Standaard, De (1914-)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

dagblad, opgericht in 1914 en voor het eerst verschenen op 4 december 1918.

De krant is ontstaan uit een brede kring van vooraanstaande katholieke Vlaamsgezinden, grotendeels voortgekomen uit de studentenbeweging, die rond 1900 tot de conclusie waren gekomen dat een leidinggevende publicatie voor de V.B. noodzakelijk was. Eigen Leven, een groepering waarin Maria Belpaire geestverwanten samenbracht, sprak zich in 1898 uit voor een weekblad, omdat men het nog te vroeg achtte voor een dagblad. Op het Davidsfondscongres te Lier in 1905, naar aanleiding van het 75-jarige bestaan van België, werd gepleit voor een algemeen katholiek Vlaams dagblad en in 1906 verscheen het intellectuele weekblad Hooger Leven als wegbereider van zulke krant. In 1907 werd in Antwerpen het Katholiek Vlaamsch Secretariaat opgericht, een pressiegroep waarvan de promotors, Alfons van de Perre, Arnold Hendrix en Frans van Cauwelaert, ook de promotors van de nieuwe krant wilden zijn. In 1911 richtte het driemanschap de samenwerkende vennootschap Volksontwikkeling op, die op 1 september 1911 begon met de uitgave van het populaire, geïllustreerde weekblad Ons Volk Ontwaakt. Een nieuwe stap was in 1912 de jaarvergadering van het Katholiek Vlaamsch Oud-Hoogstudentenverbond (KVOHV) van Antwerpen, waar Van Cauwelaert het denkbeeld van een krant verdedigde en besloten werd een vennootschap op te richten waarvoor Van de Perre de uitgave-problematiek in binnen- en buitenland ging bestuderen. In 1914 werd op een bijeenkomst van het genoemde verbond besloten, de krant inderdaad uit te geven. In april 1914 waren er 599 aandelen geplaatst, waarvan 103 voor rekening van Van de Perre. Op zaterdag 2 mei 1914 werd in Antwerpen de stichtingsakte ondertekend (die onder meer door Lodewijk Dosfel was voorbereid). Van Cauwelaert werd voorzitter van de raad van bestuur en Van de Perre afgevaardigd bestuurder. In de raad zetelden vertegenwoordigers uit de verschillende gouwen van het KVOH. De titel van de krant ontleende men aan een bekend protestants dagblad uit Nederland.

De bedoeling was De Standaard in november 1914 te laten verschijnen, maar toen het Duitse leger op 4 augustus 1914 België binnenrukte, werd de publicatie afgelast. Hendrik Borginon, die als eerste redacteur was aangesproken, en zijn vriend Filip de Pillecyn, die als redactiesecretaris was aangeworven, werden in de loop van de oorlog leiders van de geheime Frontbeweging. Van de Perre en enkelen van zijn vrienden werkten achter het front mee aan een nieuwe publicatie, De Belgische Standaard, die echter niet rechtstreeks met De Standaard te maken had. Een concurrent van dit blad was Ons Vaderland, die als krant van de Frontbeweging werd beschouwd. Zo werd de grote eenheid, die voor de oorlog bestond onder de velen die De Standaard wilden oprichten, door de oorlogssituatie verbroken. Toch werkte De Pillecyn, trouw aan zijn vooroorlogse overeenkomst, later een tijdlang aan De Standaard mee, tot bleek dat er geen samenwerking mogelijk was tussen de minimalisten (de strekking van Van Cauwelaert en Van de Perre) en de maximalisten van de Frontbeweging en de gewezen activisten (activisme).

Het interbellum: tussen maximalisten en minimalisten

Het eerste nummer van De Standaard droeg de datum van 4 december 1918 en verscheen op twee grijze pagina's op de gehuurde persen van een Brusselse drukkerij. Het blad kreeg een beginoplage van 4000 exemplaren en werd, met primitieve middelen, samengesteld door een vijfkoppige redactie en met de hulp van een aantal onbezoldigde en amateuristische correspondenten. Zij werkten in zulke moeilijke omstandigheden, dat de eerste redactiesecretaris er zijn gezondheid bij inschoot: Jan Geyens, een door de oorlog verzwakte pater die door zijn congregatie ter beschikking was gesteld omdat Filip de Pillecyn nog onder de wapens was.

Hoger dan een oplage van 12.000 exemplaren is De Standaard in het eerste decennium niet geraakt. Politiek gezien werd het blad fel bekampt, eerst door de hoofdzakelijk Franstalige belgicisten, daarna ook door de Vlaams-nationalisten. In zijn eerste periode, die zo'n tien jaar heeft geduurd, was De Standaard, nu eens wat meer en dan eens wat minder, de spreekbuis van de Katholieke Vlaamsche Kamergroep. Frans van Cauwelaert, leidende figuur in die toen nog weinig machtige Kamergroep, trad een tijdlang op als de redactionele leider. Alfons van de Perre, die eerder de financiële leiding van het bedrijf in handen had en een aanzienlijk deel van zijn persoonlijk fortuin investeerde, liet eveneens zijn invloed gelden. Dat leidde weleens tot spanningen, omdat Van de Perre dichter bij de Vlaams-nationalisten stond. Zo was hij bijvoorbeeld de ziel van het verzet tegen het geheime Frans-Belgisch Militair Verdrag in 1920, "het bloedaccoord". Hij liet ook de activist Lodewijk Dosfel in het geheim meewerken aan de krant en betaalde hem uit eigen portemonnee, tot Dosfel het niet langer eens kon zijn met de naar zijn mening te gematigde 'Vlaamse lijn' van het blad.

Onder Van de Perres bestuur kreeg De Standaard in 1920 zijn eerste drukkerij, met tweedehands gerief opgericht in een oude fabriek aan de Jacqmainlaan in Brussel. Meer dan vijftig jaar bleef dit het adres van de zaak. Er kwam een Antwerpse editie van De Standaard, onder de naam De Morgenpost, bij wijze van steun voor de politiek van Van Cauwelaert, die in 1921 burgemeester van Antwerpen werd met de baanbrekende christen-democratische-socialistische coalitie. Ons Volk Ontwaakt, dat in juni 1919 opnieuw was verschenen, werd in de vennootschap opgenomen en er ontstond ook een samenwerking met verscheidene tijdschriften, onder meer Muziekwarande, Tooneelgids en De Mode van den Dag. Nadat de krant verscheidene brochures over actuele Vlaamse problemen had gepubliceerd, nam men in de winter van 1920-1921 het initiatief voor een Standaard-Bibliotheek, waaruit een Standaard Boekhandel groeide die op 6 augustus 1924 officieel als een afzonderlijke afdeling werd gesticht. Een stevige rol werd daarin gespeeld door Marcel Cordemans, gewezen secretaris van Van de Perre, daarna redacteur en sinds 1922 hoofdredacteur van de krant.

