Timmermans, Felix (eigenlijk Leopoldus M.F.)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Lier 5 juli 1886 – Lier 24 januari 1947).

Was de dertiende van veertien kinderen, zoon van een kanthandelaar en een selfmade-man die alleen lager onderwijs volgde. Na zijn huwelijk in 1912 dreef Timmermans een kanthandel, vervolgens (in de Eerste Wereldoorlog) een snoepwinkel. Het grote succes van zijn roman Pallieter, waarin hij een probleemloze levensvreugde verheerlijkte, maakte het hem na de oorlog mogelijk van zijn pen te leven. Op 15 juni 1925 werd hij benoemd tot corresponderend en op 15 november 1933 tot werkend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. In 1924 was hij mede-oprichter van de katholieke kunstenaarsvereniging De Pelgrim, in 1935 eerste voorzitter van de Scriptores Catholici, een tweetalige vereniging van katholieke schrijvers in België.

Timmermans verwierf na de publicatie van Pallieter (voor de Eerste Wereldoorlog in tijdschriftvorm, in 1916 in boekvorm) een ongewone populariteit in Nederland en Vlaanderen en weldra ook elders in de wereld. In het buitenland werd hij de meest gelezen en meest uitgenodigde Vlaamse schrijver, wiens werk in meer dan 25 talen is vertaald. Vooral via de Duitse versie vond het zijn weg naar het publiek. Zijn Pallieter-figuur werd voor velen een Vlaams zinnebeeld, zoals ook Tijl Uilenspiegel of Reinaert de Vos er een is. Timmermans was bovendien een begenadigd tekenaar en schilder in volkse trant en hij illustreerde de meeste uitgaven van zijn literaire werk met eigen pentekeningen. Tot zijn bekendste werken behoren, na Pallieter, zijn levensverhaal van Bruegel en Sint-Franciscus, evenals Het Kindeke Jezus in Vlaanderen waarin hij het Kerstverhaal, naar het voorbeeld van de oude Vlaamse schilders, in het eigen land situeerde, aldus een eigen sfeer scheppende die te vergelijken is met de wijze waarop de Christmas Carols van Charles Dickens de Kerstsfeer in Engeland hebben gekleurd.

Reeds op de lagere school manifesteerde Timmermans, geïnspireerd door de lectuur van Hendrik Consciences De Leeuw van Vlaanderen en geprikkeld door de misstanden op taalgebied, een romantisch flamingantisme. Op 11 februari 1906 reageerde de jonge auteur, die al een aantal gedichten en schetsen op zijn actief had, in het weekblad Lier Vooruit op een artikel waarin 'de helden van 1830' verheerlijkt werden. Timmermans voorspelde dat er een tijd zou komen waarin de kinderen "de tijden (zouden) benijden toen wij bij Holland behoorden" en besloot zijn artikel met de woorden "Belgen bestaan er niet", slagzin die pas later in de Franse versie van Jules Destrée historisch is geworden. In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog trad hij toe tot de Lierse afdeling van de geheime flamingantenvereniging Vlaamsche Veem en tot het bestuur van de Lierse afdeling van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV).

Tijdens de oorlog behoorde Timmermans tot de activisten, in het gezelschap van zijn vrienden Antoon Thiry, Reimond Kimpe, Huibrecht van Ael en anderen uit de kring rond Jong-Vlaanderen. Als bestuurslid van het Lierse ANV ondertekende hij op 8 november 1915 mede een brief waarin René de Clercq en Antoon Jacob werden gelukgewenst voor de vastberadenheid waarmee zij het hoofd hadden geboden aan "de despotische eisen van de Belgische staat" en de wens werd uitgesproken dat België na de oorlog niet zou worden hersteld zoals het vroeger was en dat er een vrij en zelfstandig Vlaanderen tot stand zou komen. Een maand later noemde hij in een artikel in De Vlaamsche Post een vrij en zelfstandig koninkrijk Vlaanderen "De droom aller Vlamingen". Op 4 februari 1917 behoorde hij tot de 128 deelnemers aan de Vlaamsch Nationale Landdag in Brussel die de 46 leden van de eerste Raad van Vlaanderen kozen. Als voorzitter van de Lierse afdeling van Volksopbeuring (een activistisch gezinde hulporganisatie) zorgde hij voor een dienst Soldatentroost en een dagelijkse melkbedeling voor behoeftige kinderen.

In 1917 begon Timmermans aan een satirisch dierenepos in verzen, geïnspireerd op de Reinaert. Het verscheen in 1919 onder de titel Boudewijn en is een aanklacht tegen de verknechting van het Vlaamse volk en de lijdzaamheid van de Vlamingen, waarin ook de sfeer uit de Frontbeweging weerklank vond. Op deze 'verknechting' zinspeelde hij ook wel eens in andere literaire werken, met name in zijn roman over Bruegel en vooral in Het Kindeke Jezus in Vlaanderen dat eveneens in de oorlog ontstond.

Op 9 november 1918 week Timmermans uit naar Nederland, maar er werd geen vervolging tegen hem ingespannen en begin 1920 kon hij ongehinderd naar Vlaanderen terugkeren. De enige maatregel die tegen hem werd genomen, was zijn ontslag uit het bestuur van de Lierse volksboekerij, ontslag dat spoedig weer ongedaan werd gemaakt. Toen hij in 1922 de driejaarlijkse staatsprijs voor zijn literaire werk in de periode 1918-1920 ontving, werd hij in zijn stad luisterrijk gevierd, echter zonder het stadsbestuur. Jozef Muls, Herman Teirlinck en Camille Huysmans traden op als feestredenaars. Een en ander gaf in de patriotische pers aanleiding tot felle discussies.

