd die door Westerlinck in Dietsche Warande en Belfort gekarakteriseerd als een "bestiaal anti-Vlaamsch pogroom". Op grond van een nieuw artikel 123 sexies, dat door een Londense besluitwet van 6 mei 1944 in het Strafwetboek was ingevoerd, verloren bepaalde categorieën van veroordeelden onder meer het recht tot publiceren, hetgeen aanleiding gaf tot het ontstaan van min of meer clandestiene uitgeversinitiatieven: de naamloze vennootschap Ontspanningslectuur onder leiding van Martha Dolfyn, die het blad Rommelpot en onder meer werk van Albe (een 'incivieke' versie van Reinaard de Vos, 1949) uitgaf; uitgeverij Van Maerlant, bezield door de Vlaams-nationalistische priester-leraar Herman van Fraechem, waar het katholieke jongerentijdschrift Golfslag en de poëziereeks Een nieuwe lente verschenen; uitgeverij Luctor van Walter Bouchery, eveneens te Antwerpen (Valère Depauw, Terechtstelling en proces van Leo Vindevogel, 1949); uitgeverij De Belhamel en Boekengilde Brederode, beide opgericht door Depauw; boekhandel en uitgeverij Orion te Antwerpen, opgericht door Remy de Muynck; boekhandel De Brug te Antwerpen, opgericht door Paul de Vree; de Kempische Boekhandel in Oud-Turnhout, opgericht door Frans Verachtert; Boekengilde De Clauwaert, opgericht te Leuven door drie oud-scouts om het werk van de gevangen De Pillecyn te kunnen uitgeven. In de meeste gevallen ging het om initiatieven van gestrafte of uit hun ambt ontzette journalisten (Depauw, De Muynck) en leraars (De Vree, Verachtert), die aldus trachtten een nieuw bestaan op te bouwen.

Zulks deed ook Peleman, de eerste directeur van het Mercatorfonds, door het opzetten van historisch-toeristische kijkboeken voor rekening van de Antwerpse uitgeverijen Buschmann (Flandria Illustrata) en MIM (Ortelius-boekenfonds).

In dezelfde naoorlogse Vlaams-nationale en/of Groot-Nederlandse lijn ligt de uitgeversactiviteit van mensen als Staf Vermeire, een flamingantische jeugdleider (van het Algemeen Diets Jeugdverbond), die in 1946 de Oranje-uitgaven oprichtte en talrijke monografieën over flamingantische voormannen bracht. Er verschenen diverse boeken over Joris van Severen (door Arthur de Bruyne, F. van Berckel, Luc Delafortrie, Rachel Baes) en een biografie van Dosfel (door De Bruyne), evenals het grote boek over De Zuidelijkste Nederlanden (1967) door Gantois. Drukkerij en uitgeverij Vonksteen te Langemark, in 1928 opgericht door Eugène Top, bezorgde in 1951 een heruitgave van Strackes Volksslaap en -ontwaken. De Roeland-Uitgaven te Borgerhout, opgericht door Frans de Meyer, zoon van Willem de Meyer, brachten Vlaamse liederen, onder meer diverse bundels van Armand Preud'homme. Oostfrontromans verschenen bij het importbedrijf Westland te Schoten, dat in de jaren 1960 ook kortstondig als uitgeverij actief was (Raf van Hulse, Bloedgroep O, 1960) en bij de efemere uitgeverij Humanitas van Marcel de Rijcke te Gent (De Rijcke, Strijders zonder glorie, 1969); oostfrontgetuigenissen van Walter Roland (Art. 113, 1970) verschenen bij de gelegenheidsuitgeverij Parallel van de auteur zelf, die van Albert van den Abeele (Brieven uit Rusland, 1977), postuum, bij de drukkerij-uitgeverij Sanderus van de familie Van den Abeele te Oudenaarde, de getuigenissen van Degrelle, M. Soors en anderen werden gepubliceerd door de gespecialiseerde Antwerpse uitgeverij Tyr. Van gelijke strekking was uitgeverij Etnika in Antwerpen respectievelijk Herentals (onder andere Jan Vincx, Vlaanderen in uniform 1940-1945, 8 dln., 1980-1984).

