Repressie

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

1. Na de Eerste Wereldoorlog

In de eerste weken van de oorlog leek het onmogelijk dat Belgische burgers zouden overgaan tot collaboratie met de Duitse aanvallers. De Belgisch-nationalistische roes en de haat jegens de invallers waren immers overweldigend sterk. Toen het duidelijk werd dat de bezetter een Flamenpolitik voerde en dat er wel degelijk Belgische burgers bereid waren om hem behulpzaam te zijn, werd nog gewacht tot na de vernederlandsing van de Gentse universiteit (von Bissing Universiteit) vooraleer de regering juridische maatregelen aankondigde. Het ging om een rijksuniversiteit en het personeel bestond dus uit ambtenaren. De regering publiceerde in het Belgisch Staatsblad een Koninklijk Besluit, gedateerd 10 oktober 1916, dat al wie een ambt aan deze door de Duitsers vernederlandste universiteit zou aanvaarden, als onwaardige uit de nationale orden zou worden geschrapt. Andere maatregelen werden niet uitgesloten.

Daarna wachtte de regering opnieuw vrij lang. Ondertussen hadden de Duitsers in februari 1917 de Raad van Vlaanderen opgericht en op 21 maart 1917 werd het proces van de bestuurlijke scheiding in gang gezet. Dat was een flagrante schending van het oorlogsrecht dat de bevoegdheden van een bezetter nauwkeurig had afgebakend. Die bestuurlijke scheiding kon niet doorgevoerd worden zonder raadgevers en een relatief omvangrijke medewerking van – al dan niet pasbenoemde – ambtenaren. Op 8 april 1917 vaardigde de Belgische regering twee besluitwetten uit. De eerste bepaalde dat zij die kwaadwillig de politiek of de inzichten van de vijand zouden dienen of zouden deelnemen aan het vervormen van wettelijke instellingen of inrichtingen, of die in oorlogstijd de trouw der burgers aan koning en staat aan het wankelen brachten, met 15 tot 30 jaar dwangarbeid zouden worden bestraft. Daarnaast bepaalde de regering ook dat voorstanders van het activisme met gevangenzetting en deportatie zouden worden bestraft. De Belgische burgers die de bezetter hierbij behulpzaam waren via verklikking kregen de volgende wettekst onder ogen: wie door het aangeven van een werkelijk of denkbeeldig feit iemand aan opzoekingen of vervolgingen of geweld vanwege de vijand zou hebben blootgesteld, zou worden bestraft met 6 maanden tot 20 jaar dwangarbeid. Na de bevrijding zou het krijgsgerecht oordelen over alle strafbare feiten die na 13 april 1917 werden begaan. In de tweede besluitwet werd bepaald dat alle door de bezetter genomen maatregelen, onder meer in verband met de bestuurlijke scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië, zouden vervallen in de gebieden die bevrijd werden. Daar zouden alle door de regering uitgevaardigde besluiten onmiddellijk van kracht worden. Deze wetteksten waren in het bezette gebied na korte tijd bekend.

In het bezette gebied hadden de Duitsers, conform het oorlogsrecht, de Belgische justitie in dienst gelaten voor criminaliteit die niets met de oorlogvoering of hun militaire bezetting te maken had. Het hof van beroep te Brussel liet begin 1918 August Borms en Pieter Tack aanhouden. Ze werden door de bezetter onmiddellijk in vrijheid gesteld en op hun aandringen deporteerden de bezetters enkele magistraten, hoewel minder dan door de activisten gevraagd. Daarna zouden de rechtbanken in februari 1918 hun werkzaamheden staken, zodat de Duitsers zelf rechtbanken oprichtten. Zolang de activisten overtuigd waren van de macht van de Duitse wapens, waren de dreigingen met vervolging vanuit Le Havre futiel en ze wekten slechts spot op.

Dat zou niet blijven duren. Naarmate de Duitse legers vanaf augustus 1918 verzwakten, werd de situatie kritiek. De bezetter raadde de meest bekende activisten aan zich in Nederland en in Duitsland in veiligheid te brengen. De Belgische regering was ondertussen begonnen de daadwerkelijke vervolging van het activisme voor te bereiden.

Ondertussen was er reeds discussie ontstaan over de rechtskracht van de Haverse wetgeving, een discussie die de volgende decennia zou aanhouden. Van activistische zijde werd gezegd dat de besluitwetten van Le Havre strijdig waren met de Belgische grondwet. De besluitwetten kwamen inderdaad tot stand zonder het parlement, dat in de loop van de oorlog geen enkele keer bijeen kon komen. Het hof van cassatie heeft op 11 februari 1919 de handelwijze van regering en koning Albert I echter gebillijkt. De critici van de naoorlogse bestraffing wezen er ook op, dat de besluitwetten na de oorlog bekrachtigd hadden moeten worden, voor ze toegepast werden. Ten slotte betoogden activisten dat de besluitwetten van Le Havre strijdig waren met de Conventie van Den Haag, die onder andere betrekking heeft op het bestuur van bezet gebied in oorlogstijd. Van Belgische zijde beschouwde men dit alles als formalistische kritiek. Feit is dat de bestraffing kon steunen op een brede consensus onder de bevolking waar de verachting en de haat ten opzichte van het activisme sterk leefden.

Na de aftocht van de Duitse troepen werd begonnen met het arresteren van activisten. Hierbij moet in acht genomen worden dat "activisme" een vrij ruim begrip vertegenwoordigde dat sloeg op ieder die van de bezetting had geprofiteerd door samenwerking met de Duitsers in een of andere vorm. In de steden werden huizen en bezittingen van activisten door woedende menigtes geplunderd en vernield. Daarbij werd in Gent een medewerker van Jan Wannyn gedood. Het duurde op de meeste plaatsen verscheidene dagen tot weken eer de door de bezetter sterk verzwakte politie de orde kon herstellen.

De regering verkoos om enkel strafzaken op touw te zetten tegen de toplaag van het activisme. Dat had tot gevolg dat vele kleine garnalen na korte tijd werden vrijgelaten. Tegen anderen doofden de onderzoeken uit. De krijgsgerechten spraken weliswaar enkele harde vonnissen uit, zoals tegen de docent aan de Gentse universiteit Robert de Waele die ter dood veroordeeld werd. Er was in de regering echter geen meerderheid voorhanden voor de uitvoering van de doodstraf.

Voor de grote processen van start gingen verliepen er vele maanden. Ondertussen daalde de strafmaat omdat de emoties in de publieke opinie waren geluwd en de verdediging zich combattiever opstelde. Veel hing ook af van de integratie van de betrokken activisten in hun omgeving en van de manier waarop ze hun activistische overtuiging al dan niet openlijk hadden geuit. Wie men geen verklikking, het aanvaarden van een overheidsbetrekking of zelfverrijking kon aanwrijven, werd door de rechtbanken anders beoordeeld dan wie – tegen betaling – opgetreden was in meetings of in de activistische pers schreef. Vooral de leden van de Raad van Vlaanderen en het netwerk van vrijgestelde propagandisten werden geviseerd. De meesten van deze mensen waren echter op de vlucht geslagen en verbleven in het buitenland. Op 30 april 1919 werd de staat van beleg opgeheven en daarna verschenen de activisten voor burgerlijke rechtbanken, de assisenhoven. Ook hier kwamen de haat en de afkeer tegenover het activisme soms naar boven, wat een serene atmosfeer op het proces niet bevorderde.

Deze activistenprocessen waren vrij beperkt in aantal en velen werden bij verstek veroordeeld. Er was het grote proces tegen Borms voor het assisenhof van Brussel, waarop de doodstraf werd uitgesproken. De beschuldigde bleef bij zijn activistische overtuiging en legde alle schuld voor het activisme bij België. Er was het proces tegen de volksvertegenwoordiger Adelfons Henderickx, die tot 10 jaar dwangarbeid werd veroordeeld, en verder het gezamenlijk proces tegen Antoon Jacob, Marten Rudelsheim en Herman Vos, van wie de eerste twee 10 jaar en de derde 3 jaar gevangenisstraf hoorden eisen. Ophef maakte ook nog het proces tegen de propagandist Wies Moens, die tot 4 jaar werd veroordeeld en het proces tegen de professoren der door de Duitsers vervlaamste Gentse universiteit, waarop Lodewijk Dosfel met enkelen van zijn collega's verscheen en waarbij de eerste met 10 jaar hechtenis gestraft werd.

Er kwamen nog andere vormen van straffen voor. Een aantal rijksambtenaren en ambtenaren van provinciale- en gemeentebesturen werd, meestal zonder strafrechtelijk veroordeeld te zijn, door een administratieve zuivering getroffen en definitief ontslagen of tijdelijk geschorst. Het aantal gebroodroofden, zoals ze werden genoemd, bedroeg volgens hun tegenstanders respectievelijk 1637 rijksambtenaren en ongeveer 1600 ambtenaren van provinciale- en gemeentebesturen, in totaal dus zowat 3240 ambtenaren. Die administratieve epuratie verliep ongelijkmatig wat de strengheid betrof en de rechten van de verdediging waren niet gegarandeerd.

Leden van de Centrale Examencommissie weigerden oud-studenten van de door de Duitsers vernederlandste Gentse universiteit te ondervragen, waarin de wet hen achteraf gelijk gaf. Begin 1919 kregen de Rijksuniversiteiten van het ministerie instructie deze oud-studenten niet te aanvaarden. De vrije universiteiten namen dezelfde houding aan. In 1921 stelde men vast dat meer dan 300 Vlaamse leerkrachten uit het onderwijs waren gestoten, omdat ze tijdens de oorlog gediplomeerd waren door jury's waarin ook activisten zetelden. Wanneer ze een nieuw examen aflegden, werden ze, volgens hun sympathisanten, uitzonderlijk streng beoordeeld.

Op de ministerraad van 13 december 1920 werd vastgesteld dat activisten die in een later stadium werden veroordeeld, aanmerkelijk lichter gestraft werden. Minister van justitie Emile Vandervelde wilde deze ongelijkheid rechttrekken, hetgeen de strafmaat van de veroordeelden uit de beginperiode naar beneden zou brengen. Hij wilde ook zoveel mogelijk activisten uit de gevangenis ontslaan. Op 31 januari 1921 vroeg hij de vrijlating van Leo Augusteyns, activist en gewezen liberaal parlementslid. Die had al de helft van zijn straf uitgezeten. De regering wilde Vandervelde wel volgen maar op voorwaarde dat Augusteyns niet meer aan politiek zou doen. Minister Aloïs van de Vyvere wou dat als precedent voor alle volgende vrijlatingen laten gelden. Hij pleitte daarnaast voor brede clementiemaatregelen omdat de opgeslotenen de anti-Belgische beweging stimuleerden. Hij verkoos vrijlatingen onder voorwaarden zodat deze mensen politiek uitgeschakeld waren. De regering was ondertussen onder druk komen te staan omdat er vanuit diverse hoeken werd gepleit voor clementiemaatregelen voor militairen, die bijna uitsluitend vanwege strafrechtelijke vergrijpen aan het front een veroordeling hadden opgelopen. Die beweging had tot gevolg dat men vanuit de V.B. wees op het probleem van amnestie voor de gestrafte activisten en ambtenaren.

