Spellingoorlog

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

noemt men de spellingstrijd tussen voor- en tegenstanders van de zogenaamde Commissiespelling, die van 1839 tot 1844 de gemoederen in Vlaanderen in beroering heeft gebracht.

Aanleiding tot de twist was de bekendmaking in 1839 van de acht spel- en taalregels der Taelcommissie, waardoor een nauwere aansluiting bij het Noord-Nederlandse gebruik volgens Siegenbeek en Weiland verkregen werd.

Van de spelling-Siegenbeek (1804) verschilden de Zuid-Nederlandse spelwijzen hoofdzakelijk door 1/ ae, ue en y (voor aa, uu en ij), 2/ het gebruik van accenten ter onderscheiding van dubbel gespelde scherp- en zachtlange klinker, 3/ de consequente toepassing van het gelijkvormigheidsbeginsel ten aanzien van enkele of dubbele vocaalspelling (distinguïsme: graven (van graf) - graeven (van graef), wegen (van weg) - weégen (werkwoord), 4/ gt (voor cht), 5/ -d (voor -dt) in werkwoordsvormen (ryd voor rijdt) .

Met betrekking tot de accenten, die rond 1740 in zwang waren geraakt, was het gebruik noch eenstemmig, noch algemeen. In Brabant volgde men het stelsel-Jan des Roches en Jan A. Terbruggen met toonteken op de zachtlange (beék, boóg - feest, boom), in (West-)Vlaanderen dat van B. Janssens en Pieter Behaegel met accent op de scherplange (bôn), terwijl de Limburger W. van West (1836) toontekens in aansluiting bij het Frans gebruikte (beék, béken, gèerne, hoóp, hópen).

In afwijking van Weiland (1805) schreef men in Zuid-Nederland de buigings-n ook in de mannelijke nominatief enkelvoud (contra-de-isme). Nadat de politieke scheiding van België en Nederland de officiële spelling- en taaleenheid volgens Siegenbeek en Weiland had verbroken, ontstond in Vlaams-België een Babelse verwarring ten aanzien van spel- en taalregels. Op aandrang van de in 1836 opgerichte Maetschappy tot bevordering der Nederduitsche Tael- en Letterkunde, die overwegend uit voorstanders van een nauwe taaleenheid met het Noorden bestond, schreef de regering op 6 september 1836 een prijsvraag uit voor "eene beoordeelende verhandeling over de geschilpunten ten aenzien der spelling en woordverbuiging der Nederduitsche tael, met aenwijzing der middelen... tot eenparigheid". Op 15 juli 1837 benoemde de regering uit de leden der Maetschappy een commissie, de zogenaamde Taelcommissie, bestaande uit Jan F. Willems (voorzitter), Jan H. Bormans (secretaris) en Jan-Baptist David, Leo d'Hulster, Karel L. Ledeganck, J.J. de Smet en Jan F. Verspreeuwen, aan wie de beoordeling der ingezonden verhandelingen opgedragen was. Van de twaalf antwoorden (onder anderen van Behaegel, Prudens van Duyse en J. Mussely) verdedigden negen ae, zes y, drie de accenten, twee de vocaalverdubbeling, één gt (voor cht), twee vind (voor vindt) en zes het gebruik van den in de eerste naamval. Na afwijzing van alle voorstellen hechtte de commissie op 18 augustus 1839 haar goedkeuring aan acht "tael- en spelregels", die behoudens ae, ue en y nagenoeg volledig met het Noord-Nederlandse gebruik overeenstemden. Op 6 september werden de acht regels door de Moniteur belge bekendgemaakt, waarna de "Beslissing der Koninglyke Commissie" en een uittreksel van Bormans' verslag in Belgisch Museum, tijdschrift der Maetschappy (1839, p. 284-341) gepubliceerd werden. Eveneens in 1839 gaf het Commissielid D'Hulster een Woordenlyst voor spelling en uitspraek ("volgens de aengenomene spelling") in het licht.