Geheel buiten de repressie en de politiek om ontstond in 1945 in Limburg de uitgeverij Heideland, die naam maakte met het vijftigdelige Pantheon der winnaars van de Nobelprijs voor literatuur en de 25-delige Grote Nederlandse Larousse encyclopedie. Met reeksen als de Vlaamse Pockets en vooral met het 15-delige synthesewerk Twintig eeuwen Vlaanderen ontplooide zij ook voor de V.B. direct relevante initiatieven. In 1946 richtte de christelijke arbeidersbeweging een eigen uitgeverij op, aanvankelijk De Arbeiderspers, later D.A.P.-Reinaert Uitgaven geheten, die in 1950 een Reinaertreeks lanceerde met werk van gevestigde buitenlandse auteurs en populaire Vlaamse schrijvers. Door middel van zogenaamde Vlaamse 'cassettes' (drie volumes in één hoes) werden ook oudere schrijvers (Conscience) opnieuw onder de aandacht gebracht. Van uitgesproken Vlaams-nationale signatuur was de bescheidener Brechtse uitgeverij De Roerdomp, geleid door Joris Lombaerts. Daar verschenen onder meer de vijf delen van De kwade jaren van De Bruyne en een bloemlezing uit het repressieweekblad Rommelpot. Vlaams-nationale accenten zijn ook terug te vinden in het overigens disparate fonds van de uitgeverij Soethoudt te Antwerpen (Hugo Schiltz, Macht en onmacht van de Vlaamse Beweging, 1982). Uitgeverij De Nederlanden, in 1971 gegroeid uit de kring van de Vlaamse Vrienden van de Westhoek, gaf het flamingantische jongerenblad Nieuw Vlaanderen en tal van Vlaams-nationaal geïnspireerde studies van De Bruyne, Pieter Nuyens, Maurits van Haegendoren en anderen uit. Voor het publiceren van wetenschappelijke studies op het gebied van de V.B. werd in 1990 door het Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme (ADVN) in samenwerking met de Vlaamse Akademie voor Kulturele Belangen (Vakbel) en het Vormingscentrum Lodewijk Dosfel de coöperatieve vennootschap Perspectief Uitgaven opgericht, met Frans-Jos Verdoodt als zaakvoerder (Bruno de Wever, Greep naar de macht, 1994). Ook de andere drie zuilgebonden documentatiecentra, het Katholiek Documentatie- en Onderzoekscentrum (KADOC) te Leuven, het Liberaal Archief en het Archief en Museum voor de Socialistische Arbeidersbeweging (AMSAB) te Gent, publiceerden in hun uitgavenreeksen werk dat voor de V.B. van belang is. Dat deed ook het katholieke Davidsfonds, dat onder andere in een breed historisch kader zijn eigen geschiedenis liet schrijven door Lode Wils (Honderd jaar Vlaamse Beweging, 3 dln., 1977-1989). Het Jozef Lootensfonds te Brugge bracht met de Verschaeviana wezenlijke retouches aan bij de studie van de West-Vlaamse kapelaan en zijn invloed op de Vlaams-nationale beweging. Mark Grammens, zoon van een geëngageerd flamingant en zelf een geëngageerd journalist, richtte in 1983 zijn eigen uitgeverij, Grammens, op, met onder meer een periodiek verschijnend Vlaams archief. De eenmansuitgeverij De Klaproos van Siegfried Debaecke te Veurne gaf onder meer in samenwerking met het IJzerbedevaartcomité het boek Van IJzerfront tot zelfbestuur (1993) van F. Becuwe en Louis de Lentdecker uit. Zuiver commercieel gericht was het Vlaams Boekenfonds te Aartselaar, waarvoor de volkskundige A. van Hageland onder meer de reeks Vlaanderens Glorie verzorgde. De (ook in oorsprong) verwante uitgeverij Baart/Publiboek te Deurne bracht een populaire Culturele geschiedenis van Vlaanderen in tien delen (1982-1983), een reeks Vlaamse klassieken en een reeks Vlaamse streekromans. Samensteller van deze reeksen was Jos Vandeloo.

