Sleeckx, Domien (eigenlijk Jan L.D.)

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Antwerpen 2 februari 1818 – Luik 13 oktober 1901).

Volgde middelbaar onderwijs aan het atheneum in zijn geboortestad en werd er in 1836 notarisklerk en in 1838 leraar aan de Rijksmiddelbare school. Van 1844 tot 1861 was Sleeckx journalist, van 1861 tot 1879 leraar aan de normaalschool te Lier, van 1897 tot 1885 hoofdinspecteur van het lager onderwijs voor Leuven en Nijvel. In 1887 werd hij in Schaarbeek tot gemeenteraadslid verkozen. In 1891 ging hij na het overlijden van zijn vrouw, bij zijn dochter in Luik inwonen. Sleeckx was lid van talrijke verenigingen: de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Leiden, 1850), De Dageraed (Antwerpen, 1852), De Tael is gan(t)sch het Volk, (Gent, 1858) en Hooger zij ons Doel (Amsterdam, 1871).

In zijn studietijd aan het atheneum kwam Sleeckx in contact met de V.B. via de flamingantische leraar Jan F. Verspreeuwen en Frans H. Mertens en zijn medeleerlingen Pieter F. van Kerckhoven en Theodoor van Ryswyck. Onder invloed van het werk van deze laatste en dat van Hendrik Conscience, en na aanmoediging van zijn vriend Van Kerckhoven, begon Sleeckx korte Franse en vervolgens Nederlandse verzen, zangspelen (1839) en prozastukjes (1840) te schrijven. Ook bepleitte hij toen de noodzaak van een Vlaamse toneelliteratuur. Met een veertigtal stukken behoorde hij tot de eerste generatie schrijvers in Zuid-Nederland sedert 1830. Zijn stijl was aanvankelijk historisch-romantisch maar nadien koos hij voor het naderende realisme, getuige onder meer zijn manifest Over het Realismus in de Letterkunde (1862). Hij gaf zijn werken een opvoedende taak, met een moraliserende ondertoon. De taal was bij Sleeckx geen artistiek expressiemiddel maar had eerder een nuttigheidsfunctie.

In 1840 kwam Sleeckx als lid van de rederijkerskamer De Olijftak in contact met Vlaamsgezinde literatoren en artiesten. Eind 1843 overreedden Van Kerckhoven, Conscience en Jan J. de Laet hem om in Brussel redacteur te worden van Vlaemsch België. Sleeckx, die liberaalgezind was, had er geen bezwaar tegen dat een ruim deel van de bijdragen een duidelijke katholieke signatuur droeg. Hij bleef ook in de redactie van De Vlaemsche Belgen, de voortzetting van Vlaemsch België (tot 30 juni 1845), die in de groeiende tegenstelling tussen klerikalen en antiklerikalen duidelijk positie koos voor de katholieken. In 1846 begon zijn werk voor De Vlaemsche Stem (tot 1853), een blad dat een sterkere liberalisering van de Vlaamse gedachte in de richting van de principes van de Franse Revolutie beoogde. Hiermee kwam Sleeckx tegenover de (ultramontaanse) katholieke Vlamingen te staan.

Begin juli 1844 weigerde Sleeckx op het stadhuis te Brussel de geboorteaangifte van zijn zoontje te ondertekenen om aan te tonen dat het gehele overheidsapparaat anti-Vlaams werkte. In 1846 waarschuwde hij tegen al te voorbarige toenadering tussen de jonge staat België en Duitsland. Hij bestreed hierbij voornamelijk Ignaz Kuranda en in mindere mate Johann W. Wolf en Gustav Höfken. In 1847 polemiseerde hij in het Vlaamsch Verbond tegen de uitspraken van de Waalse volkvertegenwoordiger Joseph-Désiré Sigart (Bergen) op 12 december 1846, over de minderwaardigheid van het Vlaamse volk. Nog in september van datzelfde jaar – na de vorming van de eerste liberale regering onder Charles Rogier – poogde Sleeckx aan te tonen dat de V.B. tot geen enkele partij behoorde, omdat zij zelf een partij was. Sleeckx noemde zichzelf ronduit democraat, hoewel hij niet zo ver durfde te gaan als Lucien Jottrand en Jacob Kats. Op het Gentse Nederlandsch Letterkundig Congres van augustus 1849, gaf Sleeckx uiting aan zijn sociaal-democratische gevoelens, wat nieuw was in de V.B. Toch legde zijn opzienbarende lezing meer de tegenstellingen tussen liberaal en conservatief open dan dat ze sociale doorbraak manifesteerde. Op het volgende Nederlands congres (Amsterdam 1850), was Sleeckx niet aanwezig. Wel was hij onuitgesproken de leider van de Zuid-Nederlandse groep in Brussel in augustus 1851, wat de verwijdering tussen Sleeckx en Conscience in de hand werkte.

Na Consciences verkiezingsnederlaag op 30 oktober 1851 en vooral in de periode tussen mei 1852 en mei 1853 – de periode waarin het liberale kabinet-Rogier vervangen werd door het liberale zakenkabinet-De Brouckère – verschoof Sleeckx duidelijker naar het strijdende liberalisme. Onder zijn impuls namen de bladen De Vlaemsche Stem en de bijdragen in De Schelde het steeds meer op voor Vlaamsgezinde eisen en voerde men vanaf 1853 een antiklerikale campagne tegen de "verkwezelaers der Vlaemsche beweging", waarmee Conscience en De Laet werden geviseerd. In de strijd tussen katholieken en antiklerikalen, die te Antwerpen tussen de groep van Conscience en De Laet enerzijds en Van Kerckhoven en zijn vrienden anderzijds werd gevoerd, koos Sleeckx echter niet openlijk partij. Gaandeweg vielen zijn laatste bezwaren weg, vooral na de verkiezingsnederlaag van Conscience in oktober 1851, toen gebleken was dat de V.B. nooit een derde politieke macht kon worden.