Bij de opbouw van hun bedrijf lieten de stichters zich leiden door de ideeën van Lodewijk de Raet. Op de eerste naoorlogse meeting van zijn partij in Antwerpen, eind december 1918, betoogde Van Cauwelaert dat de Vlaamse zaak een rechtszaak was maar ook een machtsvraag was geworden. Om recht te krijgen moesten de Vlamingen macht veroveren. Van Cauwelaert pleitte voor een sterke organisatie van de Beweging. Van de Perre verwees op diezelfde meeting naar het komende algemeen stemrecht en zei "dat de volksregering ons geven zal het recht dat de anti-Vlaamse kaste, de oligarchie, ons harteloos weigert". Met die oligarchie werden vooral de financieel-economische machthebbers bedoeld. Wilden de Vlaamsgezinden iets bereiken, dan moesten zij de strijd met die machthebbers aanbinden. Volgens de mensen van De Standaard kon dat best door zelf een eigen economische macht op te bouwen. Herinneren wij hier, in dat licht, aan de oprichting van de Algemene Verzekeringsmaatschappij Mercator door mensen uit de kringen achter de krant, aan de oprichting van verscheidene banken in dezelfde periode en aan de stichting, in 1926, van het Vlaams Economisch Verbond (VEV).

Van de Perre, die ziek uit de oorlog was gekomen, moest zich na een paar jaar van drukke activiteit gewonnen geven en overleed in 1925, op 53-jarige leeftijd. Na zijn heengaan groeiden de spanningen in hoofdredactie en bestuur. Cordemans, die op binnenlands politiek gebied dicht bij Van de Perre stond en wiens journalistieke opvattingen in de Eerste Wereldoorlog in Engeland waren gegroeid, had de traditie gevestigd van een goede buitenlandse kroniek, waarin hij zich kantte tegen de Maurassianen en tegen het opkomende fascisme, maar hij viel niet in de gratie van de nieuwe sterke man in het bedrijf: Gustaaf Sap.

Sap, die via zijn huwelijk relaties had met de Antwerpse scheepvaartkringen en een welstellend man was geworden, zodanig dat hij De Standaard financieel kon steunen, stond dicht bij het ideeëngoed van de Vlaams-nationalisten. Hij vond een sterke medewerker in Fernand van den Eynde, de jonge directeur die kort voor de dood van Van de Perre was aangeworven. Van den Eynde behoorde, net als Sap, tot de vriendenkring rond priester Eugeen van de Perre, broer van Alfons, die achter de schermen veel invloed uitoefende. Marnix Gijsen was een van de door de priester aangebrachte jonge medewerkers, net als de officier Adriaan van Coppenolle, wiens artikels veel hebben bijgedragen tot de verbetering van de taaltoestanden in het leger.

Van den Eynde voerde een technische vernieuwing door en liet het weekblad Ons Volk Ontwaakt groeien tot een winstgevende steunpilaar van het bedrijf. De aanpassingen waren mede de aanleiding tot een kapitaalverhoging, die Sap de gelegenheid gaf om de macht in de vennootschap over te nemen. Gedreven door zowel onvrede over de gevoerde Vlaamse politiek als door zijn eigen politieke ambitie veroverde Sap (onder meer dankzij de priester) de meerderheid, waarvan hij in 1929 effectief gebruik ging maken. Na verloop van tijd zag Van Cauwelaert zich daardoor verplicht, de zaak te verlaten. Dat was het begin van een strijd tussen de twee voormannen, die in de jaren 1930 dramatische hoogtepunten bereikte en die zwaar op de verhoudingen in Vlaanderen woog.

De periode-Sap werd gekenmerkt door een paar historische gebeurtenissen in de V.B. en de Belgische staat. In februari 1930 ging de droom van een eigen universiteit (Gent) in vervulling, twee jaar later kwamen het secundair onderwijs en de rijksadministratie aan de beurt voor een wet over de taalgelijkheid (onderwijs, bestuur). De Standaard verwelkomde deze revolutionair geachte beslissingen, waarvoor hijzelf zo fel de trom had geroerd. Meteen ging hij de strijd aan voor de correcte toepassing van die wetten.

Sap begon zijn bedrijfsleiding metterdaad in 1929. Een van zijn eerste beslissingen gold hoofdredacteur Cordemans die werd vervangen door een ander redactielid, Jan Boon. Nog in hetzelfde jaar gaven Sap en Van den Eynde hun bedrijf een meer stevige grondslag door de publicatie van een populaire editie, Het Nieuwsblad, dat vooral de sport en de gewestelijke berichtgeving als promotiemiddel ging gebruiken via een nieuw element in de Vlaamse dagbladpers: een groep 'propagandisten'. Ondertussen begon Boon, een geboren polemist, een meer dynamische journalistiek te bedrijven in De Standaard. Het blad werd radicaler Vlaamsgezind en voerde onder meer campagnes tegen de 'denationalisering' van de Vlamingen in Brussel (waarmee de verfransing van de oorspronkelijke bevolking en van de Vlaamse inwijkelingen werd bedoeld). Geestdriftig pleitte Boon voor de promotie van "de Vlaamse gentleman": de stijlvolle intellectueel die zijn volk meer opvoeding, meer verfijning, meer cultuur moest bijbrengen en die, nu de wetgever voor de nodige wettelijke basis had gezorgd, zijn rechtmatige plaats in de Belgische samenleving moest innemen. Groot belang hechtte hij aan cultuur- en geestesleven, wat onder meer tot uiting kwam in een wekelijkse pagina waarvan Gijsen de vedette werd. Andere klinkende namen van medewerkers uit die tijd waren onder meer De Pillecyn en Urbain van de Voorde, terwijl de leiding berustte bij De Standaard-redacteur Herman Bossier.

