Peleman, Bert

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Puurs 13 april 1915 – Antwerpen 6 augustus 1995).

Pseudoniemen: Dirk Dyckmans, Herman Verwilghen, Bernardus Boeckuyl, Peter Poppaert, Theo Telraem, Koenraad Vercruyssen.

Was de zoon van een kruidenier die aan het Klein Seminarie van Hoogstraten via de leraars Remi Lens en Ast Fonteyne belangstelling kreeg voor kunst en toneel. Te Leuven, waar hij anderhalf jaar politieke en sociale wetenschappen studeerde, was hij betrokken bij de Vlaamsgezinde studentenkring voor Klein-Brabant, Leven is Streven. Tevens richtte hij het eerste studentencabaret op, waarmee hij vanaf 1935 optrad voor de Katholieke Vlaamsche Radio-omroep. Vooral onder invloed van Jef van Bilsen werd hij sympathisant van het Verdinaso.

Nadat Peleman gedurende een korte periode de cultuurredactie van De Courant had verzorgd, werd hij in 1939 cultureel medewerker van het Nationaal Instituut voor Radio-omroep (NIR). Ondertussen verschenen zijn eerste gedichten in tijdschriften als Dietsche Warande en Belfort, Vormen en Volk. Na twee weinig opmerkelijke bundels oogstte hij heel wat bijval met zijn Variante voor harp (1937). Zijn poëzie werd in die jaren gekenmerkt door een onstuimig vitalisme, zowel in thematiek als in uitbeelding. Het niet-introspectieve karakter van zijn dichtkunst werd vooral door voorstanders van een 'volksverbonden' kunst gewaardeerd.

Tijdens de mobilisatie stelde Peleman, als onderluitenant bij het Belgisch leger, een bloemlezing samen (Wij... Soldaten!, 1939), ingeleid door fervente lofbetuigingen aan het Belgische koningshuis. Hij bracht een korte tijd als krijgsgevangene door in Beieren, maar werd al in juli 1940 vrijgelaten. Na zijn terugkeer werd hij, op verzoek van het bezettingsbestuur, ondervoorzitter van de Brabantse Kunstenaarsfederatie. Tevens trad hij op als hoofdreferent voor kunst en letterkunde bij Zender Brussel, waar hij opviel door zijn pro-Duitse instelling. Verscheidene massaspelen en strijdliederen, onder meer voor het Vlaamsch Legioen en de Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps (NSKK), dateren uit deze periode. Zijn verering voor Joris van Severen bracht hij in 1941 tot uitdrukking in de bundel Gij leeft in ons!. Begin 1942 verliet hij de Zender om in april hoofd te worden van het departement Stijl en Vorming bij de Dietsche Militie – Zwarte Brigade (DM-ZB). In die hoedanigheid maakte hij een reis naar het oostfront, waar zijn broer Cyriel bij het Vlaamsch Legioen vocht en gestraft werd omdat hij uit politieke en religieuze motieven weigerde de SS-runen te dragen. Mede door dit voorval verliet Peleman eind 1943 de DM-ZB en werd hij, tot aan het einde van de bezetting, hoofdredacteur van het geïllustreerde weekblad De Illustratie, uitgegeven door de Naamloze Vennootschap De Schelde die ook Volk en Staat uitgaf.

Peleman vluchtte niet bij de bevrijding. Na de oorlog werd hij ter dood veroordeeld (arrest van 9 juli 1946, bevestigd in maart 1947) op beschuldiging van hoogverraad en van betrokkenheid bij de plundering van het huis van de oud-burgemeester van Sint-Kwintens-Lennik. In april 1948 werd zijn straf omgezet in levenslange dwangarbeid. Eind 1950 kwam hij vervroegd vrij nadat zijn gratieverzoek, onder impuls van Albert Westerlinck en Willy Peremans, was ondertekend door verschillende schrijvers en professoren. Bij dit gratieverzoek werd verwezen naar de in de gevangenis geschreven dichtbundel Bij Zandloper en Zeis, waarin de dichter zijn repressieleed tot uitdrukking bracht. In zijn poëtische evolutie markeert deze bundel de overgang van een uitgesproken extroverte naar een meer verinnerlijkte schriftuur.

Na zijn vrijlating hield hij zich niet meer bezig met de actieve politiek. Naast zijn poëzie- en toneelwerk legde hij zich nu toe op de promotie van het toerisme in Vlaanderen en meer bepaald in het Scheldeland. Tot zijn voornaamste initiatieven behoren de vereniging zonder winstoogmerk Mercatoria (opgericht 1955) en het Scheldedomein Scaldiana (opgericht 1957). In 1969 werd door zijn toedoen 'het Schelde- eiland' te Rupelmonde gecreëerd. Ook via initiatieven in de uitgeverswereld ontpopte hij zich tot een 'cultureel ambassadeur' van Vlaanderen: hij werd de eerste directeur van het Mercatorfonds (1965-1966) en artistiek directeur bij uitgeverij Buschmann, waar hij de reeks Flandria Illustrata (1965-1978) leidde. Centraal bij veel van deze activiteiten stonden de legendarische figuren Reinaert de Vos en Tijl Uilenspiegel, die hij beschouwde als personificaties van de 'Vlaamse vrijheidsgeest'. Hij schreef vele gedichten en liederen rond de figuur van Uilenspiegel en was voorzitter van de Antwerpse Uilenspiegel-gezellen (vanaf 1966) en van de internationale kunstenaarskring De 7 rond Tijl (gesticht in 1977).

Onder de titel Geboeid maar... Ongebonden bundelde Peleman in 1983 een aantal brieven en gedichten uit zijn repressietijd. In 1986 ontstond nog enig tumult toen zijn benoeming tot ridder in de Orde van Leopold II ongedaan werd gemaakt onder druk van oud-verzetsstrijders en van sommige Waalse socialisten. Het leidde tot protestacties van sympathisanten, waarbij de verantwoordelijke minister Patrick Dewael de kop van Jut was. In de Vlaamse Raad interpelleerde Hugo Schiltz Dewael.

Werken

Artikelen in Volk en Staat; Kulturdienst des Militärbefehlhabers in Belgien und Nordfrankreich; De Nationaal-Socialist; 
Gij leeft in ons!, 1941; 
G. Wittebols (ed.), Verzamelde Gedichten, 1980; 
Geboeid maar... ongebonden, 1983.

Literatuur

G. Wittebols, Bij benadering... Bert Peleman: monografie van een openboek-mysterie, 1975; 
id. (e.a.), Als de man in de peel... Bert Peleman, 1980; 
J. Willems, 'Bert Peleman vond zijn inspiratie bij een zondagsschilder', in De Vlaamssche Kronijken (1987), p. 63-79; 
F. van Campenhout, Een riet tussen de tanden. Essay over Bert Peleman, 1994; 
L. Saerens, 'Archief Bert Peleman (1915-1995)', in KADOC-Nieuwsbrief, nr. 4 (1996- 1997), p. 4-6; 
F. van Campenhout, 'Bert Peleman', in Broederband, jg. 34, nr. 9-10 (september-oktober 1997), p. 3-7.

Auteur(s)

Marnix Beyen