Taal

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Inleiding

Het is evident dat taal en V.B. nauw met elkaar verbonden zijn. Daarbij wordt dan meestal gedacht aan de rol en de functie van het Nederlands in Vlaanderen en in België. In dit artikel wordt een ander aspect van het taalgebruik behandeld, met name de vraag of en in hoeverre de intern-linguïstische ontwikkeling van het Nederlands een aandachtspunt in de V.B. is (geweest). Vele aanhangers van de V.B. waren en zijn van mening dat de rol van het Nederlands in België onlosmakelijk verbonden is met de manier waarop de geschreven en de gesproken taal gehanteerd worden. Anders gezegd: met de zorg die aan de taal wordt besteed. Het is dit taalzorg-aspect dat in deze bijdrage aan bod komt, wat een overzicht impliceert van de taalplanningsmaatregelen die sinds 1830 werden ontworpen, besproken, heftig bediscussieerd en – soms – in de praktijk omgezet. Deze maatregelen gaan van de eerste schuchtere acties van taalminnaars en letterkundigen bij het ontstaan van België tot de geïntegreerde taalplanningsinitiatieven van de Nederlandse Taalunie vandaag.

Na 1830 gingen zowat alle fracties en individuen die zich tot de V.B. bekenden akkoord met een noodzakelijke positiebepaling van de in Vlaanderen gebruikte taal, tegenover de in het Noorden gebruikte variëteit. Ook moest de binnenlandse situatie van het Nederlands tegenover het dominerende Frans dringend worden verbeterd. Ongeveer daar hield de eensgezindheid op. Meer bepaald de overtuiging dat het nodig was de (taalkundige) banden met Noord-Nederland aan te halen werd zeker niet door iedereen gedeeld. Het verband met de zogenaamde taalzuivering blijkt onder meer uit het volgende citaat van Willem de Vreese (uit 1900): "Ik zie alleen heil in een nauwe aansluiting bij het zoogenaamde Hollandsch... liever Hollandsch dan Fransch. Dat is mijne manier om flamingant te zijn." Dit citaat is ook een treffende illustratie van het Vlaamse integrationistische streven naar taaleenheid met het Noorden.

Vandaag wordt nauwelijks nog betwist dat de norm van het Standaardnederlands in Zuid en Noord die is van de taal die in de Randstad als norm voor het beschaafde taalgebruik wordt aanvaard en gebruikt. Voor het tot die aanvaarding kwam, moest echter een lange weg worden afgelegd. Zonder naar volledigheid te streven, worden hierna enkele hoofdmomenten van de langzame groei geschetst.

Vanaf de politieke scheiding van Noord en Zuid op het einde van de 16de eeuw tot het begin van de 19de eeuw bevatten Vlaamse geschriften over de taal voortdurend en probleemloos aansporingen om de schrijftaal van het Noorden zoveel mogelijk ook in het Zuiden te gebruiken. Aan die, zij het meestal platonische, bekenning tot het Noorden kwam eigenlijk pas een einde met de zogenaamde Belgische Revolutie van 1830: "De anti-Nederlandse en anti-protestantse eruptie die de afscheidingsrevolte was, legt voorlopig althans diegenen het zwijgen op, die aan deze eenheidsgedachte vasthouden. Het uur van de radicale, Vlaams-Belgische, katholieke traditionalisten schijnt gekomen: wat tot dan toe als te regelen verschillen werd beschouwd... wordt nu door hen overtrokken tot een werkelijk verschil in taal: de mythe van de Vlaamse taal is geboren, de staatsgrens is voor de omwentelingsgezinden ook taalgrens geworden" (T. Suffeleers).

Na 1830 kwamen inderdaad heel wat problemen tegelijkertijd aan het licht. In het kader van deze bijdrage is een daarvan bijzonder interessant: het Nederlands, zoals dat in het Zuiden was overgeleverd, was eigenlijk onvoldoende uitgewerkt om de functies waar te nemen die de Vlaamsgezinden ervoor wilden verwerven. Dit werd door Jacob F. Heremans in een toespraak tot het Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres in Rotterdam (1865) als volgt verwoord: "De Vlaamsche puritein (sic) bevindt zich, ondanks al zijnen goeden wil en al zijne inspanning, menigmaal in groote verlegenheid: hij bezit zijne eigene taal dikwijls niet genoegzaam, om te weten, of er al dan niet een woord, eene uitdrukking bestaat, om het Fransch woord, de Fransche uitdrukking, die hem gestadig voor den geest komt zweven, weêr te geven... zijne onwetendheid is het natuurlijke gevolg der opvoeding die men aan de Nederlandsche bevolking van België sedert 1830 heeft gegeven; het Nederlandsch wordt nauwelijks in België bij het onderwijs gedoogd." Van de logische conclusie dat het daarom nodig was dat Nederlands uit te bouwen tot een modern communicatiemiddel, dat alle functies kon uitoefenen die de taal in een moderne, geïndustrialiseerde staat in principe moet kunnen uitoefenen, waren zich slechts enkelen bewust. Het vreemde is dat het argument nauwelijks ter sprake kwam in de vele en vaak bitsige polemieken waarvan een overzicht volgt.

De lange weg van het Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN) in de 19de eeuw

Door de lange periode van taalcontact met de prestigetaal van de Zuidelijke Nederlanden, het Frans, was het Nederlands dat na het ontstaan van België in Vlaanderen werd gebruikt overwegend een uit het Frans vertaald of in het Frans gedacht Nederlands. Ter illustratie hiervan volgt een citaat uit Hendrik Conscience, die, zoals niet alleen uit zijn romans maar ook uit zijn brieven blijkt, het Nederlands uiterst moeizaam hanteerde. Een citaat uit een brief aan August Snieders uit het jaar 1854 is heel verhelderend: "lk neem de vryheid u hiernevens een nummer van het assemblée nationale van Parys te laten geworden dat men my heeft toegestuerd en waarin een lang artikel over myne verhalen. Ik heb niet getwyfeld of gy zoudt met vermaek een uittreksel ervan in uw dagblad gelieven op te nemen: uwe durende welwillendheid is my daarvan een zekere waerborg. Om uwen tyd niet ten mynen gunste te vergen, heb ik zelf een uittreksel uit het artikel vertaeld. Gy zoudt my verplichten met het eene plaets in het handelsblad te vergunnen."

Toch had dit soort Nederlands ook zijn verdedigers. Toen in 1888, bij een schooluitgave van een werk van Conscience, door de uitgever nogal wat veranderingen werden aangebracht betreurde Désiré Claes onder meer veranderingen als appelsien door sinaasappel en klak door muts. Hij maakte daarbij de volgende algemene bedenking: "Ik betreur het, dat onze Zuidnederlandsche uitdrukkingen zoo maar onbedacht opgeofferd worden aan de Noordnederlandsche, die door ons volk dikwijls niet of verkeerd verstaan worden." Dit was de toon van een polemiek die meer dan een eeuw zou duren.

Hoe het ambtelijke Nederlands soms gehanteerd werd toont een excerpt uit de Verordening op de Wegenis, de Bouwwerken en de Woningen van de stad Gent uit 1898: "Art. 128: Elk rijwiel moet voorzien zijn van een helklinkend verwittigingstoestel in het bereik van den wielrijder geplaatst, die er gebruik zal van maken telkenmale het omzichtig zal zijn de voorbijgangers te verwittigen.

Art. 134: Het is aan de wielrijders verboden kinderen op hunne in gang zijnde machien te plaatsen, te rijden zonder de stuurgang vast te houden alsook de voettrappers los te laten."

Taalminnaars en letterkundigen

In de beginfase was de zogenaamde V.B. allesbehalve een 'beweging', maar veelmeer een gegeven dat een handvol taalminnaars en letterkundigen (zoals ze zichzelf noemden) bezighield. De twee relatief belangrijkste concentraties bevonden zich te Gent en Antwerpen. Wat ze gemeen hadden was hun vaste overtuiging te moeten strijden tegen de overheersing van het Frans als de de facto nationale taal van het koninkrijk. In de taalontwikkeling stricto sensu zijn grosso modo twee grote stromingen te onderscheiden. Een eerste stroming waarvan de aanhangers particularisten werden genoemd, was voorstander van een soort interne standaardisering op basis van de lokale dialecten. De integrationisten daarentegen waren van mening dat het noordelijke model moest worden nagevolgd en dat de Vlamingen zoveel mogelijk de standaardtaalnorm van Nederland dienden te aanvaarden.

Vanzelfsprekend is die indeling te rudimentair en de terminologie niet erg geslaagd. De zogenaamde West-Vlaamse particularisten, waarover verder meer, hielden er immers heel andere opvattingen op na dan de eerder vermelde groep particularisten.

Tijdens de aanvangsfase waren de Vlaamsgezinden bovendien ook al verdeeld over andere punten die gedurende meer dan een eeuw een splijtzwam zouden blijven: orangisme tegenover belgicisme; klerikalisme tegenover antiklerikalisme; integrationisme tegenover particularisme. Het belang van het tweede antagonisme was in het begin kleiner dan daarna. De eerste tegenstelling verzwakte naarmate de afscheiding van het Noorden onherstelbaar bleek. Toch speelde het orangisme aanvankelijk nog een belangrijke rol en het is interessant te zien dat het latere wegebben ervan geenszins een verzwakking van de integrationistische tendens betekende. In ieder geval zouden de drie tegenstellingen een rol spelen in het taaldebat. Zo schreef bijvoorbeeld Conscience naar aanleiding van de organisatie van het Nederlandsch Letterkundig Congres in 1849, dat alleen Gent zoiets kon doen omdat in Antwerpen de politieke tegenstellingen samenwerking onder Vlaamsgezinden onmogelijk maakten: "Hier in Antwerpen ligt alle dadelyke werkzaemheden stil; vyandschap houdt ons verdeeld, en geen der beide gedeelten is in staet om iets ernstigs uittevoeren."