Boon, die zijn blad ook meer strijdend katholiek-gelovig maakte, kreeg weleens last met de kerkelijke overheid. Die vond dat hij in zijn geschriften rond Mariaverschijningen in de jaren 1933-1934 te ver ging, maar ze was vooral ongerust en zelfs verbolgen omdat hij, in zijn veldtocht tegen de 'denationalisering', het katholieke onderwijsnet niet spaarde. Kardinaal Ernest-Joseph van Roey zou zijn leven lang de krant met een achterdochtig oog lezen. Natuurlijk had dit bovendien te maken met de politiek van Sap zelf, die zich onafhankelijker ging opstellen binnen de katholieke partij.

In 1935 publiceerde het blad naar aanleiding van het Guldensporenfeest (Guldensporenslag) zijn ophefmakende "negen punten" waarmee het de V.B. een nieuw elan wilde geven. Alles bijeen had de politiek van de minimalisten volgens de krant niet het gewenste resultaat opgeleverd. Er moesten nu sterkere eisen gesteld, nieuwe wegen gezocht worden. Zo werd De Standaard een der grote promotors van de Vlaamsche Concentratie-politiek, een streven naar samenwerking tussen de Vlaamsgezinde vleugel van de katholieke partij en de Vlaams-nationalisten. Toen deze politiek (met corporatistische inslag) niet lukte, onder meer door het verzet van de christen-democraten tegen het groeiende rechtse gedachtegoed, bleef de krant hardnekkig ijveren voor een rechts front, tegenhanger van een links volksfront dat men naar het Franse voorbeeld vreesde te zien ontstaan. Sap wilde daartoe zelfs gaan samenwerken met de Rex-beweging van de Waal Léon Degrelle.

Mede onder invloed van Boon was De Standaard in die periode een felle bestrijder van het communisme, maar ook van 'het nieuwe heidendom' in het groeiende nazi-Duitsland. In het licht van wat in Abessinië, Spanje en Frankrijk gebeurde, en van de groeiende algemene oorlogsdreiging, bepleitte de krant het afzeggen van het Frans-Belgisch Militair Verdrag, daarna de vestiging en versteviging van de Belgische neutraliteit zoals koning Leopold III die voorstond.

In de verhitte sfeer van toen werd in de binnenlandse politiek een ingewikkeld conflict uitgevochten tussen Van Cauwelaert en Sap, en tussen de katholieke eerste minister Paul van Zeeland en Sap. Politieke en maatschappelijke opvattingen en niet minder persoonlijke tegenstellingen en ambitie speelden een rol. Sap werd zelfs, omwille van zijn samenspel met Rex en zijn optreden tegen Van Zeeland, uit de katholieke partij gestoten. Na verloop van tijd kon hij op dit gebied zijn goed recht bewijzen en keerde hij terug, als minister. Zijn (buiten de krant ondernomen) pogingen om Van Cauwelaert in diskrediet te brengen, slaagden niet. Zijn vriend en medestrijder Leo Vindevogel, die geruime tijd als politiek commentator aan De Standaard meewerkte, werd om die reden uit het Algemeen Christelijk Werk(nem)ersverbond gestoten. Een en ander gaf aanleiding tot de oprichting van een anti-Standaard, De Courant, die tussen 19 september 1937 en 30 april 1939 werd uitgegeven met de steun van christelijke sociale organisaties, enkele industriëlen en vooral van Léon Bekaert.

Dankzij het stijgende succes van Het Nieuwsblad, van de handelsdrukkerij en van het weekblad Ons Volk ('Ontwaakt' viel weg uit de titel) was de onderneming zakelijk belangrijk geworden. Op 4 juni 1939 boekte zij een grote aanwinst. Die dag werd "Sportwereld" van Karel van Wijnendaele in Het Nieuwsblad opgenomen. In zes maanden tijd steeg de oplage van die krant toen van 145.000 tot 190.000 exemplaren. De Standaard zelf moet er toen zowat 35.000 hebben gedrukt. Een medewerker van Van Wijnendaele zou nadien een rol spelen in De Standaard: Paul de Mont. Deze populaire toneelschrijver was in 1930 de leidende redacteur geworden van Het Algemeen Nieuws. Via die journalistiek was hij in contact gekomen met Degrelle, verliet de krant in 1936, werd rexistisch senator en leidde een tijdlang de Vlaamse rexisten. Ontgoocheld over het anti-Vlaamse en onserieuze gedrag van Degrelle en diens vrienden, nam De Mont in 1938 ontslag en van 7 september 1939 af tot aan de Duitse inval in 1940 schreef hij als Oslower in De Standaard leidende bijdragen in neutralistische zin, over de oorlogsachtergronden.

Op 1 september 1939 nam Boon de leiding over het Nationaal Instituut voor Radio-omroep en verliet de krant waar hij werd opgevolgd door een interim-hoofdredacteur, Karel C. Peeters, totnogtoe redacteur van De Morgenpost. Op 19 maart 1940 overleed Sap (54 jaar) onverwachts aan een hartaanval. Op dat ogenblik was De Standaard, naar eigen zeggen, de grootste katholieke dagbladuitgeverij in Vlaanderen. Qua oplage stond zij op de vierde plaats van de Belgische krantenlijst en op de tweede van de Vlaamse (na Het Laatste Nieuws). De Standaard-groep telde toen een twintigtal stafredacteurs, maar stelde zijn kolommen van zijn dagelijkse acht tot twaalf pagina's open voor heel wat namen uit het intellectuele en sociaal-economische leven van katholiek Vlaanderen.

De Tweede Wereldoorlog en zijn lange nasleep

Bij de intocht van de Duitse troepen in mei 1940 vielen de persen van De Standaard stil, maar onder de druk van de bezetter en van mensen die wilden "redden wat er te redden valt" kwam, naar het voorbeeld van een aantal andere persbedrijven, weldra een nieuw blad tot stand waarvan de initiatiefnemers geloofden dat "een katholieke Vlaamse aanwezigheidspolitiek" nuttig en zelfs noodzakelijk was. Toen de uitgevers weigerden de titel van De Standaard te gebruiken, eiste de Duitse overheid een andere, reeds bestaande naam. De keuze viel op Het Algemeen Nieuws. Onder dezelfde raad van bestuur en met ongeveer dezelfde redactie als voor de oorlog wilde men een 'informatief blad' uitgeven, niet afhangende van een collaboratiepartij of -groep, wel duidelijk gewonnen voor een brede Vlaamse samenwerking en een 'nieuwe ordening' van de samenleving. Karel C. Peeters kreeg van de Duitsers verbod om zijn taak weer op te nemen en werd opgevolgd door Alfons Martens, totnogtoe hoofdredacteur van het weekblad Ons Volk, waarvan de publicatie werd gestaakt.

