Soudan, Eugène

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Ronse 4 december 1880 – Ukkel 3 oktober 1960).

Groeide op in een liberaal milieu, studeerde filosofie aan de Gentse Rijksuniversiteit en rechten aan de Université libre de Bruxelles (ULB). Tijdens zijn studietijd werd Soudan socialist. Als 24-jarige startte hij zijn carrière als advocaat aan de Brusselse balie. Tussen 1931 en 1933 was hij stafhouder. In 1919 werd hij tot hoogleraar benoemd in de rechtswetenschappen aan de ULB.

In 1919 werd Soudan tot volksvertegenwoordiger verkozen voor het arrondissement Oudenaarde (1919-1936). Na de Eerste Wereldoorlog was hij mede-indiener van verscheidene wetsvoorstellen voor het toekennen van amnestie: het toestaan aan de gemeenteraden om ontslagen ambtenaren weer aan te stellen (5 juni 1924); burgerlijke amnestie (3 december 1924) en verlening van amnestie voor sommige misdaden tegen de veiligheid van de staat (9 december 1926). Van 1927 tot 1958 was hij burgemeester van Ronse. Hij keurde als enige volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Oudenaarde de taalwet inzake het middelbaar onderwijs van 1932 goed. In 1935 nam hij als minister van justitie (1935-1936) het ontwerp van Paul-Emile Janson met betrekking tot het taalgebruik in de rechtszaken over. Alhoewel hij een Franssprekende Vlaming was, begreep hij de menselijke en sociale betekenis van de V.B.

In 1936 werd Soudan niet herkozen, maar hij werd in de Senaat gecoöpteerd (1936-1939). Bij de wetgevende verkiezingen van 1939 stapte hij opnieuw over naar de Kamer tot 1958. Hij werd achtereenvolgens minister van financiën (1938), van buitenlandse zaken (1939), van justitie (1939-1940) en onderwijs (1940). Als minister van onderwijs maakte hij een begin met de culturele autonomie. Zo besliste hij op zijn departement alle Vlaamse aangelegenheden voortaan alleen nog door Nederlandstaligen te laten behandelen en alle Waalse aangelegenheden door Franstaligen. Op 30 april 1940 ging een ontwerp van organiek Koninklijk Besluit in die zin naar de twee cultuurraden. De Duitse inval verijdelde alle verdere plannen.

Tijdens de meidagen werd onder meer de leider van het Vlaamsch Nationaal Verbond, Staf de Clercq, door de Belgische Veiligheid gearresteerd. Soudan en August de Boodt bemiddelden voor zijn vrijlating bij de minister van justitie Paul-Emile Janson. Na de capitulatie mocht Soudan als lid van de Belgische regering het Belgisch grondgebied niet betreden. Hij trok echter niet naar Groot-Brittannië en kreeg van de Franse autoriteiten een verplichte verblijfplaats opgelegd. Op 26 oktober 1943 werden Soudan en Janson door de Duitse politie in Vichy-Frankrijk aangehouden. Later volgde hun deportatie naar Buchenwald. Alleen Soudan keerde terug. Op 3 september 1945 ontving Soudan de benoeming tot minister van staat. In 1949 aanvaardde hij het voorzitterschap van het Centrum-Harmel waarvan hij de werkzaamheden leidde tot 1955.

Literatuur

A. Bernard, 'Notice sur la vie et les travaux de Eugène Soudan', in Université libre de Bruxelles. Rapport sur l'année académique 1960-1961 (1970), p. 277-279; 
M.A. Pierson, 'Soudan', in BN, XXXVII, supplément 2, 1972, kol. 740-744; 
J.-H. Pirenne, 'La carrière d'un ministre d'Etat: Eugène Soudan', in Liber amicorum H. Bekaert, 1977, p. 293-308; 
B. de Wever, Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, 1994.

Auteur(s)

Véronique Laureys