Een naar later bleek beslissende integrationistische overwinning kwam er al vrij vroeg, naar aanleiding van de zogenaamde spellingoorlog. In het Noorden was een spelling gegrondvest op de regels van Matthijs Siegenbeek van 1804 en toegepast in de spraakkunst (1805) van Petrus Weiland in zwang. De zuidelijke situatie was daarentegen vrij chaotisch en werd door vele Vlaamsgezinden als een belangrijke handicap in de richting van taaleenheid gezien. Toen een wedstrijd voor een nieuw spellingsysteem met een twaalftal inzendingen geen enkel voorstel opleverde dat de beoordelingscommissie onder leiding van Jan F. Willems kon bevredigen, stelde deze commissie zelf een systeem voor dat heel dicht bij de in Nederland gebruikte spelling aanleunde. De groep rond Willems slaagde erin particularistische aanvallen te neutraliseren en de instemming te krijgen van de regering, die bij Koninklijk Besluit van 1 januari 1844 de zogenaamde Willems-spelling officieel overnam. Ongeveer 20 jaar later zou de spellingeenheid helemaal bereikt worden door de toepassing, zowel in Nederland (de facto) als in België (de jure), van de spelling Matthias de Vries en Jan te Winkel. Men kan stellen dat na de spellingstrijd het particularisme, hoewel allesbehalve ontwapend, niet langer in staat was de integrationistische boventoon in de V.B. te bedreigen en de facto een oppositionele tendens werd.

De Nederlandse congressen

Een ander belangrijk wapenfeit in de strijd voor integrationisme was de organisatie van de Nederlandse congressen vanaf 1849. De in Gent werkzame orangistische en integrationistische groep, waarvan na Willems' dood Ferdinand A. Snellaert de leiding had genomen, wilde daarmee een dubbel doel bereiken. Het weer opnemen van het contact met het Noorden zou de ontplooiing van de Nederlandse taal en letterkunde in het Zuiden ten goede moeten komen. De Congressen zouden echter ook bijdragen tot de versterking van de positie van diegenen die de Belgische regering onder druk wilden zetten om op de eisen van de V.B in te gaan. Dit demonstreren van de taaleenheid van Noord en Zuid om zo voor binnenlandse doeleinden te kunnen profiteren van het prestige dat de Nederlandse standaardtaal als officiële taal van Nederland had verworven, zou anderhalve eeuw lang een constante blijven in de Vlaamse meerderheidsstrategie. Het aantrekken van noordelijke participanten werd door de organisatoren gezien als een middel om de V.B. in die baan te leiden waarvan zij dachten dat het de enige was die uiteindelijk succes kon garanderen. Maar aanvankelijk verliep een en ander niet zo vlot. In 1849 kwamen er wel Noordelijke deelnemers naar Gent, maar hun aantal was veel lager dan men had gehoopt en bovendien bleken ze niet bereid de rol te spelen die de Vlamingen hun hadden toebedacht. Toch werd geleidelijk aan een groot deel van de taaldebatten gevoerd op of naar aanleiding van de Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen die, na Gent in 1849, meestal om de twee jaar in Vlaanderen en Nederland werden gehouden. Van de meeste Congressen zijn Handelingen uitgegeven, die het mogelijk maken de evolutie van de ideeën van nabij te volgen.

De uitspraak

Een van de vaste en passioneel bediscussieerde thema's op de vooral door integrationisten georganiseerde en beheerste Congressen, was de dringende behoefte aan een algemeen beschaafde uitspraak. Niet iedereen in Vlaanderen was immers van die noodzaak overtuigd. Zelfs Prudens van Duyse verklaarde op het Congres van 1949: "... waarom ik... de vlaemsche uitspraek gebruik, die de scherplange en zachtlange vokaelklanken van e en o onderscheidt". Omgekeerd hield Jan-Baptist David in 1856 een lezing waarin hij beweerde "dat het streven naer eene beschaefde uitspraek voor ons allen, tael- en vaderlandsminnaers, eene hoofdzaek is, waar wy niet langer mogen onverschillig aen zyn". Beschaafde uitspraak vond hij bij "onze Noord-Nederlandsche taelverwanten, wier uitspraek over 't algemeen regelmatig is, genoegzaem eensluidend in den mond der beschaefde volksklassen... kortom, het vermyden van alle byzondere provinciale plaetselyke dialecten, acht ik de hoofdzaek te wezen tot bereiking eener algemeene en beschaefde uitspraak". Als "middelen tot invoering" van die uitspraak vermeldde hij het steeds correct uitspreken van het Nederlands in publieke redevoeringen én de opleiding in de lagere scholen. Wat er in dergelijke pleidooien echter nooit bij werd vermeld was waar de (meeste) Vlamingen, in een tijd met weinig persoonlijk contact, de kennis over hoe er in het Noorden gesproken werd vandaan moesten halen. Vreemd genoeg werd dit argument door de tegenstrevers nooit gebruikt. Meestal hadden zij het slechts over de 'wederkerigheid' (waarom wij zoals de Hollanders en niet zij zoals wij?) of spraken zij (bewust of onbewust) vanuit het (slecht verborgen) frustrerend besef dat er van de meesten iets verlangd werd dat zij niet waar konden maken. In die zin reageerde bijvoorbeeld Lodewijk Vleeschouwer op het Congres van 1856. Op de vraag "zal zich de uitspraek der vlaemsche tael naer de hollandsche rigten?" antwoordde hij "neen, om dat het even zoo ondoenlyk is, als de hollandsche uitspraek naer de onze te rigten". Noodgedwongen bleef dus heel lang in feite de spelling de ultieme norm voor de uitspraak.

Toch werd het langzamerhand voor iedereen duidelijk dat een begin van implementatie van de uitspraakdesiderata slechts kon worden gemaakt indien het onderwijs daar een rol in zou gaan spelen. Daar waren geschikte handboeken voor nodig. Het belangrijkste 19de-eeuwse, Vlaamse boekje over uitspraak is de Beknopte Uitspraekleer der Nederduitsche Tael van de onderwijzer Karel L. Ternest (1860). Deze schreef in zijn inleiding: "De beschaafde uitspraak onzer taal is dus niet meer uit de schrijfwijze en de voorname dialecten af te leiden en vast te stellen; zij bestaat: het is die, welke in Holland voor de algemeene Nederlandsche gehouden wordt, en daarbij ook in België met eenige lichte uitzonderingen... door de meeste lieden van gelouterden smaak als de richtige uitspraak wordt beschouwd. Wij mogen ze derhalve onzen... land- en taalgenooten gerustelijk ter algemeene aanneming aanbevelen, en onze uitspraakleer volgens dezelve inrichten."

Het werkje werd goed ontvangen. Op het 9de Congres (Gent 1867) verklaarde Jan van Beers de regels die Ternest voorschreef al jarenlang aan de "Normale school van Lier" (Rijksnormaalschool van Lier) te onderwijzen. Ze werden, zo beweerde hij, op de meeste lagere scholen van alle Vlaamse provincies gevolgd: "De regels der uitspraak kan men dus nagenoeg als vastgesteld beschouwen." In 1872 verscheen dan ook onder de titel Uitspraakleer der Nederlandsche (in plaats van Nederduitsche) Taal de tweede uitgave van Ternests boekje, "uitvoeriger en vollediger dan de vorige", waarbij de auteur "oog en oor gehad heeft voor al hetgeen in deze laatste jaren, zoo in Noord als in Zuid over beschaafde uitspraak geschreven en gesproken werd". De auteur besloot met een programma: "Moge mijn arbeid dat goede stichten... namelijk het tijdstip vervroegen, waarop de ééne Nederlandsche taal, bij ééne spelling en ééne spraakleer, op ééne – algemeen heerschende – beschaafde uitspraak zal mogen bogen." In 1882 volgde nog een derde druk.

Dat alles verhinderde niet dat de 'regeling van de uitspraak' nog herhaaldelijk werd besproken op de latere Congressen. Naast verstandige opmerkingen zoals "Ontelbare Vlamingen met de beste gevoelens bezield tegenover de moedertaal, kunnen deze wel schrijven, maar durven ze niet spreken, omdat ze niet anders kennen dan hun dialect" (E. de Neef uit Mechelen op het 25ste Congres, Gent 1899), werd er onredelijk veel onzin gedebiteerd. Meestal werd het hele arsenaal van argumenten pro en contra het algemeen Nederlands naar voren gebracht, maar tot concrete maatregelen en eensgezinde opvattingen kwam het nauwelijks. Dat ook het ridicule niet werd geschuwd blijkt uit het volgende. Op datzelfde Congres van 1899 werd voorgesteld een soort referendum te organiseren: culturele en taalminnende groeperingen in Noord en Zuid zouden een lijst voorgelegd krijgen en de klanken die de meeste 'stemmen' zouden krijgen, zouden als de 'beschaafde' klanken worden gekozen!

Woordgebruik en stijl

Behalve aan de spelling en de uitspraak werd al vroeg veel aandacht besteed aan het woordgebruik, waarbij vooral de gallicismen het moesten ontgelden. Hieronder volgt een korte bespreking van enkelen van de eerste 'taalzuiveraars'.

In zijn Tael- en Letterkundige Aenmerkingen (1856) nam Jan-Baptist David 36 uittreksels van bekende schrijvers zoals Hendrik Conscience, Jan H. Bormans, Eugeen Zetternam, Domien Sleeckx op en voorzag ze van literair maar vooral ook taalkundig commentaar. Immers, zo schreef de auteur: "Wat (onze hedendaegsche schryvers) schryven is geen zuiver Nederduitsch: hunne tael heeft vreemde plooijen..." Als een van de belangrijkste verklaringen daarvoor zag hij: "Onze schryvers denken niet in hunne tael, maar in 't Fransch, hetwelk daerom in hunne voordragt overal doorstraelt, en daer noodwendig barbarismen in brengt, tot groote schade der volkstael, ja tot verbastering van het nationael gevoel, van den belgischen geest." Maar David was ook concreet en in een alfabetische taalzuiveringslijst noemde hij bekende gevallen als: "laet ons – laten wy, ergens aen houden, indruk uitoefenen, mits en vermits". In 1865 sprak Jacob F. Heremans op het 8ste Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam over Gallicismen en Fransche Bastaardwoorden; een debat dat tot vandaag voortduurt.