De positie van informatiekrant kon men moeilijk volhouden en Het Algemeen Nieuws offerde op zijn beurt aan 'de nieuwe orde', zonder in grote excessen te vervallen. De leidende gedachte van de redactie steunde op de reeds voor de oorlog levende corporatistische opvattingen en op de idee van 'Vlaams recht binnen België'. Naarmate de oorlog evolueerde, werd het blad kleurlozer, tot de Duitse overheid vond dat het te 'attentistisch' was. In maart 1944 stelde de bezetter een Verwalter aan en die verving de hoofdredacteur door een uitgesproken collaboratiefiguur van buiten de firma. Directeur Ferdinand van den Eynde mocht zich nog alleen met de handelsdrukkerij bezighouden. Na de bevrijding van België moesten enkelen zich voor het gerecht verantwoorden en de directeur bezweek onder de grote spanning van die dagen.

Nog voor de bevrijding waren de belangrijkste eigenaars van de Standaard-onderneming benaderd door Léon Bekaert en Tony Herbert. Deze industriëlen voorzagen dat De Standaard na het vertrek van de bezetter moeilijkheden zou krijgen en zij wilden een poging wagen om de zaak te redden en haar dienstbaar te maken aan de door hen in Vlaanderen en België nagestreefde vernieuwingen. Daartoe moest het bedrijf een ander bestuur en een andere redactie krijgen. In de loop van 1944 werd een gentleman's agreement gesloten waarbij De Standaard aan de groep Bekaert-Herbert de mogelijkheid bood, de dag- en weekbladen van de vennootschap uit te geven in de gebouwen, met de technische apparatuur van het bedrijf en met het personeel, gedurende een periode van twee jaar. Op 5 oktober 1944 liet de nieuwe groep, De Gids, de kranten opnieuw verschijnen, maar weldra moest hij, onder druk van politieke tegenstanders, de naam van De Standaard veranderen in De Nieuwe Standaard teneinde "de breuk met het verleden" duidelijk te maken. Het Nieuwsblad en Ons Volk konden hun titels behouden.

De ideoloog van De Gids was Herbert. Hij wenste een krant met hoog niveau, naar het voorbeeld van grote buitenlandse bladen, en stichtte daartoe ook het intellectuele weekblad Spectator. Herbert wierf talrijke medewerkers aan, zowel vroegere krantenlui als jonge academici en debuterende politici. Daar leverde hij grote inspanningen voor. Te grote, blijkbaar. Tevens werd de krant zowat 'de wieg' van de Christelijke Volkspartij (CVP). Het was echter vooral zijn binnnenlandse politieke opstelling die de krant deed mislukken. Zijn slagzin "Vlaanderen opgegaan in België " lokte vrij spoedig reactie uit. De kracht en het weerstandsvermogen van het Vlaams-nationalisme had hij duidelijk onderschat. Tevens vond een belangrijk deel van zijn publiek dat de krant een te zwakke houding aannam tegenover de repressie, dat zij die repressie zelfs in de hand werkte. Tekenend daarvoor was de wijze waarop de krant de terechtstelling van August Borms besprak, wat grote verontwaardiging veroorzaakte.

In september 1946 richtten ontevreden Vlaamsgezinden een vennootschap op met het oog op een nieuw dagblad. De poging kende geen succes maar uit de groep kwamen mensen naar voren die zouden helpen bij de terugkeer van De Standaard. Na twee jaar wilden de eigenaars van de eerste naamloze vennootschap opnieuw zelf het roer in handen nemen. Spilfiguur bij hen was de weduwe van Sap, Antoinette Gylsen, bijgestaan door haar schoonzoon, Albert de Smaele. De Gids weigerde het veld te ruimen. Zij wilde wel meer betalen, maar wenste de bladen verder uit te geven en daartoe de gebouwen en installaties te gebruiken. Antoinette Sap wilde van haar kant ten hoogste aanvaarden dat De Gids, verruimd met enkele andere personaliteiten, het beschermheerschap zou blijven voeren en de algemene lijn van de krant bepalen. Spoedig kwamen zij en De Smaele tot het inzicht dat geen overeenkomst mogelijk zou zijn. De Smaele beijverde zich voor de oprichting van een onafhankelijk comité, waarin katholieke Vlamingen van diverse strekkingen moesten zetelen, met als opdracht een morele en intellectuele waarborg voor de terugkerende krant. Mensen als Jozef Clottens en Alfons Verbist verleenden hun medewerking, maar ondervonden sterke tegenstand. Zowel kardinaal Van Roey als leidende CVP-kringen zetten hen onder druk. Hoge officiële katholieke instanties wensten duidelijk geen terugkeer van De Standaard. De onderhandelingen met de groep Bekaert-Herbert sprongen af en er volgde een proces. De Standaard-groep won en De Smaele kon de tegenstrevers uit de Jacqmainlaan verdrijven. Zij trokken naar een oude drukkerij van de christelijke arbeidersbeweging aan de Brusselse Zandstraat en begonnen met de uitgave van De Nieuwe Gids en 't Vrije Volksblad.

Een nieuw begin (1947-)

In april 1947 verscheen het oude Nieuwsblad opnieuw, op 1 mei 1947 gevolgd door De (oude) Standaard en weldra door Ons Volk. Een tijdlang werd de redactionele leiding waargenomen door een groep van bekende onafhankelijke Vlaamsgezinden die zich, in samenspraak met de familie Sap, alsnog hadden verenigd in de vereniging zonder winstoogmerk De Schakel, onder het voorzitterschap van Jo van de Perre, een van de zonen van de stichter van De Standaard. De Schakel trad op als een morele waarborg, die de nieuwe start moest mogelijk maken. Tot de (Vlaams-nationalistisch gekleurde) groep behoorde Willem Melis, die ook betrokken was geweest bij de eerste poging uit 1946 om een nieuwe krant te stichten en ook bij de oprichting van het weekblad De Vlaamse Linie. Melis werd hoofdredacteur, maar na een klein jaar vertrok hij weer, onder druk van Schakelleden die hem een te grote openheid naar vrijzinnigen en socialisten verweten. De Smaele, die directeur was geworden, benoemde geen opvolger en verdeelde de zaak over verschillende figuren. Stilaan zou De Schakel op de achtergrond geraken. Ondertussen woedde een felle concurrentiestrijd met De Nieuwe Gids, die zowel door propagandisten op de straat als door medewerkers in de dagbladkolommen werd uitgevochten. Vrij spoedig werd die strijd door De Standaard gewonnen.