Timmermans hield zich in de tussenoorlogse jaren zoveel mogelijk buiten de eigenlijke politieke activiteit, maar bleef trouw aan zijn flamingantische overtuiging. Toen hij in 1930 door een misleidende interpretatie van een Duitse krant gecompromitteerd werd, verklaarde hij in een interview met Volksgazet, minder fascistisch bloed in de aderen te hebben dan gelijk wie en zei dat hij voorstander was van "de joviale democratie". Later gaf hij herhaaldelijk uiting aan pacifistische gevoelens (pacifisme). Bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1932 steunde hij als 'peter' de lijst van het Vlaamsch Nationaal Verbond van Ward Hermans. In oktober 1938 steunde hij, ook bij gemeenteraadsverkiezingen, een poging tot flamingantische samenwerking. Daarom aanvaardde hij, na lang aandringen, een onverkiesbare plaats op een gelegenheidslijst van een te dezer gelegenheid gevormde formatie, Vlaamsch Nationaal Blok . In januari 1938 was hij in Lier een van de stichters van een plaatselijke niet-partijgebonden Vlaams-Nationale Studiekring, waarvan hij voorzitter werd.

In de Tweede Wereldoorlog meende Timmermans dat het mogelijk was, culturele en politieke belangen gescheiden te houden en zo aanvaardde hij het voorzitterschap van De Vlaamsche Kunstenaarsgilde in Lier. Tevens werd hij gouwvoorzitter van de Federatie van Vlaamsche Kunstenaars. Toen in het begin van de oorlog door het Vlaamsch Nationaal Verbond een manifest voor een nieuwe, verruimde Volksbeweging werd gelanceerd, was het opvallend dat de naam van de zeer populaire Timmermans niet bij de vele ondertekenaars uit de culturele wereld voorkwam. Later verklaarde hij op zijn erewoord, tijdens de bezetting "geen politieke vergaderingen bezocht, noch lijsten of politieke geschriften of druksels getekend, noch geschreven" te hebben en geen lid van een "politieke vereniging" te zijn geweest. Naar zijn mening stond ook de Rembrandtprijs daar buiten. Deze in 1935 voor het eerst uitgereikte onderscheiding werd hem in 1942 toegekend door de Hanzische Universiteit. Zij bracht hem onvermijdelijk in het middelpunt van een grote propagandistische belangstelling. Dat werd de voornaamste aanleiding tot de naoorlogse beschuldiging van culturele collaboratie. Timmermans werd niet gearresteerd, maar zijn goederen werden onder sequester gesteld. In 1946 werd zijn dossier zonder gevolg geklasseerd. Ondertussen had de polemiek rond zijn houding de verzwakte hartlijder zwaar op de proef gesteld. De laatste jaren van zijn leven bracht hij door in zijn ziekenkamer, werkend aan de dichtbundel Adagio en aan een (postuum verschenen) roman over Adriaan Brouwer waarin hij zich mede door eigen ervaringen liet inspireren, twee werken die tot zijn beste geschriften behoren.

Lier, de stad die hij zelf zo vaak heeft gehuldigd, heeft hem geëerd met onder meer een museum en een gedenkteken voor hem en een voor zijn legendarisch geworden Pallieter. Sinds 1971 bestaat een Felix Timmermans Genootschap dat de studie van de kunstenaar wil bevorderen, onder meer door de uitgave van een jaarboek. In 1989 werd in Duitsland een Felix Timmermans-Gesellschaft opgericht dat sinds 1990 een Jahrbuch uitgeeft. Ook in 1990 ontstond een Felix Timmermanskring.

Werken

 Verzameld werk, 25 dln., 1989-1994.

Literatuur

M.E. Tralbaut, Zo was de Fé, 1947; 
R. Veremans, Herinneringen aan Felix Timmermans, 1950; 
L. Timmermans, Mijn vader, 1951; 
J. de Ceulaer, Felix Timmermans, 1959; 
id., En toch. Spiegelbeeld van Felix Timmermans, 1967; 
L. Vercammen, Felix Timmermans, de mens, het werk, 1971; 
Wibo (= J. de Ceulaer), 'Felix Timmermans, Vlaams-nationalist', in 't Pallieterke (17, 24 en 31 juli, 7 augustus 1986); 
id., 'De Fé, "niet geheel vlekkeloos"?', in 't Pallieterke (25 september 1986); 
G. Durnez, De Goede Fee, 1986; 
A. Keersmaeckers, Wonder van eenvoud, 1990; 
M. Somers (red.), Timmermans en het activisme. Jaarboek 19 Felix Timmermans Genootschap (1992); 
P. de Zaeger, Lier bezet en bevrijd. Een Vlaamse stad tijdens de Tweede Wereldoorlog, 1995; 
F. Verleyen, De gezonken goudvis. Felix Timmermans en De Moderne Tijd, 1996; 
Jaarboeken van het Felix Timmermans Genootschap, 1-25 (1973-1997).

Verwijzingen

zie: Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Golfslag, literatuur.

Auteur(s)

José de Ceulaer; Gaston Durnez