Herhaaldelijk zou de regering de parketten afraden om vervolgingen in te spannen tegen Vlaams-nationalisten omdat ze vond dat het principe van de vrije meningsuiting en de grondwettelijke vrijheden niet in het gedrang mochten worden gebracht. De justitie moest de vervolgingen aanspannen met een vrij beperkte hoeveelheid bewijsmateriaal omdat de bezetters en de activisten ervoor hadden gezorgd dat zoveel mogelijk archief naar Duitsland werd overgebracht. Vooral Rudiger, pseudoniem van Armand Wullus zou aldaar op zoek gaan naar belastende documenten. Zijn vondsten baarden opzien, onder meer omdat ze verwezen naar de invloed van het activisme op de Frontbeweging. Meer bepaald zou de voorman van de Frontbeweging, Adiel Debeuckelaere, in opspraak worden gebracht en worden beschuldigd van verraad.

Het parket reageerde op deze onthullingen met de aanhouding van de Vlaams-nationalistische politicus. Het liet de minister van justitie weten dat de zaak est poursuite avec diligence. De zaak zou echter op een sisser uitlopen omdat de leden van de Frontbeweging, die werden opgeroepen als getuigen, de kiezen op elkaar hielden. Hierdoor konden de beschuldigingen niet hard worden gemaakt.

Op 1 mei 1922 besliste de regering, op voorstel van de minister van verkeerswezen, dat de spoorwegen en de post activistische publicaties niet meer mochten weigeren. Het grondwettelijk recht op vrije meningsuiting woog zwaarder. Op 12 juni 1922 besliste de ministerraad om de studenten van de vroegere von Bissing-Universiteit in Gent niet langer meer te verbieden te studeren aan de rijksuniversiteiten. Velen van hen hadden nochtans een rol gespeeld in de activistische propaganda of in de knokploegen. De regering stimuleerde dus al een mildering van de bestraffing vanaf het begin van de jaren 1920.

Over het aantal door het gerecht gestraften, bestaan verschillende cijfers omdat het begrip "activist" van inhoud veranderde naar gelang van de kring waarin men verkeerde. De middens die de anti-Belgische boodschap van het activisme verder propageerden deden erg hun best om zo hoog mogelijke aantallen gestraften op te geven. Hun opzoekingen resulteerden in cijfers die door Arie W. Willemsen werden overgenomen. Het lijstje dateert van 1932: 39 terdoodveroordelingen waarvan geen enkele werd uitgevoerd, 15 levenslang, 5 tot 25 jaar, 20 tot 20 jaar, 2 tot 18 jaar, 24 tot 15 jaar, 20 tot 12 jaar, 32 tot 10 jaar, 2 tot 8 jaar, 1 tot 18 maanden, in totaal 312 mensen. Een onbekend aantal mensen werd na de inval voor korte tijd opgesloten, of verbleef in voorhechtenis en werd nadien vrijgesproken, of werd tot een straf voor de duur van de voorhechtenis veroordeeld.

Ook de financiële kant werd in de naoorlogse bestraffing betrokken. De Belgische staat stelde zich in een aantal gevallen burgerlijke partij met het argument dat de activisten betaald werden met geld van de Belgische belastingbetaler en hij kreeg vanwege de rechtbanken schadevergoedingen toegewezen. Die eisen tot schadevergoedingen, als ze al werden ingediend, waren in vele gevallen echter niet hoog. Minister van financiën Léon Delacroix was van oordeel dat dit weinig zin had omdat de betaling toch vrijwel nooit zou kunnen afgedwongen worden. Een wet van 10 mei 1919 sloot veroordeelde activisten uit van vergoeding voor opgelopen oorlogsschade.

2. Na de Tweede Wereldoorlog

Alle landen die tijdens de Tweede Wereldoorlog een Duitse bezetting kenden, hebben na de bevrijding afgerekend met hun ontrouw geachte burgers. Aanvankelijk was het naoorlogse antwoord op de collaboratie overal in Europa hetzelfde: collectieve uitstoting van de zondaars uit alle geledingen van de maatschappij. Zo ook in België. Deze 'verbanning' liep hier te lande langs twee wegen. Langdurige vrijheidsberoving lag als maatregel voor de hand. Daarnaast verloren tienduizenden grote en kleine collaborateurs een aantal rechten. Na enige tijd, zo'n anderhalf jaar na de bevrijding, groeide echter het vermoeden dat hun complete en aanhoudende uitstoting voor de Belgische samenleving meer nadelige dan positieve gevolgen kon hebben. Daardoor kregen begrippen als strafvermindering, vervroegde vrijlating, wederopvoeding en reïntegratie een plaats op de politieke agenda.

2.1. Ter inleiding: de repressie in zesvoud

De afrekening met de collaborateurs heeft zich in België onder velerlei gedaantes voltrokken. In tal van publicaties is deze veelvormigheid over het hoofd gezien, waarbij alle aandacht dan gaat naar een enkel aspect, zoals de krijgsraden of, meer nog, de volkswoede tijdens de bevrijdingsweken. Zo'n verenging van het blikveld is gevaarlijk. Zij leidt tot veralgemenende uitspraken over dé repressie op grond van wat er over een deel van de werkelijkheid te zeggen valt.

Kort na de bevrijding en, in een tweede golf, bij de terugkeer van de politieke gevangenen uit de kampen (mei 1945) is een volks- of straatrepressie aan het werk geweest. Zij manifesteerde zich onder de vorm van standrechtelijke executies en van mishandelingen, plundering en brandstichting. Dit facet van de repressie is vlijmscherp in het geheugen van velen gebrand en heeft de beeldvorming over wat er met de collaborateurs is gebeurd sterk beïnvloed.

Een tweede gezicht van de repressie is de zuivering die in particuliere organisaties, zoals de Orde van Advocaten, het katholiek onderwijs of de socialistische arbeidersbeweging is doorgevoerd.

De kern van de repressie was een zaak van de overheid of van door haar gemandateerde instanties. Hier liep de bestraffing van de collaborateurs over vier sporen. Onvaderlandse ambtenaren, gemeente- en provincieraadsleden kwamen in de molen van de administratieve epuratie terecht. Dat was een eerste luik. Ten tweede speelden, op lokaal vlak dan, de burgemeesters en de politiecommissarissen een rol: zij konden van incivisme verdachte personen treffen door hun een bewijs van burgertrouw te weigeren. Dat getuigschrift was vereist in tal van zaken. Wie het niet kon voorleggen was sociaal gezien gehandicapt. Een derde luik was de berechting in het raam van de krijgsraden. Deze militaire rechtbanken behandelden hoofdzakelijk de gevallen van wapendracht, verklikking, economische collaboratie en de meer ernstige vormen van politieke bijstand aan de bezetter. Ten slotte was er de burgerlijke epuratie of, in andere woorden, de bestraffing van de politieke collaborateurs en van de minder zware gevallen van militaire collaboratie. Die was in handen van de krijgsauditeurs en, in beroep, van de civiele rechtbanken.

Tussen de diverse vormen van repressie liepen allerlei verbindingsdraden. Een tuchtstraf opgelopen in een overheidsdienst of in een beroepsorganisatie van advocaten, notarissen, deurwaarders, geneesheren, apothekers of wisselagenten leidde automatisch tot een opname in de burgerlijke epuratie en dus tot het verlies van een aantal politieke en burgerrechten. Wie in een krijgsraad een veroordeling opliep mocht zich ook op het werk of in het verenigingsleven aan sancties verwachten. De repressie bestond bijgevolg uit verschillende lagen en in vele gevallen leidde dat tot een opeenhoping van sancties. Het systeem werkte bovendien als een meervoudig vangnet. Het seponeren van een klacht of vrijspraak voor de krijgsraad was geen garantie dat er verder niets te vrezen viel. Vaak kwam het voor dat de krijgsauditeur in die omstandigheden een persoon alsnog op de lijst van de burgerlijke epuratie plaatste. Wie ook daaraan ontsnapte kon een bewijs van burgertrouw geweigerd worden of in de privé-sector op moeilijkheden stuiten.

2.2. De repressie in beeld

In wat volgt zal de meeste aandacht naar de vier vormen van overheidsrepressie gaan. Maar eerst passeren de straatrepressie en de zuivering in de privé-sector de revue.

2.2.1. De straatrepressie

Er zijn over de volksrepressie duizenden bladzijden geschreven. Zij zijn bijna uitsluitend het werk van slachtoffers of van felbewogen ooggetuigen. Vermoedelijk zal het nooit meer mogelijk zijn om in deze berichten werkelijkheid, overdrijving en fantasie te scheiden. Vast staat wel dat duizenden burgers wederrechtelijk van hun vrijheid werden beroofd en in kampen ondergebracht. Daarnaast zijn verdachten en hun familieleden zonder vorm van proces van hun bezittingen beroofd, mishandeld en in enkele tientallen gevallen ook gedood.

De volksrepressie werd door wie er het mikpunt van was ervaren als een ware catastrofe. Dat is niet verwonderlijk. Bij sommige meelopers van de collaboratie was er niet eens het besef dat zij zich tijdens de bezetting misdragen hadden. De mensen die om den brode lid waren geworden van het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) of Rex waren zich vaak niet bewust van enige schuld. Anderen hadden de stellige indruk dat zij hun land, meer bepaald Vlaanderen, een dienst hadden bewezen door met de Duitsers samen te werken. Hadden zij daardoor niet een nog groter onheil weten te voorkomen? Vele collaborateurs kwamen bovendien uit een beschermd en beschermend milieu. Het brutale contact met 'de straat' zal daarom des te traumatischer geweest zijn. Jarenlang ook hadden ze van hun leiders gehoord dat zij tot de elite van het land behoorden. Nu werden ze openlijk vernederd.

Niets is moeilijker dan het beoordelen van wat zich in de volksrepressie heeft afgespeeld. Welke maatstaf dient men te gebruiken? Leed laat zich niet becijferen.

De verleiding is groot om de gebeurtenissen van toen te evalueren op grond van een hedendaags waardebesef. Zo'n benadering moet noodzakelijkerwijze uitlopen op een vernietigend oordeel. Maar oorlog is een toestand waarin morele grenzen vervagen. De lijn die goed en kwaad scheidt is dan zeer dun. Dat is zeker zo bij het einde van een oorlog. De oude wetten verliezen op abrupte wijze hun kracht en de nieuwe spelregels zijn nog niet in voege. Vele ambtsdragers zijn verdwenen, politie en leger zijn machteloos of op de vlucht.

