Ruimte

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

Vlaams maandelijks tijdschrift, uitgegeven te Antwerpen van februari 1920 tot december 1921.

Ruimte werd opgericht door de letterkundige Eugène de Bock, de wegens activisme geschorste stadsbibliothecaris van Antwerpen. Het kortstondige leven van Ruimte doet niets af aan zijn reële betekenis, als stimulator van de V.B. in moeilijke tijden, als heraut van het flamingantisch humanitair expressionisme, als indicator van een artistiek renouveau en als verruimer van de Vlaamsgezinde kijk op de wereld. De initiatiefnemers, allen oud-activisten, baadden in de ondergangssfeer van de onmiddellijke naoorlog, zoals die vooral bij de Duitse expressionisten en denkers tot uiting kwam. Maar zij deelden ook het geloof in een ommekeer, een revolutie, de heropstanding door een grote visie. De mens zakte weg in de nacht van de ondergang om op te duiken in een nieuwe dageraad. Boodschap van Wies Moens verscheen niet toevallig in het eerste nummer van Ruimte, naast Terras bij de stroom van Victor-Jozef Brunclair.

In Vlaanderen werd het ongenoegen met de burgerlijk-kapitalistische samenleving verweven met de opstandigheid tegen de vernederende situatie van de Vlamingen in België, tegen het hoera-patriottisme. De inleidende beginselverklaring van Ruimte door Herman Vos (1921, nr. 1) was een belangrijk, algemeen-theoretisch stuk: het 'individualisme' had afgedaan; de 'gemeenschap' vorderde de kunstenaars op; de tijd van het 'zuiver esthetische' was voorbij; elke geestelijke actie moest een 'ethische' grondslag hebben; die ethische grondslag heette het 'gemeenschapsideaal', dat lijnrecht stond tegenover de 'individualistisch-anarchistische' gedachte van de industriële, proletarische 19de eeuw (in het katholieke tijdschrift Vlaamsche Arbeid van april-mei 1920 werd opgemerkt dat Ruimte geen ruimte gaf aan de christelijke gemeenschapsethiek: "Gemeenschapsideaal buiten den Christus!"); de taak van de toekomst "zal meer dan ooit na deze oorlog een organisatorische taak zijn, eerder dan een scheppende (...). In dienst van de gemeenschap wordt elk opgeroepen om te handelen; om tot de stoffelijke of geestelijke produktie bij te dragen (...). Naar alle kollektieve kultuurwaarden zal de belangstelling van de geestelijke wachters van deze tijd uitgaan: de Arbeidersorganisatie, de Politieke Partij, de Staat."

In een Repliek op Karel van de Woestijne (oktober 1921) poogde De Bock de opzet van Ruimte scherper te duiden: de tijd van de politieke, maatschappelijke onthouding, van het "quiëtisme" van Van Nu en Straks was voorbij; weg met de "Ivoren Torens"!

Activisten, zoals Antoon Jacob en Vos, kwamen aan het woord: het dringendste probleem in Europa was het Vlaamse, en dat viel met literatuur alleen niet op te lossen; waarachtige, vruchtbare literatuur had met de actuele maatschappelijke opvattingen te maken: "Wij voelen enkel de dwang van de nieuwe geest (...). De kunstenaar keert zich van eigenmachtig, geesteloos geliefhebber af en tracht zijn kunst te rechtvaardigen en meer te grondvesten."

Van deze ethische, geëngageerde instelling getuigden twee prachtige gedichten ter ere van de op 11 juli 1920 vermoorde Herman van den Reeck: Paul van Ostaijen, In memoriam Herman van den Reeck en Marnix Gijsen, Tijdzang voor Herman van den Reeck (gepubliceerd in Ruimte, 1920, nr. 8-9).

In oktober 1920 wilde Vos in Ruimte een antwoord geven op de vraag wélk Vlaanderen? In zijn bijdrage kon eigenlijk de gehele dienst-aan-de-Vlaamse beschavingsgedachte worden afgelezen: de kunstenaars en intellectuelen wilden niet terug naar het literair flamingantisme van voor de Eerste Wereldoorlog; zij wilden verder, voorwaarts; zij stonden voor een 'geschonden' volk, zonder echte elite; Vlaanderen moest eerst 'beschaafd' vooraleer het kon 'verfijnd' worden; de Vlaamse "arbeiders van de geest" behoorden vooralsnog "tot de schamele klasse van vernederden en verdrukten".

Volgens Ruimte werd de Vlaamse cultuur nog altijd bedreigd door een "wurgend staatswezen"; de Vlaamse zelfstandigheid werd aangetast door "sociale machtsfactoren"; de kunstenaars moesten in "de adem van opstandige durf" staan, die door de wereld vaart op zoek naar de "ideële" gemeenschap. Ideële gemeenschap, bevat in de slotverzen van Gijsens Loflitanie van den H. Franciscus van Assisië (verschenen in Ruimte, 1920, nr. 2).

Literatuur

R. Roemans, Bibliografie van de moderne Vlaamse literatuur 1893-1930. I. De Vlaamse tijdschriften, 1930-1934; 
F. van Passel, Het tijdschrift Ruimte (1920-1921) als brandpunt van humanitair expressionisme, 1958; 
A. Jurgens, 'Ruimte, de kortstondige geschiedenis van een tijdschrift', in Ons Erfdeel, jg. 23, nr. 4 (1980), p. 562-569; 
M. Coppieters, Het jaar van de klaproos. 2. De republiek van de menselijkheid (Kruispunt, nr. 150, maart 1993); 
id., Het jaar van de klaproos. 3. Van de profundis naar opstanding (Kruispunt, nr. 151, maart 1993).

Auteur(s)

Maurits Coppieters