Snieders, Jan R.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Bladel 21 november 1812 – Turnhout 9 april 1888). Broer van August Snieders.

Studeerde van 1833 tot 1838 geneeskunde aan de Leuvense universiteit. Ofschoon hem daar na zijn promotie een leerstoel aangeboden werd, vestigde Snieders zich in 1838 te Turnhout, waar hij zijn verder leven als huisarts (onder meer ook als wetsdokter) werkzaam was en tevens als belangrijkste 19de- eeuwse prozaschrijver van de Antwerpse Kempen op het voorplan trad.

In 1842 stichtte hij het Turnhoutse taal- en letterlievend genootschap De Dageraed, waarvan de doelstellingen grotendeels parallel liepen met die van de Antwerpse rederijkkamer De Olijftak en de Gentse maatschappij De Tael is gan(t)sch het Volk. Het cultiveren van de moedertaal gold als eerste en fundamentele plicht.

De twee daaropvolgende decennia ontpopte Snieders zich tot een fervent pleitbezorger van de Vlaamse zaak. Tegelijk en deels onder invloed van zijn broer August affirmeerde hij zich als een waardevol en veelgelezen auteur van landelijke romans en novellen (Dorpsverhalen, 1854; De meesterknecht, 1855; De lelie van het gehucht, 1860; De gouden willem, 1866), die in die subgenres enkel in Hendrik Conscience zijn meerdere moest erkennen. Op het eind van de jaren 1860 evenwel werd zijn flamingantisch engagement geleidelijk aan minder belangrijk dan de strijd voor zijn katholieke geloofsovertuiging, waarbij hij zich echter, mede als gevolg van tragische gebeurtenissen in zijn privé-sfeer meer en meer bezondigde aan klerikale partijzucht en bekrompen provincialisme. Nadat als gevolg van levensbeschouwelijke tegenstellingen De Dageraed in 1870 ter ziele was gegaan, richtte Snieders in 1875 te Turnhout een plaatselijke afdeling op van het Davidsfonds, dat in de loop van datzelfde jaar zijn literaire reeks geopend had met zijn historische roman De Geuzen in de Kempen. De sterke levensbeschouwelijke vooringenomenheid waarvan dit werk blijk gaf, was tevens kenmerkend voor de meeste romans uit zijn latere periode, waarin vrijzinnigheid en liberalisme het telkens moesten ontgelden (De goochelaar, 1875; De scheerslijper, 1881; Bij de boeren, 1884; Zonder God, 1885) maar die nog zelden het niveau haalden van zijn vroeger werk. In 1887 werd hij doctor honoris causa van de Leuvense universiteit en buitenlands erelid (in tegenstelling tot zijn broer August verwierf hij nooit de Belgische nationaliteit) van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.

Ondanks het fanatisme van zijn latere levensjaren en de daarmee samenhangende ontsporing van zijn episch talent, was Snieders een rijkbegaafde, veelzijdige persoonlijkheid en door zijn onafgebroken werkzaamheid als arts en auteur in het 19de- eeuwse Vlaanderen het type van de volksbeschaver bij uitnemendheid.

Literatuur

A. Snieders, 'Levensschets van Dr. J. Renier Snieders', in Jaarboek van de KVATL (1889), p. 58-80; 
Gedenkboek gewijd aan Dr. Jan Renier Snieders, 1931; 
R. Sterkens, De letterkunde in de Antwerpse Kempen van 1830 tot 1900, 1935; 
R. Dubois, 'Het volksleven in het werk van J.R. Snieders', in Noordgouw (1965), p. 183-217; (1966), p. 15-51 en p. 91-112; 
A. Keersmaekers, 'De Turnhoutse bijdrage tot de Nederlandse letterkunde', in H. de Kok en E. van Autenboer (red.), Turnhout, groei van een stad, 1983, p. 439-441; 
K. Wauters, 'Snieders, Jan Renier', in NBW, XI, 1985.

Auteur(s)

Karel Wauters