Spinoy, Antoon

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Mechelen 6 december 1906 – Hasselt 26 mei 1967).

Was de zoon van een gelovig socialist. Spinoy voltooide zijn humaniora niet, maar volgde lessen aan de Arbeidershogeschool te Ukkel en aan de Gentse Rijksuniversiteit. Hij was van 1930 tot 1940 federaal secretaris van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) te Mechelen en van 1936 tot 1944 provincieraadslid van Antwerpen. Sinds 1938 zetelde hij in de gemeenteraad van Mechelen. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog werd hij, in opdracht van de Internationale Brigades, directeur van het internationaal hospitaal van Onteniente bij Valencia. In 1939 werd hij gemobiliseerd en tijdens de 18- daagse veldtocht krijgsgevangen gemaakt. In 1941 trad hij toe tot het verzet en werd lid van de Vlaamse Centrale van de Illegale Socialistische Partij. Na de bevrijding werd hij Vlaams secretaris van de Belgische Socialistsche Partij (BSP). Op 14 november 1944 deed hij zijn intrede in de Kamer (in opvolging van de overleden Désiré Bouchery), een functie die hij bleef uitoefenen tot aan zijn dood. In augustus 1945 werd hij burgemeester van Mechelen (tot 1961 en dan terug vanaf 1966). Spinoy werd voor het eerst minister in de regering-Achille van Acker (april 1954-juni 1958). Hij was de eerste socialist die de portefeuille van defensie kreeg. Tijdens de regering-Theo Lefèvre-Paul-Henri Spaak (april 1961-mei 1965) was hij minister van economische zaken en energie. In de volgende regering-Pierre Harmel-Spinoy (juli 1965-februari 1966) was hij vice-eerste minister, belast met de coördinatie van het economisch beleid.

Spinoy profileerde zich vooral op gemeentelijk vlak. Naast zijn opmerkelijk industralisatiebeleid nam hij ook belangrijke initiatieven op sociaal-cultureel gebied. Onder zijn impuls kreeg Mechelen een van de eerste culturele centra van het land en werd ook het bibliotheekwezen sterk gestimuleerd. Verder werden verschillende manifestaties opgezet die het culturele leven in Mechelen opnieuw op gang moest brengen.

Spinoy was een tegenstander van de federalisering van België. Volgens hem was dit geen oplossing voor de economische problemen van Wallonië en voor de moeilijke situatie in Brussel. Hij betwijfelde of in een federale staat de ene deelstaat op lange termijn bereid zou zijn om mee te werken aan de oplossing van de economische problemen van de andere, en of de deelstaten over dezelfde middelen zouden kunnen beschikken als de centrale overheid voor het voeren van een gewestelijke economische politiek. In die zin was hij ook zeer bekommerd over de verstandhouding tussen de Vlaamse en Waalse socialisten en bleef hij sterk vasthouden aan een socialistische eenheidspartij.

Dit neemt niet weg dat hij sterk begaan was met de Nederlandse taal. Als minister van defensie nam hij maatregelen om het evenwicht tussen de beide taalgroepen binnen de strijdkrachten te verbeteren. Op 14 juni 1956 installeerde hij de Commissie van Toezicht op het Taalgebruik in het Leger. Reeds daarvoor had hij ervoor gezorgd dat aan Nederlandstalige onderofficieren onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid werd geboden om aan de Koninklijke Militaire School een officiersopleiding te volgen.

In de jaren 1950 was Spinoy een van de weinige socialistische voormannen die deelnam aan de vijf Vlaams-Nederlandse socialistische bijeenkomsten die door Hendrik Fayat waren opgezet. In 1961 boycotte hij als burgemeester, samen met 299 andere collega's, de in Vlaanderen erg omstreden tienjaarlijkse talentelling. Op het BSP-congres van 1963 lanceerde Spinoy de idee over de indeling van België in vijf gewesten, namelijk Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg, Namen en Henegouwen, Luik en Luxemburg en Brabant. Dit plan werd later nogmaals verdedigd door Fayat, Lode Craeybeckx en Bert van Hoorick op het congres van de Vlaamse socialisten te Klemskerke in 1967.

Literatuur

'Antoon Spinoy', in Socialistische Standpunten, nr. 1 (1968), p. 1-84; 
M. Bafcop, 'Antoon Spinoy' in Twintig eeuwen Vlaanderen, XIV, 1976, p. 425- 428; 
H. Gaus (ed.), Politiek Biografisch Lexicon, 1989.

Auteur(s)

Paule Verbruggen