In Vlaamse katholieke kring zag men de terugkeer van de krant als een nieuw verzamelteken voor de flaminganten, een spoorslag voor de herlevende V.B. en voor de strijd tegen de al te harde repressie. Even hoopten de Vlaams-nationalisten dat De Standaard vooral hun blad zou worden, maar de leiding zag de opdracht breder.

De Smaele, een 27-jarige jurist, nam de strijd op met een sterk verouderde technische installatie en een equipe waarvan de ervaren elementen door de oorlog sterk op de proef waren gesteld. Het krantengebouw aan de Brusselse Jacqmainlaan was weinig geschikt voor een moderne industriële activiteit. Oud waren ook de machines. Zij moesten twee dagbladen produceren: De Standaard (die bij de start in mei 1947 een oplage had van 21.OOO exemplaren), en Het Nieuwsblad- Sportwereld (80.000) plus twee weekbladen, de 'illustratie' Ons Volk (32.000) en het jeugdblad Ons Volkske (oplage onbekend). Hun advertentieomzet moet de eerste jaren amper 15 miljoen Belgische frank per jaar hebben bedragen, wat zeer weinig was. De vennootschap bezat voor het overige ongeveer de helft van de aandelen van de De Standaard Boekhandel en 99% van de aandelen van Periodica, de naamloze vennootschap die de drukkerij beheerde. De boekhandel stelde 150 mensen tewerk, de drukkerij en de krantenuitgeverij zo'n 250. Met uitzondering van de redactie, die een dertigtal leden telde, waren er in De Standaard en in Periodica geen universitairen, slechts twee gediplomeerde boekhouders en een onderwijzer...

Terwijl een grondige vernieuwing werd voorbereid, begonnen de bladen van de groep aan een gestage opgang. Zij behoorden lang niet tot de grootste persondernemingen van het land, waar toen nog heel wat meer publicaties verschenen dan tegenwoordig. In 1951 stond Het Nieuwsblad op de tiende plaats in de rij, met een oplage die toch al met 30.000 was gestegen tot 110.000. De Standaard kwam ver in de achtergrond, met 31.000.

Na hun terugkeer hadden de twee kranten van de groep zich opgeworpen als de stem van de Vlaamsgezinden in het algemeen en van de door de naoorlogse repressie getroffenen in het biezonder. De twee kranten beschouwden deze repressie voor een groot deel als niet zozeer tegen echte nazi's en collaborateurs gericht als wel tegen de V.B. De Standaard-kranten kantten zich evenwel tegen een Vlaams-nationalistische partijvorming en ijverden vurig voor een versterking van het Vlaamse element in de CVP, die door een van de voornaamste politieke redacteurs, Bert d'Haese, "het schild en het zwaard van Vlaanderen" werd genoemd. Ondanks zijn felle kritiek op de partij was De Standaard er van in het begin van overtuigd, dat alleen binnen een grote politieke formatie als deze nuttig werk voor Vlaanderen (en voor de katholieke zaak) kon worden verricht. Hij werd dan ook een pleitbezorger van een 'verruimingspolitiek', die in 1949 bepaalde vertegenwoordigers van het Vlaams-nationalisme of van de repressieslachtoffers in de CVP bracht: Emiel de Winter, Jozef Custers, Victor Leemans (jarenlang een van de eminente medewerkers van de krant), drie vrienden van het huis die alledrie senator werden.

In dezelfde periode toonden De Standaard-bladen zich overtuigde verdedigers van Leopold III en diens houding in de Tweede Wereldoorlog. In de vorst zagen de toonaangevende redacteurs een zinnebeeld voor de eigen waarden en een waarborg tegen revolutionair links. Toen de abdicatie van Leopold III een feit was (Koningskwestie) en een crisis uitlokte in de katholieke meerderheid, pleitte de ontgoochelde krant voor een sterkere Vlaamse inbreng en tegelijkertijd tegen het gevaar van "verzwakking door verdeeldheid" binnen de CVP. In de daaropvolgende "schoolstrijd" streed De Standaard hardnekkig mee voor de katholieke scholen, maar was in 1958 een overtuigde voorstander van het "Schoolpact" dat onderwijsvrede moest brengen.

Ondertussen werd Ons Volk tot een zogenaamd 'familieblad' gemaakt. In 1952 ontstond een Franstalige zustereditie, Chez Nous, waartoe een aparte vennootschap werd opgericht onder de naam van het oude reclamekantoor van het huis, Mirax. In 1953 bouwde Periodica een diepdrukinrichting in het Brabantse Kobbegem, bestemd voor de eigen weekbladen maar ook voor uitgaven van andere firma's. Chez Nous kreeg een editie voor Frankrijk waar de Société Anonyme Unide (Union Interfamiliale d'Edition) werd opgericht.

In de redactie van de kranten groeide de invloed van E. Troch (Luc Vandeweghe), een bekende links gerichte kroniekschrijver over buitenlandse politiek die in 1950 van De Nieuwe Gids was overgekomen en die in 1956 de rubriekleider "buitenland" Leo Picard opvolgde. Trochs opvattingen over een 'objectiverende journalistiek' en een meer dynamische opmaak waren toen al lang merkbaar in de krant.

