Pée, Julius

Uit NEVB Online
Ga naar: navigatie, zoeken

(Gent 19 april 1871 – Lokeren 12 maart 1951).

Liep school te Gent, van 1877 tot 1883 in de lagere gemeenteschool waar zijn vader lesgaf, het daaropvolgende jaar in het Laurent Instituut waar hij het zevende studiejaar volgde en van 1884 tot 1889 in het Koninklijk Atheneum. Vervolgens studeerde Pée verder aan de Vlaamse Hogere Normaalschool te Gent die men in 1890 afschafte en waarvan men de studenten overhevelde naar de faculteit letteren en wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Gent. In oktober 1894 promoveerde hij daar, op een dissertatie over Multatuli, tot doctor in de Germaanse talen.

Zijn studententijd bracht Pée niet volledig door in zijn vaderstad. Oktober 1893 reisde hij naar Duitsland waar hij respectievelijk in Godesberg en Bonn lesgaf en in zijn vrije tijd zijn thesis afwerkte. Eind 1895 keerde hij terug naar België. Hij gaf er les in het Koninklijk Atheneum van Brussel (oktober 1896-1897), het Koninklijk Atheneum van Hasselt (oktober 1897-1898) om dan uiteindelijk een vaste betrekking te verwerven in het Koninklijk Atheneum van Brugge. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij aangesteld tot waarnemend studieprefect in het Koninklijk Atheneum van Brugge. Hij hield zich afzijdig van elke politiek maar kon niet voorkomen dat hij in 1918 beschuldigd werd van activisme. Hoewel hij werd vrijgesproken, weigerde hij nog langer les te geven in Brugge en aanvaardde hij een betrekking in het Koninklijk Atheneum van Gent tot hij in 1925 tot directeur-prefect benoemd werd te Diest. In 1929 nam hij ontslag en trok zich terug in Staakte, een gehucht van Lokeren waar hij tot zijn dood bleef wonen.

Op het einde van de 19de eeuw maakte Julius Pée deel uit van de Knopsenfamilie, een vriendengroepje met onder anderen Maurits Basse, Daniël Jacobs, Pieter Tack, Maurits Sabbe, Emile van Heurck, dat zich engageerde in het Taalminnend Studentengenootschap 't Zal wel gaan, het Willemsfonds, De Goedendag en Het Volksbelang. In de almanakken van 't Zal wel gaan ondertekende Pée zijn bijdragen met Pettel.

Tot halfweg 1893 draaide Julius Pée met overtuiging mee in deze mallemolen van activiteiten. Samen met andere Knopsen was hij een van de oprichters van het Hooger Onderwijs voor het Volk en heeft hij met zijn lezing over de vernederlandsing van de universiteit aan de basis gelegen van het latere verslag van Julius Mac Leod voor de Vlaamsche Hoogeschoolcommissie. De vrienden inspireerden en motiveerden elkaar en werden beïnvloed door vooraanstaande liberale flaminganten zoals Paul Fredericq, Jozef-Frederik Vercoullie en Mac Leod. De periode van het cultuurflamingantisme werd door hen ingeleid en Julius Pée profileerde zich als een sociaalvoelend vrijzinnig flamingant.

Toch bleef hij geen haantje-de-voorste. Na conflict met professor A. Bley en de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde waarvan de juiste oorzaak niet meer te achterhalen valt, voelde hij zich gekwetst en verdween op het achterplan. Voor een tweetal jaar zakte hij af naar Duitsland en onthield zich verder van elke kritiek. Hij legde zich toe op zijn Multatulistudie en negeerde de grote maatschappelijke problemen. Na zijn terugkeer in België gaf hij wel nog enkele lessen voor het Hooger Onderwijs voor het Volk en zou hij nog een voordracht gehouden hebben over de vernederlandsing van de universiteit, maar de politicus heeft het niet gehaald op de literator. Julius Pée hield zich voortaan alleen bezig met literatuur en verwierf uiteindelijk bekendheid als multituliaan. Vanaf de jaren 1930 gaf hij enkele boeken uit over Multatuli en schreef hij ettelijke artikels over zijn geliefde schrijver.

Werken

Artikelen in De Vlaamsche Gids; 
Multatuli en de zijnen, 1937.

Literatuur

E. Defoort, Al mijn illusies bloeien, 1991; 
K. Fremout, De jonge jaren van Pettel (Julius Pée). Oktober 1889 tot einde 1898, KUL, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1991.

Auteur(s)

Katleen Fremout