Toch vertonen de gebeurtenissen van toen enkele aspecten die vragen doen rijzen over de verantwoordelijkheid van de politici. Bij de eerste golf van plunderingen en mishandelingen konden zij zich nog verschuilen achter het machtsvacuüm dat oorlog en bevrijding geschapen hadden. Maar wat te denken van de houding van de politici in de lente van 1945, tijdens de tweede golf van willekeurige aanhoudingen en plunderingen? De woede die de confrontatie met de gruwelen van het nazi-regime veroorzaakte verklaarde weliswaar de nieuwe stormloop tegen de woningen van de collaborateurs. Maar op dat moment was er, anders dan in september 1944, geen sprake meer van een gezagsvacuüm. De regering-Achille van Acker had het wettelijk gezag hersteld en het verzet onder controle gekregen. Toch heeft zij niet (of slechts veel te laat) ingegrepen om de volkswoede in te dijken. Dat de gezagsdragers op dat moment erg in beslag genomen waren door andere problemen (de bevrijding van Leopold III, de ontwapening van het verzet, de economische wederopbouw, de mijnstakingen), is geen excuus.

2.2.2. De zuivering in eigen huis

De overheid was de draaischijf in de mammoetoperatie die het land moest zuiveren van ontrouwe burgers. Maar zij was niet de enige scherprechter. Kort na de bevrijding werd een tweede front tegen de incivieke Belgen geopend: in tal van verenigingen en beroepsgroepen werd een interne zuivering doorgevoerd. In vele gevallen is het intern gewetensonderzoek snel van start gegaan. Enkele voorbeelden: op 8 september 1944 riep de Belgische Socialistische Partij (BSP) voor de zuivering in eigen rangen een Nationale Ereraad in het leven; op 30 september werd in het kader van de Beurs een epuratiecommissie opgericht die onvaderlandse wisselagenten uit de beroepsgroep moest stoten; op 12 oktober sprak de Raad van de Brusselse Orde van advocaten een eerste tuchtmaatregel uit tegen een 'onwaardig' advocaat; in een circulaire van 21 oktober vroeg het nationaal bestuur van het Davidsfonds alle landsvijandige leden uit de lokale besturen te verwijderen. Ook van talloze sportverenigingen werd gemeld dat bestuurders en leden omwille van hun oorlogsgedrag werden uitgestoten. Dat is maar een greep uit de vele berichten die toen in de kranten verschenen. De zuivering in de organisaties van de privé-sector was vaak een verlengstuk van de overheidsrepressie. In de advocatuur, het notariaat en het medisch korps leidde een veroordeling door de krijgsraad onvermijdelijk tot een verwijdering uit de beroepsgemeenschap.

Over de repressie in de privé-sector is bitter weinig informatie voorhanden. Dat maakt het vellen van een oordeel ook zo moeilijk. Maar men mag er gerust van uitgaan dat er in de meeste gevallen een probleem van rechtszekerheid zal geweest zijn. Was er in de procedure, die tot een sanctie leidde, wel plaats voor het recht op verdediging? Was er een beroepsinstantie voorzien? Kon een tuchtmaatregel herroepen worden bij kennelijke dwaling of als de opwinding van de eerste maanden voorbij was? De kans is groot dat elk van deze vragen met een 'neen' te beantwoorden is.

2.2.3. De grote schoonmaak van politiek en ambtenarij

Tijdens de bezetting zijn in het bestuur van dorpen, steden en provincies grote wijzigingen aangebracht. In 63% van alle Belgische gemeenten (of 1657 op 2617) werd de burgemeester geschorst of ontslagen. In 1452 gevallen was een nieuwe burgemeester benoemd of aangeduid. Daarnaast waren honderden schepenen en gemeentesecretarissen afgezet en vervangen. Een gelijkaardig manoeuvre is uitgevoerd op het niveau van de provinciale gouvernementen. Vele nieuwbenoemden waren aanhangers van Duitsgezinde organisaties. In Vlaanderen waren dat hoofdzakelijk VNV'ers, in Wallonië rexisten. Uiteraard was het politiek personeel van gemeenten en provincies niet in zijn geheel vervangen. Sommige personen waren tijdens de bezetting op hun vooroorlogse post van burgemeester, schepen, gemeenteraads- of provincieraadslid gebleven. Maar ook op een aantal van hen woog de verdenking van onvaderlands gedrag.

In de ambtenarij had de bezetting eveneens diepe sporen nagelaten. Er waren duizenden benoemingen gebeurd, vaak van Nieuwe Orde-gezinden. Van vele ambtenaren, die al voor mei 1940 in dienst waren genomen, werd vermoed dat zij zich niet als loyale Belgen hadden gedragen.

De Belgische regering in Londense ballingschap had zich voorgenomen om gemeenten, provincies, ministeries en parastatalen grondig te zuiveren van 'onwaardigen'. Zij had daartoe in de lente van 1944 twee besluitwetten uitgevaardigd. Een eerste, van 5 mei 1944, vernietigde zowat alle bestuursdaden die de secretarissen-generaal en hun ondergeschikten na 16 mei 1940 hadden gesteld. Deze wet betrof ook de benoemings- en promotiebeslissingen. Met één pennentrek verdwenen daarmee duizenden leden van het politiek en het ambtelijk personeel uit het staatsapparaat.

De besluitwet van 8 mei 1944 regelde de epuratie van de politieke mandatarissen en de ambtenaren wier aanwerving al van voor de oorlog dateerde. De reikwijdte van deze besluitwet was groot: hij had betrekking op de bekleders van alle burgerlijke of militaire openbare ambten, met inbegrip van de magistraten van het openbaar ministerie, de leden der Bestendige Deputaties, de schepenen, de leden van de commissies van de openbare onderstand, het personeel van alle instellingen die op de een of andere manier aan de controle van de staat onderworpen waren en van de provinciale en gemeentelijke instellingen van openbaar nut.

2.2.3.1. Politieke epuratie in provincies en gemeenten

De besluitwet van 5 mei 1944 verklaarde alle oorlogsbenoemingen nietig. De administratieve zuiveringsoperatie was enkel gericht tegen mensen die reeds voor de oorlog een politiek mandaat bekleedden. Diegenen die tijdens de bezetting aantraden en voordien geen mandaat uitoefenden vielen niet onder de administratieve epuratie, maar werden wegens politieke collaboratie door de militaire rechtbanken vervolgd. In de epuratieprocedure was een rol weggelegd voor het gemeentebestuur, de arrondissementscommissaris, de Bestendige Deputatie, de gouverneur, de minister van binnenlandse zaken en de koning. Het was een lange en trage weg.

Het feitelijk verloop van de politieke epuratie is nog niet in kaart gebracht. Er zijn wel enkele algemene cijfers bekend. Halfweg 1946 meldde de minister van binnenlandse zaken aan de Senaat dat hij in totaal 3087 dossiers ontvangen had. Zij gingen over 343 provincieraadsleden, 1947 gemeenteraadsleden, 329 schepenen en 468 burgemeesters. Zes maanden later zei de minister in antwoord op een schriftelijke vraag dat 199 provincieraadsleden, 1364 gemeenteraadsleden en 118 burgemeesters omwille van hun oorlogsgedrag waren afgezet. Een aantal dossiers waren evenwel nog niet afgesloten en van sommige mandatarissen was het vrijwillig ontslag eigenlijk onder dwang gebeurd. Het eindresultaat van de politieke epuratie zal dus hoger liggen dan de cijfers van de minister aangeven. Daarnaast zijn er de vele honderden van wie de oorlogsbenoeming automatisch vernietigd werd.

2.2.3.2. De zuivering van de ambtenarij

Het beschrijven van de epuratie in de ambtenarij is een hachelijke onderneming. De juridische regeling ervan is een wirwar van besluitwetten, regents- en ministeriële besluiten, omzendbrieven en circulaires. Waar in de wetgeving hiaten waren, is in de departementen een eigen invulling gegeven. Het ontwarren van dit juridisch kluwen was ook al in de onmiddellijke naoorlog een moeilijke opgave. Dat blijkt uit het feit dat Kamerleden en senatoren de ministers meer dan 300 schriftelijke vragen over deze materie hebben voorgelegd.

In principe was de epuratieprocedure van een grote eenvoud. De oorlogsbenoemingen waren grotendeels vernietigd door de besluitwet van 5 mei 1944. Ambtenaren die al voor mei 1940 in dienst waren en op wie enige verdenking van incivisme woog werden op grond van de besluitwet van 8 mei 1944 voor zes maanden geschorst, in afwachting van een onderzoek en een definitieve beslissing. Maar hier hield de eenvoud op. Wat er met de geschorsten ondertussen gebeurde, was niet geregeld. Over het al of niet behouden van hun wedde, bijvoorbeeld, bestond niets dan onduidelijkheid. In beginsel diende hun dossier voor advies naar een zuiveringscommissie te gaan. Het regentenbesluit van 25 september 1944 voorzag in de oprichting van deze commissies in de ministeriële departementen, de parastatale instellingen, de rijksinstituten van het hoger onderwijs, de koninklijke academies. Hun samenstelling bleek in vele gevallen een onoverkomelijke klus te zijn: weinigen voelden zich geroepen, zo zei premier Hubert Pierlot op 6 februari 1945 in de Kamer, om het gedrag van hun collega's te onderzoeken. Die startproblemen en de later opgelopen vertraging brachten mee dat de schorsingstermijn eerst van 6 op 12 maanden, dan op 24 maanden werd gebracht. Daarmee werd ook voor velen een toestand van onzekerheid verlengd. Wat het onderzoek zelf betrof: er was nergens op precieze wijze vastgelegd hoe dit diende te gebeuren of over welke garanties, naast het recht op verdediging, de verdachte kon beschikken. Na het onderzoek kwam de commissie tot een advies: blaam, berisping, schorsing met of zonder inhouding van wedde, oneervol ontslag. Het was aan de hiërarchische overheid (de minister, de gouverneur...) om een beslissing te nemen.

Exacte cijfers over het aantal tuchtstraffen ontbreken. In totaal zouden er, naar schatting, meer dan 10.000 tuchtstraffen zijn uitgesproken, waarvan er minstens 1300 een schorsing en ongeveer 7300 een ontslag hebben meegebracht. Elke interpretatie van deze cijfers moet wel met grote omzichtigheid gebeuren. Zij omvatten niet de ambtenaren die tijdens de bezetting in dienst zijn gekomen en wier benoeming definitief vernietigd is. De zuivering van de overheidsdiensten zal, als deze groep mee in rekening wordt gebracht, ongetwijfeld veel grotere proporties hebben aangenomen.