Tot de typerende rubrieken uit het eerste naoorlogse decennium behoorde de wekelijkse "Standaard der Jeugd", die de moeizaam weer ontwakende Vlaamsgezinde jeugdorganisaties trachtte op te vangen. Na vijf jaar, toen die bewegingen volop herleefden en over een eigen pers gingen beschikken, werd de rubriek opgeheven, wat ook werd gezien als een van de tekens dat de krant minder nationalistisch werd en meer naar de christen-democraten evolueerde. Belangrijk was in die periode ook de culturele rubriek onder leiding van Van de Voorde die een eerder traditionele richting verdedigde en een van de felste tegenstanders van de naoorlogse avant-garde was. In april 1952 werd de wekelijkse cultuurpagina, onder impuls van Max Wildiers, uitgebreid tot de "Standaard der Letteren" die een grote groep van gespecialiseerde medewerkers aantrok om "in een geest van openheid en ruimte" over het actuele geestesleven te berichten. Kenschetsend was ook de taalzorg, met medewerkers als Jan Grauls, Herman Oosterwijk en vooral Maarten van Nierop. In 1954 waren De Standaard-kranten de enige dagbladen die de zogenaamde progressieve spelling toepasten, wat zij bleven doen tot in 1997 Nederland en Vlaanderen samen een nieuwe eenheidsspelling invoerden.

Op 23 april 1957 nam De Standaard de aandelen over van het oudste nog bestaande Vlaamse dagblad, Het Handelsblad, waarvan de vennootschap de vorm van een aparte juridische eenheid behield. Directeur en hoofdredacteur van Het Handelsblad was Jan Merckx, een oud-redacteur van De Nieuwe Gids. Hij was de ziel van de operatie en overtuigd dat kleine kranten zich alleen maar door technische samenwerking zouden kunnen handhaven in het medialandschap dat langzaam maar zeker door de radio en vooral door de televisie werd aangetast en overheerst. Het werd de start voor een grote persconcentratie. Merckx kwam in de leiding van De Standaard- groep en was ook de grondlegger voor de overname van Het Nieuws van den Dagt Vrije Volksblad (eveneens in 1957) en nadien van De GentenaarDe Landwacht (in 1959). Zo ontstond een groep kranten waarvan de totale oplage 260.000 exemplaren bedroeg, waarin: 10.000 van Het Handelsblad, 80.000 à 90.000 van Het Nieuws van den Dagt Vrije Volksblad, 40.000 exemplaren van De GentenaarDe Landwacht. De groei van de groep bracht een nieuwe journalistieke en propagandistische dynamiek mee, met avontuurlijke reportagereizen en publiekswedstrijden, maar ook met enquêtes op flamingantisch en sociaal-economisch gebied. Zo speelde de krant op het einde van de jaren 1950 een actieve rol in de campagne voor "werk in eigen streek", de zogenaamde streekeconomie die zou leiden tot de economische expansiepolitiek van de regering-Gaston Eyskens. De eerste Vlaamse Journalistenprijs ging in 1958 naar een De Standaard-enquête over het leven van de mijnwerkers en van de Vlaamse 'mobiele arbeiders' in Wallonië en Frankrijk. In de crisis die zou leiden tot de onafhankelijkheid van Kongo liet de krant invloed blijken van de vooruitstrevende ideeën van mensen als Jef van Bilsen. In die periode trad een politieke commentator naar voren, die een grote rol zou spelen in de verdere geschiedenis van de krant: Manu Ruys.

Op 23 september 1960 overleed Antoinette Sap-Gylsen. Uit haar erfenis verwierven haar zes kinderen samen de absolute meerderheid in de raad van bestuur. In de dagelijkse leiding trad nu meer dan ooit De Smaele naar voren, die zowel op technisch en commercieel als op redactioneel gebied de sterke centrale figuur was. In hetzelfde jaar kreeg E. Troch de algemene redactieleiding met de titel "directeur van de redactie", terwijl Ruys "chef binnenland" werd. Troch kreeg in die periode af te rekenen met een regelrechte actie tegen hem en De Standaard naar aanleiding van zijn sympathie voor de zogenaamde coëxistentiepolitiek tussen de communistische en de westerse machtsblokken. Een andere redacteur van de krant, Maria Rosseels, werd het middelpunt van hoogoplopende discussies vanwege haar enquêtes over de vrouwen- en de kloosterproblematiek. Na een tussenkomst van kardinaal Ernest-Joseph van Roey moest zij zelfs een artikelenreeks op het thema "Moderne nonnen gevraagd" stopzetten. Het incident, uniek in de naoorlogse Belgische pers, leidde in de preconciliaire sfeer tot grote debatten over "de leek in de Kerk". Inmiddels spande de krant zich in de tijd van het concilie sterk in ter verbetering van de religieuze informatie. Zo kreeg zij een voor die tijd progressieve reputatie inzake Kerk en geloof.

Mede onder invloed van de groeiende televisie evolueerde de stijl van De Standaard-kranten, waarbij zij hun strijdbaar karakter minder op polemiek dan op feitenjournalistiek wilden steunen. In de binnenlandse politieke sector bracht dit een groeiende afstandelijkheid tegenover de partijpolitiek mee. Van 1964 af werden bij de verkiezingen geen directe stemadviezen meer gegeven, al bleef de groep de christen-democratische inspiratie trouw. Verscheidene journalistieke ondernemingen uit de late jaren 1950 en de vroege jaren 1960 hebben geschiedenis gemaakt. De unitaire, Franstalige leiding van het Belgische Rode Kruis werd na een campagne van De Standaard ongedaan gemaakt. Een gewezen ambassadeur, baron René Guillaume, die geen Nederlands kende, werd tot ontslag gedwongen als voorzitter van een nationaal comité voor vluchtelingen, een ophefmakend incident dat gevolgen had voor andere nationale comités. In de acties van de Vlaamsgezinde verenigingen rond de vastlegging van de taalgrens werd systematisch druk uitgeoefend door De Standaard-kranten. Een ware veldtocht van die bladen leidde tot de splitsing van het unitaire, door Franstaligen overheerste onderwijs voor de kinderen van Belgische militairen in Duitsland. Het hoogtepunt was de strijd om "Leuven-Louvain". Het initiatief in de dagelijkse actie berustte toen vaak bij de krant, zonder dewelke bepaalde instanties zeker niet (of anders) zouden zijn opgetreden. In het voor de universiteit beslissende jaar 1968 blijkt De Standaard de radicaalste van alle Vlaamse kranten te zijn geweest. Zijn stelling luidde toen dat Leuven tot het hoofdprobleem van het Belgische staatsleven was gegroeid. De zaak was geen aangelegenheid van katholieken, maar een sociale en politieke kwestie, waarin godsdienst niet voor politieke doeleinden mocht worden misbruikt (onderwijs).