Taalzorg met particularistische inslag is te vinden in Verzameling der meest voorkomende Moeilijkheden, Gallicismen en Germanismen in onze Taal. Bijdragen tot Taal- en Stijlzuivering (1893) van Jakob Muyldermans, die weliswaar een systematisch overzicht wilde geven van alle 'feilen', die de Vlamingen tegen het Nederlands taalgebruik begaan, maar: "Nochtans veroorloven wij ons ook de rechten van het spraakmakende deel der Zuidelijke Nederlanden voor te staan... Moet er de gouwtaal van het Zuiden uitgesloten, dan dient onze taal geen Nederlandsch maar enkel Noordnederlandsch te worden geheeten... (dat recht eischen wij ook af), want nu ook meer dan ooit trekt men in den naam der beschaving tegen ons Zuidnederlandsch taaleigen te velde, alsof de Nederlandsche taal niet meer literarisch, niet meer beschaafd zoude wezen, wanneer de gekuischte goudsteenen van onze gewestspraak er in versmolten waren. Zuidnederlandismen met de min of meer afkeurende beteekenis die er sommigen aan vasthechten, erkennen wij niet." Hij, en zijn geestverwanten zoals bijvoorbeeld Jan Bols, stonden dus op een duidelijk Vlaams standpunt. Het is overigens interessant te zien hoe de noodzaak het in het Zuiden overgeleverde Nederlands tot een modern communicatiemiddel uit te bouwen, vooral onbewust invloed uitoefende. Er ontstond de facto een gestaag groeiende toenadering tot de 'noordelijke' taal. Dit blijkt alleen al uit het feit dat althans het schriftelijk taalgebruik van zowel de (meeste) integrationisten als de (meeste) particularisten niet zo erg verschilde. Los van hun theoretisch standpunt en voorkeur gebruikten zij dus, afgezien van het gewild archaïsche taalgebruik van enkelingen, een niet zo afwijkende schrijftaal.

Jan Broeckaert stelde een Bastaardwoordenboek (1895) samen met daarin verklaringen en synoniemen en Hippoliet Meert publiceerde in 1897 zijn Distels. Proeve van Taalzuivering te gebruiken bij het Onderwijs in de Nederlandsche Taal. Vooral na de geruchtmakende polemiek van rond 1900 verscheen een hele reeks 'taalzuiverende' werken, die de verbreiding van het algemeen Nederlands sterk zouden bevorderen. Zij worden verder in deze bijdrage uitgebreid behandeld.

Het West-Vlaamse taalparticularisme

De taalzorg die duidelijk verlangde naar een eenheid met Nederland inzake spellen, schrijven en spreken, werd niet door iedereen geaccepteerd. Een aantal Vlamingen was helemaal niet bereid de 'hegemonie van Holland' te accepteren, anderen wilden van een algemene Nederlandse taal en cultuur niets weten en streefden naar een eigen Vlaamse taal, die weliswaar verwant was met de taal van het Noorden maar toch op zichzelf bestond. Die Vlamingen werden (en worden) meestal taalparticularisten genoemd. Voorlopers waren het trio Leo de Foere, Pieter Behaegel en Frans Boon die in de eerste spellingoorlog de toon aangaven. Zij bekampten hartstochtelijk de op het Taelcongres van 1841 te Gent goedgekeurde 'ketterse' en 'orangistische' spelling, die bij Koninklijk Besluit van 1 januari 1844 als de spelling voor de Vlaamse vertaling van de wetten en besluiten aanvaard werd.

Omstreeks 1870 liet zich in West-Vlaanderen het zogenaamde particularisme van de tweede generatie horen. Het had met het particularisme van de eerste generatie weliswaar de strijd tegen een algemeen Nederlands gemeen, maar verschilde in motivatie en werkwijze. Zoals gezegd is de benaming verwarrend. De term 'particularisme' wordt immers in drie betekenissen gebruikt: om de hier besproken specifieke West-Vlaamse beweging te definiëren, om diegenen aan te duiden die een interne standaardisering, op basis van de lokale dialecten voorstonden en ten slotte ook als naam van de verdedigers van de Zuid-Nederlandse inbreng in de standaardtaal.

Het West-Vlaamse particularisme werd vooral door priesters geleid en was een van de harde kernen van verzet tegen het "protestantse Hollands". T. Suffeleers schreef in dat verband: "Strikt genomen is er geen verschil tussen de algemeen Zuidnederlandse particularistische tendens en het z.g. West-Vlaamse taalparticularisme." Zo eenvoudig lag het echter niet: het West-Vlaamse particularisme van de generatie Leonardus L. de Bo en Adolf Duclos was iets totaal anders dan het algemeen Zuid-Nederlandse particularisme omdat het veel minder met taal en veel meer met religieus conservatisme te maken had. De taal was daar weliswaar een onderdeel van, maar waar het werkelijk om te doen was, was het behoud van het ultramontane, katholieke karakter van West-Vlaanderen. Het taalaspect speelde slechts in zoverre een rol dat het naar voren schuiven van het West-Vlaams, casu quo het weren van het algemeen Nederlands, als een onontbeerlijk wapen in die strijd gehanteerd werd.

De particularistische Gilde van Sinte Luitgaarde, waarin De Bo, Duclos en enkele andere priesters de hoofdrol speelden, was dus niet linguïstisch, maar hoofdzakelijk religieus-politiek gemotiveerd. Bovendien bleek het hier om een gezelschap te gaan dat geloofde dat de ondergang van het avondland, casu quo het katholieke West-Vlaanderen voor de deur stond. De redevoeringen van De Bo, ook als ze iets met taal te maken hadden, beklemtoonden altijd dat de taal slechts een onderdeel van zijn strijd was. Voor het overige was hij niet minder schizofreen dan de anderen: enerzijds bleek hij (zie zijn Westvlaamsch Idioticon) inderdaad een heleboel over taal en taalkunde te weten, anderzijds schreef ook hij over taal allerlei onzin, zoals onder meer in een lezing over Waarom er geene eloquentie in het letterkundig Nederlandsch is.

De tweede factor die de ware natuur van dit zogenaamde particularisme bepaalde, heeft te maken met "de bedreiging van de Westvlaamse taal door het Frans", zoals Michel van der Plas het in zijn Mijnheer Gezelle (1990) noemde. In tegenstelling tot wat Van der Plas (en vele anderen) menen, werd in de kringen van De Bo, Duclos en Guido Gezelle het Frans nauwelijks als een bedreiging ervaren. Zij waren met de feitelijke situatie eigenlijk best tevreden. Het volk kende hoe dan ook geen Frans, zodat het gevaar van beïnvloeding door het 'wufte' gering was. Algemeen Nederlands verstaan zou echter maar een geringe inspanning vergen en precies daarom moest dat veel hardnekkiger worden bekampt. Voor de 'simpele' West-Vlaming was Nederlands de enige reële mogelijkheid om met de buitenwereld contact te krijgen en dat moest het koste wat het kost vermeden worden. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat zowel Duclos als Gezelle expliciet verklaarde nog eerder Frans te willen gebruiken dan (algemeen) Nederlands. Gezelle schreef in een brief aan Alfons Janssens: "Ik ben geheel zeker dat de tijd allengskens gekomen is dat wijlieden, al te maal katholieke Nederlanders, behooren op malkaar te steunen, liever als voortdurend naar het half joodsch, half heidensch Hoog-Holland te gaan om steun en goedkeuring. Af moeten we daarvan en verder af naar mijnen dunk, als van den franschen vijand."

Vandaar dat het niet overdreven is te concluderen dat de (meeste) West-Vlaamse particularisten helemaal geen flaminganten waren en dat hun romantische liefde voor het eigen dialect losstond van de V.B. Gezelle was voorstander van een diglossische situatie, waarin het mondelinge taalgebruik (en de poëtische taal) in het West-Vlaamse dialect verliep en voor alle andere taalfuncties Frans werd gebruikt. Die uiterste consequentie van het afwijzen van een uniformisering en standaardisering van het Nederlands heeft hij vermoedelijk nooit duidelijker geformuleerd dan in een artikel in het Leuvense tijdschrift Le Muséon (1885): L'habitant des Flandres parle le flamand de ses Pères là où il lui convient de le parler, mais, quand son idiome natif ne lui suffit plus, dans ses rapports avec la société, il ne s'adresse nullement à un flamand de commande, à un néerlandais de haut parage, comme ses frères de Hollande; non, il parle tout simplement le français... Cette existence, en Flandre, de deux idiomes aussi disparates que le français et le flamand, loin d'être nuisible à la conservation de celui-ci, lui est, au contraire favorable.

J. Boets stelt in zijn artikel Gezelle, de 'flaminguist' (1970) dus terecht dat deze opvattingen "met geen enkel soort gezond flamingantisme verzoenbaar zijn". Waar het de West-Vlaamse particularisten werkelijk om te doen was, blijkt ook uit de opvatting van de kerkelijke hiërarchie die door de priesters van de Gilde van Sinte Luitgaarde getrouw werd vertolkt. In een toespraak, aldus T. Suffeleers in (Taalverzorging in Vlaanderen, 1979) "die als de religieuze motivering van het taalparticularisme kan worden beschouwd", veroordeelde de Brugse bisschop, Mgr. Gustave Waffelaert, het gebruik van het algemeen Nederlands, dat, nog steeds volgens T. Suffeleers, "in zijn opvatting het vehikel van de noordelijke demon van ketterij en rationalisme" was, terwijl "Onze eigen Vlaamse taal, integendeel, de draagster is van het kristelijk gemoed van het Vlaamse volk". Ten overvloede wordt erop gewezen dat hier 'West-Vlaams' werd bedoeld. Zowel de 'Luitgaardisten' als Gezelle waren van mening dat het dialect als spreektaal volstond en ze onderscheidden zich ook daardoor van diegenen die een grotere Vlaamse inbreng in een algemener Nederlands voorstonden.

Zelfs Alfons Prayon-van Zuylen, zelf een overtuigd voorstander van een Vlaamsgetint Nederlands, wees dit West-Vlaamse particularisme nog in 1903 in een lezing voor de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, van de hand. Een late verdediger van het West-Vlaams daarentegen was Hugo Verriest, die op het 27ste Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres in Kortrijk (1902) beweerde: "Er is onder ons volk, onder het jonger volk boven al, eene strooming Noordwaarts. Er heerscht een nood aan eenheid; eene begeerte van algemeene ommegangstaal. Maar een twijfel blijft: Wat zal die taal zijn? Moet het Hollandsch zoo het is, meester zijn en alleen gangbaar? Moet het Vlaamsch dood en weg, en aanzien worden als straattaal, als patois?" Dat was de vraag naar de norm van het Nederlands; een probleem waarover al geruime tijd een levendige en voor de evolutie van het Nederlands in Vlaanderen beslissende polemiek werd gevoerd.