2.2.4. Het bewijs van burgertrouw

In de repressie is men aanvankelijk vertrokken van de gedachte dat er in het bevrijde land geen plaats meer was voor de collaborateurs. Zware gevangenisstraffen stonden borg voor een fysieke verwijdering van lange duur. Het verval van rechten was erop gericht de incivieken ook na hun vrijlating blijvend uit het openbaar leven te verbannen.

Er werd tevens gezocht naar middelen om de onvaderlandse Belgen ook buiten het publiek domein aan banden te leggen. In tal van wetten die de uitkering, door de Belgische staat, van vergoedingen voor allerlei vormen van oorlogsleed organiseerden, was de uitsluiting van incivieken expliciet voorzien. Dat was het geval voor de wetten van 11 januari 1947 en 1 oktober 1947 die de kwestie van de oorlogsschade regelden. Collaborateurs, wier huis door bombardementen was vernield, konden zodoende op geen enkele tegemoetkoming rekenen. Burgertrouw was ook een voorwaarde om te genieten van de pensioenen die aan oorlogsslachtoffers of hun nabestaanden werden uitgekeerd. Incivieken vielen buiten de toepassing van de wet van 31 maart 1948 die ter bescherming van huurders was uitgevaardigd. En een regentenbesluit van 29 mei 1948 voorzag dat gebrek aan burgertrouw het recht op een premie of een goedkope lening voor de bouw of de aankoop van een huis verloren deed gaan. Voor de uitvoering van al deze maatregelen werd een handig instrument ontworpen: het bewijs van burgertrouw. Wie dit document niet kon voorleggen zag zijn uitsluiting bevestigd.

Het certificaat van burgertrouw moest ook dienen om de niet-loyale Belgen te weren uit bepaalde sectoren van het maatschappelijk leven. Inschrijving aan een rijksuniversiteit, bijvoorbeeld, kon niet zonder een certificaat van civisme. Zelfs voor een inschrijving in het handelsregister was het bewuste document vereist. Een omzendbrief van 13 september 1945 voorzag de intrekking van een verkeersvergunning en het verbod om een wagen te besturen voor wie zich als onwaardige burger had gedragen.

Het bewijs van burgertrouw is als systeem op tweeërlei wijze ontspoord: het gebruik van deze formule nam epidemische vormen aan en de aflevering van dit document was lange tijd aan geen enkele regeling onderworpen waardoor de deur wagenwijd openstond voor allerlei misbruiken.

Wat begonnen was als een initiatief van enkele ministers heeft zich als een lopend vuur door het staatsapparaat verspreid: de ene overheidsdienst na de andere ging het getuigschrift van burgertrouw gebruiken als een middel om incivieken uit te sluiten.

Aanvankelijk ontbrak elke juridische regeling. Het uitschrijven van het attest was in principe de bevoegdheid van de burgemeester. In sommige gemeenten nam de politiecommissaris die taak over. Richtlijnen over de aan te wenden criteria waren er niet. Pas één jaar na de bevrijding, op 18 september 1945, verstuurde de minister van binnenlandse zaken een circulaire waarin een opsomming was opgenomen van de gevallen waarin het document niet afgeleverd mocht worden. Het bewijs van burgertrouw werd pas op 10 augustus 1951 officieel afgeschaft.

2.2.5. De kern: de krijgsraden en de burgerlijke epuratie

2.2.5.1. Wie bepaalde het beleid?

In principe was het de regering die het repressiebeleid uitstippelde. Die taak hebben de naoorlogse kabinetten op zeer uiteenlopende wijze vervuld. Tijdens het bewind van de regeringen van nationale eenheid (september 1944 – augustus 1945) was het beleid gekenmerkt door improvisatie en verwarring. Van augustus 1945 tot februari 1947 werd de impasse doorbroken en kwam de repressie op kruissnelheid. Het is ook de tijd waarin dat dossier tot heftige botsingen leidde tussen de socialisten, de liberalen en de communisten aan de ene kant en de in de oppositie gedrongen christen-democraten aan de andere kant. In een derde periode (maart 1947 – juni 1949) zochten socialisten en christen-democraten samen naar een nieuwe consensus op het vlak van de bestraffing van de collaborateurs.

Het parlement is in het repressiedossier meestal buitenspel gezet. Bijna alle belangrijke beslissingen zijn genomen in periodes waarin de regering over bijzondere machten beschikte. Zo was het voor de ministers mogelijk de cruciale besprekingen binnenskamers te houden. Toch hebben de parlementsleden met wetsvoorstellen, interpellaties en schriftelijke vragen gepoogd om zichzelf in deze kwestie een rol toe te bedelen. Door verwoording van wat er in de publieke opinie leefde, konden zij nu en dan de hele regering of de minister van justitie onder druk zetten. Op die wijze werd het beleid soms lichtjes omgebogen.

Ook opvallend afwezig in het hele debat, in tegenstelling tot wat in Nederland gebeurde, waren de topambtenaren van de gevangenisadministratie en de academici uit de faculteiten rechtsgeleerdheid en criminologie. Dit is des te vreemder omdat Belgische criminologen tijdens het interbellum internationaal aanzien verworven hadden als vernieuwers op het vlak van het strafbeleid en de resocialisatie.

Het georganiseerde verzet, dat al tijdens de bezetting had aangedrongen op een strenge bestraffing van de collaborateurs, heeft wel invloed uitgeoefend op het verloop van de repressie. Dat gebeurde langs diverse wegen. Tussen september 1944 en de herfst van 1945 waren duizenden verzetsleden erg actief in het aanhouden en opsluiten van Duitsgezinden en in de bewaking van de interneringskampen. De verzetsbewegingen hadden ook woordvoerders in de regeringen, in het parlement en in de politieke partijen. Nu en dan zetelden hun vertegenwoordigers in commissies die de minister van justitie moesten adviseren. Massale mobilisatie van medestanders was er langs de weg van betogingen en petities. Zij wogen ook op de publieke opinie. Daar diende hun pers voor.

De concrete uitvoering van de repressie werd toevertrouwd aan het auditoraat-generaal en aan de bemanning van de 21 krijgsraden en van het krijgshof. Centrale figuur hier was Walter Ganshof van der Meersch. Als auditeur-generaal was hij al in Londen betrokken bij de voorbereiding van de repressie. Onmiddellijk na zijn terugkeer in België begon hij de opbouw van wat een complex en indrukwekkend apparaat zou worden. Twee keer kwam hij in conflict met de regering. In mei 1944, nog in Londen, wou het kabinet-Pierlot verzetsleden in de krijgsraden opnemen. Uit vrees voor ontsporingen verzette Ganshof zich en legde zelfs even zijn ambt neer. De regering moest inbinden. Ook bij de bestraffing van de economische collaboratie reageerde Ganshof heftig tegen de toenemende bemoeienissen van de ministers.

2.2.5.2. De rechtsgronden

Samenwerking met de Duitsers staat in het strafwetboek beschreven als "misdaden tegen de uitwendige veiligheid van de staat". In de eerste editie van de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging schreef mr. René Victor daarover: "In de beteugeling ervan voorziet het tweede kapittel van de eerste titel van boek II van het strafwetboek en vooral de artikelen 113 tot 123 komen hier in aanmerking. Toen ons strafwetboek in 1867 in werking kwam, noemde het voor de misdaden tegen de uitwendige veiligheid van de staat sancties die vrij gematigd waren. (...) de bedoelde handelingen werden beschouwd als politieke misdrijven en gedurende de 19de eeuw heeft men tegenover het politiek misdrijf een vrij welwillende houding aangenomen." Maar tijdens de Eerste Wereldoorlog en, opnieuw, tijdens het interbellum zijn wetten ontstaan die het aantal strafbare feiten fel deden toenemen en ook de sancties verscherpten. Een nieuwe golf van wettelijke maatregelen is tijdens de Tweede Wereldoorlog zelf ontstaan. Dit was hoofdzakelijk het werk van enkele ministers van het oorlogskabinet-Pierlot, die zich daarbij lieten helpen door uit België overgekomen specialisten van wie de meest vooraanstaande auditeur-generaal Ganshof van der Meersch was.

2.2.5.2.1. De krijgsraden

Verreweg de belangrijkste datum in de geschiedenis van de Londense repressiewetten is 17 december 1942. Op die dag ondertekenden de ministers een besluitwet die de repressie een beslissende wending zal geven. De nieuwe bepalingen verruimden op drastische wijze de reikwijdte van de strafwetten die op de collaborateurs betrekking hadden. Ook het begrip collaboratie werd verruimd en de strafmaat aanzienlijk verhoogd. Deze besluitwet heeft verstrekkende, maar vooral onvoorziene gevolgen gehad. Het net, waarmee men na de bevrijding op collaborateurs zou jagen, was nu zo fijnmazig van structuur geworden dat er onvermijdelijk honderdduizenden landgenoten in de positie van verdachte terecht konden komen. Zo viel er een eerste en zware hypotheek op de repressie: het aantal beschuldigden was veel te groot om de berechting van de collaborateurs in redelijke banen te houden. Deze besluitwet veroorzaakte nog meer onheil. Op drie types van collaboratie stond nu de doodstraf. Dat manoeuvreerde de krijgsauditeurs en de rechters die de collaborateurs moesten beoordelen in een ongemakkelijke positie. De afwezigheid van variatie in de strafmaatregelen gaf hun immers niet de kans om ten volle rekening te houden met de aanzienlijke verschillen in omvang en ernst van de gelaakte feiten. Wat konden zij dan doen? Ofwel richtten zij zich naar de letter van de wet en dat leidde onvermijdelijk tot zeer strenge straffen, want de doodstraf was het enige referentiepunt en dat trok de strafmaat naar omhoog. Daarvan waren in de eerste plaats de meelopers van de collaboratie het slachtoffer. Zelfs het in rekening brengen van verzachtende omstandigheden hielp niet genoeg, omdat de onoverschrijdbare minimumstraf nog vrij hoog lag. Ofwel lieten zij de verdachte ongemoeid – vanuit de overweging dat een bepaald gedrag de in de besluitwet voorziene straffen niet waard was. Dat verwekte dan vaak ergernis bij de publieke opinie omdat medestanders van de bezetter helemaal vrijuit gingen. In de confrontatie met dit dilemma hebben vele magistraten –althans in de eerste maanden na de bevrijding – gekozen voor een bijna slaafs volgen van de wet.

