Simons, Jozef

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Oelegem 21 mei 1888 – Turnhout 20 januari 1948). Schoonbroer van Lodewijk en Octaaf Engels en van Remi Bosselaers. Vader van Ludo Simons.

Was de zoon van de koster-gemeentesecretaris van Oelegem. Simons studeerde eerst aan de gemeenteschool, daarna aan het Klein Seminarie van Hoogstraten (1900-1907) en ten slotte aan het Instituut Sint-Ignatius te Antwerpen. Na het behalen van het diploma van licentiaat in de handelswetenschappen in 1909 werd hij huisleraar bij de graaf de Brouchoven de Bergeyck. Hij bleef in dienst bij deze familie tot in 1923 en woonde afwisselend in Antwerpen, Beveren-Waas, Poperinge en Oostende. Zijn verblijf bij de familie werd tweemaal onderbroken. Een eerste maal in 1916 toen Simons onder de wapens werd geroepen en een tweede maal in 1919 toen hij korte tijd secretaris was van Lieven Gevaert. Na het overlijden van de graaf en gravin probeerde Simons te leven van zijn pen, wat niet lukte. Van 1923 tot 1932 werkte hij voor de Belgische Boerenbond te Leuven. In deze periode studeerde hij archeologie en kunstgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit van Leuven, waar hij in 1927 het diploma van licentiaat behaalde. Van 1932 tot aan zijn dood in 1948 werkte hij bij de uitgeverij Van Mierlo-Proost in Turnhout. Hij was er onder meer verantwoordelijk voor de Volksbibliotheek, een reeks populaire literatuur.

Simons werkte mee aan verscheidene tijdschriften: De Lelie, Onze Jeugd in Drang, Het Land, en Het Vlaamsche Land (1919-1926). Na de Eerste Wereldoorlog verwierf hij bekendheid als auteur van reisverhalen, verhalen over de Kempen, novellen en romans. Hij schreef ook teksten voor heimat-, stap- en strijdliederen, zoals Kempenland, Als de brem bloeit, Voor outer en heerd en droeg op die manier bij tot de Vlaamse liedbeweging. Hij was actief in het sociaal-culturele leven in de Kempen, onder andere als voorzitter van de Vereniging van Kempische Schrijvers (1937-1948).

In zijn jeugd werd Simons beïnvloed door het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond (AKVS). Aan het IJzerfront, waar hij kanonnier en later tolk bij de Engelsen was, leerde hij Filip de Pillecyn kennen, met wie hij in 1920 een dichtbundel, Onder den hiel, uitgaf. Hij was niet actief bij de eigenlijke organisatie van de clandestiene acties van de Frontbeweging, maar werkte mee aan Ons Vaderland, het dagblad van de Vlaamsgezinde frontsoldaten. Net als De Pillecyn, Hendrik Borginon en anderen gebruikte hij het pseudoniem van IJzer om zijn artikels te ondertekenen. In opdracht van de leiding van de Frontbeweging schreef hij in 1918 tekst en muziek van het Frontlied, dat het lied van de beweging werd en dat clandestien verspreid werd onder de soldaten. In het lied werd zelfbestuur voor Vlaanderen en Vlaamse regimenten in het leger geëist.

Zijn bekendste en meest besproken werk, Eer Vlaanderen vergaat (voltooid in 1923 en gepubliceerd in 1927) vertelt een geromanceerde geschiedenis van de Frontbeweging. De centrale vraag in het werk is of de Vlamingen tijdens de Eerste Wereldoorlog niet met hun wapens recht hadden moeten eisen. In de inleiding schetst Simons de sociale en geestelijke onderworpenheid van het Vlaamse volk vóór de Eerste Wereldoorlog. De kern van het verhaal handelt over de Franstalige aristocraat jonkheer Florimond van Laar, die zich aan het front opwerpt als verdediger van de radicale vleugel van de Frontbeweging. Van Laar kan beschouwd worden als een metafoor voor Simons verwachting dat de Franstalige aristocratie in Vlaanderen een stap in de richting van de V.B. zou zetten. Van Laar hoopt dat de activisten Vlaanderen zullen vertegenwoordigen op de vredesconferentie na de oorlog (activisme). Hij komt immers tot het besef dat het Vlaamse volk het lot in eigen handen moet nemen. Hij vraagt de Vlamingen naar het voorbeeld van de Russen en Ieren gebruik te maken van de revolutionaire sfeer en zich te verenigen rond August Borms. In de leiding van de Frontbeweging geeft dit aanleiding tot discussie tussen de voorstanders van Van Laar en de voorstanders van actie met wettelijke middelen binnen de Belgische staat. Deze verdeeldheid zorgt ervoor dat het moment waarop volgens Van Laar gehandeld kan worden, voorbijgaat zonder dat er iets gebeurt. Van Laar sneuvelt tijdens de laatste offensieven, waarin de leider van de Frontbeweging gevangengenomen wordt door de Duitsers. Alles lijkt verloren voor Vlaanderen. De roman eindigt met een profetische oproep van een activistischgezinde kapelaan.