De norm van het Nederlands

Tussen 1890 en 1902 werd in Vlaanderen onder enkele taalgeleerden en 'taalliefhebbers' een epische strijd geleverd met betrekking tot welk algemeen Nederlands in Vlaanderen als norm zou gelden. In 1890-1891 publiceerde Willem de Vreese in het tijdschrift Nederlandsch Museum zijn studie Zuidnederlandsche Taal- en Letterkundige Wetenschap. De directe aanleiding hiertoe was het verzoek van Jozef-Frederik Vercoullie, het werk Jan Boendale (1888) van Hippoliet Haerynck aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. De Vreese greep de bespreking van het boek aan om "er een staaltje van te geven, hoe luttel de hooggeprezen moedertaal in het Zuiden eigenlijk bekend is" en om zijn later zo beroemd en passioneel bekampt of aanvaard uitgangspunt te formuleren: "Het is onloochenbaar dat wij Zuid-Nederlanders, onder den invloed van allerlei betreurenswaardige omstandigheden en oorzaken, waaraan tot nu toe nog zeer weinig, ja niet verholpen is, nagenoeg alle taalgevoel verloren hebben, en ik meen dat wij, zoolang die toestand voortduurt, het best doen onze taal opnieuw te leeren bij hen die ze kunnen, d.i. bij de Hollanders." Hij besloot zijn recensie als volgt: "lk walg van eene dergelijke taal. Als men zulk een boek doorwerkt, loopt men gevaar met zijn gebreken besmet te worden en zelf een onooglijk, ondenkbaar Nederlandsch te gaan schrijven en spreken."

Eveneens in 1890 namen enkele leden van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde stelling in de kwestie, "waarnaar richten wij ons taalgebruik in Vlaanderen?". In april 1890 hield Julius Obrie een lezing over Zuiverheid van Taal, waarin een voor die tijd modern geluid in Vlaanderen te horen viel. In vele Vlaamse kranten, zo stelde hij, werd het overvloedige gebruik van bastaardwoorden in Noord-Nederland aan de kaak gesteld. De auteurs van deze artikelen waren van mening dat zijzelf keurig Nederlands schreven, als in hun tekst geen enkel woord met een duidelijke uitheemse vorm of klank voorkwam. Alleen op de uiterlijke vorm werd gelet: het kwam er enkel op aan dat het gebruikte woord Nederlands klonk. Met het taaleigen, het idiomatische in een taal, werd geen rekening gehouden. Zoals De Vreese was Obrie van mening dat de oorzaak daarvan te zoeken was in het feit dat de Vlamingen niet over een fijn taalgevoel als dat van de Noord-Nederlanders beschikten en dat zij geen algemene, beschaafde 'spreektaal' bezaten. Daardoor kwam het dat de Vlamingen steeds dachten "in die afschuwelijke, met allerlei Fransche zegswijzen en wendingen doorspekte brabbeltaal... In stede van uitsluitend tegen de taalverbastering in Noord-Nederland te ijveren, ware het zeker niet minder nuttig ook hier het 'Herzie u zelven' in toepassing te brengen."

De stelling – zoals die door De Vreese en Obrie verdedigd werd – dat een zuivere taal niet (enkel) een taal zonder bastaardwoorden en vreemde woorden is, dus een taal die zoveel mogelijk Nederlands klinkt, maar vooral een taal die algemeen Nederlands is, vrij van elementen die in strijd zijn met het Nederlandse taalgevoel, was rond 1890 verre van algemeen aanvaard. In mei 1890 sprak Désiré Claes voor de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde over Eenige Volksuitdrukkingen verdedigd en aanbevolen. Hij nam de traditionele verdediging op zich van "gewestelijke woorden, die in de woordenboeken niet opgenomen zijn", maar daarom niet tot een "brabbeltaal" hoefden te behoren. Zijn opsomming van "te aanvaarden regionalismen" was een parafrase van wat Leonardus L. de Bo vroeger al had gezegd in Over dialectische woorden en wendingen die burgerrecht in de schrijvende taal verdienen.

Ook Claes' idee dat dergelijke woorden door een of andere vorm van taalplanning aanvaardbaar konden worden gemaakt, was niet nieuw: "Het wordt dus tijd, dat de Academie haar voornemen ten uitvoer brenge en tot de wettige inburgering of herinburgering besluite van die groote menigte verstootelingen." Enkele voorbeelden van de woorden en uitdrukkingen die Claes tot algemeen Nederlands gepromoveerd wilde zien, zijn: rekbank (schotelrek), breusem (kruim van brood), daalkomen en andere samenstellingen (naar beneden), gezwaad (zwade, rij afgemaaid hooi), heuling (tunnel), heulenteer (vlierboom), kettel (franje), ranen (spijbelen), in het totaal een vijftigtal. De strekking was duidelijk: laten we het algemeen Nederlands verrijken met lokale woorden, die een beter uitdrukkingsmiddel zijn dan bestaande, vooral Noord-Nederlandse woorden. Het lot is Claes' woorden ongunstig geweest, want geen enkel is in de algemene taal doorgedrongen.

Claes deed ook aan 'eigenlijke' taalzuivering. In 1891 verscheen zijn boekje Gemengde Taal- en Letterkundige Aanmerkingen, bestemd voor studenten en jonge schrijvers ("moge het velen nuttig zijn en ons taal- en letterveld van onkruid helpen zuiveren!"). Claes gebruikte hierin met opzet een paar gewestelijke woorden, zoals bijvoorbeeld "Maar daarmeê is de verkroeste zin nog niet gelfsch geworden" of "Tot groot vermaak onzer vijanden Gazette, Chronique en andere gallische schotelplaggen". Uit het werk bleek duidelijk de goede bedoeling van de schrijver, doch even duidelijk de zwakke wijze waarop zijn taalzuivering gebeurde. Een reactie bleef niet uit. In het artikel Taalpolitie toegepast op Cato Censorius, verschenen in het novembernummer 1891 van De Toekomst, schreef Hippoliet Meert: "Eene strenge, verstandige taalpolitie hebben wij in Vlaanderen broodnodig. Het is een betreurenswaardig feit dat wij, die zoo hoog loopen met de nooit volprezen moedertaal, die taal, over 't algemeen, zeer weinig kennen, ze afschuwelijk spreken en zoo slordig mogelijk schrijven." Over Claes oordeelde hij: "Want zoozeer zijn eigenlijke taalpolitie te vertrouwen is, zoo weinig is dit zijn eigen proza." De heftige reactie van Meert was de start tot een hoogoplopende polemiek. In zijn antwoord Taalpolitie toegepast op Cato Schabletter (De Toekomst, februari 1892) beet Claes fel van zich af. Hij verdedigde de benaming "Vlaamsch" (Meert had erop gewezen dat alleen "Nederlandsch" aanvaardbaar was); hij verdedigde en gebruikte de gewraakte uitdrukkingen "ik houd er aan", "in 't oog springen", "ik trek de aandacht op"; hij verdedigde de spelling 'peerd' en 'hert' voor paard en hart enzovoort. Hun polemiek in De Toekomst duurde van november 1891 tot juni 1892 en ontaardde in een regelrechte scheldpartij die in andere tijdschriften werd voortgezet. Beide heren verwoordden enkele belangrijke principiële stellingnamen. Zo schreef Meert in zijn repliek Cato Censorius komt in beroep: "Hoe moeten we onze taal schrijven? Ik antwoord: zooals de uitstekende Noordnederlandsche schrijvers daarbij rekening houdende met den arbeid, door de meest bevoegde taalrechters ter zuivering van de taal verricht." In zijn derde antwoord aan Meert, Waar Cato Schabletters "standpunt" instort, betoogde Claes: "dus tronen onze modellen in Noord-Nederland alleen!... Wat mij in uw standpunt het meest tegen 't hoofd springt is dat gij noch de zuidnederlandsche schrijvers noch het zuidnederlandsch taaleigen in rekening laat komen, waar het uitdrukkingen en wendingen en geslachten geldt! Waar wilt ge dan met ons naar toe? Is onze taal dan onze taal niet meer, zoowel als der Noord-Nederlanderen?"

Obrie had in 1890 de wens uitgedrukt dat een lijst van gallicismen en germanismen en andere verkeerde woorden en wendingen het licht zou zien. De Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde nam in 1894 het initiatief tot een prijsvraag die luidde: Men vraagt eene volledige lijst van de huidige in onze taal meest voorkomende gallicismen, met aanduiding van de zuiver Nederlandsche woordschikkingen of uitdrukkingen. Er kwamen twee verhandelingen binnen: een van De Vreese (236 p.) en een tweede van Meert (ruim 300 p.). Beide werken werden door de Academie bekroond en in 1899, onder de respectievelijke titels Gallicismen in het Zuidnederlandsch. Proeve van Taalzuivering en Onkruid onder de Tarwe gepubliceerd. Het feit van de publicatie en natuurlijk de inhoud van de werken deed de polemiek weer hoog oplaaien.

De gepubliceerde inzendingen van De Vreese en Meert begonnen beide met een uitvoerige inleiding, "waarin de grondbeginselen, waarvan het (werk) uitgaat en waarop het steunt, zijn uiteengezet". De Vreese wijdde een groot deel van zijn aandacht aan gallicismen, altijd al de bête noire van de taalzuiveraars. Hij deelde ze in twee grote categorieën in: gallicismen in de woordenschat en gallicismen in de zinsbouw. Voor elk der afgekeurde vormen gaf de schrijver uiteraard een "zuiver Nederlandsche uitdrukking" als alternatief. Hij waarschuwde: "Er zullen waarschijnlijk zelfs nog menschen gevonden worden, die sommige dier uitdrukkingen zullen afkeuren met den uitroep: 'maar dat is Hollandsch'. Doch het is niet noodig daarbij stil te staan: het verstandigste zal wel zijn die meening met hare verdedigers te laten uitsterven." De geschiedenis heeft hem daar ongetwijfeld gelijk gegeven. Dat neemt niet weg dat gallicismen kennelijk heel erg taai zijn en dat nog heel wat uit De Vreeses lijsten ook vandaag nog gebruikt wordt, ook nu niet zozeer tegen beter weten in, maar omdat men niet beter weet.

De Vreese was dit keer over zijn remedie "Laat ons bij de Noordnederlanders ter schole gaan", iets duidelijker wat de implementering betreft: "Laten we dus in de eerste plaats veel meer Noordnederlandsch lezen dan we plegen te doen... door eigen oefening kan men veel doen om de gesproken taal zoo naar klank als naar vorm te verbeteren... Waar kan de Zuidnederlander beter zijn taalgevoel scherpen en zijn taalinzicht verdiepen dan in het Woordenboek?"