Op 26 mei 1944 zette de regering een tweede beslissende stap in de opbouw van de repressiewetgeving. Op die dag legde zij de procedure voor de strafrechtelijke behandeling van de collaboratie vast. De regering koos voor het militaire gerecht als plaats voor de berechting van de collaborateurs. Dat was geen innovatie. De optie om collaboratiefeiten aan de militaire rechtbanken voor te leggen was al in een wet van 15 juni 1899 vastgelegd, tijdens de Eerste Wereldoorlog uitgebreid (besluitwet van 11 october 1916) en door de wet van 19 juli 1934 bevestigd. De besluitwet van 26 mei 1944 leunde op deze bestaande rechtsgronden en verruimde de reikwijdte ervan nog enigzins.

Aanvankelijk bestond elke kamer van de krijgsraden en van het krijgshof uit twee burgerlijke en drie militaire leden. Vanaf eind 1945 is ook gewerkt met wat men de "kleine kamers" noemde: zij telden één burgerlijke magistraat en twee militaire leden. De burgerlijke rechters werden bij Koninklijk Besluit benoemd, in principe voor de hele duur van de repressie. De militaire leden werden bij loting aangeduid en dit voor een periode van drie maanden. Aan elke militaire rechtbank was een auditoraat verbonden.

Wie door de krijgsraad veroordeeld was kon in beroep gaan en ook het parket kon verzet aantekenen tegen de uitspraak in eerste aanleg. De zaak kwam dan voor het krijgshof. Dat is in 28% van de gevallen gebeurd. Een laatste stap was de tocht naar het hof van cassatie. Iets meer dan 4% van de veroordeelden hebben van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. Wie afwezig was op zijn of haar proces werd bij verstek veroordeeld. Bijna 16% van alle uitspraken is bij verstek gevallen. Zo'n veroordeling bracht over het algemeen een maximumstraf mee en bovendien verloor de betrokkene in bepaalde gevallen de Belgische nationaliteit. Wel was er de mogelijkheid om alsnog tegen een verstekvonnis in verzet te gaan. De zaak werd dan een tweede maal behandeld en nu op tegenspraak.

De procedure die de regering te Londen met de besluitwet van 26 mei 1944 ontwierp is een bron van zeer grote moeilijkheden geworden. Zo bleek zij niet bestand tegen de extreme druk die de vloedgolf van dossiers na de bevrijding zou veroorzaken. Het systeem was niet berekend op tienduizenden beschuldigden. Bovendien was zij wellicht wel geschikt voor de berechting van de ernstige gevallen van collaboratie, maar zij was te zwaar en te omslachtig en te arbeidsintensief voor de beoordeling van de kleine collaborateurs. Daardoor stroomde in de eerste vijftien maanden na de bevrijding heel veel energie naar dossiers waarvoor een eenvoudiger procedure had volstaan. Overbelasting van de krijgsgerechten leidde onvermijdelijk tot oververhitting. In het beste geval liep dat uit op aanzienlijke vertragingen, in het slechtste geval op tragische ontsporingen. Een ander probleem lag in de concentratie van bevoegdheden in handen van de krijgsauditeur. Deze vervulde de functies van zowel officier van gerechtelijke politie, magistraat van het openbaar ministerie als van onderzoeksrechter en onderzoeksgerecht. Zo'n combinatie van rollen bracht in één persoon opdrachten samen, die in andere omstandigheden over meerdere individuen zijn verdeeld: een onderzoek starten, iemand aanhouden, een voorlopige hechtenis verlengen of beëindigen, huiszoeking doen, beslag leggen, al of niet vervolging instellen, straf vorderen. Dat opende de deur voor misbruiken. De keuze voor een soort supermagistraat bracht ook grote risico's mee voor de materiële organisatie van de repressie. Om zijn omvangrijke en complexe taak tot een goed einde te brengen moest de auditeur of substituut-auditeur over vele gaven beschikken. De auteurs van de besluitwet van 26 mei 1944 hebben de omvang van dat probleem schromelijk onderschat. Na een paar maanden was de reserve aan valabele kandidaten opgebruikt. De minister van justitie moest noodgedwongen jonge en onervaren juristen met een voor hen veel te zware taak belasten.

Over de rechtsgeldigheid van de beslissingen die de Belgische politici in ballingschap namen, is een felle discussie ontstaan. Parlement en koning waren weggevallen en in de grondwet was niet voorzien hoe in zo'n situatie het gezag moest worden uitgeoefend. De ministers hadden in Londen wel een verantwoording uitgewerkt, maar hun argumentatie bleef voor betwisting vatbaar. Onmiddellijk na de bevrijding sloot het hof van cassatie de discussie af. In verschillende arresten oordeelde het hof dat de Londense besluitwetten qua rechtskracht met wetten werden gelijkgesteld en de besluiten van de in de raad vergaderde ministers met Koninklijke Besluiten. Daarmee erkende het hof dat de regering die uit Londen was teruggekeerd, op een legale wijze de macht had uitgeoefend. Ook de vraag of de uitgevaardigde wetten voldoende bij de bevolking bekend waren omdat ze in het Belgisch Staatsblad in Londen verschenen, terwijl dit nauwelijks verspreid werd in bezet gebied, werd positief beantwoord door het hof van cassatie.

Andere twijfels hadden te maken met de uitbreiding die aan het artikel 113 (inzake militaire collaboratie) was gegeven. Volgens de regering ging het om een interpretatieve bepaling, waardoor er geen sprake kon zijn van retroactiviteit. Maar niet iedereen deelde die mening. Rond artikel 118bis (inzake politieke collaboratie) rezen problemen met betrekking tot het recht op vrije meningsuiting en de vrijheid van vereniging.

2.2.5.2.2. De burgerlijke epuratie

De besluitwet van 19 september 1945 was een belangrijke stap in de gang van de repressie. Vanaf dat moment kon de auditeur zonder de weg van de krijgsraad te volgen bepaalde politieke en militaire medestanders van de bezetter, van wie hij de schuld bewezen achtte, uit het openbare leven verwijderen. Deze personen werden dan door hem op een lijst ingeschreven en zo, meestal levenslang, van enkele of van alle in artikel 123sexies van het strafwetboek opgesomde rechten vervallen verklaard. Wie via de burgerlijke epuratie berecht werd, ontsnapte aan het risico van een gevangenisstraf. Wel leidde deze weg tot een soort burgerlijke dood. De ontzetten verloren naast hun actief en passief stemrecht alle rechten die hen op de een of andere manier in het openbaar leven konden betrekken: zij mochten geen advocaten- of dokterspraktijk hebben, geen les geven, geen priester- of journalistiek ambt uitoefenen, geen beheerder of bestuurder zijn van om het even welke organisatie (een culturele of sportvereniging, een naamloze vennootschap, een vzw, een beroepsvereniging...), geen lid zijn van een familieraad. Zij waren als het ware ballingen in eigen land. De besluitwet omschreef het verval van deze rechten als een burgerlijke sanctie, niet als een door een rechter opgelegde straf. Dat was een belangrijke beslissing: het verlies van rechten kwam aldus niet in aanmerking voor een of andere vorm van genade.

Inschrijving op de epuratielijsten werd bij deurwaardersexploot aan de betrokkenen betekend. Zij konden beroep aantekenen bij de burgerlijke rechtbank van eerste aanleg en, zo nodig, tot bij het hof van beroep en in cassatie gaan.

2.2.5.3. Het verloop

2.2.5.3.1. De krijgsraden

Tussen de eerste uitspraak van een krijgsraad (29 september 1944) en de laatste vonnissen lagen op zijn minst tien jaar. Maar eigenlijk is het fout de levensloop van deze kant van de repressie zo te bekijken. Beter is het in de berechting van de collaborateurs drie periodes van ongelijke lengte en betekenis te onderscheiden. In een eerste fase, die tot september 1945 duurde, kwam de activiteit van de militaire rechtbanken slechts traag op gang. Daarna nam het tempo gevoelig toe en in het voorjaar van 1946 bereikten de krijgsraden en -hoven hun hoogste snelheid. Zij hielden dat topritme aan tot in de zomermaanden van 1947. Op dat moment brak een derde bedrijf aan: de langzame afwikkeling van de overblijvende dossiers.

In oktober 1944 hadden de militaire rechters ongeveer 370 collaborateurs veroordeeld. De bedrijvigheid steeg daarna geleidelijk om in februari en maart van 1945 een eerste piek van telkens zo'n 1200 uitspraken te bereiken. In de vijf daaropvolgende maanden was er een terugval. Dat is niet te verwonderen. Het einde van de vijandelijkheden in Duitsland veroorzaakte, toen vele gevluchte collaborateurs in gevangenschap terugkeerden, een lawine van nieuwe zaken. Midden 1945 zag de toestand er eigenlijk hopeloos uit: tienduizenden verdachten in de interneringskampen, honderdduizenden aanklachten en een gerechtelijk apparaat dat niet op zijn taak berekend was. Bovendien was er van de kant van de politici nauwelijks enige sturing. En in het bestek van één jaar kreeg het departement van justitie, draaischijf van de repressie, vier verschillende titularissen: Antoine Delfosse tot eind september 1944, dan Maurice Verbaet tot februari 1945, vervolgens Charles du Bus de Warnaffe en vanaf augustus 1945 Marcel Grégoire. Van enige continuïteit in het justitieel beleid kon in die omstandigheden geen sprake zijn. Twaalf maanden na de bevrijding was nog geen 20% van alle veroordelingen uitgesproken.

Met het aantreden van de regering-Achille van Acker-II, in de herfst van 1945, kwam er een deblokkering van het dossier. Nu de christen-democraten in de oppositie waren gegaan, zat de coalitie minder in de greep van allerlei tegenstellingen. Zij wijzigde ook grondig de repressiewetgeving zodat de remmen die in de Londense wetgeving (gebrek aan variatie in de strafmaat, tijdrovende procedure, geen onderscheid tussen verschillende collaboratievormen) waren ingebouwd, werden verwijderd. De eerste stap was de besluitwet van 19 september 1945 die het mogelijk maakte tienduizenden gevallen van politieke en militaire rechtbanken langs de snelweg van de burgerlijke epuratie te berechten. Op 10 november 1945 werd vervolgens een transactieregeling in het leven geroepen. Als de krijgsauditeur een straf van ten hoogste vijf jaar opsluiting voldoende vond en de verdachte schuld bekende, kon er een minnelijke schikking komen. Ten slotte werd het aantal krijgsraadkamers aanzienlijk verhoogd. Dat had vanaf januari 1946 effect: de krijgsraden en -hoven gingen nu een periode in waarin de productiviteit zeer hoog lag. In de maanden mei en juni van 1946, bijvoorbeeld, realiseerden zij een omzet van telkens iets meer dan 2700 vonnissen en arresten. Dat was driemaal zoveel als in mei en juni van 1945. Deze fase van grote output hield anderhalf jaar aan – tot in juni 1947. Onmiddellijk nadien zakten de cijfers snel onder het algemeen maandgemiddelde van zowat duizend uitspraken en begon de langzame verwerking van de resterende dossiers. Men kan dus rustig stellen dat de kern van de repressierechtspraak gelegen was tussen januari 1946 en medio 1947 of, met andere woorden, in een periode die anderhalf tot drie jaar van het einde van de bezetting verwijderd was.

