Roelants, Maurice

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Gent 19 december 1895 – Sint-Martens-Lennik 25 april 1966).

Was na zijn studies aan de Rijksnormaalschool te Gent, waar hij vriendschap sloot met Raymond Herreman en Karel Leroux, achtereenvolgens kantoorklerk, onderwijzer en ambtenaar bij het ministerie van justitie. Sedert 1922 werkte Roelants in de journalistiek als correspondent van De Telegraaf en na de Tweede Wereldoorlog was hij een tijdlang hoofdredacteur van De Nieuwe Standaard en De Spectator, en redacteur van Elseviers Weekblad. Hij was vervolgens letterkundig adviseur bij het ministerie van openbaar onderwijs, adviseur van het departement van culturele zaken en ten slotte conservator van het kasteelmuseum te Gaasbeek. Sedert 1961 was hij werkend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.

In de periode tussen de twee wereldoorlogen heeft Roelants met Lode Zielens en Gerard Walschap de Vlaamse romanliteratuur grondig vernieuwd. Wars van de picturale woordkunst, het anekdotisme en het regionalisme van hun onmiddellijke voorgangers schonken zij opnieuw aandacht aan algemeen-menselijke problemen. Met de roman Komen en Gaan (1927) introduceerde hij het genre van de psychologische of analytische roman in onze letteren. Zowel in zijn klassiek opgebouwde verzen als in zijn romans blijkt hij een zoeker te zijn naar het evenwicht tussen droom en werkelijkheid, naar het geluk, dat hem telkens weer ontglipt, wat hem aanspoort tot verder speuren naar redenen om het leven te aanvaarden, zonder de stem van het geweten het zwijgen op te leggen. In een zuivere en gestileerde taal en een heldere, klassieke stijl heeft deze pascaliaanse denker het Vlaamse lezerspubliek geconfronteerd met een christelijk humanisme, geprojecteerd in een alledaagse burgerlijke wereld. De letterkundige bedrijvigheid in Vlaanderen heeft hij in grote mate helpen stimuleren door zijn medewerking aan de oprichting van nieuwe tijdschriften: met zijn vrienden Herreman, Leroux en Richard Minne stichtte hij 't Fonteintje (1921-1924), waarvan hij de redactie en administratie waarnam; met Herman Teirlinck stichtte hij het cultureel weekblad Vandaag (1929-1930), waarvan hij redactiesecretaris was; met Menno ter Braak en Edgar du Perron stichtte hij Forum (1932-1933), waarin hij met Herreman, Marnix Gijsen en Walschap de Vlaamse redactie vormde (1934-1935); hij was medewerker aan Dietsche Warande en Belfort en van de stichting af redacteur van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, waaruit hij echter in 1953 om principiële redenen ontslag nam.