Op een ander niveau leverden of leveren breed-georiënteerde uitgeverijen prestaties die ook voor (de studie van) de V.B. van belang zijn. Het Nederlandse Elsevier, waarvan de Brusselse vestiging van 1948 tot 1957 geleid werd door René F. Lissens, bracht in 1951-1952 de derde uitgave van het standaardwerk Vlaanderen door de eeuwen heen. In 1972-1974 volgde de eveneens onder Lissens' leiding totstandgekomen Winkler Prins Encyclopedie van Vlaanderen. Kunstuitgeverij Mercatorfonds, een initiatief van de Antwerpse bankier, mecenas en kunstverzamelaar Maurits Naessens, verspreidt ook buiten de grenzen overvloedig geïllustreerde monografieën van wetenschappelijk niveau in verschillende talen over de meest diverse aspecten van het "cultureel erfgoed van de Lage Landen". Op een bescheidener schaal levert de Stichting Ons Erfdeel te Rekkem, geleid door Jozef Deleu, met haar diverse tijdschriften en jaarboeken en haar informatieve publicaties in vele talen een belangrijke bijdrage tot de culturele samenwerking van Nederland en Vlaanderen en tot de bekendmaking van de Nederlandse cultuur in het buitenland. Meer dan de Universitaire Pers Leuven besteedt de enige andere Vlaamse universitaire uitgeverij, de VUBPress, voornamelijk onder impuls van Els Witte en haar Centrum voor interdisciplinair onderzoek naar de Brusselse taaltoestanden, aandacht aan het publiceren van studies in verband met de V.B. In de reeks Standen en Landen van de Uitgeverij voor Gemeenteadministratie (UGA) te Heule verschenen, onder meer onder impuls van Wils, tal van monografische en andere studies over onderwerpen uit de V.B. Vooral historisch en kunsthistorisch werk in verband met uitgesproken 'Vlaamse' onderwerpen verscheen nog bij uitgeverij De Vroente van Steven Debroey in Kasterlee en bij de Stichting Mercator-Plantijn van Gustav S. Janssens te Antwerpen, later voortgezet door de Stichting Mens en Kultuur te Gent (Daniël Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991), volkskundig en literair werk van uitgesproken 'Vlaamse' inspiratie bij uitgeverij Saeftinge van Jack Verstappen in Blankenberge en bij uitgeverij Danthe van Daniel Anthuenis te Sint-Niklaas.

Buiten de V.B. ligt het maatschappelijk engagement van even boeiende uitgeversinitiatieven zoals De Galge (Marcel Brauns, Mijn waarheid, 1966) en Sonneville, beide opgericht door Johan Sonneville, het Masereelfonds te Gent, uitgever van het Vlaams Marxistisch Tijdschrift, Kruispunt te Brugge (Maurits Coppieters, Het jaar van de klaproos, 1987-1993) en EPO (Education prolétarienne - Proletarische opvoeding) te Antwerpen, met voor de V.B. relevante historische en journalistieke publicaties van Jan Moulaert, Griet van Haver, Johan Anthierens en anderen. Julien Weverbergh richtte na zijn ontslag als directeur bij Manteau uitgeverij Houtekiet op. Het Leuvense Kritak werd gesticht door André van Halewyck en publiceerde onder meer studies van Chris Vandenbroeke en Luc Huyse over het oudere en recente Vlaamse verleden. Eveneens te Leuven is uitgeverij Van Halewyck gevestigd. Deze werd door Van Halewyck na diens ontslag als directeur bij Kritak opgericht (Marc Reynebeau, Het klauwen van de leeuw, 1995).