Laten we er tenslotte op wijzen dat De Vreese, een van de weinige geschoolde linguïsten in het debat, natuurlijk wel wist wat er precies aan de hand was: "Het verschil tusschen Noord- en Zuidnederlandsch is een verschil in topografische en chronologische ontwikkeling, zooals men dat in alle talen en in alle landen aantreft. Maar als alleen deze laatste voorstelling de ware is, zoo blijft er geen andere keus over dan alle afwijkingen, die in onze schrijftaal voorkomen en door het volksgebruik niet worden gesteund, voor fouten tegen het Nederlandsch te verklaren, en een groot deel van de Zuidnederlandsche letterkunde van dezen tijd, hoe frisch, hoe krachtig ook, van het standpunt van het Nederlandsch als eene doorloopende cacographie te beschouwen."

Het is ondoenlijk de vele kritieken op De Vreeses standpunten hier te vermelden. Eén voorbeeld, namelijk de reactie van Alfons Prayon-van Zuylen zoals hij die in de schoot van de Academie zelf verwoordde, kan volstaan. Dat deze man het West-Vlaamse particularisme krachtig afkeurde impliceerde niet dat hij 'integrationist' was; hij pleitte integendeel voor een duidelijk 'Vlaamse' inbreng in de ontwikkeling van het Nederlands. Tijdens de vergadering van 2 augustus 1899 las hij naar aanleiding van De Vreeses werk een opstel, getiteld Over Taalpolitie voor. "Dr. De Vreese's stelling", zo zei Prayon van Zuylen niet ten onrechte, "komt hierop neer: Wie gallicismen gebruikt, bewijst ipso facto dat hij het taalgevoel derft en bijgevolg de taal zelve niet kent; alle Vlaamsche schrijvers, de beste niet uitgezonderd, gebruiken gallicismen: dus is er geen enkele, die het Nederlandsch wezenlijk machtig is." Dat ging Prayon-van Zuylen te ver. De woorden "Dat zegt men niet", waarmee De Vreese een uitdrukking als slecht afwees, vatte Prayon op als "Dat zegt men in Holland niet". "Mijne voornaamste grief", zei hij, in een beoordeling die verbazend modern aandoet, "geldt de stelselmatige verminking der taal, welke sedert meer dan een halve eeuw in Holland wordt bedreven en misschien wel onder den invloed der aldaar heerschende anti-Duitsche stemming, het Germaansche karakter van het Nederlandsch hoe langer hoe meer verzwakt en van lieverlede onze heerlijke moederspraak tot eene wanstaltige nabootsing van het Engelsch zal verlagen. De eerste stap in die richting was het weglaten der buigingsuitgangen en de noodzakelijk daarop volgende verwarring der geslachten en der naamvallen. Dàt ziet men reeds in Holland." Op de septemberzitting van 1899 las Prayon nog een Naschrift op Taalpolitie voor. In 1900 verscheen het antwoord van De Vreese, Taalzuiveraar's borstwering, een uitvoerige en vaak heftige verdediging van zijn vorige werk. Het is hier dat De Vreese zijn in het begin van dit artikel geciteerde 'geloofsbekentenis' deed, waarin zo uitdrukkelijk het taalpolitieke karakter van (zijn) taalzuivering werd beklemtoond. Prayon-van Zuylen reageerde andermaal met Taalzuiveraar's borstwering afgeweerd en weggeborsteld (1900), waarin hij ook het door de Academie bekroonde en gepubliceerde werk van Meert vermeldde: "Zelfs op het gebied der Taalpolitie is de houding van de Hr. Meert verreweg zoo aanstootelijk niet als die van Dr. De Vreese."

In de inleiding van Meerts Onkruid onder de Tarwe werd als remedie voor de slechte toestand van het Nederlands in Vlaanderen een degelijk onderwijs in het Nederlands genoemd. "Men mag verzekerd wezen, dat de meeste leeraars en leeraressen 't Nederlandsch, de taal die ze onderwijzen moeten, slechts zeer gebrekkig kennen. Een tweede iets, dat een gebrekkig onderwijs eenigszins zou te gemoet komen, een vaste algemeene beschaafde omgangstaal, is bij ons volstrekt onbekend. Toch blijft het wenschelijk, dat we die moedertaal, waar we zoo hoog mee oploopen, zuiver zouden leren spreken en schrijven." Over hoe dat moest schreef Meert, zoals De Vreese, "laten we in de leer gaan bij hen, die zelf de meest ontwikkelde, de zuiverste taal schrijven, namelijk bij de Noordnederlanders... Want zelfs zij, die het meest ophebben met het particularistische in de taal, die het meest vasthouden aan het locale, kunnen hun taal niet zuiveren dan door ze te toetsen aan 't Nederlandsch, zooals het in 't Noorden geschreven en gesproken wordt." Taaleenheid was stellig mogelijk, zegde Meert, "als we maar willen berusten in het feit, dat in de vorming van iedere beschaafde taal één dialect steeds de voorrang heeft... Ongelukkig heerscht in het Zuiden hier en daar een particularistische geest, die het bereiken van de gewenschte eenheid in den weg staat." Om die uit de weg te ruimen legde Meert er sterk de nadruk op dat de arme 'stakkers' van Vlamingen het ook niet konden helpen dat ze zo slecht spraken: "Hoe zou de Vlaming nu, die een slordig onderricht in zijn taal ontving, die geen steun vindt in eene algemeene, beschaafde omgangstaal, hoe zou hij zuiver Nederlandsch kennen?... Zoo menige Fransche uitdrukking blijft ons in 't hoofd hangen, waar wij de Nederlandsche weerga niet van leerden kennen, dat wij ze onbewust vertalen." Dit "wij" – hoewel Meert zelf dat allemaal natuurlijk wel kon – was duidelijk een captatio benevolentiae die aantoonde hoezeer dergelijke auteurs (ook bijvoorbeeld De Vreese en Constant Peeters) wisten dat het nodig was de Vlamingen ervan te overtuigen dat ze werkelijk slecht spraken en schreven. Samen met de steeds herhaalde nadruk op het feit dat, door de uitvoerig beschreven situatie, de Vlaming niet goed "kon" spreken, was dat "wij" als het ware een smeekbede tot de Vlaming richtten om toch maar te aanvaarden dat hij inderdaad slecht sprak. Pas dan zou hij bereid zijn de raadgevingen voor een beter Nederlands te aanvaarden. Het zou hem ook sociaal geen windeieren leggen, verzekerde Meert, die natuurlijk ook wist hoezeer de opwaartse sociale mobiliteit van belang was: "'t Einddoel van de Vlaamsche Beweging? Ik stel me voor, dat de roeping van onzen taalstrijd is: ons volk tot zelfbewustzijn, tot zelfstandigheid op te wekken, het op te schrikken uit de betoovering welke een machtige, glanzende beschaving er op oefent... De moedertaal zou het werktuig zijn, dat ons volk tot hoogere beschaving zou doen stijgen."

Slechts de voornaamste getuigen in deze strijd werden aangehaald. Natuurlijk hebben nog anderen, zoals bijvoorbeeld Lodewijk Scharpé en Jakob Muyldermans aan deze strijd deelgenomen. Een bespreking daarvan zou ons te ver leiden. Daarom resumeren we liever nogmaals de twee belangrijkste standpunten:

1) Het particularistische standpunt: het Nederlands in België, of liever het Vlaams bevat ondanks de overvloed van gallicismen nog veel goed Nederlands, dat in het Noorden niet meer wordt gebruikt, zelfs niet in de schrijftaal. Laten we dit taalgoed weer doen kennen door het zowel te schrijven als te spreken; ook eisen we een plaats op voor dit Nederlands in de woordenboeken en in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). De gallicismenjagers gaan veel te ver, als ze in de hele Vlaamse letterkunde slechts een verzameling schrijvers zien, die hun taal niet kennen en dus taalbedervers zijn.

2) Het integrationistische standpunt: het in België gebruikte Nederlands is die naam onwaardig, het is gewestelijk, het is Vlaams. De meeste Nederlandssprekenden en -schrijvenden ontberen volkomen het taalgevoel voor het goede Nederlands. Laten zij in de leer gaan bij die Nederlandssprekenden, die het nog hebben, de Noord-Nederlanders. Niet om hun fouten te leren, bijvoorbeeld hun overdreven, echter oppervlakkig, gebruik van bastaardwoorden, maar om het goede te leren uit het Nederlands dat daar al als volwaardige taal bestaat en dus niet meer gevormd dient te worden. Eenheid van taal in Noord en Zuid is noodzakelijk, dit wil zeggen voor alles eenheid van bouw, syntaxis, ook uitspraak, veeleer dan eenheid van woordenschat.

De integrationisten hebben vooral bij monde van De Vreese en in tegenstelling tot wat de tegenstanders beweerden, wel degelijk oog gehad voor het opnemen van Zuid-Nederlands taalgoed. De Vreese nam een vrij modern standpunt in toen hij zei dat de toekomst zou uitwijzen of de spraakmakende gemeente een of ander gallicisme zou opnemen in haar gebruik of niet. Men bleef natuurlijk wel problemen hebben (soms tot vandaag toe) met de opvatting dat de Nederlanders te veel Franse woorden gebruikten om als 'navolgenswaardige' voorbeelden te kunnen gelden. Jacob F. Heremans verwoordde dat op het Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres van 1865 in Rotterdam reeds als volgt: "In Noord-Nederland... heeft men eenen ekel (sic) aan alles wat maar eenigszins naar eenen gallicism zweemt... maar men bezigt er met een gerust geweten gansche reeksen van Fransche woorden... Wij, Nederlanders uit het Zuiden, wij hebben schrik wanneer wij lezen van 'romanciers' en 'romancières', van 'explicaties en combinaties', van 'absurditeiten en autoriteiten', van 'consequenties en competenties', van 'signaleeren, motiveeren en ignoreeren', van 'annexies en connexies' en zelfs van... 'retourbiljetten'. Wij zijn tamelijk teleurgesteld, wanneer wij in Noord-Nederland, waar wij lessen van taalkennis en zelfstandigheid komen zoeken, in geene pleitzaal kunnen treden, zonder dat onze ooren tuiten van: 'revindicatoir, praeparatoir, conservatoir, interlocutoir, contradictoir en petitoir', van 'surcéances' of nog erger 'surchéances', van 'prescripties, excepties en expedities', van 'promessen en faillissementen', van 'subrogaties, organisaties, compensaties, rehabilitaties, cassaties, consignaties en inventarisaties'." Ook ten aanzien hiervan waren De Vreeses woorden, dat de toekomst uit zou wijzen wat aanvaard zou worden, profetisch.