2.2.5.3.2. De burgerlijke epuratie

Over wat er met de tienduizenden leden van Duitsgezinde verenigingen diende te gebeuren werd pas twaalf maanden na de bevrijding beslist. Toen kwam de besluitwet van 19 september 1945 die in zijn artikelen 2 en 3 een opsomming gaf van de organisaties waarvan het lidmaatschap tot beroving van een aantal rechten moest leiden. Aan de militaire parketten werd de opdracht gegeven om het verval van rechten uit te spreken en de betichten op een lijst van ontzetten in te schrijven.

Het verloop van deze operatie vertoonde een paar merkwaardige trekjes. Er lagen tien weken tussen de uitvaardiging van de besluitwet en de eerste inschrijving op de fameuze lijst van de krijgsauditeurs. Onduidelijkheden in de tekst veroorzaakten deze vertraging. Maar vanaf de eerste week van 1946 ging het tempo pijlsnel de hoogte in. Tussen 1 januari en 15 februari 1946 realiseerden de parketten bijna de helft van alle inschrijvingen. De ritmeversnelling van begin 1946 was geen toeval. In de eerste week van januari van dat jaar besliste de linkse regering-Van Acker om het parlement te ontbinden en verkiezingen, de eerste na de oorlog, uit te schrijven. De datum van de stembusgang was 17 februari 1946. Meteen rees de vraag hoe men de onvaderlandse Belgen zou verhinderen aan de verkiezingen deel te nemen. Dat was geen probleem wat de veroordeelden betrof. Zij waren in ieder geval hun actief en passief stemrecht kwijt. Veel problematischer was de situatie van de tienduizenden die zich in een soort schemerzone bevonden: hun collaboratie was te onbeduidend om ze voor de rechter te brengen en te storend om ze helemaal vrijuit te laten gaan. Met de epuratiewet was het mogelijk deze kleine zondaars toch van deelname aan de verkiezingen uit te sluiten. Maar dan moest het snel gaan. Vandaar de vloedgolf van inschrijvingen in de dagen die de datum van 17 februari 1946 voorafgingen. Eens de verkiezingen achter de rug zakte het tempo van de inschrijvingen snel. Er waren twee volle jaren nodig om de resterende dossiers af te werken.

2.2.5.4. De omvang

Van september 1944 tot eind 1949 zijn in de auditoraten 405.067 dossiers aangelegd die betrekking hadden op misdrijven tegen de uitwendige veiligheid van de staat, op daden van collaboratie dus. Van deze 405.067 aanklachten zijn er 288.101 (of 71%) zonder gevolg geklasseerd, zijn er 59.712 (of 15%) op een buitenvervolgingsstelling uitgelopen en hebben er slechts 57.254 (of 14%) tot een strafrechtszaak geleid. Daarnaast hebben de auditeurs en hun substituten, in het kader van de burgerlijke epuratie, 43.093 Belgen ingeschreven op de lijst die een verval van rechten meebracht.

Het onderzoek van die honderdduizenden gevallen van mogelijke collaboratie was een onmetelijk groot werk. Het belangrijkste probleem daarbij was de afwezigheid van adequate informatie over de collaboratie zelf. Om aan de grote behoefte aan gegevens te kunnen voldoen was in het auditoraat-generaal een Centrale Dienst voor Documentatie in het leven geroepen. Op basis van de verslagen die de auditeur-generaal aan de minister van justitie stuurde, valt te berekenen dat deze dienst op 1 juli 1947 al 1.131.280 foto's van daders en kopies van belangrijke documenten ter beschikking van de militaire parketten had gesteld.

Bij de bevrijding waren de twee vleugels van het militair gerecht – het auditoraat en de zetelende magistratuur – zeer bescheiden van omvang: een viertal krijgsraden en een krijgshof met enkele kamers. Op het moment dat de repressie op kruissnelheid kwam (halfweg 1946) waren er 21 krijgsraden met in totaal 134 kamers en was het krijgshof uitgegroeid tot een rechtbank met 24 kamers die over vier steden waren verspreid. Voor de bediening van deze machinerie werden in totaal 872 griffiers, 608 krijgsauditeurs en substituut-auditeurs, 485 burgerlijke en honderden militaire rechters benoemd.

2.2.5.5. De straffen

2.2.5.5.1. De krijgsraden

Bij een beschrijving van de straffen is het van belang een onderscheid te maken tussen de verstekvonnissen en de vonnissen en arresten op tegenspraak. Een verstekvonnis bevatte meestal de maximumstraf, maar had eigenlijk geen uitwerking omdat de veroordeelde spoorloos was. Cijfers over veroordelingen op tegenspraak tonen daarentegen veel beter de realiteit: deze personen ondergingen daadwerkelijk hun straf.

De doodstraf is tegen 1247 collaborateurs uitgesproken. In 242 gevallen (238 mannen en 4 vrouwen) is genade geweigerd en werden de betrokkenen geëxecuteerd. Levenslange gevangenisstraf is opgelegd aan 1839 personen. De andere vrijheidsstraffen waren: 15 tot 20 jaar voor 2955 collaborateurs, 10 tot 15 jaar voor 2878 veroordeelden, 5 tot 10 jaar voor 9177 personen, minder dan 5 jaar voor 30.244 collaborateurs. Iets meer dan 500 beklaagden hebben enkel een geldboete opgelopen. De cijfers voor de bij verstek veroordeelden zijn: doodstraf: 1693, levenslang: 501, 15 tot 20 jaar: 411, 10 tot 15 jaar: 375, 5 tot 10 jaar: 677, minder dan 5 jaar: 506.

Een gevangenisstraf ging bijna altijd vergezeld van andere sancties. Een veroordeling door een militaire rechtbank leidde automatisch tot – zoals voor de burgerlijk geëpureerde – het verlies van de rechten die opgesomd waren in art. 123sexies van het strafwetboek. Vaak moesten de veroordeelden ook een schadevergoeding aan de Belgische staat betalen. In bepaalde gevallen voorzag het vonnis een verbeurdverklaring van de goederen die rechtstreeks in verband stonden met het gepleegde misdrijf. Soms sprak de rechter als bijkomende straf de stelling onder politietoezicht uit. Deze sanctie betekende dat de veroordeelde zich na de vrijlating voor een bepaalde tijd op een vaste plaats moest vestigen, niet mocht deelnemen aan openbare manifestaties en zich geregeld ter controle moest aanmelden bij de politiecommissaris of burgemeester. In sommige gevallen werd aan de veroordeelde het verbod opgelegd om zich opnieuw in zijn thuisgemeente of streek te vestigen. Een sanctie apart was het sekwester waarbij goederen van de verdachte onder een stelsel van dwangbeheer werden gebracht tot het strafbeding beëindigd was en bij veroordeling tot aan alle geldelijke verplichtingen jegens de Belgische staat voldaan was. In totaal werden 15.134 sekwesterdossiers geopend.

2.2.5.5.2. De burgerlijke epuratie

Aanvankelijk zijn zo'n 40.000 Belgen op de lijst van de krijgsauditeur terechtgekomen. Bijna 80% van alle inschrijvingen trof mannen en vrouwen aan wie politieke collaboratie werd aangewreven. De overigen werd bijstand aan militaire of paramilitaire organisaties van de bezetter verweten. In bijna 80% van de gevallen gingen de betrokkenen in beroep bij de burgerlijke rechtbank. Na behandeling van de beroepsprocedures bleven begin 1950, bijna 21.000 Belgen definitief van een aantal rechten vervallen.

De besluitwet van 19 september 1945 die de burgerlijke zuivering invoerde liet wat de omvang van de sanctie betrof niet veel manoeuvreerruimte toe. Op het lidmaatschap van bepaalde verenigingen stond slechts een enkel tarief: levenslang verval van alle in art. 123sexies opgesomde rechten. Die straf is aan 89% van alle ontzetten opgelegd. Alleen een minderheid is er beter van afgekomen en kreeg een in de tijd of in omvang beperkt verval van rechten.

2.2.5.6. De veroordeelden

Van bijna 56.000 Belgen heeft het Belgisch Staatsblad een uittreksel van de veroordeling voor incivisme gepubliceerd. Over nog eens 22.000 anderen verscheen tussen december 1945 en juni 1948 in het Staatsblad de melding dat zij in het kader van de burgerlijke epuratie van bepaalde rechten vervallen waren verklaard.

2.2.5.6.1. De krijgsraden

De veroordeelde collaborateurs waren hoofdzakelijk mannen (88%), overwegend Nederlandstalig (62%) en in eenderde van de gevallen waren zij op het einde van de oorlog jonger dan 25 jaar. In de Belgische bevolking lag het aandeel van de mannen toen op 49%, van de Nederlandstaligen op 56% en van de leeftijdscategorie van 18 tot 24 jaar op 11%. Er was dus een oververtegenwoordiging van de mannen en de jongeren en, zij het in lichtere mate, van de Nederlandstaligen.

De mensen aan wie alleen militaire collaboratie werd aangewreven vormden de grootste groep (32%). Op de tweede plaats kwamen de personen aan wie louter politieke bijstand aan de bezetter ten laste werd gelegd (18%). Verklikking (als enige aanklacht) had een aandeel van 8%. De overige veroordeelden (zo'n 40%) werd een combinatie van collaboratiedelicten verweten.

Hierboven is al iets gezegd over de taal van die 55.000 veroordeelden. Dat is een algemeen beeld. Zodra de delictgroepen afzonderlijk bekeken worden, valt op hoezeer zij op dat punt verschillen vertonen. De aanwezigheid van Nederlandstaligen varieert van 30% (verklikking) over 70% (politieke collaboratie) naar 80% (in de combinatie van wapendracht en politieke hulp aan de bezetter). Dat laat zien dat de medewerking met de bezetter in de beide taalgroepen erg uiteenlopende vormen heeft aangenomen. In het noorden van het land was in de collaboratie de politieke dimensie dominant. Bij de Franstaligen, meer bepaald in Wallonië, was de collaboratie meer apolitiek (verklikking, economische bijstand) en ook brutaler (mensenjacht, doodseskaders). Die verschillen hebben de beeldvorming aan beide zijden van de taalgrens sterk beïnvloed. Vele Walen vereenzelvigen de collaboratie met haar donkerste zijde en hebben daarom alleen al nauwelijks kritiek op de repressie. In Vlaanderen groeide al snel de gedachte dat vele collaborateurs bewogen werden door politieke overtuiging en ambitie en men kon daar begrip voor opbrengen.