Besluit

Bij het beschouwen van ruim anderhalve eeuw V.B. moet men constateren dat het boek als uitgeversproduct, in deze aanvankelijk nochtans bij uitstek literair georiënteerde emancipatiestrijd, een slechts moeizaam op de sociaal-economische en intellectuele verpaupering bevochten cultuurgoed is. Ook een tweede vaststelling dringt zich op: de schaal waarop het Vlaamse uitgeversbedrijf aan het eind van de 20ste eeuw opereert draagt nog steeds de sporen van dit historisch gegeven. Het gros van de algemene boeken die in Vlaanderen via de boekhandel worden verkocht komt uit Nederland. Een niet-onaanzienlijk deel daarvan is geschreven door Vlamingen, die er de voorkeur aan geven hun werk toe te vertrouwen aan uitgevers met een grotere traditie, ruimere financiële middelen en uitgekiender marketingstrategieën. Daarnaast kent Nederland uitgeversgiganten als Reed Elsevier, Wolters Kluwer en de Verenigde Nederlandse Uitgeversbedrijven (VNU), die ook internationaal meetellen. Vlaamse uitgeverijen hebben in het algemeen al problemen met het overwinnen van de vooroordelen aan Nederlandse zijde en het verkoopbaar stellen van hun producten in het Noorden.

In de 19de eeuw zijn de Vlaamse 'uitgevers' op de vingers van een hand te tellen, hoewel tientallen drukkers hun naam hebben vereeuwigd via de publicaties van de voormannen van de (toen nog sterk door literatoren gedomineerde) V.B. Tot Van Nu en Straks op het toneel verscheen (1893), was Hendrik Conscience het boegbeeld van de Vlaamse literatuur en meteen een van de meest prominente figuren uit de V.B. Enkel zijn twee uitgevers, de inwijkelingen Joseph-Ernest Buschmann en Johannes P. van Dieren, bouwden dankzij hun succesauteur een florissant fonds uit. Dat zulks met andere auteurs niet lukte, heeft Willem Rogghé aan den lijve ondervonden en op niet mis te verstane wijze in zijn memoires voor het nageslacht vastgelegd. Willemsfonds en Davidsfonds leverden via de lidmaatschapsformule verdienstelijke bijdragen tot de leescultuur; van de 'commerciële' uitgevers blijkt alleen de Roeselaarse onderwijzer Hendrik de Seyn-Verhougstraete de ideale combinatie van lettré, estheet en zakenman te hebben benaderd.

De oprichting van een professionele Nederlandse boekhandel in Antwerpen in 1893 opende nieuwe mogelijkheden en bracht ook nieuwe maatstaven. Boeken uit Nederland werden nu op ruime schaal in Vlaanderen geïmporteerd en verspreid tegen prijzen die voor de gemiddelde Vlaming enigszins betaalbaar waren. Eigen Vlaamse uitgeverijen werden opgericht, en samen met de 'Vlaamse volkskracht' en de groeiende alfabetisering steeg de ambitie om ook in de sector van het boek niet achterop te blijven, noch tegenover de Franstalige landgenoten, noch tegenover de Nederlandse collega's. Vooral na de Eerste Wereldoorlog traden uitgevers aan die geschiedenis zouden schrijven: Joris Lannoo, Maurits de Meyer (Standaard Boekhandel), Eugène de Bock (De Sikkel), Angèle Manteau, Antoon Thiry (Die Poorte), Korneel Goossens (Het Kompas), Albert Pelckmans (De Nederlandsche Boekhandel) en anderen. Op een enkele uitzondering na ging het om uitgesproken Vlaamsgezinde persoonlijkheden, voor wie de emancipatie van het Vlaamse volk door middel van het boek nog steeds een belangrijke drijfveer bij hun ondernemingen was.

