Toussaint, Fernand V.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

pseudoniem: F.V. Toussaint van Boelaere (Anderlecht 18 februari 1875 – Brussel 30 april 1947).

Studeerde na middelbaar onderwijs aan de Vlaamse afdeling van het Koninklijk Atheneum te Brussel nog enige tijd klassieke filologie aan de Université libre de Bruxelles. In mei 1898 trad Toussaint in staatsdienst als vertaler bij het ministerie van justitie, waar hij op 1 maart 1940 zijn loopbaan eindigde als directeur-generaal. Tevens was hij sinds 1919 redacteur, en van 1929 tot 1943 directeur van het Beknopt Verslag van de Senaat. Van 30 april 1945 af was hij lid en later voorzitter van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. In 1921 werd hij corresponderend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, waarvan hij in 1934 onderbestuurder en in 1935 bestuurder was.

Hoewel Toussaint, zoals Herman Teirlinck getuigde, "niet genoeg sportief was aangelegd om met kracht den goedendag te hanteeren, toch heeft hij met een hart dat barsten zou den Vlaamschen Leeuw gezongen". Inderdaad deze schuwe, ietwat gesloten man leverde geen voorpostgevechten, maar ijverde als overtuigd flamingant zijn hele leven op discrete wijze voor de Vlaamse volksbelangen. Op het atheneum ontstond zijn belangstelling voor de Vlaamse strijd: hij werd lid, later bestuurslid en voorzitter van de leerlingenkring Help U Zelf (1893-1894). Als lid van het Brusselse letterkundig genootschap De Distel kwam hij in contact met de actie van de romantische flaminganten in en om de hoofdstad. Bezield door de drang om de Vlaamse literatuur hoger op te stuwen, was hij actief betrokken bij verscheidene tijdschriften. Hij was redactiesecretaris van De Jonge Vlaming (1894-1895), waarin het eerste werk van Stijn Streuvels en Karel van de Woestijne verscheen en waarvan hij in 1894 het keurige kerstnummer, verschenen onder de titel "Jong Vlaanderen", verzorgde. Tevens was hij redactielid van De jonge Kater (1898-1900), een blad dat ijverde voor de belangen van het 'Vlaams' toneel te Brussel en dat de eerste prozaschetsen van Teirlinck opnam. Hij behoorde tot de groep jongere medewerkers aan de tweede reeks van Van Nu en Straks (1896-1901) en verleende later aan talrijke Noord- en Zuidnederlandse tijdschriften zijn medewerking, onder andere aan Vlaanderen (1903-1907), Groot-Nederland, De Nieuwe Gids (1885-1943) en De Vlaamse Gids (1905-). Hij was jarenlang Vlaams correspondent van het Algemeen Handelsblad (Amsterdam) en medestichter van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (1946). In 1907 behoorde hij tot de stichters van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (VVL), waarvan hij de eerste secretaris was, en bij de splitsing van de Belgische PEN-club in een Franse en Vlaamse afdeling werd hij voorzitter van de laatste (1931). Na de Tweede Wereldoorlog wou hij de VVL 'zuiveren' van allen die beschuldigd of verdacht waren van collaboratie wat hem tot een gecontesteerde figuur maakte.

Als verfijnd en bedachtzaam woordkunstenaar beantwoordde Toussaint sedert zijn debuut met Landelijk Minnespel (1910) de oproep van August Vermeylen tot more brains in de Vlaamse letterkunde. Ondanks het minder populaire van zijn aristocratische écriture artiste en het schijnbaar onsentimentele karakter van de inhoud, vond zijn werk toch waardering: in 1945 ontving deze "goud- en zilversmid" van de Vlaamse literatuur de Vijfjaarlijkse Staatsprijs voor het verhalend proza, periode 1940-1944.

Literatuur

R. Roemans, 'Fernand-Victor Toussaint van Boelaere', in Toortsen 3, z.j., p. 37-40; 
J. Eeckhout, Litteraire Profielen, I, 1925; 
E. de Bom, Dagwerk voor Vlaanderen, 1929; 
K. van den Woestijne, Over Schrijvers en Boeken, II, 1933; 
R. Roemans, F.V. Toussaint van Boelaere. Een studie, 1935; - id., Analytische bibliografie van en over F.V. Toussaint van Boelaere, 1936; 
D.A.M. Binnendijk, Zin en tegenzin, 1939; 
Huldenummer F.V. Toussaint van Boelaere van Onze Tijd, nr. 2 (1940); 
Album Amicorum F.V. Toussaint van Boelaere, 1946; 
Huldenummer van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, nr. 1 (1947); 
H. Teirlinck, 'F.V. Toussaint van Boelaere 1875-1947', in Nieuw Vlaams Tijdschrift (1962), p. 807-819; 
R.F. Lissens, Inleiding tot Toussaints "De dode die zich niet verhing en andere verhalen" (Vlaamse Pockets, nr. 99, 1963); 
id., De Vlaamse Letterkunde van 1780 tot heden, 19674; 
R. Vervliet, 'Van Nu en Straks. 1893-1901', in M. Rutten en J. Weisgerber (ed.), Van "Arm Vlaanderen" tot "De voorstad groeit". De opbloei van de Vlaamse literatuur van Teirlinck-Stijns tot L.P. Boon (1888-1946), 1988, p. 150-156; 
R.F. Lissens, 'Signalement van F.V. Toussaint van Boelaere (1875-1947). Een tekst en twee voetnoten', in Verslagen en Mededelingen van de KANTL, nr. 1 (1989), p. 132-148.

Verwijzingen

zie: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde.

Auteur(s)

Raymond Vervliet