Ondertussen werd de impact van de televisie op de journalistiek almaar groter, wat in de groep onder meer tot uiting kwam in de oprichting, in 1960, van een meer sensationeel getint weekblad, Zondagmorgen, dat in 1969 werd vervangen door een tv-magazine, TV-Ekspres.

In 1965 deed de computer zijn intrede in het bedrijf: toen de enige in de Belgische pers. Om de expansie van de sector aan te kunnen nam Periodica in 1972 twee andere drukkerijen over en werd de bouw van een zeer grote offsetdrukkerij in een Vlaamse randgemeente van Brussel begonnen.

In mei 1966 kondigde de groep aan, dat hij "nummer 1 in België" was geworden. Zijn vijf titels (Het Nieuws van den Dag werd helemaal vervangen door Het Nieuwsblad) kenden nu een gemiddelde oplage van 294.884 exemplaren, wat het grootste aantal lezers van alle Belgische bladen betekende: 921.000. De Standaard zelf bereikte 36.000 exemplaren. Van de weekbladen was alleen het lezersaantal bekend: meer dan drie miljoen. Er waren toen zo'n 1500 mensen tewerkgesteld bij de verschillende firma's (waar ook een reisbureau aan toe werd gevoegd). Opmerkelijk was daarbij de sterke achteruitgang van de Franstalige pers in Vlaanderen. In de jaren 1970 verdwenen alle in de Vlaamse gewesten verschijnende Franstalige dagbladen.

Ook de holding van de groep rond Standaard Boekhandel, onder leiding van Antoon Sap, kende in de jaren 1960 en 1970 een grote expansie.

Een van de opmerkelijkste verschijnselen in de Vlaamse pers van de jaren 1970, was de groei van de financieel-economische berichtgeving. Zij hield gelijke tred met de Vlaamse economische expansie. In de praktijk werd zij gestimuleerd door de oprichting, in 1968, van het eerste grote gespecialiseerde Vlaamse dagblad, De Financieel-Economische Tijd.

De macht van De Standaard leek bijna onaantastbaar te zijn geworden, tot hijzelf in moeilijkheden kwam. In de familie Sap ontstond, in het begin van de jaren 1970, onenigheid. André Vlerick trok zich uit de zaak terug uit onvrede over de al te overmoedig geachte expansiepolitiek van zijn zwager, De Smaele. Die politiek kreeg meer en meer een Europese dimensie, waartoe belangrijke investeringen werden gedaan, met name in een nieuwe drukkerij in Groot-Bijgaarden, aan de rand van Brussel. Toen die operatie op gang was gebracht, brak in oktober 1973 de vierde Arabisch-Israëlische oorlog en daarmee een oliecrisis uit, die rampzalige gevolgen had voor de economie in het Westen. De productiekosten stegen en het advertentiewezen stortte in. Periodica kreeg te kampen met thesauriemoeilijkheden. Een dossier voor een kredietaanvraag met staatswaarborg groeide uit tot een politieke kwestie en het resultaat was, dat de handelsrechtbank op 31 december 1975 een nader onderzoek van de situatie in de onderneming vroeg. Toen het krediet uiteindelijk na een zestal maanden principieel werd toegekend, kwam het niet meer tot uitvoering. In de lente van 1976 werd Periodica failliet verklaard. Het bericht daarover sloeg in als een bom en verwekte een kettingreactie. Diverse reddingspogingen slaagden niet en ten slotte werd op 22 juni 1976 het faillissement uitgesproken van de andere vennootschappen van de groep, behalve die van Het Handelsblad.

Vertegenwoordigers van diverse holdings en instellingen zetten, onder auspiciën van het Vlaams Economisch Verbond, een opvangoperatie op. Een groepje rond de Antwerpse reder André Leysen slaagde erin voldoende kapitaal toegezegd te krijgen. Er volgden dramatische dagen van onderhandelingen, manifestaties, bedrijfsbezetting. Het personeel trachtte het bedrijf in werking te houden, ook zonder betaald te worden. Eén dag verschenen de kranten niet en na het vonnis van de handelsrechtbank werd een eenmalige noodkrant uitgegeven onder de samengevoegde titels van de groep. Pogingen om alle bladen en alle werknemers samen te behouden mislukten na veel herrie. De journalisten organiseerden zich nog tijdig in een vereniging zonder winstoogmerk teneinde de principes van de kranten te verdedigen: de christelijke en de Vlaamse doelstelling, de pluralistische democratie, de vrije economie. Zij brachten kapitaal bijeen voor een NV Krantenfonds, dat aanwezig kon zijn bij de stichting van een nieuwe firma.

Deze firma, de Vlaamse Uitgeversmaatschappij (VUM), waarvan Leysen de drijvende kracht was, nam het handelsfonds van De Standaard over. Dat betekende, dat zij enkel de kranten kon en wilde uitgeven en dat het grootste deel van het personeel niet meer zou worden geëngageerd. Meer dan 800 mensen verloren hun baan.

Op maandag 28 juni 1976 verschenen De Standaard, Het Nieuwsblad en zijn kopbladen voor het eerst onder de verantwoordelijkheid van de Vlaamse Uitgeversmaatschappij. De VUM werd daags daarna, op dinsdag 29 juni 1976, in Antwerpen opgericht. De akte werd medeondertekend namens Krantenfonds. Dit was uniek in de Belgische persgeschiedenis: dankzij de inbreng van 11,5 miljoen kregen de journalisten voor het eerst een zetel in de raad van bestuur van hun bedrijf.