De Tweede Wereldoorlog kon dit elan nauwelijks fnuiken. Integendeel, voor de van ander vertier verstoken bevolking produceerden de bestaande uitgeverijen, dankzij een minder streng toeziende bezetter dan bijvoorbeeld in Nederland, als nooit tevoren. Het Davidsfonds bijvoorbeeld, dat als producent van boeken voor brede lagen van de bevolking sinds lang het Willemsfonds van de scène had verdrongen, bracht het in 1944 tot het recordaantal van 93.807 leden, waardoor boeken als De harde weg van Emiel van Hemeldonck (het 'verplichte' boek op de keuzelijst voor 1945) een oplage van dicht bij de 100.000 exemplaren haalden. Geheel buiten elke vorm van collaboratie ontstonden in volle oorlogstijd zelfs nieuwe uitgeversinitiatieven zoals de Vlaamse tak van uitgeverij Desclée de Brouwer te Brugge. In 1945 kwam daar nog uitgeverij Heideland te Hasselt bij.

Na de jaren 1960 verschraalde het uitgeverslandschap in Vlaanderen ten gevolge van talrijke faillissementen (Buschmann, 1978, Ontwikkeling, 1978, Desclée de Brouwer, 1983, Heideland, 1987...) opnieuw. Om te overleven waren andere uitgeverijen genoodzaakt hun heil te zoeken binnen Nederlandse concerns (Heideland bij Kluwer, 1975, Standaard bij Bührmann-Tetterode, 1976, Kritak bij Meulenhoff, 1985...), waardoor in vele gevallen het eigen karakter van het bedrijf werd aangetast. Andere uitgeverijen met een aanzienlijke literaire productie (De Sikkel, De Nederlandsche Boekhandel, Lannoo) gaven de literatuur op en concentreerden zich, soms met behoud van een belangrijk wijsgerig fonds (Max Wildiers bij Pelckmans), op lonender segmenten van de boekproductie zoals het schoolboek, de eigentijdse geschiedenis, het toeristische boek en dies meer. Verdere fusies brachten de laatste overlevende literaire uitgevers, op een enkele nieuwkomer na, samen binnen een en hetzelfde Nederlandse concern: de uitgeverijen Standaard, Manteau en Kritak zijn thans alledrie actief binnen de Meulenhoff-groep. Dit geeft aanleiding tot verdere herschikkingen op het terrein van fondsvorming en profilering.

Met de V.B. hebben deze recente ontwikkelingen nog maar weinig te maken, maar het relaas ervan is onontbeerlijk als (voorlopig) sluitstuk van ruim anderhalve eeuw geschiedenis van uitgeverij en boekhandel in Vlaanderen. De slotsom is dat er in Vlaanderen aan het eind van de 20ste eeuw een bloeiende boekenindustrie bestaat op het terrein van het jeugd- en kinderboek, het stripverhaal en het schoolboek en een boeiend non-fictionaanbod op vele domeinen van het geestesleven, inclusief de geschiedenis van de V.B. Alleen op het gebied van de scheppende literatuur is het zwaartepunt van de uitgeversactiviteit opnieuw aanzienlijk méér naar het Noorden verschoven dan de opbloei van de Vlaamse uitgeverij tijdens het interbellum had laten verhopen. Of deze situatie beoordeeld moet worden als een rem op de publicatiemogelijkheden voor nieuw literair talent (en voor de heruitgave van ouder literair werk) uit Vlaanderen, dan wel als een stimulans voor de verdere culturele 'integratie' van Nederland en Vlaanderen, staat nog te bezien.

Literatuur

L. Simons, Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen, 2 dln., 1984-1987; 
id., 'Uitgeven in Vlaanderen', in Maatstaf, nr. 10-12 (1993), p. 203-205.

Verwijzingen

zie: Edward Joris.

Auteur(s)

Ludo Simons