De "verhollandsing" van het schriftbeeld wekte bij de voorstanders van een afzonderlijke "Vlaemsche tael" een storm van verontwaardiging. Terecht verweten de "taelprotestanten" aan de Taelcommissie haar eenzijdige samenstelling en het feit, dat ze door het voorschrijven van regels haar bevoegdheid te buiten was gegaan. Inmiddels had Behaegel, vooruitlopend op de beslissing der Commissie, al in 1837-1838 zijn antwoord op de prijsvraag als Verhandeling over de Vlaemsche spelkunst uitgegeven en hierbij scherpe kritiek op de commissie geleverd. Hierop reageerde D'Hulster met zijn Verslag over de verhandeling van den heer Behaegel (1838).

Om tegen zichzelf niet verdeeld te zijn namen Behaegel en de West-Vlaamse taalparticularisten nu de Brabants-Antwerpse accentspelling (met toonteken op de zachtlange e en o) over, waardoor de spelling-Des Roches en Terbruggen tot "nationael Vlaemsch stelsel" en de geboren Hagenaar Jan des Roches (ten onrechte) tot grondlegger van het "Nieuw Belgisch Vlaemsch" uitgeroepen konden worden.

De spellingtwist raakte algauw in het politieke vaarwater. De "orangistische" Commissiespelling heette een bedreiging van 's lands onafhankelijkheid te zijn en werd met de mislukte samenzwering van generaal Van der Smissen in verband gebracht. Zelfs de gaafheid van het Roomse geloof stond erbij op het spel. Aan spellingongerijmdheden was evenmin gebrek. Het afschaffen der accenten vermeerderde het aantal homografen en verminderde de leesbaarheid van het woordbeeld, terwijl de vervanging van (het mannelijke) den door (het vrouwelijke) de in de nominatief het genusgevoel ondermijnde. Het aanleren van het Frans, dat met accenten geschreven wordt en mannelijk en vrouwelijk onderscheidt, zou door een accentloze spelling en het uitbannen van "den" in de eerste naamval aanzienlijk bemoeilijkt worden. Ten slotte, een "Hollandse" spelling van het "Vlaemsch" was beledigend voor de Walen. De geestelijke aanvoerders der "taelprotestanten" of desrochisten waren de Torhoutse kostschoolhouder Pieter Behaegel en de Brusselse "gebreveteérden taelmeester" Frans Bôn (een Dendermondenaar, die eigenlijk Frans Boon heette), fabrikant van Vlaemsche spraekkonsten volgens het Belgisch taelstelsel en schrijver van onder andere een Grammaire pour apprendre le flamand (1840), die een schaamteloos plagiaat van de Grammaire hollandaise pratique (1816) van de Dortenaar R. van der Pijl was. Namens de Brusselse Maetschappy Vaderlandsliefde (die in het Brusselse stadhuis vergaderde en waarvan de leden de erenaam van Vaderlander voerden) hebben Behaegel en Bôn op 15 oktober 1840 een Verklaeringsschrift of manifest tegen de Commissie uitgegeven. De derde in het spelverbond was de Brugse kanunnik Leo de Foere, een zonderling, die (evenals Behaegel) onmiddellijk na 1815 de taaleenheid met het Noorden had toegejuicht en thans de Commissiespelling voor onvaderlands, ongrondwettelijk en ongodsdienstig uitkreet.

Zijn aanhang vond het driemanschap bij voorkeur in de onderwijzerswereld en bij de clerus. Bekende namen zijn: J.L.M. Somers, schrijver van een Epître aux hommes de lettres de Belgique (1839), C. van der Vorst, die in 1841 een Nieuwe Belgische spraekkonst uitgaf, priester Jan B. Buelens (Willems' eeuwige tegenspeler), pastoor P. Visschers, schrijver van een Vlaemschen en Franschen woordenboek (1836), die echter in 1839 naar het andere kamp overliep. De propaganda was volledig afgestemd op de anti- Hollandse en antiprotestantse gezindheid van de bevolking. Fransgezinden als L.F. graaf de Robiano "de Borsbeék" (de man van de Société catholique des Pays-Bas), voor wie de taalverdeeldheid van Vlamingen en Hollanders koren op de molen der verfransing was, waren het desrochisme uiteraard toegedaan.

