Servaes, Albert

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Gent 4 april 1883 – Luzern 19 april 1966).

Was quasi een autodidact. Servaes volgde slechts een avondcursus aan de Gentse academie. Met zijn symbolisch- religieuze werken kan Servaes als een van de grondleggers van het Vlaamse expressionisme worden beschouwd. Enkele van zijn belangrijkere werken zijn De Aardappelplanters (1909), De Getekende Kruisweg (1919), Het Boerenleven (1920), Lapis Offensionis (1921), Marialeven (1932) en De Kruisweg van Orval (1936).

Voor de Tweede Wereldoorlog uitte Servaes zijn Vlaams-nationalistische gevoelens hoofdzakelijk via zijn kunst. Hij sloot aan bij het Verdinaso, maar zijn politieke engangement bleef beperkt. Tijdens de bezetting toonde hij openlijk Duitse sympathieën en onderhield hij goede relaties met de bezetter. Servaes werkte mee aan de nieuwe ordening van het culturele leven. Hij was voorzitter van de Oost-Vlaamse Federatie voor Kunstenaars, lid van de Kultuurkamer, lid van de Federatie van Vlaamsche Kunstenaars, algemeen bestuurslid (1941) van De Vlaamsche Kunstenaarsgilde en lid van Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap. In 1940 leidde hij een delegatie Vlaamse kunstenaars die in Duitsland ontvangen werd door Joseph Goebbels. Hij nam deel aan de Vlaams-Duitse cultuurdagen. Hij kreeg gunstige persberichten en kon deelnemen aan groepstentoonstellingen in Duitsland. Hij deed ook enkele duidelijke pro-Duitse uitspraken en verbond zijn kunst aan de cultuurpropaganda van de Nieuwe Orde.

Na de oorlog kreeg Servaes enkele anonieme doodsbedreigingen en werd hij door Constant Permeke en Evarist de Buck beschuldigd van verklikking. Eind 1944 vluchtte hij naar Zwitserland. In juli 1947 werd hij bij verstek veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf (in 1961 herleid tot 5 jaar en in 1964 werd de strafuitvoering geschorst). Servaes liet zich tot Zwitser naturaliseren.

In 1961 ontstond een felle controverse rond de eerste naoorlogse Servaestentoonstelling te Brugge toen De Buck en enkele verzetsgroepen hiertegen heftig protesteerden. Dit alles droeg bij tot het beeld van Servaes als "vader van het Vlaams expressionisme in Ballingschap". In 1965 werd hij bekroond met de Rembrandtprijs.

Literatuur

A. Stubbe, Albert Servaes en de eerste en tweede Latemse kunstenaarsgroep, 1956; 
W. Nigg, 'Albert Servaes', in Maler des Ewigen, II, 1961; 
P. Huys, 'Albert Servaes een kunstenaarsloopbaan', in Kultureel Jaarboek voor de Provincie Oostvlaanderen (1962); 
L.M.A. Schoonbaert, Albert Servaes, 1984; 
J. Lust, Beeldende kunst tijdens de Tweede Wereldoorlog in Vlaanderen. Een onderzoek naar de houding van de beeldende kunstenaars en de kunstrecensenten, RUG, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1985; 
H. Maes, Albert Servaes, zoals hij blijkt uit zijn brieven aan Jules De Coster I. 1913- 1925, II. 1946-1958, 1985; 
E. Verhoeyen, 'Kultuur, politiek en kultuurpolitiek tijdens de Tweede Wereldoorlog', in Kultuurleven, jg. 52 (1985); 
J. Rombouts, Albert Servaes (1883-1966): een receptie-onderzoek, 1989; 
H. van de Vijver, Het culturele leven tijdens de bezetting (België in de Tweede Wereldoorlog, nr. 8, 1990).

Auteur(s)

Nico Wouters