2.2.5.6.2. De burgerlijke epuratie

Iets meer dan 22.000 andere landgenoten verloren in de burgerlijke epuratie een aantal rechten. De vrouwen, zo blijkt, zijn in de burgerlijke epuratie talrijker aanwezig dan in de vonnissen en arresten van de krijgsraden en krijgshoven: 32% tegen 12%.

2.3. Gevolgen op menselijk vlak

Voor de collaborateurs en hun familie brak met de repressie een moeilijke periode aan. Vaak was het hele gezin in de collaboratie meegesleurd. Daardoor werden veelal meerdere gezinsleden gearresteerd, soms in de plaats van een ondergedoken of naar Duitsland gevlucht familielid. Vrouwen en mannen werden afzonderlijk opgesloten. Ook wie thuis achterbleef, had het vaak moeilijk. De kostwinner zat in de gevangenis of was gevlucht.

Ook na het uitzitten van de straf bleef voor velen een gemis aan toekomstperspectief. Er waren weliswaar de juridische en administratieve maatregelen die hierboven besproken zijn. Maar talrijke gevolgen van de veroordeling waren niet weggewerkt. In vele wetten die de uitkering door de Belgische staat van vergoedingen voor allerlei oorlogsleed regelden, bleef de uitsluiting van collaborateurs expliciet voorzien. Zo verloren zij het recht op vergoeding voor oorlogsschade, op een premie of op een goedkope lening voor de bouw of de aankoop van een huis, op het statuut van krijgsgevangene. De overheid weigerde ook lang ernstige stappen te ondernemen op het vlak van de teruggave van de politieke en burgerlijke rechten. Bovendien werd aan vele collaborateurs de verplichting opgelegd om zich na hun vrijlating ver van hun eigen dorp of stad te vestigen. Dit bemoeilijkte in aanzienlijke mate de reïntegratie.

2.4. Beoordeling

Een evaluatie van wat na de oorlog met de collaborateurs is gebeurd is een ingewikkelde en delicate opdracht. De allereerste vraag die daarbij rijst is: welk aspect van de repressie wordt op de weegschaal gelegd? Gaat het om de straatrepressie, om het bewijs van burgertrouw, om het optreden van de krijgsraden? Een gedeelte van de verwarring en van de mist die over het amnestiedossier hangt, heeft precies te maken met het feit dat in het debat uitspraken vallen die op totaal verschillende gezichten van de repressie slaan.

Hier zal de evaluatie betrekking hebben op haar twee kernelementen: de berechting van de collaborateurs in de krijgsraden en de burgerlijke epuratie. Over de andere aspecten is in de bladzijden die hieraan voorafgaan, al enige beoordeling gegeven.

Collaboratie en repressie zijn niet te begrijpen als men geen rekening houdt met de politieke situatie van de jaren dertig, met de politiek van de bezetter, met de positie van het politiek personeel in Londen en in bezet België en met de politieke ontwikkelingen in de onmiddellijke naoorlog. De vooroorlogse elementen, bijvoorbeeld, die meespeelden waren: de strijd om de macht tussen de traditionele partijen en de Nieuwe Orde-bewegingen, de frustraties van de Vlaamsgezinden, de Flamenpolitik van de Duitsers, de herinneringen aan de collaboratie tijdens de Eerste Wereldoorlog. Tussen 1944 en 1950 was er de band tussen de repressie en de Koningskwestie. De bestraffing van de collaborateurs werd zowel door de linker- als de rechterzijde gebruikt in hun strijd rond de persoon van Leopold III. Mildheid tegenover collaborateurs was een steunbetuiging aan de vorst. Een strenge veroordeling betekende een afkeuring van de houding van Leopold III tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bovendien hoopte de katholieke partij rond de persoon van de koning een absolute meerderheid te verwerven. Aan vele Vlaams-nationalisten was weliswaar het stemrecht ontnomen, maar een Christelijke Volkspartij (CVP) die zich het lot van de collaborateurs aantrok, kon de stemmen van familieleden winnen. Elke evaluatie moet in die ruime context gezien worden.

Een beoordeling vergt een maatstaf waaraan men de betekenis van een verschijnsel afleest. In wat volgt wordt een beroep gedaan op een tweevoudig criterium. Het eerste vloeit voort uit de doeleinden die de politieke klasse tijdens en onmiddellijk na de oorlog heeft geformuleerd. De tweede maatstaf is van externe aard: de codes en beginselen van de democratische rechtsstaat.

2.4.1. De ambities van de politici

Voor de berechting van de collaborateurs had geen van de grote politieke families een samenhangend en bruikbaar project. Het repressiebeleid dreef bij de bevrijding veeleer op een vage consensus: de bestraffing van de medestanders van de bezetter moest volgens alle regeringspartijen "snel, streng en rechtvaardig" zijn. Maar algauw bleek dat dit basiscompromis op verschillende wijze werd geïnterpreteerd. Zowel binnen als buiten het parlement lieten de politici van het katholieke blok verstaan dat voor hen de repressie "snel en rechtvaardig" moest zijn. Socialisten, liberalen en communisten hielden het daarentegen op "snel en streng". Bovendien werd elke partij, met uitzondering van de communistische, geteisterd door interne tegenstellingen. In het katholieke blok stonden Vlamingen en Franstaligen niet op één lijn. De socialistische partij onderging links de druk van de communisten en van de anarchosyndicalisten.

Werd deze drievoudige doelstelling gerealiseerd? Snelheid werd er pas bereikt vanaf januari 1946. Voordien was traagheid troef. De repressiewetgeving die de Belgische regering in ballingschap had ontworpen, bleek op tal van punten aanzienlijke moeilijkheden te veroorzaken. De besluitwet van 17 december 1942 die de repressie een juridische basis gaf, miste soepelheid. De schulddrempel lag zeer laag waardoor vele tienduizenden Belgen in de positie van verdachte en bijgevolg in de interneringskampen terechtkwamen. De militaire rechtbanken konden een zo grote massa van beschuldigden niet snel genoeg verwerken. De procedurewet van 26 mei 1944 was evenzeer een bron van stroefheid. Voor alle collaborateurs, grote en kleine, werd bij de berechting hetzelfde tijdrovend draaiboek gevolgd.

Strengheid was er in bijzonder hoge mate tijdens de eerste negen maanden van de repressie. In 90% van de gevallen werd een criminele straf (dit is een vrijheidsberoving van minstens vijf jaar) uitgesproken. Nadien is de strafmaat weliswaar gedaald en is de last via het veelvuldig gebruik van genademaatregelen en vervroegde vrijlating verlicht. Maar voor vele veroordeelden bleef er de confrontatie met de opstapeling van sancties (gevangenis, boetes, verlies van rechten, soms ook verbeurdverklaring van goederen, weigering van certificaat van burgertrouw...). Het is evenwel de langdurige werking van sommige van die sancties, meer bepaald dan het verval van rechten, die van grote gestrengheid getuigt.

De repressie heeft op velerlei wijze onrechtvaardigheid voortgebracht. Er was het verschil in behandeling van de economische en de politieke collaboratie. In de dossiers van economische hulp aan de vijand nam men mildheid en begrip als richtsnoer, maar de politieke medestanders van de Nieuwe Orde werden nauwgezet vervolgd en verhoudingsgewijze streng gestraft. De raison d'état is als verklaring voor deze verschillende aanpak ingeroepen: de regering had het patronaat nodig voor de economische wederopbouw en daarom veegde men de spons over het oorlogsgedrag van duizenden bedrijfsleiders. Maar dat wist de indruk van willekeur niet uit. Er ontstond, ten tweede, een grove ongelijkheid doordat de strafmaat in de loop van de tijd in aanzienlijke mate was geëvolueerd. Dat was het geval in de krijgsraden, in de burgerlijke epuratie en in de administratieve zuiveringscommissies. Daardoor was in een aantal gevallen niet de gerechtigheid, maar het toeval een beslissende factor in het bepalen van de sancties. Wie vroeg voor zijn rechters kwam, werd het zwaarst getroffen en dat heeft vooral in het nadeel van de kleine collaborateurs gespeeld. Want zij die tot de top van de collaboratie behoorden konden met de steun van de bezetter naar Duitsland uitwijken en een aanhouding uitstellen. Voor wie over geld beschikte was er de mogelijkheid om met de hulp van advocaten de gang van zijn dossier te vertragen. Dankzij deze twee vluchtroutes kwamen sommigen voor de rechter toen het klimaat al gemilderd was. Gratie- en herzieningsmaatregelen hebben dit onevenwicht wat verzacht, maar niet helemaal uitgeschakeld. De derde vorm van ongelijkheid is wellicht van alle tijden. In de behandeling van de collaborateurs zijn favoritisme en voorkeursbehandeling zeker niet afwezig gebleven. Met geld en politieke invloed kon men veel kopen, juridische bijstand van hoge kwaliteit bijvoorbeeld.

2.4.2. Een langdurige schending van de beginselen van de rechtsstaat?

De hevigste kritiek, vaak maar niet alleen afkomstig uit de hoek van de collaborateurs, beschrijft de repressie in België als een continue en langdurige schending van de beginselen van de rechtsstaat. Deze beoordeling is in haar algemeenheid niet terecht. Men vergeet rekening te houden met de correcties (vervroegde vrijlatingen, eerherstel, genade, strafvermindering...) die vanaf eind 1946 zijn doorgevoerd. Wie deze koerswijziging over het hoofd ziet, lijdt aan historische blindheid of getuigt van kwade trouw. Het is evenmin juist te beweren dat de bestraffing van de collaboratie in de buurlanden op een meer serene wijze is verlopen. In Frankrijk, bijvoorbeeld, zijn bijna tienduizend verdachten wederrechtelijk omgebracht. Toch is er ook reden om te stellen dat bepaalde codes van de rechtsstaat geschonden zijn. Bij de internering van de verdachten ontspoorde de repressie. De procedure zelf brak met een lange traditie van eerbied voor de rechten van de verdachte. De concrete uitvoering van de interneringen ging bovendien gepaard met grove wantoestanden. De keuze voor een militaire rechtspraak is voorwerp geweest van hevige controverses. De militaire procedure, zo zegden de tegenstanders ervan, bood minder waarborgen voor een faire berechting dan de burgerlijke. Een juridisch-technische bedenking was dat de gekozen formule een inbreuk betekende op het principe dat alleen het hof van assisen bevoegd is inzake politieke delicten. In de krijgsraden is bovendien vaak geen rekening gehouden met de vele schakeringen in de gelaakte feiten, noch met de bedoelingen en motieven van de beschuldigden. Precies daarom is de regel vaak geschonden dat de boete in verhouding moet staan tot de schuld. Er was ook het gebrek aan rechtszekerheid in de administratieve epuratie en bij de toekenning of weigering van het bewijs van burgertrouw.

