Roosens, Antoon

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Meerbeke 24 augustus 1929).

Was na zijn promotie tot doctor in de rechten aan de Gentse Rijksuniversiteit (1952), vanaf het eind van de jaren 1950 actief in de niet-partijpolitieke V.B.: als secretaris van het Vlaams Komitee voor Brussel en vooral van het Vlaams Aktiekomitee voor Brussel en Taalgrens (VABT). In die laatste functie was hij samen met Staf Verrept een van de drijvende krachten achter de anti-talentellingactie in 1959-1960. Met Verrept was hij ook een van de organisatoren van de twee Vlaamse Marsen op Brussel (22 oktober 1961 en 14 oktober 1962) en van de 'derde mars' te Antwerpen op 10 november 1963.

Naast deze activiteiten op het terrein engageerde Roosens zich meer en meer in de kringen van Het Pennoen en werd hij een pleitbezorger van federalisme. Als vinnig debater trad hij toen en later herhaaldelijk samen op met Jacques Yerna, de voorzitter van het Mouvement populaire wallon (MPW). Samen met Verrept ontpopte Roosens zich tot de ideoloog van het sociaal-flamingantisme, een strekking binnen de V.B. die federalisme koppelde aan (economische) structuurhervormingen. Hij meende dat de politieke macht van de bourgeoisie in stand werd gehouden door de unitaire structuur en dat de federalisering de beslissingsmacht van de arbeidersmassa's zou doen toenemen. De Vlaamse en Waalse arbeiders zouden echter geen eenheid kunnen behouden, omdat de verschillende snelheden van de Vlaamse en Waalse economieën onderlinge conflicten zouden creëren.

Ondertussen had Roosens mee het weekblad De Nieuwe gesticht (1964) en werd hij een van de gangmakers van de Vlaamse frontvorming. Na mislukte onderhandelingen met de Volksunie (VU) kondigde Roosens – samen met het Brusselse VU-Kamerlid Daniël Deconinck, de gewezen CVP'er Roger Bourgeois en Verrept – aan dat er in Vlaams-Brabant een "Vlaams eenheidsfront" aan de parlementsverkiezingen van 1965 zou deelnemen. Hiermee waren de zogenaamde Vlaamse Democraten geboren. Roosens trok de Kamerlijst in het arrondissement Leuven, maar werd niet verkozen. Na deze mislukking startte hij, samen met Verrept en Bourgeois, een doodgeboren politieke formatie met als orgaan het tijdschrift Richting (1966-1968). Daarin werd definitief gekozen voor een marxistische optiek. In 1967 trachtte Roosens in het Demokratisch Aktiekomitee Vlaanderen (DAK) een bundeling van linkse Vlaamse krachten tot stand te brengen. Een jaar later kwam er een versmelting met de Socialistische Beweging Vlaanderen. Dit mondde ten slotte uit in de Revolutionaire Socialisten en hun tijdschrift Rood.

In 1977 was Roosens samen met Bourgeois een van de initiatiefnemers van het niet-partijpolitiek Vlaamsgezind verzet tegen het Egmontpact. Zowel binnen het Anti-Egmontkomitee als binnen het in 1978 opgerichte Komitee voor een Demokratisch Federalisme, een soort linkse versie van het Anti-Egmontkomitee, was hij bijzonder bedrijvig. Ondertussen engageerde hij zich als niet-communist in het Frans Masereelfonds, eerst als bestuurslid, nadien (gedurende een tiental jaar) als nationaal voorzitter en ten slotte als erevoorzitter.

Roosens was in de jaren 1980 betrokken bij pogingen om een onafhankelijk radicaal-progressief weekblad op de markt te brengen (eerst Toestanden, nadien Markant). Hij bleef ook in de jaren 1990 actief binnen de V.B. als medewerker aan het Vlaams-radicale en progressieve tijdschrift Meervoud. In dezelfde periode was hij, via de Vlaamse Volksbeweging (VVB) in Brussel, regelmatig betrokken bij de theoretische voorbereiding van VVB-activiteiten. Hij is tevens medewerker van het Vlaams Marxistisch Tijdschrift, waar hij samen met Ludo Abicht, Jan Debrouwere en Jef Turf de radicaal links-flamingantische lijn vertegenwoordigt. Met Turf, Geert Orbie en Joost van Dommele staat hij kritisch ten opzichte van Het Sienjaal (1996), het project van Maurits Coppieters en Norbert de Batselier omdat hij dit te gematigd vindt. In de jaren 1990 gaf hij een nieuwe nationalistische invulling aan zijn marxistisch geïnspireerde visie; hij stelde dat de Vlaamse gemeenschap als natie onafhankelijkheid moet verwerven, om tegengewicht te kunnen leveren voor het toenemende multinationaal onderdrukkingskapitalisme. Dit nieuwe 'progressieve' nationalisme moet de economische machtsinstrumenten afnemen van de ondemocratische multinationale technocratieën, en overhevelen naar de naties. Enkel op het niveau van de (op basis van culturele eenheid één gemaakte) natie kan volgens Roosens vervolgens welvaart aan de brede bevolkingslagen gegeven worden.

Werken

Artikelen in Het Pennoen; De Nieuwe; Richting; Rood; De Maand; Mai; Vlaams Marxistisch Tijdschrift; Meervoud; 
De Vlaamse kwestie. Pamflet over een onbegrepen probleem, 1981.

Auteur(s)

Henk Cuypers; Nico Wouters