Over het algemeen genomen is de spellingstrijdproductie der desrochisten van gering allooi. Ronkende protestmoties, laag- bij-de-grondse schimpschriften naast schoolmeesterachtige opstelletjes over de dubbele vocaalspelling, de accenten en de onmisbare buigings-n in de eerste naamval, vullen gelegenheidstijdschriften met veelzeggende namen zoals Den tael- en letterminnenden protestant, Roomsch Catholiek tydschrift ter verdediging der Vlaemsche tael (1842) te Antwerpen, Waeren Belg (1840-1842) en Den vaderlandslievenden Belg (1842-1845) te Brussel. Een belangrijke bron voor de geschiedenis van het desrochisme zijn de vermoedelijk door Bôn verzamelde Lettres pour servir de matériaux à l'histoire des deux introductions du système linguistique néerlandais en Belgique (1840-1845).

Alle inspanningen ten spijt vermocht de beweging nergens vaste voet te krijgen, behalve tijdelijk te Brussel en te Antwerpen (stad van Des Roches en Terbruggen), waar de stadsbesturen eind 1840 de Commissiespelling veroordeelden en Des Roches voorschreven.

Des te groter was het gezag van de aanhangers der Commissiespelling, die hun tegenstanders in aantal en waarde verre overtroffen. Vooral Gent was hun genegen. De Taelcommissie bleef trouwens niet bij de pakken neerzitten. Willems, die al in 1824 in zijn verhandeling Over de Hollandsche en Vlaemsche schryfwyzen van het Nederduitsch (2de uitgave) nagenoeg dezelfde spelling had verdedigd, bestreed in een aantal bijdragen in Belgisch Museum het desrochisme op spelling- en taalpolitiek vlak. David, die in 1840 zijn Eerste beginselen der Nederduitsche spraekkunst (volgens de acht regels der Commissie) uitgaf, trad in zijn tijdschrift De Middelaer bemiddelend op (1840-1843). In 1841 verscheen het Verslag over de verhandelingen ingekomen bij het staetsbestuer van Belgie, ten gevolge der taelkundige prijsvraeg, van de hand van J.H. Bormans, zelf voorstander (op ae na) van het herstel van Siegenbeek. Bormans' even doorwrocht als onoverzichtelijk verslag was de mokerslag die het spellingverzet deed ineenstorten. Op 11 en 23 oktober 1841 werden de acht regels der Commissie (behoudens de schrijfwijze der tweeklanken op - i) respectievelijk door een vergadering van "taelkundigen en taelminnaers" te Antwerpen (hiertoe door de provinciegouverneur uitgenodigd) en door het Gentse Taelcongres (dat door de Maetschappy in de promotiezaal der universiteit bijeengeroepen was) goedgekeurd. Het Gentse Taelcongres, dat onder het luiden van de "groote klok van het Belfroot" en het losbranden van "drie vyfponders in den hof van het Casino" begon, werd besloten met een "Vlaemsch feest" en banket, waaraan behalve de Nederlandse gezant ook twee Belgische ministers aanzaten. Nu had de Commissie de wind in de zeilen. Haar spelling verwierf spoedig de instemming van de meeste schrijvers, onderwijsmensen en openbare besturen. Wel aarzelde de regering nog. In 1840 volgde zij bij de vertaling van het Bulletin officiel des lois et arrêtés de Commissiespelling, maar achteraf keerde zij onder politieke druk tot "Vlaemsche" spelwijzen terug. Nadat eind 1843 de gouverneurs der Vlaamse provincies te kennen hadden gegeven, dat de Commissiespelling door de beste schrijvers en in de meeste scholen toegepast werd, draaide ook de regering bij. Op 9 januari 1844 verscheen een Koninklijk Besluit (van 1 januari), waarbij de door het Taelcongres aanvaarde spelling officieel werd bekrachtigd en voor de vertaling van wetten en besluiten verplicht gesteld werd. Na De Foeres lachwekkende en vergeefse interpellatie in de Belgische Kamer, eind januari 1844, was het desrochisme in volle aftocht. Op 11 februari betuigden ruim driehonderd leden van Het Taelverbond, vergaderd in het Brusselse stadhuis, hun adhesie met de nieuwe spelling, waarna een afvaardiging van Het Taelverbond de koning ging bedanken. Nog in 1844 verscheen P. Lebrocquys La grande question de l'orthographe flamande réduite à de petites proportions, terwijl Hendrik Conscience een Sleutel der gezuiverde spelling uitgaf.