Deze polemiek heeft gaandeweg ook de interesse van een ruimer publiek opgewekt en uiteindelijk de strijd in het voordeel van aansluiting bij de norm van het taalgebruik in Noord-Nederland beslecht. De tijd werkte in het voordeel van het 'integrationistische' standpunt en stelde vooral De Vreese in het gelijk. Zijn genuanceerde principes liggen ook nu nog voor het grootste gedeelte aan de basis van de huidige evolutie van het Nederlands in Vlaanderen. Om af te sluiten vermelden we dat er vanuit historisch-chronologisch standpunt in de lange 19de-eeuwse strijd voor het algemeen Nederlands drie perioden te onderscheiden zijn:

1) De fase tot rond 1850, waarin de taalminnaren kozen tussen "Vlaams" en "Nederlands", vooral inzake spelling (een discussie die eigenlijk al was begonnen tijdens het Verenigd Koninkrijk).

2) De fase tot rond 1890, waarin woordgebruik en stijl in toenemende mate aan bod kwamen en waarin bovendien de uiteenlopende taalopvattingen een rol gingen spelen in de politiek-ideologische twist tussen katholieken en liberalen.

3) De beslissende fase van de discussie waarin het pleit werd beslecht in het voordeel van het algemene(re) Nederlands.

Vanaf 1910: de "georganiseerde" taalzorg

Verenigingen

Vanaf ongeveer 1910 gingen individuen zich verenigen om op een min of meer geïnstitutionaliseerde manier aan taalzorg en taalplanning te doen. Een eerste vereniging opgericht ter bevordering van de kennis en het gebruik van de 'beschaafde' Nederlandse omgangstaal was de in Antwerpen op 14 juni 1913 gestichte Vereeniging voor Beschaafde Nederlandsche Uitspraak, met een driemaandelijks orgaan Mededeelingen, ons wapenhuis en archief. Het eerste nummer verscheen in november 1913 en bevatte een uitvoerig artikel Ons Standpunt: "De norm voor onze algemeene uitspraak zoeken wij, Zuidnederlanders, dus in het Noorden van ons Taalgebied." De nadruk lag nog steeds op de uitspraak. Een jaar na de stichting telde de vereniging ruim 1300 leden. Door de Eerste Wereldoorlog werd de activiteit afgebroken. Pas eind 1932 werd, alweer te Antwerpen, een nieuwe vereniging opgericht met als naam Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal (VBO). Bewust benadrukte zij niet alleen de uitspraak, maar besteedde ze ook de grootste aandacht aan het woordgebruik en de syntaxis. Ze gaf onder meer een tijdschrift uit, Stijl en Volk, met de programmatische ondertitel Orgaan... ter bevordering van den groei naar Stijl in den privaten en openbaren levensvorm van ons Volk.

Toen na de Tweede Wereldoorlog de eerste VBO ophield te bestaan werd in 1948, onder voorzitterschap van prof. Willem Pée, een tweede Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal gesticht. Ze wilde het algemeen Nederlands in de mondelinge omgang verbreiden en het juiste taalgebruik in het algemeen bevorderen. Vanaf 1951 werd een eigen tijdschrift Nu Nog uitgegeven. Op de wereldtentoonstelling 1958 kon de vereniging een Nederlands Taalcongres organiseren waardoor de aandacht op het Nederlands als communicatietaal in de wereld werd gevestigd. In 1979 werd de vereniging tot Vereniging Algemeen Nederlands omgedoopt en het tijdschrift kreeg de titel van Nederlands van Nu.

Handboeken

Een tweede vorm van georganiseerde werking was de publicatie van geschikte handboeken waaruit het algemeen Nederlands kon worden geleerd en waardoor het kon worden bevorderd. Er werd bewust gestreefd naar een zo groot mogelijke eenheid met het Nederlands van boven de Moerdijk en vooral de barbarismen werden bestreden. Tevens had men oog voor de gallicismen en de studie Gallicismen in het Zuidnederlandsch van Willem de Vreese bleek een rijke bron. Het belangrijkste werk in die periode was het monumentale boek Nederlandsche Taalgids. Woordenboek van Belgicismen (1930) van Constant Peeters dat, naar de schrijver hoopte "het zijne zal bijdragen tot verbreiding van een betere kennis der eigen taal in Zuid-Nederland, alwaar ze door verwaarloozing en versmading zoozeer in verval is geraakt". Uitgeverij De Sikkel oordeelde in 1949 dat er behoefte was aan een beknopte bewerking van de Taalgids. Ze droeg drs. Paul van Gestel (pseudoniem van Piet C. Paardekooper) op daaruit een ABN-Gids samen te stellen (1949), die weliswaar een beknopte uitgave was van het grote boek, maar toch een ander uitgangspunt had: "Tegenover schriftelijk taalgebruik met een iets grotere vrijheid staat de verzorgde Nederlandse spreektaal, die in haar gebruik over ons hele taalgebied een strenge eenheid blijkt te vertonen... Zodra die grenzen overschreden worden, mogen we spreken van dialect, of althans van dialectisch gekleurd ABN. Wat tot het verzorgde ABN behoort, wordt door niets anders bepaald als door het taalgevoel." Een nieuwe versie van de ABN-Gids verscheen nog in hetzelfde jaar, ditmaal onder de naam van Paardekooper zelf.

Ook over de uitspraak werden handboeken gepubliceerd. De eerste uitspraakleer na die van Karel L. Ternest was Nederlandsche Uitspraakleer (1912) van Lodewijk Scharpé. Het was het eerste (Zuid-Nederlandse) wetenschappelijk werkje over de Nederlandse uitspraak en het sloot helemaal aan bij de Noord-Nederlandse opvattingen. Ruim twintig jaar later verscheen de Praktische Uitspraakleer van de Nederlandse Taal (1934) van de Gentse hoogleraar Edgard Blancquaert, een boek dat in en buiten het onderwijs een zeer ruime verspreiding kende en aldus een beslissende invloed had op de evolutie van de gesproken taal in Vlaanderen. Willem Pée constateerde in een artikel in Onze Taal (maart 1963): "Blancquaert richt zich ook in de meeste gevallen naar het Noordnederlands gebruik. Hij is een bevorderaar van de taalkundige eenheid tussen Noord en Zuid, zonder daarom te 'hollandiseren', en staat zeer dikwijls het Noordnederlands gebruik voor, hoewel zijn persoonlijke opvatting het anders zou wensen." In 1946, bij de hervorming van het middelbaar onderwijs, werd Blancquaerts uitspraakleer als richtsnoer erkend voor alle takken van het rijksonderwijs. Sindsdien steunen in Vlaanderen bijna alle boeken over uitspraak op Blancquaert. De achtste druk (1969), werd door Pée bewerkt en "aan de eisen en mogelijkheden van de moderne taalkunde en de experimentele fonetiek" aangepast. In 1970 verscheen het Groot Uitspraakwoordenboek van de Nederlandse Taal van Robrecht H.B. de Coninck, een praktisch naslagwerk voor dagelijks gebruik. Onder auspiciën van de Nederlandse Taalunie wordt momenteel aan een nieuw uitspraakwoordenboek gewerkt.

Tot de handboeken die veel invloed op de ABN-verspreiding hebben gehad, behoort stellig ook de Beknopte ABN-Spraakkunst van Paardekooper (met medewerking van Cyriel Moeyaert en J. Peperstraete, 1963), die bijzondere aandacht besteedt aan taalzuivering, in het bijzonder in Vlaanderen.

Overheidsinitiatieven

Een derde organisatievorm van de taalzorg in Vlaanderen vinden we bij de Belgische overheid die initiatieven nam om vooral de ambtelijke taal te verbeteren. Hier moet de oprichting van vijf officiële commissies worden vermeld:

1) De Centrale commissie voor Nederlandse rechtstaal en bestuurstaal in België, opgericht bij Koninklijk Besluit van 18 september 1923, met de opdracht "de bepalingen van de grondwet, de wetboeken, de wetten en de gebruikelijke besluiten waarvan geen officiële tekst in de Vlaamse taal werd bekendgemaakt (dit wil zeggen van de wetteksten die voor het in voege treden van de Gelijkheidswet (1898) werden gestemd), in die taal te vertalen" (let op de benaming van onze taal!). De commissie was werkzaam tot in 1941 en bezorgde – weliswaar officieuze – (zonder kracht van wet) vertalingen van onder meer de grondwet, het burgerlijk en het strafwetboek en het wetboek van strafvordering. Voor 'officiële', door het parlement goedgekeurde, Nederlandse wetteksten voor de periode vóór 1898 werd bij Koninklijk Besluit van 5 april 1954 een nieuwe Commissie, belast met de voorbereiding van de Nederlandse tekst van de Grondwet, de Wetboeken en de voornaamste wetten en besluiten opgericht. De nieuwe Nederlandse tekst van de Belgische grondwet werd op 4 juni 1959 (ruim 125 jaar na het ontstaan van België) eenparig door de Kamer aanvaard.

2) Op binnenlandse zaken werd bij ministerieel besluit van 1 oktober 1930 een Permanente Commissie tot Bevordering van eenheid en vastheid in de Nederlandsche Bestuurstaal in België ingesteld die tot eind 1939 vergaderde en vier brochures met goedgekeurde benamingen uitgaf. In 1948 werd die taak door de Terminologische Commissie overgenomen. Zij ging ervan uit dat de Nederlandse administratieve taal in België zoveel mogelijk bij die van Nederland diende aan te sluiten.

3) De Commissie van koloniën voor het opmaken en herzien van de Nederlandse teksten van decreten, van reglementen, van het Koloniaal Handvest enzovoort werd opgericht in 1937. Ze bereidde tussen 1937 en 1953 heel wat rechtsgeldige decreten voor en aan de hand van de teksten werden woordenlijsten opgemaakt ten behoeve van de ambtenaren van het ministerie van koloniën.

4) De Subcommissie voor eenmaking der terminologie inzake sociaal recht werd te Brussel geïnstalleerd op 4 april 1952. Ze bestond uit 7 Vlaamse en 7 Nederlandse leden. De vrucht van haar werkzaamheden was een Sociaalrechtelijk Woordenboek (1958; 3de herziene en aangevulde uitgave in 1977).