2.5. De repressie en de V.B.

In het noorden van het land zien velen de repressie als een aanval van België op Vlaanderen. Waarop kan deze visie gebaseerd zijn? Zo'n 62% van de repressievonnissen is in het Nederlands, 38% in het Frans opgesteld. Er zijn dus verhoudingsgewijze iets meer Vlamingen dan Franstaligen gestraft, want de Belgische bevolking telde op het einde van de oorlog ongeveer 57% Nederlandstaligen. Maar die oververtegenwoordiging heeft alles te maken met een enkele categorie: de politieke collaboratie. In alle andere delictsoorten zijn er ofwel evenveel, ofwel meer Franstaligen gestraft. Wat de strafmaat betreft: er is in Vlaanderen niet strenger gestraft dan in het zuiden, wel integendeel. Voor elk type van collaboratie zijn er in de Waalse krijgsraden meer criminele, dus zware, straffen uitgedeeld dan in de Vlaamse. Er zijn in Franstalig België verhoudingsgewijze ook meer doodstraffen uitgesproken en uitgevoerd. De indruk dat Vlaanderen het zwaarst geleden heeft onder de repressie moet dus wel op andere elementen steunen. Hier is het dat de berechting van de politieke collaboratie als belangrijk gegeven opduikt. De bestraffing van zo'n soort misstap is altijd al een betwiste zaak: in een democratie zijn de politieke gedachten toch vrij? Hier was het gewraakte gedrag een of andere vorm van Duitsgezindheid, een lidmaatschap van een Nieuwe Orde-beweging of de voorkeur voor een autoritair ideeëngoed. Niet zelden waren deze feiten verbonden met een Vlaams-nationale opstelling. Dat zovelen voor een door hen als zeer licht ervaren vergrijp toch gestraft werden, heeft in Vlaanderen de overtuiging gewekt dat de repressie tegen deze regio was gericht.

Waarom deze strenge behandeling van politieke collaborateurs? Onze hypothese is dat deze repressie te zien is als een episode in de strijd tussen twee groepen van politieke, administratieve en culturele elites; een strijd die zich juist voor, tijdens en onmiddellijk na de oorlog heeft ontwikkeld. In de jaren 30 hadden de Nieuwe Orde-bewegingen, vooral dan het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV), zich al duidelijk als te duchten rivalen van de drie traditionele 'politieke families' gemanifesteerd. Tijdens de bezetting heeft het VNV met de Duitsers als steunpunt de strijd een nieuwe wending gegeven. Het heeft politieke sleutelposities ingenomen en is de ambtenarij binnengedrongen. Het is verder gegaan met de uitbouw van een eigen netwerk van verenigingen dat een gevaar vormde voor de katholieke zuil. Waar dat niet lukte, heeft het VNV gestreefd naar een Vlaams-nationale dominantie over het katholiek organisatiewezen. Uiteraard veranderde de strijd nog in een tweede richting. Het optreden van het VNV tijdens de bezetting was niets minder dan een staatsgreep met het oog op de invoering van een autoritair regime. Met de nederlaag van Duitsland brak dan een nieuwe fase in de confrontatie tussen de twee elites aan. Het gevecht kon nu in het voordeel van het oude establishment beslecht worden, niet het minst omdat het VNV nu door zowat de hele bevolking als landverrader én als doodgraver van de democratie beschouwd werd. Maar de 'revenants' wilden meer: door tienduizenden Nieuwe Orde-gezinden levenslang te verbannen uit het maatschappelijk leven poogden zij te verhinderen dat hun belagers ooit nog een comeback konden maken.

De repressie was niet alleen een afrekening met Vlaams-nationalisten. Ook Vlaamsgezinden, die buiten het Vlaams-nationalisme stonden, ondervonden er de gevolgen van. De vele nuances binnen de V.B. werden door sommige magistraten, politici, journalisten en verzetsleden (bewust of onbewust) niet gezien. Bij sommige Vlamingen leidde dat tot een angstpsychose die verlammend moet hebben gewerkt op de V.B. in al haar aspecten.

Dat alles bracht de V.B. in het algemeen, het Vlaams-nationalisme in het bijzonder een zware klap toe, niet het minst omdat sommige sancties – zoals het verlies van rechten – een langdurige werking kenden. Het geleidelijk herstel zal over twee sporen lopen (amnestie).

Zelfhulp was de eerste weg. Dat was aanvankelijk vooral gericht op de persoonlijke en maatschappelijke revalidatie. Aangezien de overheidsgebonden reclassering niet veel om het lijf had, waren de vrijgelaten collaborateurs voor hun herinburgering aangewezen op familie, vrienden en op het sociaal dienstbetoon van enkele politici. Vele collaborateurs die hun politieke en burgerrechten hadden verloren en dus niet langer in openbare dienst of in het onderwijs terechtkonden, kwamen aan de kost als rondreizende verzekeringsmakelaars of handelsreizigers. Hun cliënteel bestond in het begin uit lotgenoten, geestelijken en niet-verbrande flaminganten. Vlaamsvoelende bedrijven namen oud-collaborateurs in dienst. Deze terugkeer in de samenleving zou na verloop van tijd ook gunstige gevolgen hebben voor de V.B. Toch waren er ook neveneffecten. In de netwerken en in de subcultuur die onvermijdelijk ontstonden speelde rancune een belangrijke rol. Dat zou een gedeelte van de V.B. een negativistische inslag geven. Velen zagen de Belgische staat als de oorzaak van het onrecht dat hen en hun familie was aangedaan. Daaruit vloeide als vanzelf een groot en hardnekkig wantrouwen voort tegenover elke vorm van 'collaboratie' van de V.B. met het 'Belgische feit'.

De tweede weg van herstel liep over de politiek. Al vroeg in de jaren vijftig ontwikkelde zich de kern van wat een nieuwe Vlaams-nationalistische partij zou worden. Dat dwong de CVP om haar standpunten tegenover de collaboratie en de repressie te herzien. Geleidelijk ontstond daardoor een klimaat waarin een voor een de hinderpalen voor een heropbloei van de V.B. konden verdwijnen.

2.6. De beeldvorming over de repressie

Terwijl de politieke opinie in Wallonië geen moeite had met de veroordeling van een collaboratie, die aangevoeld werd als een verwerpelijk verschijnsel vreemd aan de Waalse samenleving, mentaliteit en traditie, werd door velen in Vlaanderen, vooral binnen de V.B., heel spoedig begrijpend en mild gereageerd op die aspecten van de collaboratie die niet het odium droegen van verklikking, wreedheid of vulgair avonturisme. Niet weinigen die buiten de collaboratie waren gebleven, stonden open voor de overweging dat Vlamingen hadden kunnen samenwerken met de bezetter, met de bedoeling medeburgers te dienen – bijvoorbeeld de secretarissen-generaal, sommige oorlogsburgemeesters – of een Vlaamse aanwezigheidspolitiek te voeren in een België dat, in geval van een Duitse overwinning, zou worden ingeschakeld in het Europa van de Nieuwe Orde. Die overweging gold zelfs voor een uitgesproken politieke collaborateur als Hendrik Elias en de bij de SS aanleunende priester Cyriel Verschaeve.

Dat gerespecteerde flaminganten als Gerard Romsée, Hendrik Borginon, dom Modest (Alfons) van Assche, aangehouden en voor het gerecht gedaagd werden, deed de indruk ontstaan dat de Belgische staat niet afrekende met verraders en criminelen, maar met de idee zelf van de V.B. Het klimaat van begrip en vergevingsgezindheid werd nog versterkt, vooral in het katholieke segment van de Vlaamse bevolking, door het optreden van bekende geestelijken als Max Wildiers ten voordele van de veroordeelden, en door de pleidooien voor amnestie van christen-democratische Kamerleden als Louis Kiebooms. Ook de kritiek van de Vlaamse katholieke pers op de uitwassen van repressie en epuratie droeg bij tot dat klimaat.

Het heroptreden in de jaren zestig, in het zich herstellende nationalistische kamp, van figuren die gecollaboreerd hadden – Leo Wouters, Oswald van Ooteghem, Hector de Bruyne, Lode Claes, Hendrik Ballet, Toon van Overstraeten en anderen – bevorderde uiteraard de anti-repressie tendens.

Zo kon in Vlaamsgezinde en katholieke middens het beeld ontstaan en standhouden van een Belgische rechtspleging, die anti-Vlaams was, onrechtvaardig en niet zelden onmenselijk, terwijl het hele gratiebeleid goeddeels buiten beeld bleef. Dat beeld heeft bijgedragen tot de anti-Belgische zienswijze die ook de naoorlogse V.B. kenmerkt.

Literatuur

M. Basse, De Vlaamsche Beweging van 1905 tot 1930, II, 1933; 
A.W. Willemsen, Het Vlaams-nationalisme. De geschiedenis van de jaren 1914-1940, 19692; 
H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, I, 1969; 
W. Ganshof van der Meersch, 'Réflexions sur la répression des crimes contre la sûreté de l'Etat Belge', in Revue de Droit Pénal et de Criminologie (1946-1947), p. 97-182; 
J. Gilissen, 'Etude sur la répression de l'incivisme', in Revue de Droit Pénal et de Criminologie (1950-1951), p. 513-621; 
C. van Everbroeck, L'opinion flamande face à la répression de l'activisme, ULB, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1981; 
M. van Haegendoren, Het aktivisme op de kentering der tijden, 1983; 
L. Wils Honderd jaar Vlaamse Beweging, II, 1985; 
W. Pauwels, De verdachten van september 1944. Illegale interneringen tijdens de repressie, 1990; 
K.D. Henke en H.D. Völler (ed.), Politische Säuberung in Europa. Die Abrechnung mit Faschismus und Kollaboration nach dem Zweiten Weltkrieg, 1991; 
D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991; 
L. Huyse, S. Dhondt, e.a., Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België, 1942-1952, 1991; 
L. Huyse en K. Hoflack, Onverwerkt verleden: een naschrift, 1994; 
L. Vandeweyer en R. Nijssen, '"Un véritable nid d'activistes". De Hasseltse ambtenaren van Financiën in de vuurlinie van de Vlaamse strijd 1918-1920', in Limburg, nr. 4 (oktober-december 1994), p. 193-215; 
F. Seberechts, Ieder zijn zwarte. Verzet, collaboratie en repressie, 1994.

Verwijzingen

zie: activisme, amnestie, Alfons van Assche, Jef van Extergem, Adelfons Henderickx, Maurits Josson.

Auteur(s)

Luc Vandeweyer; Luc Huyse; Kris Hoflack; Manu Ruys