In 1856 verliet hij De Schelde om in 1857 redacteur te worden van de burgerlijke krant Le Précurseur; in 1860 werd hij hoofdredacteur van het neutrale vakblad Le Loyd Anversois. Het volgende jaar volgde Sleeckx Jan van Beers op als leraar aan de Rijksnormaalschool van Lier. Zijn aandeel in de vernederlandsing van het onderwijs en de vorming van een elite Vlaamse onderwijzers kan aldus moeilijk overschat worden. Vanaf 1876 werd hij hoofdredacteur van het Vlaamsgezinde onderwijzerstijdschrift De Toekomst, tot hij het in 1879 overdroeg aan zijn zoon Albert. In het blad schreef Sleeckx in 1876 het artikel "Maskers en Aangezichten" waarin hij zijn ontgoocheling over de V.B. uitte, wees op het grondgebrek van het verfranste onderwijs en klaagde over partijpolitieke verslaving. Toen hij in 1879 hoofdinspecteur werd voor het lager onderwijs, onder Pierre van Humbeeck, was zijn rol zogoed als uitgespeeld; anderen namen zijn pleidooi voor de vernederlandsing van het onderwijs over. Het Koninklijk Besluit van 8 juli 1886 vermeldde hem niet op de eerste ledenlijst van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Bij het touwtrekken over de dosering tussen katholieke en liberale kandidaten stelden Van Beers-Max Rooses op 30 oktober 1886, naast Sleeckx, ook Julius Vuylsteke, Julius de Geyter, Pol de Mont en Gentil Antheunis voor. Ook De Laet en Emanuel Hiel pleitten voor Sleeckx. Hij werd gekozen maar nam samen met Van Beers en Rooses onmiddellijk ontslag. In 1893 werd hij tot briefwisselend en in 1898 tot titulair lid van de Académie Royale gekozen. Tot zijn allerlaatste publicaties behoren enkele vulgariserende werkjes over de Aufklärung en de Revolutie.

Werken

'Maskers en aangezichten. Brieven over de Vlaamsche Beweging', in De Toekomst (1876); 
Verzamelde Werken, 17 dln., 1877-1883; 
Karel VI en Maria Theresia, 1888; 
De jacobijnen in België, 1889; 
De patriottentijd, 1889; 
Indrukken en ervaringen, 1903.

Literatuur

Th. Coopman, 'Hulde aan Domien Sleeckx ter gelegenheid aan zijn afsterven', in Verslagen en Mededeelingen van de KVATL (1901) p. 127; 
G. Segers, 'Sleeckx 1818-1901', in De Tijdspiegel (1902) p. 56-88; 
F. van Veerdeghem, Levenschets van J.L.D. Sleeckx, 1902; 
A. de Ceuleneer, 'De levensschets van Domien Sleeckx door de heren Van Veerdeghem en Fredericq beoordeeld', in Verslagen en Mededeelingen van de KVATL (1903) p. 35-; - - P. Fredericq, Levensschets van Domien Sleeckx, 1903; - - L. Baekelmans, 'De honderste geboortedag van Domien Sleeckx', in Vlaamsch leven (1917-1918), p. 260-262, 276-287, 292-294; 
L. Baekelmans, Drie Vlaamse realisten, 1918; 
id., Domien Sleeckx, 1818-1901, 1931; 
M. de Vroede, 'Het Nederlands Congres van 1849', in Cultureel Jaarboek Provincie Oost-Vlaanderen (1950) p. 289-332; 
L. Wils, De politieke oriëntering van de Vlaamse Beweging in 1840-1857, 1959; 
M. Oukhow, 'Sociale belangstelling in de Vlaamse letterkunde 1848-1885', in Geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging, 1960, p. 153-168; 
M. de Vroede, De Vlaamse pers in 1855- 1856, 1960; 
L. Wils, De liberale Antwerpse dagbladen 1857-1864, 1962; 
H.J. Elias, Geschiedenis van de Vlaamse gedachte, II-IV, 1963-1964; 
E. de Bens, Vlaemsch België. Het eerste vlaamsgezind dagblad, 1968; 
T. Luykx, 'De verhouding van de Vlaamse en franstalige pers in België rond 1845', in Handelingen van de KZMTLG jg. 22 (1968); 
H. Noels, Nederlandse Volkskundige Bibliografie (Zuidnederlandse tijdschriften voor 1850, nr. 9, 1970); 
B. Brouwers, Literatuur en revolutie II. De Vlaamse literatuur en de revolutie van 1848, 1971; 
K. Wauters, Domien Sleeckx als theoreticus van het realisme, 1981; 
M. Somers, 'Sleeckx, Domien', in NBW, XII, 1987; 
L. Simons, 'De memoires van Domien Sleeckx', in Een graf in Westende. Literair historische handschriften, 1993, p. 31-41.

Auteur(s)

Romain Vanlandschoot; Martina de Moor