Robyn, Pieter J.

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Vrasene 18 maart 1768 – Gent 24 september 1823).

Was een oud-leerling van de Ecole normale te Parijs. Robyn was aanvankelijk republikeinsgezind en werd uitvoerend commissaris in Herzele, daarna (in 1798) in Zele. Hij woonde van 1812 af in Gent en was er een van de ijverigste leden van de rederijkerskamer De Fonteine. Hij was mogelijk mederedacteur van het tijdschrift Den Democraet (1795) en werkte mee aan het weekblad Protocole Jacobs van Jacob Antheunis.

Zijn niet-bekroning in een tweetal dichtwedstrijden was de oorzaak van een blijvende rivaliteit met Pieter J. de Borchgrave, voor wie hij in poëtisch talent niet onder hoefde te doen. Hij gaf zijn in de bekende dichtwedstrijd over De Lof der Belgen (in 1807 uitgeschreven door de Aalsterse Catharinisten) niet gelauwerde verzen zelf uit, samen met het dichtwerk De Belgische Schilders (1810). Uit beide spreekt een nationale en algemeen-Nederlandse visie: de opstand tegen Filips II wordt de strijd van "onze Nederlanden" tegen de "snode inquisitie", waarin hij de zijde kiest van Willem van Oranje; Hollanders en Belgen zijn één volk; Noord-Nederlandse dichters worden tot voorbeeld gesteld en degenen die "het neêrlands durven doemen", worden door de dichter veroordeeld.

Zijn gedicht over de schilders looft Van Eyck, Rubens, Van Dyck, Jordaens en Rembrandt en roept de jonge kunstenaars op om het voorbeeld van die groten te volgen en nooit "de doodsche verw der gallen na te apen".

Behalve een vertaling van Voltaires Semiramis en van de eerste zang van Boileaus Art poétique schreef Robyn, zelf een begaafd toneelspeler (zijn dochter Diana werd een bekende actrice), een gruweltreurspel, Nuno en Evora of de Vadermoord (1797), en een blijspel, De zwarte Man of De Spleen. Goethe inspireerde hem tot zijn drama's Werther en Egmond en Hoorne. Van al deze werken bleef alleen Nuno en Evora bewaard.

De inspiratie van zijn poëzie zowel als van zijn toneelwerk stempelen Robyn tot een preromantische figuur.

Literatuur

G. Degroote, 'Poetae minores', in Miscellanea J. Gessler, I, 1948; 
F. van der Elst, 'De Lof der Belgen. Kanttekeningen over het nationaal bewustzijn in Zuid-Nederland naar aanleiding van de prijskamp van de Catharinisten te Aalst in 1810', in Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden (1956), p. 161-179; 
A. Deprez, 'Diana Daenens-Robijn (1805-1855) en het Gentse toneelleven van haar tijd', in Jaarboek De Fonteine (1961), p. 83-92; 
J. Smeyers, De Nederlandse letterkunde in het Zuiden (Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, VI, 1975); 
J. Huyghebaert, De Belgen/Les Belges. Het dichterstornooi van Aalst 1807-1810, 1989.

Auteur(s)

Jozef Smeyers