De desrochisten lieten nauwelijks nog van zich horen. In 1844- 1845 werden enkele petities tot intrekking der nieuwe spelling bij de Kamer ingediend. Van de Aalsterse advocaat F.J. van den Bossche kwam in 1845 een Verhandeling over de Vlaemsche tael in vergelyking met de Hollandsche van de pers. Af en toe zag nog een Vlaemsche spraekkonst van Bôn en anderen het licht. Begraven onder de hoon en de spot van Van Duyses Spellingoorlog (1842), J.B. Straatmans Meester Jochem's lotgevallen en reistogt naer Gheel (1844) en Willems' Vlaemsche-tael-klucht (1844), respectievelijk tegen Behaegel, Bôn en De Foere gericht, stierf het desrochisme een roemloze dood. De latere West-Vlaamse taalparticularisten (Adolf Duclos, Guido Gezelle, Leonardus L. de Bo en anderen) gebruikten weliswaar ten aanzien van de taalontwikkeling hetzelfde soort merkwaardige argumenten als hun hier genoemde voorgangers, maar over de spelling bleek nauwelijks nog verschil van mening te bestaan.

Voor de verdere ontwikkeling van het Nederlands en van de V.B. in België heeft de officiële invoering in 1844 van de Commissiespelling verstrekkende gevolgen gehad. De overwinning van de Taelcommissie, een persoonlijke triomf voor haar voorzitter Willems, heeft de weg gebaand naar de volledige spelling- en schrijftaaleenheid tussen Noord en Zuid.

In 1863 verscheen De grondbeginselen der Nederlandsche spelling. Ontwerp der spelling, voor het aanstaande Nederlandsch Woordenboek van de hand van de Nederlanders Jeronimo de Vries en Jan te Winkel. In 1864 voerde België deze spelling officieel in. Nederland doet het de facto in 1866, wanneer minister Thorbecke verklaart er geen bezwaar tegen te hebben dat de spelling in het onderwijs wordt gebruikt. In 1882 erkent de Nederlandse regering haar stilzwijgend door haar te gebruiken in het nieuwe wetboek van strafrecht.

Sinds 1980 zijn niet meer de Vlaamse en Nederlandse regering, maar uitsluitend de Nederlandse Taalunie nog bevoegd om de gemeenschappelijke spelling van Zuid en Noord te wijzigen (taal).

Literatuur

behalve het hierboven aangehaald: F.A. Snellaert, Taelcongres en Vlaemsch feest gehouden te Gent den 23 en 24 october 1841, 1842; 
J.F. Willems, Discussions à la Chambre des représentants du royaume de Belgique sur l'orthographe flamande, 1844; 
P.F. van Kerckhoven, Vlaemsch Taelverbond. Volledige beschryving der algemeene letterkundige vergadering en van het daeropvolgende feest gehouden te Brussel, den elfden february 1844, 1844; 
J. Nolet de Brauwere van Steenland, 'Notice sur le particularisme linguistique flamand de la Flandre occidentale', in Bulletins de l'Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique (1874), p. 206-235; 
Th. Coopman en L. Scharpé, Geschiedenis der Vlaamsche letterkunde van het jaar 1830 tot heden, 1899- 1910; 
Th. Coopman en J. Broeckaert, Bibliographie van den Vlaamschen taalstrijd, I, 1904; 
J. Broeckaert, 'De Spellingoorlog', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1906), p. 19-56, 535-572; 
W. Couvreur, 'De tegenstelling Nederlandsch-Vlaamsch en de spellinghervorming 1844 en 1864', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1940), p. 283-320; 
L. Wils, Kanunnik Jan David en de Vlaamse Beweging van zijn tijd, 1957.

Auteur(s)

Walter Couvreur; Roland Willemyns