Tael is gan(t)sch het Volk, De

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

vereniging opgericht te Gent op 10 februari 1836, na De Olijftak in december 1835 te Antwerpen en nagenoeg gelijktijdig met de Leuvense kring Met Tijd en Vlijt. Omstreeks 1882 als het ware onmerkbaar overgegaan in het Willemsfonds.

Deze Maetschappy van Vlaemsche Letteroefening was een zelfstandige, aanvankelijk politiek-neutrale, Vlaamse culturele vereniging, opgericht tot verbreiding van de taal- en letterkunde en ter verdediging van de moedertaal. Zij heeft veel bijgedragen tot bloei en uitbreiding van de V.B. te Gent en heeft voor een permanente toevoer van jongere krachten gezorgd.

Initiatiefnemers waren Ferdinand A. Snellaert (als militair arts pas teruggekeerd uit Nederland), Frans Rens (die meestal als voorzitter fungeerde), de in Noord-Nederland geboren journalist F.A. Spyers en de minder bekende Ch. Jos. Boulengier en L. Caluwé. Weldra werd Jan F. Willems erevoorzitter en steunde ook Philip M. Blommaert het lees- en literair genootschap. Wellicht naar Nederlands model hield men wekelijkse vergaderingen in het lokaal Bennesteeg 2, waar telkens een paar leden leesbeurten vervulden. Men richtte een bibliotheek en een leestafel in, schreef prijsvragen over geschiedenis, taalkunde, poëzie, proza en toneel uit en had weldra tal van corresponderende leden in binnen- en buitenland. De kenspreuk ontleende men aan Prudens van Duyses Aen België, meizang (voor het eerst verschenen in de Courrier de la Dendre, 1834): "De styl is gantsch de mensch, Buffon, het zyn uw woorden: De tael is gantsch het volk".

Daarnaast redigeerde de Maetschappy de Bydragen der Gazette van Gend voor Letteren, Kunsten en Wetenschappen (1836-1839), die een- of tweemaal per week in de Gazette van Gent opgenomen en ook afzonderlijk gebundeld werden, in de hoop aldus geleidelijk tot een zelfstandig literair tijdschrift te komen: dit zou in 1840 het Kunst- en Letterblad worden. Aan de Bydragen werkten Rens en Van Duyse voor de poëziekritiek mee, Blommaert besprak de oude tekstedities, het literair-historische werk en het Germaanse cultuurgoed, Spyers besprak toneel en plastische kunsten, Willems schreef over de spelling en Snellaert over Middelnederlandse en moderne poëzie, toneel en tijdschriften. Hij probeerde tot een evenwichtige en aan de eisen van de literatuurwetenschap beantwoordende strenge literaire kritiek te komen en een eind te maken aan het vroegere ongenuanceerde toejuichen van om het even welk Vlaams literair product.

Na 1860 trad onder impuls van de jonge Julius Vuylsteke een splitsing bij de Gentse flaminganten op: voortaan nam de literaire fractie het beleid in handen (onder meer Jacob F. Heremans, Vuylsteke, F. Devigne) en stond men in de schaduw en de traditie van het Willemsfonds. Na 1882 bespeurt men geen sporen van zelfstandige activiteit meer.

Het belang voor de V.B. van De Tael is moeilijk te schatten of te omschrijven, maar is zonder twijfel groot geweest, omdat de maatschappij te Gent meer dan vier decennia de continuïteit van de algemeen-Vlaamse politieke en culturele strijd verzekerd en het verschijnen van kwalitatief behoorlijk literair werk beslist gestimuleerd heeft.

Literatuur

E. Degerickx, 'Schets eener geschiedenis der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde: De Tael is gansch het Volk, te Gent', in De Eendragt, jg. 16 (1861-1862), p. 25-26 en 30-31; 
C. de Baere, 'Bijdrage tot de Geschiedenis van de Maatschappij van Nederlandsche letterkunde en geschiedenis onder de kenspreuk: "De Taal is gansch het Volk"', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1958), p. 653-665; 
P. de Keyser, 'De Taal is gans het volk! Na de 100ste verjaardag van het overlijden van Prudens van Duyse (1804-1859)', in De Vlaamse Gids, jg. 44 (1960), p. 246-255; 
id., 'Bouwstoffen tot een geschiedenis van de Maatschappij: "De Taal is gansch het Volk" in de 2e helft van de 19e eeuw', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1960), p. 535-546; 
W. Gobbers, 'Beginnende Vlaamse literatuur en kritiek in de Bijdragen der Gazette van Gend (1836-1839)', in Tijdschrift voor Levende Talen, jg. 32 (1966), p. 193-213; 
A. Deprez, De jonge Snellaert (1809-1838), 1970; 
H. Vanacker, 'De jaarverslagen van De Tael (1836-1856)', in Huldenummer Prof. Dr. Ada Deprez aangeboden bij haar zestigste verjaardag (Studia Germanica Gandensia, nr. 16, 1988), p. 181-211.

Auteur(s)

Ada Deprez