Eer Vlaanderen vergaat zou eerst als feuilleton in het weekblad Vlaanderen (1922-1933) verschijnen. Toen dit na twee jaar nog niet gebeurd was, vroeg Simons het manuscript terug, waarna het werk in 1927 verscheen bij Lityca (Van Mierlo) in Turnhout en Gudrun in Brussel. De eerste editie verscheen onder het pseudoniem van Ivo Draulans, omdat Simons acties van belgicisten vreesde. Later verscheen Eer Vlaanderen vergaat onder zijn eigen naam. De roman kende een groot succes in Vlaanderen en had tijdens het interbellum een grote invloed op talrijke flaminganten. De impact van Eer Vlaanderen vergaat wordt dikwijls vergeleken met die van Hendrik Consciences De Leeuw van Vlaanderen in de 19de eeuw. Het boek kende talrijke herdrukken.

In Dientje Goris (1935) behandelt Simons een thema dat hem na aan het hart lag: de verhouding tussen de hogere sociale klassen en het volk. Hij beschrijft hoe mensen uit het volk hun Vlaamsgezinde houding opofferen wanneer ze hoger op de sociale ladder klimmen.

Naar aanleiding van de honderste verjaardag van zijn geboorte had in 1988 een 'Simons-jaar' plaats in Oelegem. Toen werd de basis gelegd voor een Jozef Simons-Genootschap, dat elk jaar een minder bekend werkje van Simons heruitgeeft.

Werken

Verhalen van een kanonnier, z.j.; 
Bonificacius Suikerbuik, 1919; 
met F. de Pillecyn, Onder den hiel, 1920; 
Oorlogs-Vlaanderen, 1921; 
Eer Vlaanderen vergaat, 1927; 
De laatste Flesch, 1930; 
Harslucht, 1933; 
Dientje Goris, 1935; 
Bonte Garve, 1943; 
Nagelaten gedichten, 1948; 
Verzamelde werken, 1963; 
Jozef Simons omnibus, 1972.

Literatuur

L. Sourie, Jozef Simons, 1947; 
E. van Hemeldonck, 'In memoriam Jozef Simons', in De Toerist (1 maart 1948); 
J. de Vocht, Jozef Simons, 1951; 
M. Verheecke, Jozef Simons, verteller, zanger, Kempenaar, 1963; 
L. Simons, 'Simons, Jozef', in NBW, I, 1964; 
id., 'Eer Vlaanderen vergaat', in WT, jg. 25, nr. 4 (1966), kol. 241-246; 
R. Bosselaers, 'Eer Vlaanderen vergaat', in WT, jg. 31, nr. 2 (1972), kol. 65-90; 
W. Hermans, '"Eer Vlaanderen vergaat"', in WT, jg. 31, nr. 4 (1972), kol. 241-243; 
H. Borginon en Dr. J.P. (= J. Peeters), '"Eer Vlaanderen vergaat" n.a.v. de bijdrage van Dr. Bosselaers', in WT, jg. 31, nr. 5 (1972), kol. 295-296; 
G. Durnez, '"Eer Vlaanderen vergaat" - Best-seller van Jozef Simons vormde talrijke Vlamingen', in De Standaard (11 juli 1973); 
L. Simons, Een graf in Westende. Literair-historische randschriften, 1993.

Verwijzingen

zie: literatuur.

Auteur(s)

Gaston Durnez; Nele Bracke