Stroobant, Eugeen E.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Turnhout 30 januari 1819 – Brussel 6 mei 1889).

Was afkomstig uit een burgerlijk milieu. Stroobant werd na zijn middelbare studie te Diest in 1836 notarisklerk in zijn geboortestad en vervolgens, in 1840, te Brussel. In 1855 werd hij tot notaris benoemd te Sint-Pieters-Leeuw en later te Sint-Gillis. Van 1874 af oefende hij dit beroep te Brussel uit.

De katholiek Stroobant toonde al tijdens zijn humanioratijd in Diest belangstelling voor de Nederlandstalige literatuur en stichtte er de literaire kring Trouw en Broederliefde. Hij speelde in de hoofdstad een actieve culturele en flamingantische rol. Reeds in 1842 behoorde hij aldaar tot de initiatiefnemers van het Nederduitsch Tael- en Letterkundig Genootschap. Hij was daarnaast in 1849 een van de stichters van het Vlaemsch Midden-Comiteit, dat de Vlaamsgezinde acties wilde coördineren, maar hierin nooit echt slaagde.

Hij ijverde vooral voor een wederopleving van het Nederlandstalig toneel in Vlaanderen en in het bijzonder voor een Nederlandstalig toneelrepertoire te Brussel. Met het oog daarop schreef, bewerkte en vertaalde hij toneelstukken. Het toneel diende volgens hem de nationale geest te stimuleren. Een intense activiteit ontplooide hij sedert 1845 in de Brusselse toneelmaatschappij De Wijngaerd. Het daaropvolgende jaar werd hij voorzitter en hij bleef deze functie vervullen tot aan zijn overlijden. Onder zijn voorzitterschap kende De Wijngaerd een groeiend succes en organiseerde onder andere de Septemberfeesten in Brussel. Het toneelgezelschap werd onder zijn impuls een verzamelplaats voor Vlaamsgezinden.

Daar Stroobant representatief was voor de flamingantische taalactie te Brussel, werd hij op voordracht van minister Pierre de Decker in 1856 benoemd tot lid van de Grievencommissie. Daar maakte hij zich verdienstelijk inzake de taaleisen betreffende het openbaar bestuur in Vlaanderen. Hij meende dat de actieve politiek hem nog meer mogelijkheden zou bieden in de strijd voor de culturele ontvoogding. In de lijn van deze stelling werd hij in 1861 lid van het Centraal Bureau van het Vlaamsch Verbond, dat de Vlaamsgezinden nationaal wilde organiseren en aan de verkiezingen wilde deelnemen. Dit initiatief mislukte.

In 1872 had hij zich te Brussel, als Vlaamsgezinde kandidaat, reeds tweemaal, telkens samen met onder meer Hendrik Conscience en Lucien Jottrand, in de politieke strijd geworpen, zonder resultaat evenwel. Als kandidaat op de lijst van de katholieke Kiezersbond en onafhankelijken werd hij in 1884 toch tot volksvertegenwoordiger gekozen, een mandaat, dat in 1888 verlengd werd. Hij was van bij de oprichting in 1886 lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.

Werken

Myne eerste vlerken, 1842; 
Victor Hugo's balladen, 1845; 
Gedichten, 1855.

Literatuur

E. Gubin, Bruxelles au XIXe siècle: berceau d'un flamingantisme démocratique (1840-1873), 1979; 
Theater en Theaterleven te Brussel na 1830, 1993.

Verwijzingen

zie: Vlaemsche Commissie.

Auteur(s)

Jan Hardy; Sam van Clemen