Roelants heeft niet alleen aan zijn schrijftafel geijverd voor de verheffing van het algemeen cultuurniveau in Vlaanderen. Hij deed dat ook als organisator en orator. Hij heeft vooral baanbrekend werk verricht in twee belangrijke sectoren van het Vlaamse ontvoogdingsproces: de culturele aanwezigheid te Brussel en de culturele relaties met Noord-Nederland. In de jaren 1916-1917 richtte hij te Brussel de eerste zuiver literaire boekhandel op, De Nieuwe Boekhandel, en gaf er werk uit van Vlaamse auteurs in de door hem gestichte Beiaardserie. Zo werd hij de pionier van de Vlaamse boekhandel en uitgeverij te Brussel. Later gaf hij de serieuitgaven in Vlaanderen een duw in de rug door het ontwerp van de Feniksserie, die door Het Kompas onder Korneel Goossens werd uitgegeven en waarvan hij met Gijsen en Julien Kuypers de leiding had. Via de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (VVL) gaf hij een directe impuls tot de oprichting van de Vereniging ter bevordering van het Vlaamse Boekwezen en tot de organisatie van de jaarlijkse boekenbeurzen te Antwerpen. De organisatorische kracht van Roelants culmineerde evenwel in 1937, toen hem door de VVL de organisatie van de Hoogdagen der Vlaamse Letteren werd opgedragen. Die groeiden onder zijn leiding uit tot een groot succes. Hij volgde August Vermeylen op als voorzitter van de VVL, maar het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog maakte zijn voorzitterschap weinig spectaculair en moeilijk. Eveneens op verzoek van Vermeylen nam hij in 1942 diens beheerdersfunctie in het Paleis voor Schone Kunsten over en richtte er de Toneeljeugd op. Na de oorlog richtte hij er het Kunst- en Cultuurverbond op. Hij stichtte er een filmclub en organiseerde voordrachten en grootse herdenkingen, zoals die van Peter Benoit en P.C. Hooft. Tevens was hij voorzitter van de Concert- en Toneelvereniging voor het Volk, een tweetalige dochteronderneming van de Société philharmonique, opgericht met het doel de duurdere kunstgebeurtenissen binnen het bereik van de minderbedeelden te brengen. Om zijn dynamisme en organisatietalent verzocht Kuypers, secretaris-generaal van het ministerie van openbaar onderwijs, hem binnen het kader van het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag de Algemene Conferenties der Nederlandse Letteren op touw te zetten. Van de Belgische Commissie voor Letterkunde was Roelants voorzitter. Als zwager van Karel van de Woestijne nam hij het initiatief tot de stichting van het Van de Woestijne-genootschap, waarvan hijzelf secretaris was, met het doel de studie van diens werk te bevorderen en de uitgave van de verzamelde werken tot stand te brengen. Als boeiend causeur ten slotte genoot hij zowel in Noord- als in Zuid-Nederland een grote faam. Zijn laatste levensjaren heeft hij vooral gewijd aan de restauratie, verbouwing en herinrichting van het Staatsdomein van Gaasbeek, dat hij tot een levend centrum van Vlaamse cultuur poogde te maken.

Werken

Poëzie: De kom der loutering, 1918; 
Het verzaken, 1930; 
Pygmalion, 1947; 
De lof der liefde, 1950; 
Vuur en dauw, 1965; Proza: De driedubbele verrassing, 1917; 
Komen en gaan, 1927; 
De jazzspeler, 1928; 
Twee helden, 1928; 
Het leven dat wij droomden, 1931; 
Alles komt terecht, 1937; 
Drie romanellipsen, 1943; 
Altijd opnieuw, 1943; 
Gebed om een goed einde, 1944; Essays en studies: Van de vele mogelijkheden om gelukkig te zijn, 1919; 
Schrijvers, wat is er van de mens?, 1943, vermeerderde uitgaves in 1956 en 1957; 
De weduwe Becker, wat ik hoorde en zag op haar proces, 1943; 
Roman van het tijdschrift Forum of Les liaisons dangereuses, 1965.

Literatuur

J. de Ceulaer, 'Maurice Roelants', in Toortsen, 7, z.j.; - G.H. 's-Gravesande, Sprekende schrijvers, 1935; 
Fr. Closset, Maurice Roelants, 1946; 
L. Sourie, Mens en kunstenaar, 1956; 
Van en over Maurice Roelants, 1956; 
A. van der Veen, Maurice Roelants (Monografieën over Vlaamse Letterkunde, nr. 17, 1960); 
J. de Ceulaer, Te gast bij Vlaamse auters, I, 1962; 
A. van Elslander, 'Hulde ter nagedachtenis van wijlen Maurice Roelants', in Verslagen en Mededelingen van de KVATL (1967), p. 654-661; 
P. de Wispelaere, Met kritisch oog, 1967; 
M. Janssens, Woorden en waarden. Essays over literatuur, 1980; 
G.H. 's-Gravesande, Al pratende met ..., 1980; 
L. Gillet, 'Antimodernistische strekkingen', in M. Rutten en J. Weisgerber, Van "Arm Vlaanderen" tot "De voorstad groeit". De opbloei van de Vlaamse literatuur van Teirlinck-Stijns tot L.P. Boon (1888-1946), 1988, p. 409-410; 
M. Dupuis, 'De vernieuwing van de romankunst 1927-1941', in M. Rutten en J. Weisgerber, Van "Arm Vlaanderen" tot "De voorstad groeit". De opbloei van de Vlaamse literatuur van Teirlinck-Stijns tot L.P. Boon (1888-1946), 1988, p. 457-461.

Auteur(s)

Raymond Vervliet