De grootste aandeelhouder was de investerings- en beleggingsmaatschappij Ibel, waarvan Leysen een van de voornaamste vertegenwoordigers was. Nummer 2 was Investco, een investeringsmaatschappij van Almanij en Kredietbank. Voorzitter van Investco was Vlerick, die op deze manier en dankzij een persoonlijke participatie terugkeerde in het bestuur van de krant. Een negental andere participanten sloot zich daarbij aan. Zij vormden een opmerkelijke coalitie van kapitaalbronnen uit Vlaanderen en uit de rest van België. Meer dan ooit waren De Standaard en zijn zusteruitgaven in handen van 'het Vlaamse kapitaal'. De raad van bestuur werd voorgezeten door Robert Vandeputte, die een rol in de onderhandelingen had gespeeld. Leysen, die 'een waterdicht beschot' tussen het verleden van de kranten en de nieuwe firma had opgebouwd, zat het directiecomité voor en bracht de organisatie van het bedrijf op gang. Dominique van Damme, een ingenieur uit de familie van de scheepsbouwer Boel, die tot de initiatiefnemers van de VUM behoorde, werd afgevaardigd bestuurder en nam de dagelijkse leiding op zich. Hij zou die taak maar enkele weken kunnen uitoefenen. Op zondagavond 15 augustus 1976 stortte hij in Zuid-Frankrijk neer met een vliegtuig dat hijzelf bestuurde. Leysen nam toen zelf de leiding waar, tot hij die kon toevertrouwen aan Guido Verdeyen, een Gevaert-ingenieur met computer-ervaring, die directeur-generaal werd.

Er kwam ook een wijziging in de hoofdredactie. E. Troch, die wegens ziekte afwezig was tijdens de crisis, moest een ander statuut aanvaarden. Hij diende terug te treden als 'directeur van de redactie' en schreef voortaan een wekelijkse kolom over buitenlandse politiek, wat hij bleef doen tot februari 1979. Zelf voelde hij zich om politieke redenen opzijgezet. Ook Luc van Gastel moest een andere taak aanvaarden. Van Gastel was in 1975 "journalistiek hoofdredacteur" geworden, naast Ruys die toen promoveerde tot "politiek hoofdredacteur". Er kwam een nieuwe tweekoppige hoofdredactie: Lode Bostoen en Ruys, respectievelijk bevoegd voor de dagelijkse redactieleiding en voor de politieke inhoud van de kranten. Beiden hadden in de crisisperiode een actieve rol gespeeld in de vrijwaring van de redactionele belangen. Het bedrijf werd sterk gedecentraliseerd en kreeg een grotere doorzichtigheid.

Merckx bleef adviseur maar vertrok na verloop van tijd om zich helemaal te wijden aan het weekblad TV-Ekspres en zijn uitgeverij Perexma, die net als Het Handelsblad de ramp overleefden. In de jaren 1980 werd het programmablad een mooi succes. Het voerde Merckx naar de commerciële omroep (waarvoor al ten tijde van De Smaele werd geijverd) als pionier en eerste voorzitter van de Vlaamse Televisie Maatschappij (VTM).

Voor de directie van de Standaard Boekhandel en zijn zusterbedrijven liep het anders af. Alhoewel hij goede zaken had gedaan, werd de groep meegesleurd in de wervelwind rond de mede-eigenaar, De Standaard. A. Sap moest in de herfst van 1976 zijn uitgeverij en boekhandelsketen verkopen aan Nederlandse gegadigden. Sindsdien hebben zij niets meer te maken met de krantengroep.

De VUM deed spoedig weer goede zaken, zodanig dat zij nooit het in 1976 beloofde krediet met regeringswaarborg heeft opgenomen. Van 1977 af weigerde de VUM de overheidssteun die aan de pers werd toegekend en die door andere kranten wel werd gevraagd. Op 1 maart 1980 was het bedrijf schuldenvrij, volgens de directie dankzij een strenge rationalisering. Toen was het al een halfjaar verhuisd naar de nieuwe gebouwen in Groot-Bijgaarden. In 1984 schakelde het helemaal over op de automatisering. Het beeldscherm beheerste nu de redactie en de kantoren.

Van 1977 af begon de gezamenlijke oplage weer te stijgen en in 1986 bedroeg zij meer dan 350.000 verkochte exemplaren, waarvan ongeveer 70.000 voor De Standaard. Twee titels verdwenen, omdat zij een te kleine oplage hadden: Het Handelsblad werd opgeslorpt door Het Nieuwsblad en De Landwacht door De Gentenaar.

De kranten namen toe in omvang, er kwamen dagelijkse bijlagen waarin de invloed van de elektronische media duidelijk was, de redactie groeide tot meer dan tweehonderd leden (op een personeelsbestand van zo'n 700). In 1984 werd een experiment gewaagd: op 20 september verscheen een voor Vlaanderen nieuwsoortige volkskrant op klein formaat met korte artikels en veel illustraties, bestemd om via 'alternatieve distributiekanalen' te worden verkocht aan een typisch televisiepubliek: 24 uur. Marktonderzoeken bleken evenwel tot een misrekening te hebben geleid: na vijf weken moest de publicatie worden stopgezet.

De jaren 1980 kenden ook een aflossing van de redactionele wacht. Ruys trad in 1989 af als hoofdredacteur (hij zou nog tot 1997 bedrijvig blijven als politieke columnist); ook Bostoen zette weldra een stap opzij. Lou de Clerck volgde hen op als 'algemeen hoofdredacteur' met Mark Deweerdt als hoofdredacteur voor De Standaard. Hij werd opgevolgd door Dirk Achten. Bij Het Nieuwsblad, dat meer en meer redactioneel onafhankelijk werd, trad Pol van den Driessche aan als hoofdredacteur. Inhoudelijk weerspiegelden de bladen steeds meer de 'secularisatie' in Vlaanderen en groeiden zij meer dan ooit naar 'algemene informatiekranten' met een christelijke en Vlaamsgezinde inslag maar waarin, op een opiniepagina, diverse opinies aan bod kunnen komen, ook met betaalde advertenties voor verschillende politieke partijen.

Eind 1994 werd het dagblad Het Volk overgenomen door de VUM, die zich ertoe verbond de eigen opinie van de krant te respecteren. Ook de met Het Volk verbonden weekbladen Zondagsblad en TV-gids en het maandblad Eos kwamen nu onder de hoede van De Standaard-groep. Plus twee drukkerijen en de participatie van 7,8% die Het Volk had in de VTM. Zo werd de VUM de grootste persgroep van Vlaanderen. In 1995 werden van zijn 'vlaggenschip', De Standaard-titel, gemiddeld 76.691 exemplaren per dag verkocht: de hoogste gemiddelde jaaroplage die hij ooit haalde.

Literatuur

G. Durnez, De Standaard. Het levensverhaal van een Vlaamse krant, 2 dln., 1985-1993.

Verwijzingen

zie: Gustaaf Sap.

Auteur(s)

Gaston Durnez