5) De Centrale Commissie voor de Nederlandse Rechtstaal en Bestuurstaal in België, geïnstalleerd op 1 april 1954 had als taak "eenheid en vastheid in de Nederlandse rechtstaal tot stand te brengen en het gebruik van deze eenvormige terminologie te bevorderen" door onder meer "alle openbare besturen van advies te dienen en... Nederlandse teksten te verbeteren en zelfs op te maken".

Als verder overheidsinitiatief valt nog te vermelden de installatie in 1970 van de Raad voor Taaladvies door de toenmalige minister van Nederlandse cultuur. Deze raad bestond uit taalkundigen en taalpractici. Particuliere personen en instellingen konden de raad telefonisch en schriftelijk moeilijkheden inzake Nederlands taalgebruik voorleggen en kregen een deskundig taaladvies.

Na de oprichting van de Nederlandse Taalunie (het officiële akkoord tussen de Belgische en de Nederlandse regering werd in 1980 getekend, maar de effectieve werking van de Taalunie begon pas enkele jaren later), werden de officiële taalzorg- en adviesfuncties van de Vlaamse en de Nederlandse regeringen naar deze instelling overgeheveld. De Taalunie beperkte zich niet tot het verder subsidiëren van de bestaande taaladviestijdschriften Onze Taal (in Nederland) en Nederlands van Nu (in Vlaanderen). Ze ontwierp bovendien een taaladviespolitiek, iets wat voorheen onbestaande was. Er bestaat een Commissie Taaladviesoverleg (TAO) en een Taaladviescommissie (TC). De opdracht van de eerstgenoemde commissie is, zoals vermeld in het Jaarverslag 1993 van de Nederlandse Taalunie, "de afstemming tussen en de professionalisering van de verschillende taaladviesdiensten te bevorderen. Het centrale hulpmiddel daartoe is de opbouw van een databank met taaladviezen, bedoeld voor professionele taaladviseurs". Eveneens volgens het Jaarverslag 1993 treedt de TC op als een "normatief college dat garant staat voor het 'keurmerk' Taalunie aan taalkundige produkten. Deze commissie bestaat uit vooraanstaande Vlaamse en Nederlandse taalkundigen, mediamensen en letterkundigen. De TC kan onder meer een antwoord geven op lastige taalvragen, die niet door de TAO beantwoord kunnen worden. Ook zal deze commissie worden betrokken bij een aantal centrale projecten van de Taalunie waarbij normativiteit en taalkundige kwaliteit van belang zijn. Zo zal de commissie dienstdoen als Woordenlijstcommissie bij de voorbereiding van een nieuw Groen Boekje. Bij het nieuwe uitspraakwoordenboek zal de TC de kwaliteit en representativiteit bewaken." Voorts vermelden we dat, onder auspiciën van de Taalunie, ook een Samenwerkingsverband Nederlandse Terminologie (SaNT) werkzaam was. Dit verband moet op de meest diverse terreinen de eenvormigheid van de vakterminologie tussen Nederland en Vlaanderen verzekeren, casu quo instandhouden. De Nederlandse Taalunie is ten aanzien van 'normativiteit' terecht nogal terughoudend, maar wil de nodige informatie ter beschikking stellen van de bevolking en individuen en organisaties met taaladvies bijstaan als daar om wordt gevraagd.

Initiatieven in de communicatiemedia

In de jaren 1960 begonnen de belangrijkste Vlaamse kranten en tijdschriften met een taalrubriek (meestal "taaltuin" genoemd). Initiatiefnemer was Dr. Jan Grauls, die er in 1958 in De Standaard mee begon. Een aantal van die stukken is gebundeld in enkele Vlaamse Pockets. J. Roeland Vermeer, Maarten van Nierop en Erik Berode namen later achtereenvolgens die taak over. Grauls heeft werkelijk school gemaakt, want bijna alle kranten en heel wat tijdschriften begonnen ook met een dergelijke taalverzorgingsrubriek. J. Verhasselt, Marc Galle, Fons Fraeters, A. Major, Willy Penninckx, Annie van Avermaet en vele anderen behoorden tot de 'taaltuiniers' van het eerste uur. Ook een aantal van hun stukjes is verzameld in handige pocketboekjes.

Van 1962 tot 1973 zond de BRT-televisie een taalprogramma uit van Joos Florquin. Op de radio gaf Galle sinds 1965 een rubriek radiotaalwenken onder de titel Voor wie haar soms geweld aandoet. Ook een aantal van die tv- en radiotaaltips werden als pocketboek uitgegeven.

Conclusies

Taaladvies

Vanzelfsprekend heeft taaladvies in om het even welke vorm altijd een praktisch doel gehad. Men wilde de Vlamingen door het ter beschikking stellen van informatie helpen bij het overwinnen van hun taalonzekerheid. Maar daarnaast was er ook altijd een ander, niet minder belangrijk, doel. Dat bleef anderhalve eeuw lang een constante in de Vlaamse integrationistische strategie en bestond in het demonstreren van de taaleenheid van Noord en Zuid. Op die wijze wilde men voor binnenlandse doeleinden gebruikmaken van het prestige dat de Nederlandse standaardtaal als officiële taal van Nederland had verworven. De acties ter bevordering van de kwaliteit van het in Vlaanderen gebruikte Nederlands hingen overduidelijk samen met de contactsituatie met het Frans. Ook belangrijk was het feit dat het Nederlands in die situatie tot niet zo langgeleden minder prestige had. Het beroep op de taaleenheid met het Noorden was in beduidende mate een wapen in de taalstrijd!

De strategie die al door Willem de Vreese, Hippoliet Meert, Constant Peeters en anderen gebruikt werd bij het overtuigen van de Vlaamse bevolking was vrij eenvoudig. Het was dezelfde die voorheen al aangewend was om de particularisten te bekampen: indien je rechten wilt voor je eigen taal (en voor diegenen die ze spreken), dan moet je de prestigevariëteit van de taal gebruiken, die in de loop van de eeuwen slechts in Nederland is blijven bestaan. Die variëteit overnemen betekent eigenlijk niets anders dan je eigen erfenis weer opnemen die altijd op je is blijven wachten!

Uiteraard ging het hier om een ideologische actie die een beroep deed op politiek geïnspireerde gevoelens. Naarmate de tijd verstreek werden deze gevoelens bij steeds grotere delen van de bevolking populair. De resultaten van de eerste golf van taalplanning waren dus veeleer van attitudinele aard: de bedoeling was de bevolking ervan te overtuigen dezelfde taalvariëteit te gaan gebruiken als haar noorderburen. Pogingen om het effectieve taalgebruik bij die attitudes te laten aansluiten begonnen eigenlijk pas vanaf 1930, het jaar van de vernederlandsing van de Gentse universiteit.

Taalplanning

Het Nederlands dat in België vanaf het ontstaan van de nieuwe staat in 1830 werd geschreven, stoelde op een gedeeltelijk plaatselijke standaardisering van drie bronnen: de schrijftaal zoals die sinds de Middeleeuwen was overgeleverd, de plaatselijke dialecten en het Frans, de taal waar zovele Vlamingen voortdurend mee in contact kwamen. De bedoeling van de tweede generatie taalplanners was daarvan af te stappen. Het liefste wilde men beginnen met het Frans, waarna de andere aangehaalde punten zouden worden aangepakt. Het is geen toeval dat de belangrijkste publicaties in verband met corpusplanning (De Vreese, Meert en – later – Peeters) hun pijlen vooral op de gallicismen richtten en dat zij de Vlamingen 'goede', dat wil zeggen noordelijke, equivalenten wilden bieden voor de vele gallicismen die zij in de loop van vele eeuwen in hun taalgebruik hadden opgenomen. De effectieve overname van die noordelijke norm lag niet enkel aan attitudes. Ook en vooral bestond er een groot praktisch probleem aangezien er onvoldoende direct contact met de Nederlanders mogelijk was.

Daarom begon men pas na de Tweede Wereldoorlog werkelijk succes te boeken. De popularisering van de radio en daarna de televisie was daarbij ongetwijfeld bepalend. Een tweede daarmee verbonden stimulans was de reeds vermelde 'taaltuingolf', gecombineerd met een massale inzet van vele Vlaamse linguïsten. Vooral in de jaren 1960 en 1970 konden de Vlamingen niet alleen horen hoe de medewerkers van radio en televisie constant de noordelijke norm hanteerden, tevens boden diezelfde media taalzuiverende linguïsten de mogelijkheid hun kennis aan een groot publiek mee te delen. Ook de kranten waren betrokken bij het offensief de Vlamingen te helpen bij het verkrijgen van een grotere vaardigheid in de standaardtaal. Zoals voortdurend werd herhaald, was deze tenslotte hun eigen taal. De meeste programma's waren van het "zeg niet, maar zeg"-type.

De resultaten van deze gecombineerde krachtsinspanning waren verbazingwekkend. In de loop van een paar decennia kon bijna de hele bevolking kennelijk vrij goed vertrouwd worden gemaakt met een min of meer nieuwe taal of, juister gezegd, met een vrij onbekende variëteit van haar eigen taal.

Een ander opmerkelijk aspect van deze taalplanningscampagne was haar in essentie privaat karakter. Hoewel de integrationistische tendens van deze campagnes duidelijk op de morele steun van het grootste deel van het Vlaamse culturele establishment kon rekenen, was er van regeringszijde eigenlijk geen directe inbreng. Een van die privé-organisaties, de Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal, ging ervan uit dat de campagne voor een 'beschaafde' omgangstaal pas kans van slagen had wanneer de Vlamingen zoveel mogelijk van hun dialecten afstapten. Immers, het dagelijkse dialectgebruik verhinderde ernstig het vertrouwd worden met de standaardtaal. Daarom werden de Vlamingen voortdurend opgeroepen in zoveel mogelijk omstandigheden en met zoveel mogelijk gesprekspartners in de mate van het mogelijke de standaardtaal boven hun plaatselijke dialect te verkiezen. In de praktijk betekende dat dat het overgrote deel van de bevolking ervan moest worden overtuigd af te stappen van de taalvariëteit die zij gewend was in informele en zelfs in veel min of meer formele situaties en domeinen te gebruiken.

Onderzoek heeft aangetoond dat, hoewel het gebruik van de standaardtaal zowel kwantitatief als kwalitatief grote vooruitgang boekte, de kennis en het gebruik van de dialecten niet in dezelfde mate afnamen. Daaruit volgt de ietwat verrassende conclusie dat de doelstellingen werden bereikt, hoewel de strategie die men ervoor had uitgedokterd als een (gedeeltelijke) mislukking moet worden beschouwd. De taalplanningsmethode in kwestie deed inderdaad een nieuw en vrij onverwacht probleem ontstaan. De bedoeling van de taalplanningsmethode was immers zoveel mogelijk alle klassen van de bevolking met de standaardvariëteit vertrouwd te maken. In de plaats daarvan ontstond een sociaal gedetermineerde distributie van standaardtalige en niet-standaardtalige variëteiten, waarbij de standaardtaal niet alleen beter bekend en verbreid was in de hogere sociale en meer intellectuele klassen, maar bovendien geleidelijk als een sociale "marker" begon te functioneren. Het ziet er dus naar uit dat de taalplanners een politiek probleem hebben opgelost door een sociaal probleem te creëren. Tegelijkertijd moet er toch op worden gewezen dat de huidige situatie, gekenmerkt door een meer gecompliceerde distributie van dialect en standaardtaal, allicht een vrij 'normaal' en onvermijdelijk stadium is in een overgangssituatie van dialectverlies, een situatie die allicht vroeg of laat zou zijn opgetreden.

Onverwachte consequenties van taalplanning waren er niet alleen op het macro-, maar ook op het microniveau. Bij het aanpassen van zijn taalgebruik aan de noordelijke norm, wat werd verwacht, ondervond de Vlaming problemen met betrekking rond de uitspraak. Ook waren er moeilijkheden op het lexicale, het morfologische en het syntactische niveau.

Met de uitspraak hadden de Vlamingen ongetwijfeld de minste problemen. De vroegere gewoonte om, bij gebrek aan beter, de spelling als de ultieme norm voor de uitspraak te beschouwen, was al een hele tijd aan het verdwijnen. De convergentie met de noordelijk norm is nu bijna totaal, afgezien van enkele prosodische kenmerken (intonatie en ritme) die niemand ooit van plan geweest is op te geven.

Ook op het lexicale vlak voltrekt zich een dergelijke convergentie, maar zij loopt minder van een leien dakje. Lexicale standaardisering is gedurende de afgelopen decennia een van de best onderzochte sociolinguïstische 'issues' geweest. Daardoor weet men dat de hardnekkige en vaak bittere discussies in verband met de lexicale norm, dat wil zeggen over hoeveel zuidelijke inbreng in de norm van het algemeen Nederlands mag of zou moeten blijven bestaan, nog altijd min of meer voortduren. De woordenschat spreekt ongetwijfeld het meest tot de verbeelding van de gemiddelde taalgebruiker en lexicale veranderingen gaan maar zelden onopgemerkt voorbij. Een algemene (en oude) tendens is de zeer negatieve attitude ten aanzien van Franse invloed, in die mate dat taalplanners zich bezondigen aan overdreven ijver die vaak tot purismen aanleiding geeft. Zowel de zuidelijke dialecten als de noordelijke standaardtaal kennen nogal wat Franse woorden en dit zijn niet altijd dezelfde. Overijverige puristen hebben dan ook een lange traditie van hypercorrectie ontwikkeld. De interessantste gevallen zijn die waar zowel de dialecten als de standaardtaal dezelfde Franse leenwoorden hebben (type "paraplu, punaise" enzovoort) en waar er niettemin in de zuidelijke variëteit van het Nederlands purismen zijn ontstaan (type "regenscherm, duimspijker"), die noch in de (noordelijke) standaardtaal, noch in de dialecten bestaan.

Hypercorrectie is een symptoom van taalonzekerheid en dat is dan weer een onvermijdelijk kenmerk van vlugge verandering. Een andere interessante uiting van taalonzekerheid is te vinden op het gebied van de morfologie. Morfologische en syntactische problemen die door taalplanning ontstaan, werden totnogtoe vrij weinig onderzocht en hetzelfde geldt voor Noord-Zuid-variatie op die gebieden in het algemeen. Toch is er een belangrijke uitzondering, namelijk het probleem van de aanspreekvormen (de pronomina van de tweede persoon). In tegenstelling met de zogenaamde T-V afwisseling in de standaardtaal bestaat er in de meeste zuidelijke dialecten een eenheidspronomen: "gij" tegenover "jij-u". Ondanks vele taalplanningsinspanningen bleef dit eenheidspronomen in de standaardtaal van vele Vlamingen lang hardnekkig standhouden, in die mate zelfs dat het meestal als een inherent kenmerk van die standaardtaal werd beschouwd. De campagne van de jaren 1960 en 1970 slaagde er echter in ook hierin een bres te slaan. Maar, een eenheidspronomen vervangen door een uitgebalanceerd T-V systeem is niet alleen een kwestie van goede wil. Ook diegenen die de theoretische beslissing hebben genomen zich naar de noordelijke norm te schikken hebben met de praktische uitvoering daarvan vaak de grootste problemen. Het resultaat is vaak een "pronominale chaos", op zichzelf ook een teken van taalonzekerheid.

Samenvattend: de voor Vlaanderen typische vorm van taalplanning, te weten een niet-officiële krachtsinspanning om te proberen de zuidelijke taalgewoonten in noordelijke richting om te buigen, bestaat al heel lang. Na een periode van op attitudinele wijziging gerichte statusplanning is er een vrij korte, maar bijzonder krachtige corpusplanningscampagne gekomen die vanuit het gezichtspunt van haar voorstanders als geslaagd mag worden beschouwd. Dat neemt niet weg dat ze ook enkele even onverwachte als interessante nevenverschijnselen heeft opgeleverd, te weten een sociaal gedetermineerde distributie van standaardtalige en substandaardtalige variëteiten alsmede taalonzekerheid en hypercorrectie. Dit is een gevolg van het feit dat de gemiddelde Vlaming, die zowel endogene als exogene vormen wantrouwt, nog steeds 'lijdt' onder Franse interferentie als gevolg van taalcontact. Er kan echter nauwelijks aan worden getwijfeld dat dit de onvermijdelijke kenmerken van een overgangsperiode zijn. De toenemende zelfzekerheid van de jongere generaties is trouwens het beste bewijs voor het overgangskarakter van de huidige situatie. De taalstandaardisering gaat voortdurend verder en beweegt in de richting van de noordelijke norm, zowel bewust als onbewust.

Literatuur

J.B. David, Tael- en Letterkundige Aenmerkingen, 1856; 
G. Gezelle, 'Etudes de philologie néerlandaise. Les Flaminguistes', in Le Muséon, jg. 4 (1885), p. 114-116; 
H. Meert, 'Taalpolitie toegepast op Cato Censorius', in De Toekomst (november 1891), p. 385-406; 
D. Claes, 'Taalpolitie toegepast op Cato Schabeletter', in De Toekomst (februari 1892); 
J. Muyldermans, Verzameling der meest voorkomende Moeilijkheden, Gallicismen en Germanismen in onze Taal. Bijdragen tot Taal- en Stijlzuivering, 1893; 
J. Broeckaert, Bastaardwoordenboek, 1895; 
H. Meert, Distels. Proeve van Taalzuivering te gebruiken bij het Onderwijs in de Nederlandsche Taal, 1897; 
id., Onkruid onder de Tarwe, 1899; 
W. de Vreese, Gallicismen in het Zuidnederlandsch. Proeve van Taalzuivering, 1899; 
L. Scharpé, Nederlandsche Uitspraakleer, 1912; 
C.H. Peeters, Nederlandsche Taalgids. Woordenboek van Belgicismen met verklaring en opgave van de overeenkomstige woorden en uitdrukkingen in het algemeen Nederlandsch, 1930; 
M. de Vroede, 'Het Nederlands Congres van 1849', in Cultureel Jaarboek van de provincie Oost-Vlaanderen (1949), p. 289-332; 
J.L. Pauwels, 'In hoeverre geeft het Noorden de toon aan?', in Nu Nog (1954), p. 1-9; 
R. Haeseryn, 'De pennetwist om het algemeen Nederlands in België omstreeks 1900', in Taal en Tongval, jg. 11 (1959), p. 84-91; 
J. Boets, 'Gezelle, de "flaminguist"', in Spiegel der Letteren, jg. 13 (1970), p. 174-188; 
J. Goossens, 'De Belgische uitspraak van het Nederlands', in De Nieuwe Taalgids jg. 63 (1973), p. 54-70; 
K. Deprez en G. Geerts, 'Lexical and Pronominal Standardization in the Evolution of Standard Netherlandic in West-Flanders', in Zeitschrift für Dialektologie und Linguistik (Beihefte Neue Folge, nr. 22, 1977); 
T. Suffeleers, Taalverzorging in Vlaanderen, 1979; 
K. Deprez, Naar een eigen identiteit, 1981; 
R. Willemyns, 'Taalgebruik en taalgedrag als klasse-indicatoren', in De Nieuwe Taalgids, jg. 74 (1981), p. 134-148; 
H. Vanacker, De "Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen" en de vernederlandsing van het onderwijs (Gentse Bijdragen tot de literatuurstudie, nr. 4, 1982); 
W. Haeseryn, Terminologie (Voorzetten, nr. 2, 1985); 
L. Cassier en P. van de Craen, 'Vijftig jaar evolutie van het Nederlands', in J. Creten, G. Geerts en K. Jaspaert (ed.), Werk in uitvoering, 1986, p. 59-73; 
R. Willemyns, 'Regionalismen in het Nederlands', in Verslagen en Mededelingen van de KANTL (1986), p. 108-131; 
P. van de Craen en R. Willemyns, 'The Standardization of Dutch in Flanders', in The International Journal of the Sociology of Language, jg. 73 (1988), p. 45-64; 
R. Willemyns, 'Language Planning as an indicator of linguistic change', in Georgetown University Roundtable on Languages and Linguistics, 1988, p. 349-357; 
M. van der Plas, Mijnheer Gezelle, 1990; 
R. Willemyns, 'Taalontwikkeling in de Zuidelijke Nederlanden na de politieke scheiding', in Verslagen en Mededelingen KANTL (1992), p. 99-115; 
R. Willemyns, 'Integration vs. particularism. The undeclared issue at the first "Dutch Congress" in 1849', in J. Fishman (ed.), The Earliest Stage of Language Planning, 1993, p. 69-83; 
R. Willemyns, Leonardus Lodewijk De Bo. Dialectoloog en particularist (Cahier Westvlaamse schrijvers, nr. 161, 1993).

Verwijzingen

zie: Katholieke Studentenactie.

Auteur(s)

Roland Willemyns; René Haeseryn